PlusAnalyse

Kunnen turnsters nog wel meedoen aan de top zonder medaillefabriek?

Na het snoeiharde rapport over de Nederlandse gymnastieksport is een cultuurverandering beloofd. Is dan nog de internationale top te halen in die veeleisende sport?

Het Parool
Het welzijn van het turnende kind is momenteel in het brandpunt van de discussies. Beeld ANP
Het welzijn van het turnende kind is momenteel in het brandpunt van de discussies.Beeld ANP

Is een veeleisende sport als turnen op een veilige en verantwoorde manier op topniveau te beoefenen? Afgaande op het vernietigende rapport over misstanden in de gymnastieksport is dat de vraag. Woensdag bleek bij de presentatie dat een meerderheid van de Nederlandse topturnsters tijdens de sportcarrière te maken heeft gekregen met grensoverschrijdend gedrag.

De directeur van de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie, Marieke van der Plas, ziet geen tegenstrijdigheid tussen presteren en peda­gogiek. Ook voorzitter Monique Kempff stelt dat je sportieve grenzen kunt verleggen binnen de algemeen geldende fatsoens­normen. Maar het rapport Ongelijke leggers maakt pijnlijk duidelijk hoe uitzonderlijk het vrouwenturnen in vele opzichten is, en hoe intrinsiek kwetsbaar daardoor.

Het kan geen toeval zijn dat er wereldwijd juist in het turnen zoveel schandalen naar buiten zijn gekomen. Het wetenschappelijk rapport onderstreept dat ongewenst gedrag in de gymnastieksport geen specifiek Nederlands probleem is. In verschillende landen – bijvoorbeeld België, Nieuw-Zeeland en Zwitserland – lopen onderzoeken naar in opspraak geraakte trainers. Wordt er om aan de internationale standaard te voldoen niet te veel van het vrouwenlichaam geëist?

Hand boven het hoofd

De gymsport kent bijzondere karakteristieken die haar vatbaar maken voor grensoverschrijdend gedrag, staat in het rapport Ongelijke leggers. Het is een zogeheten vroegontwikkelsport, waarmee jong moet worden begonnen. Esthetiek is belangrijk, net als acrobatiek. Ook is het een aanrakingssport, waarbij de trainer en de pupil soms fysiek contact moeten hebben. Dat alles tezamen zorgt volgens de onderzoekers voor een sterke afhankelijkheidsrelatie tussen de coach en de sporter, met alle risico’s van dien.

Die risico’s zijn te verminderen. Ook de KNGU is nu overtuigd van de noodzaak van een cultuurverandering. Een belangrijke aanbeveling uit het rapport luidt: heroverweeg het Nederlandse financieringssysteem van de topsport, waarin prestaties leidend zijn. Dat is vooral een oproep aan NOC*NSF, de sportkoepel die ijverig banners met de tekst ‘Medal factory’ in de trainingshallen van jonge talenten heeft opgehangen.

Onderzoeker Marjan Olfers spreekt van een ‘cirkel van verantwoordelijkheid’ rondom het turnende kind, waartoe NOC*NSF en de KNGU dus ook behoren. De trainer kon zijn gang gaan omdat controlerende mechanismen ontbraken. “Iedereen heeft een bepaalde mate van verantwoordelijkheid.” Veel vaders en moeders bijvoorbeeld wisten niet wat er speelde, meestal omdat de meisjes het thuis niet durfden te vertellen. Sommige oud-turnsters noemen hen daarom ook slachtoffers, maar het blijft een feit dat ze hun kind voor vele uren in de week afleverden achter gesloten deuren.

De cirkel daaromheen vormen de clubs, niet zelden geleid door goedwillende ouders. Turnen is geen rijke sport. Maar durven zulke bestuurders een machtige coach aan te spreken op zijn gedrag? De verenigingen hielden te vaak een trainer de hand boven het hoofd na een misstap, omdat hij zulke goede prestaties haalt. Olfers: “De druk om jezelf met prestaties in de kijker te spelen, geldt voor alle niveaus. Ook gemeenten bijvoorbeeld, die sneller een subsidie verstrekken als het om topsport gaat.”

Oost-Europese methoden

De trainers zagen in het verleden dat er internationaal het best gescoord werd met de harde Oost-Europese methoden. Volgens het rapport werd die trainingscultuur in de jaren tachtig genormaliseerd binnen de Nederlandse sport. De KNGU was trots op de prestaties die volgden. Van Renske Endel, die in 2001 de eerste Nederlandse medaille op een WK won in bijna honderd jaar, tot aan de olympische titel van Sanne Wevers in 2016.

Valt er straks nog te juichen? In ieder geval zijn er dan hopelijk veel meer blije turnsters, maar of die internationaal nog mee kunnen? Hoewel er verspreid over de wereld momenteel gediscussieerd wordt over het welzijn van het turnende kind, beperkt zich dat vooral tot de westerse landen. Rusland bijvoorbeeld trekt zich er weinig van aan. Een voorstel van acht landen waaronder Nederland om de minimumleeftijd voor het vrouwenturnen te verhogen naar achttien jaar, ingediend bij de internationale turnbond FIG, is mede door Rusland kansloos. Dat land stuurde vorige week gewoon een vijftienjarig meisje naar de Europese kampioenschappen. Ze won ook nog, Viktoriia Listunova.

Grootste troef

Dat is het speelveld. KNGU-voorzitter Kempff ziet de sportieve toekomst desondanks met vertrouwen tegemoet. “Bij topsport hoort hard trainen. Dat moet en kan zonder misstanden. Ik ben niet zo bang dat de resultaten dan wegblijven. Kijk maar naar Aimee Boorman.” Daarmee verwijst ze naar misschien wel de grootste troef van de KNGU op dit moment: de nieuwe Amerikaanse assistent-bondscoach van Nederland, die turnster Simone Biles naar grote internationale successen leidde op een pedagogisch verantwoorde manier. Of dat de beruchte uitzondering op de regel is, moet blijken.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden