Kunstenaar Maria Barnas: 'Ik benoem wat anders wegglipt'

Op 25 augustus wordt de Amsterdamprijs voor de Kunst uitgereikt. In deze serie komen de negen genomineerden aan het woord. Deel 4: schrijver-dichter-kunstenaar Maria Barnas.

Maria Barnas: 'Ik probeer de rafelranden van communicatie te laten zien.' Beeld Eva Plevier

Maria Barnas (42) wordt door de jury van de Amsterdamprijs omschreven als een 'multi'-kunstenaar, die een hoge mate van vakbekwaamheid en eigenheid toont in haar poëzie, literaire- en beeldendekunstpraktijk.

Ze studeerde aan de Rietveld Academie en de Rijksakademie en debuteerde 'literair' in 1997 met de roman Engelen van IJs. 'De zelfverzekerde rust en punctuele beschrijvingen van details die relateren aan grotere dingen waar eenieder zich in kan vinden, zijn tekenend voor haar werk,' aldus de jury.

Wat kenmerkt uw werk?
"In mijn werk probeer ik te benoemen wat anders wegglipt. Ik volg mijn nieuwsgierigheid en baseer mijn werk op vermoedens, nieuws­berichten die ik niet helemaal begrijp, angsten en verlangens: alles wat niet concreet is, maar wel een belangrijke, zo niet sturende rol speelt in persoonlijke levens en in de samenleving."

"Ik werk momenteel aan een roman over een meisje dat er rekening mee houdt dat Salman Rushdie zich schuilhoudt in de schuur achter in haar tuin. Zij voelt zich verantwoordelijk voor hem, maar weet zich niet goed raad met de situatie. Ze bereidt een spreekbeurt over De duivelsverzen voor. Op school wordt het boek verbrand door een Turkse klasgenoot. Vragen dringen zich op, als: moet deze jongen van school worden gestuurd? Wat is de kracht van het geschreven woord? Moet alles wat je vertelt waar zijn? De roman gaat over een samenleving die zich vervolmaakt waant, maar barsten begint te ­vertonen."

"In mijn gedichten en in mijn beeldend werk probeer ik de rafelranden van communicatie te laten zien. Daarin gebruik ik vaak het stokken en falen van taal als uitgangspunt. Ik heb net een machine gemaakt die bellen van stikstof blaast terwijl hij stotterend probeert te vertellen hoe moeilijk het is om jezelf te uiten."

"Ik heb de machine gemaakt om mijn plaats in te nemen bij dichtersoptredens. Optreden blijf ik eng vinden, al heb ik inmiddels wel geleerd voor te lezen zonder dat mijn handen zo hard trillen dat ik de letters op het papier niet meer kan lezen. Het enige probleem aan de ­machine is dat alleen ik hem weet te bedienen. Ik moet nu dus nog steeds mee, als assistent van de machine sta ik nog steeds op het podium."

Hoe manifesteert u zich in Amsterdam? Welke raakvlakken heeft uw kunst met Amsterdam?
"Amsterdam is de stad die mij heeft gemaakt tot wie ik ben. Mijn eerste dichtersoptredens, mijn eerste tijdschriftstukjes, mijn eerste tentoonstellingen, alles gebeurde in Amsterdam. Al woon ik sinds ik terugkwam uit Berlijn in Bergen, ik werk in Amsterdam. En ik houd stug vol dat ik aan de rand van Amsterdam woon. Er zitten alleen wat weilanden tussen. Kan iemand daar misschien de metro doorheen trekken? Of nog beter, tram 3?"

"Momenteel ontwikkel ik een nieuw werk voor de afdeling spoedeisende hulp van het AMC die in oktober wordt geopend. Ik probeer alle afzonderlijke wachtkamers te zien als gedichten die samen een beweeglijke bundel ­vormen waarin de tijd zich op verschillende manieren gedraagt. Zoals de tijd voor sommige wachtenden is als stroop, en voor anderen als een stroboscoop, zo wil ik dat de tijd zich op verschillende manieren in de wachtkamers ­manifesteert. Dat doe ik met dichtregels, op glaswanden en met geanimeerde dichtregels op de beeldschermen in de wachtkamers."

"Een spannend onderdeel van dit project is dat wachtenden worden uitgenodigd zelf ook iets te formuleren over hun toestand. Hoe de tijd in hun ogen, in hun gedachten, verstrijkt. Ik bekijk de teksten regelmatig, om een keuze daaruit te kunnen plaatsen op een digitaal platform, waar het jagen van de tijd verder zal gaan."

Een van de criteria voor de Amsterdamprijs is 'creatief ondernemend'; wat doet u om uw kunst onder de mensen te krijgen?
"Ik zie het schrijven en het maken van beeldend werk als creatief ondernemerschap. Het pure maakwerk neemt veel tijd in beslag, om het ­vervolgens goed de wereld in te krijgen, neemt minstens zo veel tijd in beslag."

Wat doet u over tien jaar? Wat zijn uw plannen?
"Ik hoop dat ik over tien jaar in Amsterdam woon, en dat ik net een roman heb geschreven van vijfhonderd pagina's. Ik hoop dat mijn uitgever mijn verzamelde gedichten heeft uitgegeven en dat ik een reeks tentoonstellingen heb gemaakt waarin ik laat zien dat beeld en taal niet gescheiden hoeven te worden."

Als u zelf niet wint, wie moet er dan winnen, en waarom?
"In mijn categorie zijn twee grootmeesters genomineerd: Annejet van der Zijl en Lotte de Beer. Zij verdienen allebei de prijs, beiden allereerst om hun eigenzinnigheid. De Beer weet klassieke stukken uit de opera op een volstrekt unieke manier te hervertellen. Ze maakt de drempel om naar de opera te gaan lager, ze weet ook kinderen te trekken."

"Annejet van der Zijl herschrijft, met een prachtige vertelstem, geschiedenissen zó dat het is alsof je de personages uit haar biografieën, zelf hebt gekend. Ze brengt complexe sociale structuren terug tot een verhaal waar de lezer zich mee kan verbinden."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.