Column

Laatst zag ik mijn vader, voor het eerst na twee jaar

 

Beeld Floris Lok

Sinds de publicatie van mijn debuutroman heb ik mijn familie niet meer gesproken. Afgelopen Moederdag moest ik aan mijn vader denken. Mijn moeder was thuis namelijk de patriarch. Als een generaal deelde ze bevelen uit om het huishouden in goede banen te leiden - ik groeide op in De Pijp met drie broers en drie zussen.

Als ik wilde buitenspelen, vroeg ik aan mijn vader of dat mocht. Dan keek hij op van de Koran en zei: 'Als het mag van je moeder.' Mijn vrome vader was een zachtaardige man. Honden en katten schuurden zich op straat tegen hem aan. Als we familie op bezoek kregen, klampten de kleine kinderen zich steevast aan z'n benen vast.

Thuis nam hij de was voor zijn rekening, net als de afwas en boodschappen. De oude man streek, stofzuigde, schilderde en sleutelde soms aan de schotel. Vader was een culinair wonder - hij kon beter koken dan mijn moeder. Hurkend op het balkon stak hij dan een welverdiend sjekkie op en vertelde hij verhalen uit zijn verleden. De keer dat hij in het bos achterna werd gezeten door een wild zwijn. Als een slingeraap klom hij net op tijd een boom in en het zwijn knalde met z'n kop tegen de boom. 'Zouden zwijnen moslims ­lusten?' vroeg ik hem. En dan lachten we ons krom op het balkon.

Na zijn sigaret stond hij bij de vensterbank en keek hij doelloos uit het raam naar buiten. Urenlang. Het doel van kijken is meestal om te reageren op de wereld. Dat gold niet voor hem. Ik heb me daar weleens aan geërgerd.

Laatst zag ik hem na bijna twee jaar. Op het Victorieplein, in zijn hand een doorschijnende tas met beschimmeld brood. Hij was onderweg naar het grasveldje om duiven te voeren. Vroeger vergezelde ik hem en droeg ik de tas. Ik zat op mijn Vespa, wachtend tot het verkeerslicht op groen zou springen. Vader stond aan de overkant en zag mij. Hij zwaaide. Legde de tas tussen zijn benen. En zwaaide met beide handen. Hij wenkte. Toen het verkeerslicht op groen sprong, sloeg ik met een rotvaart rechtsaf de Van Wou­straat in en gaf vol gas.

Een week later las ik een gedicht van Ischa Meijer.

Soms loop ik 's nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond.
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond.

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta

Om thuis te komen.
En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken -
De tijd die stilstond en hem liet begaan.

Wilt u reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen of stuur een mail.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden