Plus

Klokopwinder van het Rijksmuseum: 'Vooruit mag, achteruit niet'

Vergeet dit weekend niet de klok op de juiste tijd te zetten, zoals meubelrestaurateur Paul van Duin elke week doet met de klokken in het Rijksmuseum. 'Vooruit mag, achteruit niet.'

Paul van Duin in het Rijksmuseum Beeld Dingena Mol

Terwijl de medewerkers via de personeelsingang binnendruppelen en de eerste bezoekers voor de deur staan te wachten, loopt Paul van Duin (61) in forse pas door de lege zalen van het Rijksmuseum. Zoals vrijwel elke donderdagochtend, de afgelopen twintig jaar.

Aangekomen bij de achttiende eeuw, zaal 1.1, houdt hij stil en trekt hij katoenen witte handschoenen aan. Zijn collega Jan Dorscheid (35) opent het doosje dat hij meetilt, zoekt tussen de vele sleutels de juiste en houdt hem in de lucht.

Een staande, een paar minuten achterlopende, klok uit omstreeks 1720 is vandaag als eerste aan de beurt. Het glinsterende eikenhout is belijmd met schildpad, messing, tin en parelmoer.

Bovenop de drie meter hoge klok is een Atlasfiguur geplaatst, staand op de wereldbol en het hemelgewelf op zijn schouders torsend. Een trend destijds, onder makers van het 'Amsterdams staand horloge'. Mogelijk geïnspireerd op het Atlasbeeld dat het paleis op de Dam siert.

De klok op dat gebouw was ten slotte een van de belangrijkste klokken van de stad.

"We hebben hier nu tien klokken in de opstelling en nog dertig in het depot," zegt Van Duin. "Het zijn allemaal oude klokken, dus soms lopen ze net iets sneller, soms iets langzamer."

Beeld Dingena Mol

Ooit stonden de historische klokken in het Rijksmuseum gewoon stil. Dat veranderde in het begin van de jaren tachtig, toen een klokkenrestaurateur zijn baan verloor en als suppoost in het Rijksmuseum kwam te werken.

"Als jullie willen, kan ik die klokken wel restaureren," zei hij op een gegeven moment. Sindsdien worden de klokken elke week opgewonden en gelijkgezet.

Niet een heel vervelend klusje, vindt Van Duin. Het is fijn om de historische meubels elke week even aan te raken.

In de wijzerplaat van het museumstuk zitten, als fonkelende ogen, twee grote sleutelgaten. Terwijl Van Duin draait en draait gaat in de kast een gewicht, dat het slagwerk aandrijft, langzaam omhoog. Door de lege museumzaal klinkt het klassieke, ratelende geluid van een klok die wordt opgewonden.

"Het gewicht weegt iets van twintig kilo, dus je hebt best een beetje kracht nodig," zegt Van Duin. Dat hij 1,98 meter is helpt ook. In het museum doet zelfs het verhaal de ronde dat hij vanwege zijn lengte deze taak heeft gekregen.

Volgens Van Duin doet hij het omdat hij nu eenmaal 'hoofd meubelrestauratie' is. "En dit zijn meubels, met een klok erin."

Bovendien: er zijn ook minder lange collega's die de wekelijkse ronde weleens doen. Die nemen dan gewoon een krukje mee.

Slechts één wijzer
Van Duin wil na het slagwerk ook het uurwerk opwinden, maar de kleine wijzer blokkeert dat sleutelgat - een probleem dat vaker voorkomt als hij net iets te laat aan de ronde begint.

Dan eerst maar naar de wortelnotenhouten klok in de naast­gelegen zaal.

'Kan de Oosterkerkklok niet beter ge­regeld worden,' klaagde iemand in 1844 in een ingezonden brief in de krant. Doordat de klok volgens de schrijver altijd vijf à tien minuten achterloopt in vergelijking met de andere stadsklokken, komen de werklieden 'dikwerf zonder hunne schuld te laat op hun werk'.

Nadat Cristiaan Huygens in 1657 het slingerwerk had uitgevonden, werden klokken steeds nauwkeurig. Dan moesten ze alleen wel regelmatig worden opgewonden en worden geijkt met de zonnestand, iets wat niemand echt belangrijk vond.

Hoe interessant was dat nou, de exacte tijd - op historische foto's is te zien hoe de klok op het paleis op de Dam tot zeker halverwege de negentiende eeuw slechts één wijzer had.

Amsterdamse tijd
Lang was er ook geen uniforme tijd in Nederland, alleen een plaatselijke tijd. Het was 12 uur 's middags als de zon aan de hemel het hoogste punt had bereikt. Daardoor was het in het oosten van het land altijd iets vroeger dan in het westen: daar bereikte de zon eerder zijn hoogste punt.

De industrialisatie in de negentiende eeuw deed het tijdsbesef veranderen: met fabriekssalarissen per uur die moesten worden betaald, werd tijd opeens geld. Ook waren de tijdsverschillen tussen plekken onhandig voor de dienstregeling van de postkoetsen.

Voor de spoorwegmaatschappijen was het onmogelijk om op tijd te rijden. Dus werd 1 mei 1909 de Wet Eenheid van Tijd ingevoerd en gold vanaf dat moment overal in het land de Amsterdamse tijd.

IJkpunt was de locatie van de Westertoren, die 19 minuten, 32 seconden en 13 honderdste van een seconde voorliep op de klok van de Britse stad Greenwich.

Bij de tweede klok gaat Van Duin door zijn knieën en trekt hij aan een touwtje, verborgen achter de klokkenkast. Een luikje springt open, met daarachter een tweede touwtje waarmee de glazen deur voor de wijzerplaat opengaat.

Hij krijgt een nieuwe sleutel aangereikt en weer klinkt het geluid van een klok die wordt opgewonden door de lege zaal. Eerst het uurwerk, daarna het slagwerk.

Deze klok heeft de afgelopen week een paar minuten verloren, dus met zijn vinger beweegt Van Duin de grote wijzer een beetje naar voren ("Vooruit mag, achteruit niet" - achteruit is tegen de klok, en dus het mechanisme, in en kan het kapotgaan). Als hij de grote wijzer voorbij het halve uur beweegt, klinkt het slagwerk negen keer.

"Dit klinkt elk halfuur, dus dat is echt gedoe als je de hele klok rond zou moeten," zegt Van Duin. "Daarom zetten we de klokken straks een uur stil."

Met straks bedoelt Van Duin aanstaande maandag, als de wintertijd is ingegaan en de klok een uur terug moet.

Of eigenlijk: als de zomertijd buiten werking is gesteld.

Het waren de Duitsers die in 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog, besloten om in de zomermaanden de klok een uur vooruit te zetten. Daardoor zou het 's avonds langer licht blijven, waarmee tijdens de kostbare oorlog wat bespaard zou kunnen worden op de kosten van brandstof. Nederland volgde dat voorbeeld.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de klok nog veertig minuten vooruit gezet. Zes dagen na de inval, op 16 mei 1940, schaften de Duitsers de Amsterdamse tijd af en voerden ze hier de Midden-Europese tijd in. Vergeleken met Greenwich was het nu niet meer 19 minuten en een beetje later, maar een vol uur.

Na de oorlog bleef dat zo, maar de zomertijd werd wel afgeschaft. Tijdelijk dan, want ruim veertig jaar geleden, in 1977, werd na de oliecrisis besloten om de zomertijd maar weer in te voeren.

Dierenriemtekens
Daardoor maakt Van Duin maandag, voordat het Rijksmuseum opengaat, een extra ronde om alle klokken een uur terug te zetten. Of eigenlijk twee ronden: het eerste rondje zet hij ze stil, een uur later zet hij ze weer aan. Dat is net iets meer werk dan in het voorjaar, als hij de wijzers een uur vooruit kan schuiven.

Van Duin loopt naar de andere zalen, de volgende eeuwen, om nog meer klokken op te winden. Er komen twee prachtige vergulde bronzen pendules uit Parijs langs, die ooit in heel Europa werden gezien als symbolen van rijkdom en goede smaak.

Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Op een rijkversierde wandklok staat een gevleugelde Vader Tijd die met zijn zeis de levensdraad van liefdesgod Amor probeert door te hakken, die van schrik zijn pijl en boog laat vallen.

Voor het maken van een klok was iemand nodig om het technisch vernuftige uurwerk te maken - dat naast de tijd ook de datum, dag, maand en de stand van de maan aangaf, en soms zelfs extra's als de dierenriemtekens en hoogwater - maar ook de vaardigheden van onder anderen een meubelmaker, beeldhouwer, schilder, smid en componist.

Dat maakte de aankoop van een klok een ongekende luxe, alleen beschikbaar voor Amsterdammers met veel geld.

Ter vergelijking: vanwege het gebrek aan een klok waren aan het begin van de twintigste eeuw in de arbeiderswijken nog porders actief, die tegen een kleine vergoeding hun klanten elke dag met een porstok kwamen wekken.

De enige klok die ontbreekt op de route van Van Duin, is de Grandfather Clock: de videoklok van kunstenaar Maarten Baas waarbij een mannetje de wijzers op de klok tekent en weer wist. De klok is verbonden met internet en krijgt, waar hij ook ter wereld staat, automatisch de juiste tijd.

Dat geldt inmiddels voor zo veel klokken. Vroeger was er nog iemand het hele weekend bezig om alle klokken in de stad een uur terug te zetten, tegenwoordig hoeft dat niet meer.

De klok op het paleis op de Dam, het uurwerk van de Wester­toren of de grote torenklok bovenop het Rijks: alles krijgt op het juiste moment een signaal van de atoomklok in Frankfurt.

Wie het afgelopen decennium zijn klassieke horloge heeft omgeruild voor een smartphone, merkt vaak niet eens meer dat de klok is verzet.

De halfjaarlijkse herinnering dat tijd ook maar iets is wat bedacht is, is over een paar jaar wellicht helemaal verleden tijd. Het is onduidelijk of het argument van energiebesparing nog opgaat, doordat de energieconsumptie is veranderd.

Paul van Duin, hoofd meubelrestauratie, windt met collega Jan Dorscheid elke donderdagochtend in het Rijks de klokken op en zet ze gelijk Beeld Dingena Mol

De Europese Commissie heeft onlangs voorgesteld te stoppen met het verzetten van de klok. Onduidelijk is namelijk wat de voordelen zijn. Omdat elke lidstaat het uiteindelijk zelf moet besluiten, laat het kabinet een steekproef uitvoeren wat Nederlanders vinden van dit systeem.

Mensen kunnen er een verstoord slaapritme van krijgen. Avondmensen hebben moeite met de overgang naar zomertijd, ochtendmensen hebben het komende week wellicht zwaar.

Hamertjes op belletjes
Voor Van Duin zal het niet veel uitmaken: die blijft elke week zijn rondjes lopen om de klokken op te winden.

Terwijl de suppoosten door het museum lopen en hun posities innemen, en door de geluidsinstallatie van het museum wordt omgeroepen dat het negen uur is en het museum opengaat, staat Van Duin weer voor de klok waarmee het deze ochtend begon.

Het sleutelgat wordt niet meer geblokkeerd door de kleine wijzer en hij windt het uurwerk op. Daarna zet hij hem op de juiste tijd en is opeens duidelijk waarom dit rondje klokken opwinden elke week de moeite waard is.

Als hij de grote wijzer voorbij het hele uur schuift, begint een cilinder in de klok in het rond te draaien, hamertjes slaan op de belletjes en een harmonieuze melodie vult de nog steeds lege zaal.

Vrijwel elk object in het Rijksmuseum is statisch. De klok in zaal 1.1 is dat niet. Die is driehonderd jaar geleden bedacht en gemaakt, maar komt nog steeds - zonder dat je er enige verbeeldingskracht voor nodig hebt - elk uur tot leven.

Beeld Dingena Mol
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden