Columns

Klein geluk: Want daar is de Amstel

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Beeld ANP

En zo eindigen we waar we begonnen zijn, want ‘het Amsterdam waar ik woon, op de fiets stap, de tram neem of wandel van Spui naar Oudemanhuispoort, is niet alleen het Amsterdam waar ik woon, vaak de tram pak of op de fiets stap en af en toe van het Spui door de Oudemanhuispoort en de Staalstraat naar het Waterlooplein loop.

Het is ook de onttakelde stad van vlak na de oorlog uit de jaren van mijn vroege jeugd, de stad die zich eind vijftig feestelijk kleurde met jazz en poëzie en in de jaren tachtig in een nevel van traangas en regens van stenen bijkans tot ontploffing kwam.

Het is de stad van Nescio en Kees de jongen, van Frits van Egters en De tranen der acacia’s, van Breitner, Wim van der Linden, Eddy Posthuma de Boer, Johnny Meijer, Karel Appel, tante Leen. Al die steden zitten in mijn kop, waar ze elkaar verdringen zonder elkaar in de weg te zitten.

Maar als ik aan het einde van de Staalstraat de brug over de Zwanenburgwal ben overgestoken, weet ik dat ik al die steden zo dadelijk zal vergeten. Want daar is de Amstel. Met een brede zwaai drijft hij voorbij, schepen en bruggen en oevers erbij. Tijdloos klein geluk.’

Bij een slager in de Kinkerstraat bestelde ik ­wegens opkomende trek een stukje gekookte worst. De vrouw die me hielp, tuurde enige tijd in de vitrine en zei toen: “Ik lette even niet op. Wat bestelde je nou?”

“Dat zeg ik niet,” zei ik, “ik ben net als Dik Trom, ik zing geen twee liedjes voor een cent.”

“Volgens mij,” zei de vrouw die achter me stond, “wou ie een stuk gekookte worst.”

“Is dat zo?” zei de slagersvrouw.

“Doe maar,” zei ik. Zo waren we allemaal tevreden.

De laatste keer dat ik mij op de Ceintuurbaan bij de Java Kitchen vervoegde, zei mijn gesluierde vriendin die daar de scepter zwaait, dat ik definitief kon ­ophouden met mijn gezeur om ­mihoen, want we maken geen ­mihoen meer.

“Dat deed je toch al nooit,” zei ik.

Dat was zo, zei ze, maar nu helemaal niet meer.

“Waarom niet?” wilde ik weten.

“Omdat we altijd overhouden, en dat moeten we dan weggooien.”

“Als je geen mihoen maakt, kun je ook geen mihoen weggooien,” zei ik.

“Precies,” zei ze.

Daar had ik niet van terug.

Nadat ik had afgerekend, zette ik mijn serieuze gezicht op en zei dat ik wegens geen mihoen voor de laatste keer geweest was. Ze lachte, maar leek toch een beetje onzeker. Bij de deur draaide ik mij nog een keer om en zei op een toon als was ik Pierre Bokma zelve: “Nou tabé dan, ik groet je en kom niet meer terug.”

Grinnikend fietste ik naar huis.

Een week later bleek zij toch een beetje blij me weer te zien. “U zei dat u nooit meer zou komen,” zei ze.

“Dat doe ik ook niet,” zei ik, “ik kom pas terug als je weer mihoen hebt.”

Het enige dat ik me herinner van de dag dat ik bijna van de Oude-kerkstoren viel, is dat ik die dag bijna van de Oudekerks­toren ben gevallen. Op Wikipedia kun je lezen dat de Oudekerkstoren de toren is van de Oude Kerk, interessant om te weten.

Het was mooi weer, dat weet ik nog en ik hoefde niet te werken. Ik werkte als gids op een boot, die drie of vier keer per dag toeristen door de havens voer, een bezigheid waarmee ik een ongehoorde hoeveelheid geld verdiende.

Aan het einde van de dag puilden je zakken uit van de guldens, een heerlijk gevoel, maar daarover een andere keer.

Want vandaag was ik vrij. En was het heerlijk weer. In het begin van de middag had ik een taxi genomen die me naar het centrum bracht, naar de Nieuwmarkt denk ik, want daar kwam ik graag en het was een ideale uitvalbasis.

Ging ik naar café de Zon of pakte ik na de verplichte haring meteen de Monnikenstraat met één k, want dat moet je erbij denken, zoals je bij kieviten één t denkt.

Ik weet het niet meer, maar ik weet wel dat ik zo ter hoogte van café Pleinzicht ineens besloot om vandaag dan toch eindelijk de ­Oudekerkstoren te beklimmen.

De torengids, die voor de deur in het zonnetje zat, gaf ik een tientje en ik zei hem dat ik zelf de weg naar boven wel zou vinden. Ik ­beklom lange trappen en belandde ten slotte op een overloop met een laag deurtje.

Ik opende het deurtje en stapte naar buiten, waarna ik op een schuin aflopend zinken dakje bleek te staan, de stad in de diepte aan mijn voeten. ‘Als dat maar goed afloopt,’ dacht ik nog.

In de galerij van de Raadhuisstraat is alles anders. Licht en geluid luisteren hier naar eigen wetten die het licht lijken te dempen en geluiden versterken. Je bent binnen en buiten tegelijk, het regent nooit.

Ik was de ­Herengracht afgelopen. Aan de hand van mijn grootmoeder, wat niet wil zeggen dat ik haar hand vasthield, want ik was op alle stoepen geklommen en waar voor de huizen grote stenen bollen lagen die door kettingen met elkaar waren verbonden, was ik zigzaggend over de kettingen gesprongen en op alle bollen gaan staan.

In de galerij bekeken we de etalages. Ik herinner me dat er een winkel was waar muziekinstrumenten werden verkocht. Of de kantoorbenodigdheden winkel waar ik eens een Adler schrijfmachine kocht er al was, weet ik niet meer.

De Adler, groot en zwaar, was de Rolls Royce onder de schrijfmachines en bracht als het tikken lekker ging een heerlijk geluid voort, als een lentebriesje door de rozenstruiken, een geluid dat ik nog altijd mis.

Maar op mijn nieuwe Adler had ik nog geen drie regels geschreven of het hamertje van de h brak af. Terug naar de winkel dus, waar de mevrouw die me de Adler had verkocht, liet weten dat het niet kon. “Maar u ziet het toch,” zei ik. “Jazeker,” zei ze, “maar het kan niet.” Ik was paf. “Het kan niet, het kan niet, het is zo!” riep ik. Dat werd heibel, zoals u zult begrijpen.

Toen ik lang geleden met mijn grootmoeder door de galerij liep, had ik van dit soort zaken nog geen weet. We liepen gezellig de Westermarkt af en gingen bij Kalkhoven aan een tafeltje bij het raam zitten, waar mijn grootmoeder een potje donker bier bestelde en voor mij een glaasje limonade.

Op de tweemaandelijkse bijeenkomst van het jongemannengenootschap waarvan ik sinds vijftig jaar deel uitmaak, was er groot nieuws. Ter gelegenheid van ons elfde lustrum hadden we een boek gemaakt en van dat boek was een exemplaar verkocht. Voor geld. Officieel. Via uitgever en Centraal Boekhuis. Bert had de bewijzen.

Zoals altijd zaten we aan de grote tafel van Kapitein Zeppos in Het gebed zonder end. Er was bier en wijn en zelfs een bitterbal. Frits en ik hadden het over Carmiggelts ­legendarische Erepoort toen Theo een vraag stelde over Yoka Berretty, wat voor Bert aanleiding was te vertellen dat toen zijn zoon op ­dezelfde school zat als de zoon van Yoka, zij hem vaak kwam halen, maar op rolschaatsen. “Ze zal toen een jaar of vijftig zijn geweest,” zei Bert, “heel bijzonder.”

Aan de andere kant van de tafel ging het inmiddels over onze sportcarrières. Jan bleek nog bij de Volewijckers te hebben gespeeld. De trainer had hem twee raadgevingen meegegeven: ‘Een: nooit gaan roken en twee: altijd opeten wat je moeder je voorzet.’

Weer op straat bleek Theo niet op de fiets maar met de metro. “Hoe is het daar beneden?” zei ik. “Zeg ik niet,” zei Theo. “Ik ben geen verklikker.”

Boven de stad hing een halfvolle maan die in de Leidsestraat ineens in een volle maan was veranderd. Het bleek het verlichte ronde raam in het torentje van Metz. De letters die het woord METZ vormen, staan er nog, zag ik.

Voor de etalage van Iris & Schrieck in de Nieuwe Spiegelstraat werd ik aangesproken door twee vrouwen die het café zochten waar ze ’s middags zo genoeglijk hadden gezeten; het was in een steegje. Ik wist waar het was, maar leg het maar eens uit.

Iris & Schrieck is inmiddels opgeheven.

Omdat ons kleinkind zwemmen leerde, namen wij op woensdagmiddag de 7 naar het Sloterparkbad. Fijne tram, de 7, vooral op het moment dat hij zich op het Bos en Lommerplein los-maakt van de stad en de tuinsteden binnendavert.

Op de kaart van mijn geheugen rijdt hier een piepklein locomotiefje met een lange sliert lorries erachter aan. Dat treintje was er om materiaal voor de nieuwbouw aan te voeren, en om ons jongens naar het avontuur te brengen natuurlijk.

We trotseerden het drijfzand, ontsnapten aan de herdershonden van de wachten die de bouw bewaakten, we zagen de bliksem inslaan. Op een dag werd er zelfs een baby gevonden die in een buis te huilen lag. De jongen die haar mee naar huis genomen had, mocht haar houden, lazen we later in de krant.

Ik herinner me dat de Sloterplas op sommige plaatsen veertig meter diep was en dat je als je als zwemmer in zo’n zwart gat gevangen werd, reddeloos verloren was. Daarom werd er een zwembad aangelegd, met eilandjes waar mannen en vrouwen zomaar in hun blote kont liepen.

Dat was in 1957. Ik was toen 13, een leeftijd, waarop je zoiets van dichterbij bekijken wilt. Laat ik zeggen, het viel tegen, meer zeg ik niet.

Later kwam er het overdekte bad, waar wij nu elke week uitstapten. Het Sloterparkbad is als alle overdekte zwembaden, ­lawaaiig en doordrenkt van chloor, maar het heeft iets wat andere zwembaden niet hebben. Aan een van de baden staat een oogverblindend witte en wonderschone betonnen duiktoren, met duikplanken op 3,50, 5, 7,50 en 10 meter hoogte. Ik had nog nooit zoiets gezien.

Iedere week ging ik kijken of er misschien iemand gek genoeg was om erop te klimmen en ervan af te springen. Nee dus, maar de toren is een bezienswaardigheid.

Grafiek is bedrukt papier en het bedrukt papier waarmee je betaalt maar zelden waard. Toch hadden we een zeefdruk van Gerrit Benner gekocht, Benners luchten en landschappen zijn nu eenmaal onweerstaanbaar.

De zeefdruk was niet gedateerd, zo te zien gemaakt naar een schilderij uit 1970, 1971. Hij kwam uit een map grafiek, waaraan Lucassen, Constant, Brusse, Willink, De Jong, Verwey, Citroen hadden bijgedragen, niet de minsten, maar over de map was nergens iets te vinden.

We stonden de Benner te bekijken toen een andere bezoeker van de winkel waar een en ander plaats greep zich ermee bemoeide. Ja, hij had de Benner ook. Hing al vijfenendertig jaar op een mooi plekje en verveelde nooit.

Hij had trouwens de hele map, in 1980 gekocht, maar het boek dat de twintig kunstenaars zou begeleiden, was nooit verschenen. Toen we aan de praat raakten, bleek ik in gesprek met Pim Elfferich, de ­Paroolmedewerker die in 1976 de fameuze Kronkel-wedstrijd ­bedacht.

Kees van Kooten, Rinus Ferdinandusse, Nico Scheepmaker, Henk Spaan, Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt zelf schreven een Kronkel en de lezers moesten raden welke Kronkel de echte Kronkel was. Duizenden inzendingen. De Kronkel van Carmiggelt eindigde op voorlaatste plaats als ik me goed herinner.

Toen alles achter de rug was, gingen de deelnemers eten bij Les Quatre Canetons, Prinsengracht 1111. “Carmiggelt en Renate Rubinstein zaten naast elkaar,” herinnert Elfferich zich, “en na tien minuten al waren ze vertrokken. Ze zaten er nog wel, maar ze zagen alleen elkaar nog.”

Het begin van een grote liefde.

U wist het nog niet, maar Klein Geluk is per 1 maart opgeheven. Zoals u zult begrijpen, stemt mij dit droevig. Met oneindig veel plezier heb ik door de stad gezworven in een poging niet alleen de stad en zijn bewoners in woorden te vangen, maar ook op zoek naar klein geluk, dat zo bleek, zich overal vinden liet. Langs de grachten en in kaaswinkels en antiquariaten, in de tram en aan de haringkar niet te vergeten.

Wat ik ook zal missen, zijn uw brieven die in een niet aflatende stroom binnenkwamen en af en toe, zoals na mijn stukje over inkepinkjes en pijpetuitjes van vorige week, hele brievenbussen vulden.

Soms ging het om correcties, nee, beste Guus, Lilalo zat niet op de hoek van de Elisabeth Wolff maar op de hoek van de Agatha Deken, waar je de door Jacques Halland van Lilalo beschilderde bakstenen nog kunt zien zitten.

Vaak kwamen er ook goede verhalen. Nadat ik, echt waar, schreef over ‘een man in een directoire’ liet een oude zeerob die nog op het ms Dido had gevaren mij weten, dat de marconist als hij de naam van de schuit moest spellen, altijd ‘Directoire, interlock, directoire, onderbroek’ zei. Waarvan akte.

Toen ik gisteren langs het ­Amsterdams Lyceum fietste, hoorde ik daar het heldere klingelen van de schoolbel, nooit eerder gehoord. Een eindje verderop scherpte een klein poesje zijn nagels aan een grote boom en aan het einde van de middag, in de Mensenvriend op het Cornelis Troostpleintje, vroeg mijn geliefde aan een Marokkaanse jongen die vakken stond te vullen, waar ze harissa vinden kon. “Heeft u misschien een foto?” zei hij.

Wat de drie dingen met elkaar te maken hebben, weet ik niet. Maar dat komt wel, dacht ik tot voor kort.

Te interviewen schrijvers verbleven in het ­Ambassade hotel op de Herengracht. Je nam plaats in de lobby en na een tijdje kwam zo’n schrijver dan naar ­beneden en voerde ik hem mee, naar de Pels of naar ’t Molentje aan het Singel, een enkele keer naar een restaurant. De meeste van die schrijvers ben ik vergeten.

Een uitzondering was James ­Ellroy. Daar moest je voor uitkijken, was me verteld, want als je iets zei dat hem niet beviel, was het matten. Maar nadat ik hem ­geprezen had als ‘de Balzac van onze tijd’ was hij als was.

Ook leuk was Jeffrey Eugenides met wie we de vertaling van The Virgin Suicides uitbundig gevierd hebben, maar het leukste was toch Suzanna Arundhati Roy, de schrijver van De God van kleine dingen. Ik vroeg haar of ze zin had me te vergezellen naar een expositie in de Universiteitsbibliotheek. Dat wou ze wel.

Het was een expositie van handschriften van P.C.Hooft. En geloof me, iemand hoeft geen Nederlands te kennen of van Hooft gehoord te hebben om die prachtig te vinden, want dat zijn ze, stralend. Roy vond het prachtig, waarop ik haar, enigszins overmoedig geworden door het succes, meevoerde naar het achterzaaltje van het inmiddels al lang opgeheven ­Vispaleis van Jan in de Oude Doelenstraat.

Roy at twee haringen met uitjes en zuur, dronk twee glazen witte wijn en vertelde over haar huis in de jungle van India. “En als ik zeg ‘jungle’,” zei ze, “dan bedoel ik ook jungle, de tijgers ­lopen door de achtertuin.”

Toen ik wilde weten waar ze woonde, tekende ze de plattegrond van India en zette midden op de kaart een stip. “Hier,” zei ze. Het hart van Amsterdam was voor een ogenblik het hart van ­India geworden.

Vroeger, dat even boeiende als ontoegankelijke gebied dat wel groter, maar vooralsnog niet kleiner wordt, hoewel er af en toe toch iets in de mist van het verleden te verdwijnen lijkt, leken alle mensen op elkaar.

In de Esmoreitstraat, waar ik mijn jeugd doorbracht, zag iedereen er min of meer hetzelfde uit. De vader van Frits Bakker had ’s morgens vaak een rare bontmuts op en de moeder van Kees Timman droeg een jurk met stroken, bij Loekie Dikker thuis hadden ze een poes en een piano, maar iedereen praatte ongeveer op dezelfde manier en droeg ongeveer dezelfde kleren.

In Zuid, waar ik wel kwam, zag je vrouwen in een bontjas en ze praatten er deftiger, terwijl ze in de Jan Eef juist platter praatten, maar veel verschil maakte het allemaal niet. In onze straat woonde een man die uit Egypte kwam en een fez droeg, dat was een bezienswaardigheid.

Als je nu door de stad rijdt, zie je de straten onder je fiets verkleuren. Het wit van Oud-Zuid maakt in het Vondelpark plaats voor chic in alle kleuren. De Postjeskade is wit, maar eenmaal op de Orteliuskade gaan de remmen los en al snel kun je je in Noord-Afrika wanen.

In de Erasmusgracht, vlak bij de Hoofdweg, drijft Florya, een restaurant met eromheen een groot terras. Omdat we dorst hadden, en trek, gingen we aan boord. Binnen stond het ouderwets blauw van de rook, want iedereen was aan de waterpijp.

In de rookvrije ruimte bestudeerden we de kaart. Waterpijpen in alle smaken, maar alcohol was uit den boze en bitterballen werden wel verkocht, maar pas na elf uur ’s avonds. Dan maar een waterpijpje opgestoken? We verkozen een andere keer terug te ­komen.

Helemaal aan het einde van de Jacob van Lennepkade stond ik naar al dat water te kijken toen er een man in wielerkleding met zijn racefiets aan zijn hand op mij toe kwam lopen. Hij had een helm op maar toch herkende ik hem, na een tijdje.

Het was Chris die in Haarlem woont en die op de Van Lennepkade dus niets te zoeken heeft. Niet dat hij zich daar iets van aantrekt, want in Parijs ben ik in de rue des Pyrénées een keer bijna onder zijn auto gekomen, wat wel bijna zo onwaarschijnlijk is als Chris in wielerkostuum op de Van Lennepkade.

Nadat we elkaar hadden begroet, begonnen we zoals altijd als we­ ­elkaar zien over Ricky Rockoko die in Haarlem immers zijn buurman is. Rockoko, de naam zegt het al, is een oude rocker die zoals veel oude rockers nog altijd voor zijn muziek leeft.

‘Yeah!’ roept hij als hij in zijn tuin op zijn denkbeel­dige gitaar een rockband begeleidt, ‘Yeah!’ en ‘Fuck!’ en ‘Yeah!’. Hij houdt niet alleen van keiharde rock-’n-roll, maar hij is ook heel aardig.

Als hij een uurtje weg moet, zet hij om Chris te plezieren de muziek extra hard. Ik zou er niet tegen kunnen, maar Chris kan het van hem hebben.

Een tijdje terug zat ik met Nicolaas Matsier over olifantenkledij te praten, en over heel kleine olifantjes die in hoge bomen wonen, toen we het over Rockoko kregen.

In opperste verbazing schudde Matsier zijn hoofd om vervolgens een versregel op te diepen uit een lied waarvan hij maar een ­regel had onthouden: “Schele! Wat is je achternaam?” “Ik ken ook een regel uit dat lied,” zei ik: “Klootzak! Komt op je graf te staan!”

Samen kwamen we een heel end.

’k Moet dwalen, ’k moet dwalen, zong ik toen ik vanuit de Jan Pieter Heije de Eerste Helmersstraat inreed. Om al na een paar meter in de remmen te knijpen.

Ik stond voor de De Savornin Lohmanschool, Christelijke school voor M.U.L.O. met Fröbelklas, een enorm gebouw, dat grenst aan de ‘Openbare school voor uitgebreid lager onderwijs der 1e kl. voor meisjes, genaamd Helmersschool’ die minstens even groot is.

Waren er vroeger meer kinderen of waren de scholen groter? In de De Savornin Lohmanschool zit een kinderopvang en de peuters die naar buiten kwamen, leken nog kleiner dan ze toch al zijn.

Op het statige Staringplein zit een Vegan Junk Food Bar, waaruit je kunt opmaken dat het de goede kant opgaat, of juist niet, het is maar hoe je het bekijkt. Op het plein staan drie metalen kooien die ik niet plaatsen kon, maar op het leugenaarsbankje zaten twee jongemannen die het vast wel ­wisten. Het bleek om een ondergrondse parkeergarage voor buurtgenoten te gaan.

“Mooi plein,” zei ik. “Ja,” zei een van de mannen, “verderop is het Vondelpark, daar is het hartstikke druk, maar hier is het altijd doodstil. Op de kinderen na dan.”

“Kinderen,” zei ik, “maken geen ­lawaai,” en dat was hij met me eens.

Vanaf het Staringplein reed ik de Eerste Helmersstraat weer in, en hield ik in voor het prachtige portret van Willem Frederik Hermans, van de hand van Fritz Woudstra dat op 208 boven de deur hangt.

Een eindje verderop stuitte ik op een liefdesgedicht van K. Schippers: ‘Jij hebt de dingen niet nodig om gezien te kunnen worden.’ Hij had er 45 stoeptegels voor nodig. Een eindje verderop, op de Derde Kostverlorenkade aan De Baarsjes, zag ik een bord met de tekst ‘Denk om uw boeggolf’. Doen we.

Op de woensdagse postzegelmarkt trof ik een eenzame man die vanuit een auto postzegels verkocht en munten uit een grote schaal. Daar werd ik niet vrolijk van. Bij de balie van de tanden en kiezenfirma waar ik een afspraak had, zag ik mijn kans schoon en vroeg de dame achter de balie of ze wist waarom waarzeggers je altijd voorspellen dat je een arm of been gaat breken.

“Ik ga nooit naar waarzeggers,” zei ze. Even later lag ik in de tandartsstoel. De tandendokter ging met zo’n haak mijn kiezen en tanden af en gaf elke tand en kies in rap tempo een cijfer, meestal een 3. En terwijl hij daarmee bezig was, krabde hij achteloos zo hier en daar een flintertje plak of tandsteen weg, waar ik erg om lachen moest.

Nadat hij me had voorgerekend hoeveel leed er voor me in het verschiet lag en hoeveel me dat ging kosten, vertelde ik hem nog even waarom ik zo-even zo moest lachen. “Een vriend van me,” zei ik, “liet zich een keer beroven.” Door twee jongens, op het Singel, bij de Lijnbaanssteeg. Het was laat in de avond toen ze hem staande hielden om hem op hun gemak zijn geld en zijn polshorloge af te pakken.

Geen telefoon, want die waren er nog niet. Toen ze klaar waren, lieten ze hem gaan. Toen ze bij de hoek van de Oude Nieuwstraat kwamen, bleef die ene staan, draaide zich om en zei toen haast terloops: “Ach, doe dat colbertje ook maar.”

Wat die jongens niet wisten, was dat ze Heere Heeresma hadden beroofd en, zoals bekend, een Heeresma laat niet met zich spotten. Zijn wraak zou vreselijk zijn. Weer op straat liep ik naar het hinkelbaantje op de postzegelmarkt en hinkelde een stukje.

Zo af en toe, meestal ’s nachts, word ik geroepen door Emily Dickinson. Ze wil dan dat ik haar gedichten lees, haar brieven, en omdat ik geen ‘nee’ tegen haar kan zeggen, doe ik dat dan ook. Gedichten en brieven leiden vaak tot secundaire literatuur waarin zich rond de kluizenaar van ­Amherst onveranderlijk de grootste drama’s afspelen.

Mocht u geïnteresseerd zijn dan kan ik Lives Like Loaded Guns aanraden, van Lyndall Gordon, een boek als een dubbelloops jachtgeweer. In Loaded Guns kwam ik een anekdote tegen, waarin een oude vrouw Emily vertelt dat ze op zoek is naar woonruimte. “Probeer het kerkhof,” zegt Dickinson, “dan hoeft u nooit meer te verhuizen.”

Een jaartje geleden had ik met een vriendin afgesproken op het terras van Wildschut, waar ik haar vroeg wat haar vriend eigenlijk uitgevoerd had. “Hij zat bij de gemeente,” zei ze, “bij stoplichten.” “Dan moet het Roelof Hartplein een plein naar zijn hart zijn geweest,” zei ik.

We keken naar het tramverkeer dat op dat moment nog ongeschonden was, maar we wisten het allebei, het kon niet ­duren. En zo kwamen we bij de dood en vertelde ik de anekdote over Emily Dickinson.

“Toen mijn vader dood was,” zei zij, “kreeg ik nog heel lang post voor hem. Toen ik daarover belde, vroeg die vrouw of ik misschien een ander adres had.” ‘Probeert u Oud Eik en Duinen eens,’ had ze toen gezegd, graf 8023, waarna de vrouw aan de andere kant had ­opgehangen.

Nadat haar moeder was overleden, had ze tussen haar spullen het sleuteltje van een bankkluis gevonden. Na veel vijven en zessen was het eindelijk zo ver, het spannende ogenblik dat ze met het sleuteltje het kluisje kon openen, dat leeg bleek te zijn.

In de tijd dat ik als rondvaartgids bij rederij Kooij werkte, leefde de Oude Kooij nog. ­Inmiddels is de Jonge Kooij ook overleden.

Ik herinner me de Oude Kooij vooral doordat hij in dat kleine huisje dat als kantoor en kantine diende, en zo op het oog nog altijd dient, regelmatig een dreunend ‘Ja! Ja! Ja! IJs met chocola!’ liet horen. Wat hij verder uitvoerde, weet ik eigenlijk niet.

In het huisje praatte ik vaak met een jongen die wel zo’n rondvaart kapiteinspak droeg, maar het niet was, kapitein meen ik. Hij zwabberde dekken en hielp als de tros werd los gesmeten en als de schuit weer aanmeerde.

Op een dag haalde hij een ballpoint tevoorschijn en schreef daarmee op een velletje papier een aantal woorden onder elkaar die hij mij vroeg voor te lezen. Zeven woorden waren het, waarvan ik de eerste vijf niet alleen vergeten ben, maar ook ontzettend graag weer zou willen weten.

De laatste twee woorden die ik mij vijftig jaar geleden tot mijn opperste verbazing hoorde uitspreken, waren ‘inkepinkje, pijpetuitje’. ­‘Inkepinkje, pijpetuitje’, wat, in hemelsnaam, voor woorden waren dat?

Eddy, bij wie ik toevallig op bezoek was, wist de ontbrekende woorden ook niet. Wel was hij voor Arti et Amicitiae aangesproken door twee Duitse vrouwen, zusters zo te zien, die een rondvaart wilden maken.

Hij had ze Kooij gewezen, maar nee, nee, nee, ze wilden naar een plaats waar ze rondvaartkeus hadden. Dus had hij ze in zijn beste Duits langs Dam en Beurs naar het Centraal Station gedirigeerd.

Toen ze wegliepen en nog even omkeken, had hij gewezen en “Do! Do ist der Bahnhof” geroepen. ­Eddy zat nog na te grinniken. “Heerlijk om die zin een keer in het echt te kunnen gebruiken,” ­zei hij.

Het was een doodgewone doordeweekse dinsdagmiddag met een bleek winters zonnetje, maar toen ik op de Zwanenburgwal kwam, bleek het hele Waterlooplein verdwenen.

Ik was door de Staalstraat gegaan, waar op het opklapbruggetje met uitzicht op de Zuiderkerk een Pakistaan op een gitaar flamingomuziek zat te spelen. Dat had ik al enigszins verwarrend gevonden, maar een ­geheel gesloten Waterlooplein? Geen houten tulp te koop, zelfs geen stroopwafel. Wonderlijk, wonderlijk, wonderlijk.

Wegens lekkere trek streek ik neer bij de Tokoman voor zo’n onovertroffen broodje heet rundvlees. Buiten was het gaan regenen, maar toen ik mijn broodje ophad, was het weer droog.

Langzaam reed ik langs de Amstel, brug op, brug af, langs de Hermitage en de Nieuwe Keizersgracht, waar het heel druk was bij de Schaduwkademonumentjes ter nagedachtenis van de vermoorde bewoners, om me ter hoogte van Carré voor de zoveelste maal af te vragen of ik er ooit nog in zou slagen over het hek en op de sluis te komen; kleine mensen hebben kleine wensen.

Toen ik bij Eddy aanbelde, werd ik opengedaan door Henriette, die zei dat ze samen met Zwaan de hond van Tess ging uitlaten. Hoe de hond heet, weet ik niet. “We hebben nog een cadeautje voor je staan,” zei ze.

Ze hadden het gekocht in het Noord-Franse Rethel, een stadje waar de dichter Paul Verlaine heeft gewoond en les heeft gegeven aan het Collège Notre Dame en waar hij ook weleens schandaleus heeft rondgehangen met Arthur Rimbaud, zijn minnaar.

Het cadeau bleek een potje terrine de Rimbaud, te vertalen als Rimbaud tot paté gedraaid, houdbaar tot december 2020, met portret. “We hebben alleen Rimbaud,” had de kassière van de plaatselijke supermarkt gezegd toen ze afrekenden.

“Verlaine is op.”

Aan zee zoeken wij zeeglas, en niet zonder ­resultaat. In de afgelopen winters konden wij enkele honderden stukken aan onze verzameling toevoegen, allemaal gladgeslepen, met cijfers en letters, randjes, breuken, ribbels, in alle tinten groen en wit en bruin en zelfs een stukje hemelsblauw.

De verzameling die eerst op de taartschaal lag uitgespreid, vult inmiddels een enorme slabak. Het is dus maar goed dat we niet veertig jaar eerder met sparen zijn begonnen, want dan konden we ons huis niet in.

Door die glaszoekerij krijg je ook oog voor andere zaken die op het strand liggen, schelpen bijvoorbeeld. Een schelp was in mijn ­optiek iets dat door je partner werd opgeraapt, die dan ‘kijk, wat mooi’, zei, wat jij beaamde, waarna ze hem aan jou gaf en jij de schelp over je schouder terug op het strand gooide.

Inmiddels zien we dat anders. We overwegen zelfs een boekje aan te schaffen, iets in de trant van Zelf schelpen zoeken of Schelpen van het Noordzeestrand, het kastje met laatjes komt daarna vanzelf.

Ook hebben we een keer een stukje barnsteen gevonden en, ­vorige week, een stuk hout, dat wel degelijk het fijngesneden gezicht van een chimpansee uitbeeldde. “Wat denk je,” zei mijn geliefde, “is dit door mensenhanden gemaakt?”

“Nee, nee,” doceerde ik, “dat is de werking van de zee. Als er maar lang genoeg hout in de zee ligt, wordt op een gegeven ogenblik zo’n aap gevormd. En als je die aap dan een miljoen jaar op een schrijfmachine laat tikken, zal hij op een gegeven ogenblik de Hamlet schrijven. Dat heet evolutie.”

De baby die twee weken geleden nog twee ­ondertanden had, kon inmiddels staan en had er een boventand bij gekregen. Nog even en Charlie trok de wijde wereld in en wat je dan zoal beleefde, daarover praatten wij. Hoe kwam je als negenjarige aan snoep of geld voor snoep bijvoorbeeld.

Mijn geliefde deed aan dubbeltjes zoeken en voor de snoepwinkel had ze een speciale techniek ontwikkeld, waarbij ze in de winkel iets omstootte, waarna de begeerde snoepjes, o wonder, precies in haar tas belandden. Weer buiten zong ze ‘lieve heer/ dit was de laatste keer’, een laatste keer die duurde tot de volgende keer.

Charlies moeder en haar vriendinnetje deden het anders. Er bestonden toen nog telefooncellen en zij hadden een verhaal verzonnen dat eindigde met de woorden: ‘Heeft u een kwartje voor ons, dan kan ik mijn moeder bellen.’ De vrouwen die ze aanspraken, zeiden vaak vriendelijk dat de meisjes even binnen konden komen, dan konden ze daar bellen.

Wat niet de bedoeling was natuurlijk. In haar boek over Jaap en Ischa Meijer vertelt Evelien Gans hoe Ischa Meijer en Nicky Roeg het aanpakten. Ischa had bedacht dat ze in een portiek naast de snoepwinkel in de Rijnstraat de naambordjes bekeken en dan gingen ze de winkel binnen en zeiden: “Van mijn oma hiernaast (en dan noemde ze de naam van de buurvrouw) mogen we snoep kopen en zij komt straks betalen.”

Ingenieus. Tot het een keer misging en de eigenaar van de winkel met de politie dreigde, waarop Ischa zo dramatisch begon te huilen dat de winkelier de twee onverlaten ­lopen liet. “Hij was helemaal over zijn toeren,” zei Roeg later. “Maar daarna was het meteen over. Dus misschien was het wel gespeeld.” Merijntje Gijzen en zijn broer pikten ‘mipsels’ uit de boomgaard van meneer pastoor.

Overhemden waste mijn moeder in een teiltje, waarna ze de boel te drogen hing aan het wasrek op ons achterbalkon dat uitkeek op de binnentuin. Terwijl ze de was ophing, praatte ze vaak met Lena die recht aan de overkant van de binnentuin woonde. Als Lena en mijn moeder elkaar op straat tegenkwamen, groetten ze elkaar, maar praatten ze niet.

Als de overhemden droog waren, streek mijn moeder ze, waarbij ze uit een kommetje voortdurend water over de hemden sprenkelde en voor de mouwen een mouwenplankje gebruikte.

De lakens brachten we naar de wasserij op de hoek van de Elisabeth Wolffstraat. Jan Mens had een boek over Betje Wolff geschreven en daar vertelde mijn moeder weleens uit.

Als we de Wiegbrug naderden, werd mijn moeder een beetje nerveus. “Zal je zien dat hij er weer staat,” zei ze tegen me, en ja hoor, daar had je hem al, de benenkijker. Met een been op de stoep zat hij voor het café op de hoek op zijn fiets.

Zodra hij mijn moeder in de gaten kreeg, begon hij te trappen en ver voor de Agatha Deken al reed hij naast ons, of liever iets voor ons, en keek schuins naar achteren naar mijn moeders fietsende benen. “Ga weg smeerlap,” siste mijn moeder terwijl ze steeds harder trapte. “Ga weg of ik ga naar de politie.”

Maar hij bleef naast ons fietsen tot mijn moeder op de hoek van de Elisabeth Wolffstraat afstapte bij de wasserij. Tot voor kort was de wasserij er nog. Nu zit er een kippenrestaurant, net als aan de overkant van de straat, waar vroeger het jiddische cabaret LiLaLo van Jossy en Jacques Halland was gevestigd. Waar ik tot mijn spijt nooit geweest ben.

Eerst ging Aat Veldhoen dood. Ik kijk naar zijn schilderij van de kermis op de Nieuwmarkt, en hij leeft weer.

Ido Abram ging dood. Ik herinner me de dag dat ik hem vond in het telefoonboek, Ido, kleinzoon van de broer van de vader van Sientje Abram.

“Ik wist niet van haar bestaan,” zegt Ido en hij leeft weer.

Flip Broekman ging dood. Ik neurie zijn versie van Fin ch’an dal vino uit Don Giovanni en hij leeft weer.

En toen ging Eli Asser ook nog dood.

Ik denk niet dat ik in mijn leven om iemand zo vaak zo hartelijk heb moeten lachen als om Eli ­Asser.

“Weet je nog,” zeg ik tegen mijn tienjarige ik, “dat Keetje Kruivedons en Adèle de Bourbon zo’n verschrikkelijk ruzie hadden dat ze met elkaar spraken via Louis PéHa?”

Als mijn vader en moeder ruzie hadden, hoefde mijn moeder maar tegen mij te zeggen: “Guusje, wil jij tegen je ­vader zeggen…” En dan moesten we alle drie zo lachen dat het weer goed was.

Eli Asser was een groot humorist en een groot schrijver. Van de week herlas ik Wie maakt me los, waarin hij en Eefje, zijn aanstaande, uit Apeldoorn ontsnappen.

In het boek laat hij zijn vader, die standwerker was, herleven door hem een paar bretels te laten verkopen aan een bankdirecteur die naar een belangrijk diner in Parijs moet en bang is dat zijn broek zal afzakken. De man koopt voor twee kwartjes een paar bretels, doet ze onmiddellijk aan en rijdt in zijn ­limousine naar Parijs, zonder te merken dat zijn bretels aan een lantaarnpaal zijn blijven haken. Als hij in Parijs uitstapt, floept hij in een keer terug naar het Waterlooplein.

Grote schrijvers sterven niet, ze zijn voor altijd.

Tot mijn verdriet was ik Alies die uit Purmerend blijkt te komen en die onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat een paar keer misgelopen, maar nu was ze er gelukkig weer. En kon ik haar eindelijk vragen welke invloed de komst van de metro had op haar dagelijks verkeer tussen werk en huis.

“Het scheelt 25 minuten heen,” zei ze, “en 25 minuten terug. In drie haltes ben ik in Noord en dan is het nog 6 minuten naar Vijzelstraat. De bus van Purmerend naar het Centraal Station stopte dertien keer.”

“Ik ken dat,” zei ik, “mijn vader en moeder zijn op een gegeven ogenblik ook op een dorp gaan wonen en…”

“Hohoho,” zei Alies. “Purmerend is wel een stad, hè. Er wonen 90.000 mensen, we hebben drie treinstations…”

“Jajaja,” zei ik, “en een winkelcentrum en een voetbalclub, Purmerend Vooruit, maar je weet hoe het is voor Amsterdammers: alles wat niet Amsterdam is, is Boerika en de bewoners zijn ­boeren.”

Alies gnoof.

“Ik ben een keer in Vijzelstraat geweest,” zei ik, “en toen ik daar was, vroeg ik me af wat er gebeurt als de roltrap het niet doet.”

“Het zijn een heleboel roltrappen naast elkaar,” zei Alies. “Af en toe is er wel eens een die het niet doet, maar dat is niet erg.”

Zelf nam ze trouwens de lift, dat ging veel sneller. “Ik zit al in de trein als ik de mensen met wie ik het station in ging de roltrap af zie komen. En als ik wegrij, staan zij nog op het perron.”

Ik zag het voor me. Al die mensen die net te laat het perron op kwamen rennen en Alies die in haar eentje in de trein zat. En minzaam woof.

In 1918, hij was toen tien jaar, vond het jongetje dat later de wereldberoemde schilder Balthus zou worden, een kat, die hij Mitsou noemde. Nadat hij de kat had gevonden, raakte hij hem weer kwijt.

Daarover tekende hij een soort strip, die met een voorwoord van de dichter Rainer Maria Rilke in 1920 uitgegeven werd. Aan het einde van zijn voorwoord zegt Rilke: ‘Geen paniek: ik ben. Balthus bestaat. Onze wereld is heel solide. Katten bestaan niet.’

Gebouwen zijn als de katten van Rilke. Ik ben, u bestaat en Amsterdam is heel solide, maar van de ­gebouwen, die tezamen een groot deel van de stad lijken uit te maken, kan dat niet worden gezegd.

Toen ik klein was, stond aan de Spaarndammerdijk het voetbalstadion van D.W.S. Dikke Wijven Stinken, zeiden wij jongens. Die altijd bezig waren met Het Geheim Van De Smid en die als het niet over ‘Ka Uw Thee’ ging wel de mop van de Indiaan (als je zijn rok optilt, zie je een banaan) of die van de schilder (die had een extra kwast) van stal haalden.

Als elfjarige heb ik de grasmat van het D.W.S. stadion een keer mogen betreden om met 9-1 een schoolvoetbalwedstrijd te verliezen van een school uit de Bestevaerstraat.

Het stadion is, tribunes, kleedkamers, hoekvlaggen, doelpalen en al, spoorloos verdwenen. Foetsie, weg, pleite, kwijt, terwijl het toch een flink gebouw was.

Als gebouwen als katten zijn en Rilke gelijk heeft, bestaan gebouwen dan wel? In tegenstelling tot de wereld en Amsterdam zijn ze in elk geval niet solide, want waar zijn De Hallen, waar is het Sportfondsenbad-West, de Ten Kateschool, de Vespuccimarkt? En nu we het er toch over hebben: waar zijn Mosje Temming, Jossie Vonhoff, Frits Flinkevleugel, waar zijn zij gebleven?

Als ik het goed zie, heb je in de stad a) huizen waar je hebt gewoond, en dat zijn er in mijn geval een stuk of acht en b) huizen waar je niet hebt gewoond.

De huizen waar je niet hebt gewoond, vallen uiteen in twee categorieën, te weten b1) huizen waar je binnen bent geweest en b2) ­huizen waar je niet binnen bent geweest. En bij de huizen waar je niet binnen bent geweest, kun je onderscheid maken tussen b3) huizen waar iemand woont die je kent, b4) huizen waarvan je weet dat er iemand woont of gewoond heeft die je van naam kent en b5) huizen die geheel neutraal zijn omdat je er niet gewoond hebt, nooit binnen bent geweest en niemand kent die er woont of gewoond heeft, zelfs niet van naam.

Na lang tellen kwam ik tot zo’n vijftien huizen waarvan ik weet dat er iemand woont of heeft gewoond die ik alleen van naam ken. Gerard den Brabander bijvoorbeeld, heb ik nooit ontmoet, maar ik weet waar hij woonde, zoals ik ook weet waar Karel Appel en ­Toby Rix hebben gewoond.

Van een stuk of vijfentwintig huizen waar ik nooit binnen ben geweest, weet ik dat er iemand woont die ik ken. Tijdens mij ­leven ben ik in totaal in een kleine honderdvijftig huizen binnen geweest. Verbazingwekkend weinig.

Vandaar dus dat ik een bezoek aan een huis waar we nooit eerder zijn geweest, als iets bijzonders mag beschouwen. Bijzonder was het.

Het bijzonderst het schietgat in een zijmuur dat speciaal gemaakt leek om uitzicht te bieden op de verlichte klok van het kerkje in het voor de deur gelegen parkje. Een dorp in de stad, waar je ’s nachts weet hoe laat het is.

Als je op het Haarlemmerplein staat en je wilt naar de Spaarndammerbuurt, kun je kiezen: langs Domela of door de Zout­keten. Na een lang palaver kozen we voor de Zoutketen. Een van de voordelen van deze route is dat je langs Fukkink komt. ‘Boeken’ staat er op de ruit en zo is het.

Een mensenleven geleden viste ik in een antiquariaat in de Staalstraat eens de in 1897 verschenen tweede druk van de eerste biografie van Arthur Rimbaud uit de kast.

Omdat ik kort tevoren veel geld aan Rimbaud had uitgegeven, kocht ik hem niet, maar ging op vakantie. Meteen spijt natuurlijk. Terug in Amsterdam bleek het antiquariaat in de Staalstraat verdwenen. Eeuwige spijt dus.

Maar zie, jaren later betrad ik een antiquariaat op de Haarlemmerdijk waar ik allerlei boeken trof die me bekend voorkwamen. En tussen al die boeken stond de biografie van Rimbaud nog altijd op me te wachten. Dat was bij Fukkink, die nu alweer zolang in zijn winkel naast de Haarlemmerpoort zetelt.

Laat het nog lang zo blijven. Door de Planciustraat liepen we naar de Houtmankade, waar we het water overstaken naar de Nova Zemblastraat. Op het Suikerplein, voor de Toverbal, stond een klein donker jongetje met lichtjes in zijn schoenen mooi te dansen, maar toen we de muurreclame van Slijterij Tivoli (likeuren & bieren/ J.G.M. Helt tel. no. 31657) in het oog kregen, begon het ‘spietsend’ te regenen om met Cissy van Marxveld te spreken.

Tijdens de bui werd ik door een aardige Surinaamse vrouw bus 22 ingeduwd. “Kan je wel tegen een oude man,” zei ik. “Dat zou ik nooit durven zeggen: ‘oude man’,”zei ze. Of zei ze: “Dat zou ik nooit durven zeggen, oude man.” Ik hoop op het eerste.

Altijd kijken als je toeristen iets ziet fotograferen in de stad. Meestal fotograferen ze het Rijksmuseum of het voormalige hoofdpostkantoor, maar een hele enkele keer zien ze iets dat jij anders gemist zou hebben.

Zo was er laatst een toeristisch oploopje voor Huize Lydia aan het Roelof Hartplein. Magnus Carlsen brengt bezoek aan schaakclub Caïssa, dacht ik nog, maar iets anders bleek het geval.

Aan weerskanten van het paadje dat naar de ingang van Huize Lydia voert, staan twee sparachtige bomen, en een van die bomen bleek van onder tot boven vol te zitten met papegaaien die stuk voor hun blinkend groene rug aan het publiek lieten zien. Ik heb het niet zo op die schreeuwlelijken, maar het was prachtig, welhaast zo mooi als een vlinderstruik in de zomer waaruit vlinders lijken te groeien.

Van Huize Lydia naar Chinees Specialiteiten Restaurant Nieuw Peking is maar een bloemenstal en een boekwinkel. In al de jaren dat we in deze buurt wonen, waren we er tot onze schande nooit geweest, maar nu was het dan zo ver en schoven we aan voor een etentje met onze dochter, kleindochter en dochters vriend.

Zoals het hoort in Chinese restaurants hadden we het een tijdje over China en Chinezen, en over pingpong deze keer.

Tom kende iemand die naar China was vertrokken om het te gaan maken als pingponger. Maar op een dag dat hij in een enorme hal met 3000 andere pingpongers te pingpongen stond, was het tot hem doorgedrongen dat al die Chinese pingpongers beter waren dan hij. En had hij zijn batje aan de wilgen gehangen.

Mij was intussen pingpong met zijn zessen te binnen geschoten, waarbij je om de tafel liep en om de beurt het balletje moest slaan.

Iemand die ik niet ken, maar die mij af en toe schrijft, ­beweert graag dat Amsterdam en Parijs even groot zijn. Ik geloof daar niets van, maar hij heeft keiharde bewijzen. Zo is de ringweg om Amsterdam maar anderhalve kilometer korter dan de périphérique, die schrik van ­iedere autotoerist die in of in de buurt van Parijs moet zijn. ­

Gewoon dwars door Parijs heenrijden, is mijn advies in deze. Als je de juiste boulevards neemt, rijd je in een mum van porte de la Chapelle naar porte d’Orléans, waarbij aangetekend dat het minstens vijfendertig jaar geleden is dat we met de auto in Parijs zijn geweest en dat we toen, auto en al in het voetgangersgebied rond het ­Forum des Halles zijn beland, waar we wegens overal paaltjes niet meer uitkwamen.

Neemt niet weg dat de bus van porte des Lilas naar Montparnasse bijna een uur onderweg is en dat het me nooit gelukt is de hele boulevard Voltaire af te lopen.

Om weer eens te voelen hoe groot Amsterdam is, namen we op station Sloterdijk de 19 richting Sniep. Goede naam, Sniep. Klinkt niet alleen ver weg maar is het ook. Het was lekker rustig in de tram die met een rustig vaartje de Admiraal de Ruijterweg afreed om via het Leidseplein naar Oost te sukkelen.

Het is je eigen stad, ­‘volop Amsterdam’ zoals Nescio schrijft, maar toch kijk je je ogen uit. Aan het geel en het tere wit en roze van de winterbloeiers, de treurwilgen langs de Alexanderkade, de Muiderpoort en de torentjes van het Tropenmuseum.

Lang niet in Betondorp geweest, bedachten we een paar haltes verderop. En Sniep? Ach, Sniep is Sniep en er gaat een tram terug, wat kan een mens meer verlangen.

Bij de visboer stonden we weer eens tegen elkaar op te klagen dat de hele middenstand naar de ratsmodee ging: geen groentenwinkels meer, geen slagers, geen bakkers, alleen nog maar souvenirs en andere rotzooi, toen een man in een geel werkpak zei dat het binnenkort allemaal voorbij zou zijn.

“Over een tijdje,” zei hij, “willen we weer houvast. Let maar op.”

We stekkerden nog even door, tot ik vroeg wat hij eigenlijk deed. “Ik ben heier,” zei hij, “ambachtelijk heier.” Ik weet niet waarom, maar ik kreeg een huilbui van het ­lachen.

Eerder op de dag vertelde de bouwvakkende econoom die bij ons een karweitje opknapte, dat hij sinds enige tijd bouwvakte in de Kolenkitbuurt: “Geen idee waarom het daar zo heette, totdat de bovenste verdieping klaar was en ik voor het eerst op het dak kwam. Daar stond ie, de Kolenkit.”

Ik kan me goed herinneren dat de Kolenkit werd gebouwd, vooral het moment dat het dak erop ging. Hetzelfde ogenblik nog had de kerk een naam. Heette de Pniëlkerk, die de Duiventil werd genoemd, nog wel eens de Pnielkerk, de Kolenkit heb ik nooit anders horen noemen dan de Kolenkit.

Onze bijklussende bouwvakker vertelde intussen dat hij onlangs op de Haarlemmerstraat wegens een sterfgeval een huis had leeggehaald. “Boven De Blauwe Druif. Het was van een trompettist zonder tanden.” Hij had een foto gered, waarop je de trompettist uit een vliegtuig springen zag.

Wie de trompettist was, wist hij niet, maar dat wisten ze bij De Blauwe Druif. Dezelfde avond las ik in de krant dat jazztrompettist Boy Raaijmakers (74) was overleden. Wanneer stond er niet bij.

Onderzoek wees uit dat de trompettist zonder tanden van boven De Blauwe Druif niet Boy Raaijmakers was, maar een mooie voorbeeld van toeval is het wel.

Toen onze dochter een jaar of zeven was – ze zat in de eerste klas van de openbare lagere school – kwam ze op een dag thuis met een verontrustend nieuwtje. Haar vriendin Monique, alle meisje heetten Monique in die dagen, had onthuld dat wij ‘heidenden’ waren en voor eeuwig moesten branden in een heel groot vuur.

Waar, zo kun je je afvragen, had de kleine Monique dit akelige verhaal vandaan? Van haar ­ouders, zult u zeggen, ja, maar van wie hadden die het? Want de vader van Monique kon dan wel goed aardappels bakken, zoals ik kon ruiken als ik onze dochter na het spelen ophaalde uit Huize ­Monique, maar dat had hij in zijn eentje hel en verdoemenis voor de heidenen verzonnen had, leek me stug.

Ik denk eerlijk gezegd dat Vader en Moeder Monique het van de dominee hadden. Die weten dat soort dingen. En vertellen ze graag verder.

Onlangs kwamen de heidenen weer eens ter tafel. Een paar mannenbroeders waren met een Verklaring uit de christelijke kast gekomen. Heel goed, dan weten we weer waar ze voor staan. Maar prompt kwam er een die zei dat hij er niet mee eens was, en dat ­homo’s, Joden en heidenden, het maakte hem niet uit, bij hem allemaal welkom waren.

Homo’s, ­Joden en heidenden! Allemaal welkom in zijn kerk. De arrogantie van deze lui grenst aan het onwaarschijnlijke.

In de tweede klas van de middelbare school moesten we ineens vrijwillig-verplicht naar godsdienstles. De dominee nam ons mee naar de synagoge in de Jacob Obrechtstraat.

Toen we weer op straat stonden, vertelde hij waarom er tijdens de oorlog zoveel ­Joden vermoord waren. Iets met Jezus, Joden en het kruis.

“Daar ga ik niet meer heen,” zei ik tegen mijn moeder.

We liepen op de Berlagebrug toen het ineens verschrikkelijk begon te plenzen. Maar de 12 kwam eraan, rennen dus en even later zaten we in de rijdende wachtkamer behaaglijk te genieten van de slagregens die buiten over het asfalt spoelden.

“Waar gaan we heen?” zei ik. “Wat dacht je van de Zoutketen,” zei mijn geliefde. Een goed plan. De vervaarlijke Zoutketen zijn een poort naar veel moois, maar dan moest het wel droog worden. Dat werd het.

Maar toen we op de halte Concertgebouw stonden en bleek dat de 3 nog wel even op zich wachten liet, namen we toch maar de 5, naar de Bloemgracht, waar we uitstapten.

Toen ik op de Keizersgracht op de Eerste Vijf zat, fietsten we daar vanuit Bos en Lommer via Rozengracht of Van Galenstraat naar toe. De keuze had te maken met veronderstellingen over het open dan wel dicht zijn van Wieg- en Beltbrug. Namen we de Jan van Galen dan was de tweede keuze Bloemgracht of Bloemstraat.

Waarom er gekozen moest worden, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het stukje Keizersgracht naar school wegens eenrichtingverkeer gelopen moest worden, en dat je, als ze je op fietsen betrapten naar de Zoutketen werd verbannen om zware dwangarbeid te verrichten.

Om niet te ver van de grachten te raken liepen we muizentraps­gewijs door de Jordaan en belandden zo voor het Theo Thijssen ­Museum. Dat gesloten was, maar in de etalage stond een mooi silhouet van Thijssen naast allerlei uitgaven van De gelukkige klas. ­

En aan de ruit hing de liniaal van meester zelf. Daar sta je dan naar te kijken in de Eerste Leliedwarsstraat en daar laat je je dan door ontroeren. Door een liniaal. Omdat hij van Theo Thijssen is geweest.

Van de Willemsstraat via de Lindengracht naar ’t Smakzeil en vandaar over de Nieuwendijk en door de Sint Luciensteeg naar de halte Nieuwezijds waar ik de tram nam naar het Spui. Was ik in de Willemsstraat in plaats van rechtsaf de Tweede Goudsbloemdwarsstraat, linksaf de Palmdwarsstraat in gegaan, had ik een heel andere stad te zien gekregen.

Linksaf of rechtsaf, het zijn ­werelden van verschil, maar uiteindelijk was ik toch bij Luxembourg beland, want ik had een afspraak. Met een oude vriendin die ik uit de menigte zag opdoemen als was ze Jaap, Jaap uit het vers van Jacqueline van der Waals: ‘Jaap, mijn jongen,/ De vogeltjes zongen/ Hoog in de bomen/ En ­alle vinken begonnen te slaan’.

Ik was, kortom, blij haar te zien. Een gesprek met een oude vriendin die je lang niet hebt gezien, is een merkwaardig iets.

Terwijl er voor de serre van Luxembourg twee kinderen over de stoelen heen en weer huppelden, liet ik Martie het exemplaar van Harlekijntje op kasteel Hemelhoog zien dat ik op de Lindengracht gekocht had. De Harlekijntjes zijn geïllustreerd door Eelco ten Harmsen van der Beek, de vader van Fritzi en zo kregen we het over Maaike Meijer, van wie je Frederike zeggen moet.

Maar waar we het eigenlijk over hebben wilden en het uiteindelijk ook over kregen, waren de dagen dat we iedere dag nog stopten met de drank om even later, op de Albert Cuyp, met een tas waar de zojuist gekochte preien bovenuit staken een vriend tegen te komen die vroeg of je zin had om wat te gaan drinken.

“Drie dagen op sjouw,” zei Martie, “maar toen ik thuis kwam, had ik die tas nog bij me en de preien staken er nog steeds boven uit.”

Lijn 3 reed langzaam over de Ceintuurbaan toen er naast de tram een jongen op een racefiets opdook die met zijn linkerhand een bord vasthield waarop zes taartjes stonden. Ik was nog maar nauwelijks van mijn verbazing bekomen toen er een meisje op een huurfiets verscheen dat al net zo’n bord met taartjes meevoerde, maar dan op haar stuur. Het tweetal reed een tijdje met ons mee om vervolgens in een zijstraat te verdwijnen.

“Zulke dingen zie je niet in de metro,” zei ik tegen mijn geliefde nadat we op de halte Linnaeusstraat waren uitgestapt. Omdat we nog wat tijd over hadden, betraden we Caffe Milo op de hoek met de Wijttenbachstraat. Toen ik ging zitten, wist ik weer waar ik was.

In de zomer van 2011 ging ik ­regelmatig op bezoek bij een vriend die stervende was. Voorafgaand aan die bezoekjes was ik gespannen en een borrel wou dan nog wel eens helpen.

Zo was ik een keer bij Milo beland, waar ze na lang zoeken de jeneverfles hadden gevonden. De rekening voor mijn borrel bedroeg zesenhalve euro. Pardon? Weer op straat zag ik dat er ‘buitenlands gedestilleerd’ op het bonnetje stond.

Mijn vriend vroeg me een keer gebakken spiering mee te brengen. Na twee viswinkels en een viskar had ik het opgegeven en een bakje kibbeling gekocht, maar toen bleek er nog een kar op de markt te staan. Die wel spiering had. De kibbeling hebben mijn vriend en ik laten staan, maar de spiering hebben we samen op­gegeten.

In een hoek van Milo, zag ik, stond een vitrinekast met daarin oude fototoestellen en 8 milli­metercamera’s, foto’s van La Loren en Claudia Cardinale. Een oude wekker stond er stil te staan.

Soms ga je haast ongemerkt van café naar café. Lag het volgende café vroeger vlak naast het vorige, tegenwoordig kunnen ze een heel eind uit elkaar liggen. Van café Smackzeil op de Brouwersgracht was ik in de ijskoude schemering op weg naar Luxembourg op het Spui, maar niet via de kortste weg ­natuurlijk.

Ik had de Langestraat genomen en vanuit de Korsjespoortsteeg was ik het Singel overgestoken om vervolgens een eindje met de gracht mee te lopen.

In The Paris Years, het boek over zijn vriendschap met Henry Miller, beschrijft fotograaf Brassaï de opwinding die zich van Miller meester maakt als hij ontdekt dat er in Parijs pisbakken zijn van waaruit je al pissend zomaar naar de voorbijlopende vrouwen kunt kijken. Inderdaad, maar wonderlijker nog vind ik de krul die uitzicht biedt op ramen waarachter meisjes van plezier hun droevig beroep uitoefenen.

Waarom die krul? De mannen die hierheen komen, komen toch niet voor een plasje?

Het doolhof van stegen hier doet altijd een beetje middeleeuws aan, vind ik, en het is altijd weer een verrassing om vanuit het duister op de drukke Nieuwendijk aan te komen. Vroeger gingen we hier naar de bioscoop, naar knokfilms in de Luxor, de Passage, de Royal, de Cineac.

Daarna een kroketje bij Van der Linde op wie ik eens een versje heb gemaakt, en dat gaat zo: ‘De kroketten van Vijn/ waren fijn en die van/ Van Dobbe niet minder/ ook Kwekkeboom/ wist ik te vinden/ maar geen kroket zo/ kroket als de kroketten/ van Van der Linde.’

Maar Van der Linde bakt ze niet meer, die heerlijke krokante Van der Lindekroketten. Hij doet enkel nog in ijs. En ijs, daar moet je van houden. Zeker als het vriest.

Omdat ik het koud had en ook wegens dorst een beetje, was ik neergestreken in het café dat net als Papeneiland op de hoek van Prinsen- en Brouwersgracht ligt, maar dan aan de andere kant van het water.

De naam van het café was me ontgaan, maar ik wist dat ik hem wist en toen het meisje kwam om af te rekenen, stelde ik haar drie vragen: “Hoeveel krijg je van me?” (twee vijftig), “Hoe laat is het?” (precies drie uur), “Is dit café ’t Smakzeil?” (klopt).

Eenmaal op straat had ik het meteen weer koud, maar de bruggen die me richting Langestraat voerden, maakten veel goed. In de Langestraat denk ik aan mijn ­ouders. Als veertienjarige werkte mijn vader hier bij een smederij, als zestienjarige werkte mijn moeder bij drukkerij De Weduwe G. van Soest (‘Degelijk Werk Gaat Voor Succes’).

Als mijn moeder tijdens haar pauze voor de drukkerij haar ­boterham zat op te eten en mijn vader op zijn bakfiets voorbijkwam, zeiden de andere meisjes van de drukkerij: “Kijk, je smidje.” Dat was in 1928.

Bij drukkerij Van Soest ben ik als kind wel geweest, maar waar het precies was, weet ik niet meer, ­zoals ik ook niet weet waar de smederij zat waar mijn vader werkte.

We weten maar weinig, blijkt telkens weer. Heeft hij haar aangesproken of zij hem? Wat ­deden ze op hun eerste afspraak? Een jaar later zaten ze samen op een hekje in het Spanderswoud, heel jong en heel gelukkig, een heel leven voor zich, een leven dat behoudens de slotakkoorden lang niet slecht is uitgepakt.

Dit alles overdenkend loop ik neuriënd de Langestraat uit, want: ‘Leentje leerde Lotje lopen/ Langs de lange Lindelaan/ En toen Lotje goed kon lopen/ Is ze weer naar huis gegaan.’

Als jongen, ik denk dat ik tien was, heb ik eens ­iemand van een balkon zien vallen. Het gebeurde in de zomer, tijdens de zomervakantie meen ik me te herinneren. De straten lagen verlaten in ieder geval, het was warm en ik liep me te vervelen.

Midden in de straat op een balkon op een tweede verdieping was een stel kinderen aan het spelen. Er werd ­geduwd en getrokken, ze gooiden elkaar met water, en op een stoeltje tegen het hek van het balkon stond een jongetje bellen te blazen. De zeepbellen met hun kleine regenbogen dreven door de straat. Ik volgde ze met mijn blik tot ze uiteenspatten en keek dan weer naar het jongetje dat met een stenen pijpje de bellen blies.

Tot hij van zusje zo’n zet kreeg dat hij voorover over het balkonhek viel en aan zijn eindeloze tuimeling begon. Hij viel en viel en viel totdat hij tegen de stoep smakte en van alles brak. Ik had het gezien. Het was mijn verhaal. Dat ik vaak verteld heb. En nog steeds vertel.

Vijfenzestig jaar later heb ik mij, voor het eerst, ondergedompeld in Les Misérables van Victor Hugo, een beest van een boek dat alle kanten tegelijk op gaat en tegelijkertijd nauwgezet de plot volgt rond Jean Valjean en Javert, Marius en Cosette. Het derde deel, waarin Gavroche opduikt, is een verhandeling over de straatjongens van Parijs die uiteraard heel anders zijn dan straatjongens uit andere steden, maar er toch veel van weg hebben.

Zo zegt Hugo een straatjongen te hebben gekend die zeer gerespecteerd en gewaardeerd werd omdat hij een keer iemand van een van de torens van Notre Dame heeft zien vallen. Een balkon in de­ ­Esmoreitstraat is geen Notre ­Dame, maar toch.

Toen in de 3 het Marnixplein werd aangekondigd, stond ik op en posteerde me bij uitgang.

“Ga nog maar even zitten,” zei de man die achter mij had gezeten. “Dat wordt april.”

Inderdaad bleek het nog wel even te duren voor we bij de Willemsstraat waren aangeland. Het eerste wat ik daar zag, was een galerie waar Minnie Mouse-schilderijen tentoongesteld werden. Minnie Mouse als Marie Antoinette, Minnie Mouse als Madame Pompadour en vul verder zelf maar in.

Het was zaterdagmiddag en ­waterkoud. Op een afgedankte ijskast lag post van de Postcode Loterij die 58 miljoen in de aanbieding had, een eind verderop in de straat bracht een draaiorgel 'Let it snow' ten gehore.

Ik liep de Tweede Goudsbloemdwarsstraat in en maakte halt en front voor een sigarenwinkel waar een grote, enigszins vergeelde poster Oei, oei, oei (‘dat was me weer een loei’) van Johan Cruijff aankondigde. Op de begeleidende foto droeg Cruijff een koptelefoon en hij lachte. Op een door hem gesigneerde foto werd gevoetbald, naast de foto lag een paar eeuwenoude kicksen. Zou Johan er op gevoetbald hebben?

De zaterdagse Lindengrachtmarkt bleek nog altijd een markt zoals markten bedoeld zijn. Geen stroopwafels en houten tulpen ­bedoel ik, maar fruit en vis en vlees, bloemen en grappige pantoffels natuurlijk.

Een koor liet ten bate van Artsen zonder Grenzen stemmige liederen horen en het beeld van Theo Thijssen, zag ik, maakte deel uit van een groentekraam. De lessenaar waarop de bronzen Thijssen plaatsgenomen heeft, was geheel overdekt met boerenkool waar net de eerste vorst overheen geweest was.

Precies op deze plaats, herinnerde ik me, had ik eens een kraam gezien waar ze voor een rijksdaalder schilderijen van Kees Manders verkochten. Minnie Mouse was er niks bij.

Mijn vriend Peter van der Winde, die het op de Eerste Vijf aan de Keizersgracht net als ik niet erg naar zijn zin had, had een klein rood fietsje waar hij verbazingwekkend hard op fietsen kon. Ik had geen fiets van mezelf. Toen ik te groot was geworden voor mijn jongensfiets, mocht ik de fiets van mijn moeder, een sportfiets met drie versnellingen en trommelrennen. Maar geen slot.

Als je op zaterdagmiddag naar de stad ging, zoals Peter en ik dat vaak deden, gaf dat problemen. Want de stalling kostte een kwartje en dat kwartje kon je beter gebruiken dan voor de fietsenstalling.

Maar wat als je moeders fiets aan het einde van de middag gestolen bleek? We besloten het risico te nemen en zetten onze fietsen tegen de Nieuwe Kerk, die van mijn moeder achter het rode fietsje van Peter, dat wel op slot kon.

Het was druk op de Dam. Er werden duiven gevoerd en voor de ­gesloten poppenkast zaten kinderen op Jan Klaassen te wachten. De fotograaf fotografeerde een meisje, een meisje met blond haar en een glimlach en toen ik haar zag, was ik verliefd.

Peter wilde naar de platenafdeling van de Bijenkorf, maar nee, nee, ik was verliefd, ik moest erachter komen hoe het meisje heette, haar adres vragen aan de fotograaf. Toen ik de fotograaf aan- sprak, zei hij dat hij daaraan niet beginnen kon. Geld zou geholpen hebben, denk ik, maar ik had geen geld en toen de fotograaf klaar met mij was, was het meisje verdwenen.

We liepen door de Kalverstraat en over het Spui, langs het Rokin naar het Damrak en over de Nieuwendijk weer terug, maar ze was weg, voor altijd verdwenen. Maar mijn fiets stond er nog gelukkig.

Als ik een nieuwe winkel zie, heb ik heimwee naar de oude, hoewel ik vaak meteen al niet meer weet wat er vroeger zat. Een winkel waar ze bosjes potloden verkochten, nog van voor de oorlog? Of deden ze in gitaren, banjo’s, ukelele’s?

Ging het om kandelaars en kroonluchters misschien en hoe heette de serviesgoedwinkel op de hoek van de Kalverstraat en ’t Spui ook alweer? Waar eens, bij de bloemenkraam, de man met ballonnen stond.

Drie verdiepingen met kopjes en ­schoteltjes, borden en bordjes, vleesschalen, botervlootjes en juskommen van een breekbare schoonheid, waar mijn moeder dol op was en ik nerveus van werd. Focke & Meltzer, ineens weet ik het weer.

Focke & Meltzer heeft plaatsgemaakt voor Waterstones, wat een mooie boekenwinkel is. Want soms loopt het goed af en niet al het nieuwe is per se verwerpelijk.

Zo ben ik heel benieuwd naar de Tuin van Bret bij station Sloterdijk en werd ik aangenaam verrast door de spierwitte beelden van mannen en vrouwen die op de aanlegsteiger van de Hermitage op een bankje in alle stilte op hun telefoon zitten te kijken.

En dan de nieuwe aanlegsteigers voor CS, wat ­komen die daar doen? Vanaf de Nieuwezijds Kolk liep ik er naar toe. Langs de Wildeman en Van Beeren, door de steeg waar lang geleden Bolle Jan in café de Kuil zijn vieze verzen ten gehore bracht, naar het Damrak.

Bij de zebra voor het Victoria dat ze om de een of andere reden weer eens aan het verbouwen zijn, stonden borden die ‘onderwater werken’ meldden en ’10 tijdelijke steigers’ alsmede ’53 nieuwe bomen’. Zou het plantsoentje terugkeren? Als dat zo is, wil ik ook Prins Hendrik terug.

Op een gegeven ogenblik bleek dat Hansje van Staveren die in de ­Esmoreitstraat een verdieping lager naast ons woonde, piano spelen kon. Geen toonladders of hakkelende Für Elize zoals onderwezen op pianoles, maar vrolijke wijsjes van de radio.

Als hij Tea for Two of How Much Is That Doggie In The Window begon te spelen, zei mijn moeder “Hansje zit te spelen” en zette ze gauw de balkondeur open.

Ik sprak de kleine pianist, inmiddels een man van in de zeventig, op de Esmoreitstraatreünie van afgelopen november. Hij vertelde me dat hij op zondag wel eens met mijn vader en moeder in de auto mee mocht naar Zandvoort, waar ze dan rondjes draaiden op het circuit.

Met honderdtwintig door de Tarzanbocht, met een Volkswagen, hij vond het wel wat.

Bij de familie Dikker, een eindje verderop in de straat hadden ze ook een auto, hoorde ik op dezelfde bijeenkomst. Indertijd is mij dat ontgaan. Hoe het kan, is me een raadsel, want auto’s waren een bezienswaardigheid.

In ons deel van de straat stonden er vier, de ‘Gun ze roggebrood van de Hunze’-Bedford van oom Dirk, de Volkswagen onder permanente parkeerhoes van Gerrit ‘Hoessie’ de Zoete aan de overkant, de Hoge Hoed van de man van de stomerij en onze eigen Volksfiets.

Bij Dikker hadden ze een groene DKW, nummerbord PP-35-88. Op de voorportieren stond ‘Preciosa, de bril die U staat’. Nadat de r was weggekrast, stond er dus ‘Preciosa, de bil die U staat’.

Op zondag gingen de drie kinderen Dikker met hun vader naar Zandvoort. Naar het strand, dacht hun moeder die lekker thuis een boek zat te ­lezen. In werkelijkheid raceten ze op het circuit – ‘harder pap, harder pap’ – met 120 kilometer per uur door de Tarzanbocht.

Onze traditionele nieuwjaarswandeling begon dit jaar in de Linnaeusstraat. Nadat we op de halte Oostpoort de 19 hadden verlaten, begon mijn geliefde liefdevol te klagen dat ze dit maar een matig stukje Linnaeusstraat vond.

In Leeuwarden, waar ze vandaan komt, hadden ze net zo’n straat en in Amersfoort, waar ze gewoond heeft ook, en dan deed het haar tot overmaat van ramp ook nog denken aan een straat in Den Helder.

Tijdens haar ode aan de provincie huppelde er een ballon voor ons uit, een doorzichtige ballon met daarin kleurige papiersnippers die vrolijk met de ballon meedraaiden, van de stoep naar de weg naar de stoep en weer terug.

Het leek wel of hij ons de weg wou wijzen, want hij draaide zo de Transvaalkade op, waar we, omdat we de Ringdijkkant verkozen, toch afscheid van hem moesten ­nemen.

Het was stralend weer en stil op de dijk. Ter hoogte van de Vergulden Eenhoorn werden we tegemoet gefietst door twee piepkleine fietsjes die werden bereden door twee piepkleine meisjes van wie de ene nog kleiner was dan de andere.

“Plus negenentachtig maakt honderd,” zei de grootste tegen de kleinste toen ze ons voorbij fietsten. Op hetzelfde moment zag ze beneden aan de dijk een vriendje lopen. “Gijs!” riep ze en ze zwaaide, maar Gijs keek niet op of om.

Bij de kamelen gingen we onder het viaduct door en aan de Amstel zochten we een tafeltje in café Weesper. Waar we nog nooit geweest waren en dat niet alleen prachtig bleek met al dat water aan de ene kant en voorbijrijdende treinen aan de andere, maar waar door Wisse ook nog eens de lekkerste viskroketjes ter wereld werden geserveerd. Zelden was het nieuwe jaar zo mooi begonnen.

‘Lang niet gezien,” zei de portier van het ­Niod toen ik me bij hem meldde om mijn pasje te scannen. “Ik had het even helemaal gehad,” zei ik. De portier was een en al begrip, want inderdaad, het was niets als narigheid.

Ik liep langs de kleine Mauthausenexpositie in de gang, legde mijn spullen in een locker en zei tegen de dame aan de balie waarvoor ik kwam, het register voor de stad Amsterdam van de verplichte aanmelding van personen van Joodse bloede uit februari 1941, het begin van het tragische einde.

De eerste keer dat ik hier kwam, ruim tien jaar geleden, had ik een deportatielijst aangevraagd, dé deportatielijst dacht ik toen nog. De lijst kwam in een blauw omslag waar ik minutenlang naar heb zitten kijken zonder dat ik het durfde openslaan.

Toen ik het eindelijk opensloeg, zag ik een stapeltje doorslagpapier, dertig velletjes, stuk voor stuk gevuld met namen gevolgd door een geboortedatum. Meer niet, maar het was genoeg om me dagenlang van streek te maken.

De dame achter de balie zei dat het register niet beschikbaar was, omdat het gedigitaliseerd werd. Tien jaar geleden had ik het register aangevraagd om de aanmelding van Abraham Abram, Mietje Gans en hun kinderen Mozes, Aron, Izak en Sientje Abram te ­bekijken.

Nadat ik een kopie had gemaakt, bladerde ik door naar de F, de F van Frank, hoewel ik er vrijwel zeker van was dat de aanmelding van Anne Frank door souvenirjagers gestolen zou zijn. De bewuste pagina bleek op zijn plaats.

Tien jaar later had ik de pest in dat ik niet bij het register kon, maar tegelijkertijd was ik opgelucht dat in ieder geval de namen van Sientje en Anne en al die ­anderen veilig waren.

Bij boekhandel Premsela voor de deur stonden twee mannen met elkaar te praten. “Er vlogen twee straaljagers over,” zei de man die aan het woord was, “en ze vlogen zo onder de geluidsbarrière door.”

Ik was inmiddels de winkel binnen gegaan dus hoe dat afliep, kan ik helaas niet vertellen.

Nadat Sander me het piepkleine boekje met foto’s van Willy Ronis had overhandigd dat ter gelegenheid van de grote Ronistentoonstelling in Parijs was verschenen, kregen we het over de kunstveilingen van de NRC.

Ik vertelde dat ik wegens heibel een keer overwogen had een aantal foto’s van een beroemde Nederlandse fotograaf naar de veiling te brengen, maar dat dat zo ingewikkeld was, dat ik er meteen weer vanaf had gezien. “Als je geld nodig hebt, kan je het altijd nog doen,” zei Sander.

“Maar ik heb helemaal geen geld nodig,” zei ik.

“In dat geval,” zei hij, “moet je meer dure boeken bij mij kopen. Dan krijg je vanzelf geld tekort en kun je die foto’s alsnog laten veilen.”

Bij Small Talk op de hoek met de Willemsparkweg, zag ik, hadden ze de klok die boven de deur hing weggehaald. Hij liep wel, maar als een dwaas en zoals bekend, kun je dan nog beter een klok hebben die stilstaat, of helemaal geen klok.

Ik had gelukkig tijd zat en vervoegde me bij het Vlaamsch Brood­huys voor twee maal een kwart omabrood ongesneden in een papieren zak. “Wat leuk dat u dat zo noemt,” zei het broodmeisje.

De Franse schrijver Alphonse ­Allais vertelde eens dat hij iemand die ‘bonjour’ tegen hem had gezegd, geantwoord had met ‘bonjour toi-même’, zodat ik nu “Wat leuk dat je dat leuk vindt,” tegen het meisje van het brood kon zeggen.

Met mijn vrienden van het Spinoza Lyceum zat ik in de Albert Cuyp in een restaurant tegenover de Frans Halsstraat, waarvan we, omdat we aan het raam zaten, net het sluitstuk konden zien. We zaten bij Orontes, waar het zoals gewoonlijk goed toeven was.

Als we met zijn drieën uit eten gaan, wat zo’n drie keer per jaar gebeurt, gooit mijn vriend van te voren vaak een tienpuntenvraag in de groep.

Die kan over Laurel & Hardy gaan (‘In welke film eet Stan het kunstfruit van de fruitschaal op?’) of over cafémuziek uit de jaren zestig (‘Wat was de grootste hit van Sam the Sham?’), maar deze keer vroeg de tienpuntenvraag naar een tekst van Eartha Kitt die Mia op de muur van haar kamer had staan.

Toen we allemaal nog jong waren, woonde Mia in de Vechtstraat, maar toen ik laatst door de Vechtstraat fietste, bleek ik niet meer te weten waar.

Op 112, mailde mijn vriend, ‘ik dacht tweehoog, maar je blik dient zich natuurlijk te verheffen naar het raam van haar zolderkamer, waar…’ En toen kwam die vraag over Eartha Kitt.

Tijdens het dessert bracht ik de vraag ter sprake, waarna Dorine, de dame van het gezelschap, grote ogen opzette, want die tekst van Eartha Kitt stond niet op de kamer­muur van Mia, maar op de hare: ‘A lady loves beaucoup d’amour.’

De tekst werd er niet minder door en ook niet minder waar.

Een paar jaar nadat we van school af waren, zijn we alle drie getrouwd. Later zijn we alle drie gescheiden en inmiddels zijn onze drie voormalige echtgenotes alle drie overleden.

Maar wij zijn er nog en we zaten bij Orontes aan de koffie, die we ons goed lieten smaken.

‘Piano!” riep een ­Japanse vrouw op­getogen toen ze de vleugel in de hal van het Centraal Station zag staan. En dat terwijl er niet eens op gepingeld werd. Of juist daarom. Een eindje verderop bleef mijn geliefde staan bij het scherm waarop de trein naar Vlissingen werd aangekondigd.

“Rilland-Bath,” zei ze, “wat een mooie naam.”

“Trijntje Fop,” zei ik, “heeft een heleboel versjes geschreven die in Rilland-Bath spelen.”

“Hoezo?” zei ze.

Omdat het lekker rijmt, dacht ik. Om de dichter die schuilgaat achter Trijntje en haar Foppen te eren, componeerde ik tussen Centraal en 24 het volgende versje:

‘Een oude geit te Rilland-Bath/ die iets te veel gedronken had/ sprak aan de bar een kater/ die ook te veel gedronken had./ Drie katers, zei de geit gevat,/ wat hebben wij een dorst ­gehad.’

Eenmaal in de tram gooide ik er nog een schepje bovenop met:

‘Een kippenboer te Barneveld/ die door de vogelgriep geveld/ van kippen lag te dromen/ ontwaakte met het woest verlangen/ de gebraden haan eens uit te hangen.’

Waarna we nabij het Rembrandtplein uitstapten voor een frietje.

Met onze friet gewapend stonden we even later weer op de halte, waar zich meer frieteters verzameld hadden. Aten wij uit een ­bescheiden puntzak, zij hadden enorme bakken bij zich met veel oorlog. Toen we allemaal instapten, zij voor, wij achterin, klonk een bestraffend: “Geen patat in de tram.”

Ik denk niet dat de bestuurder ons voor ogen had, maar je voelt je toch aangesproken.

Eenmaal thuis bleek dat Kees Stip maar één Rilland-Bath-Fop heeft gemaakt: ‘Er was een koe te Rilland-Bath/ die negen kleine kalfjes had./ Het negende was evenwel/ totaal afwijkend van ­model./ De koe had blijkbaar nummer 9/ door ruilverkalvering verkregen.’

In de Weesperstraat, op de plaats waar nu nog het onmogelijke ‘Monument van Joodse erkentelijkheid’ dan wel ‘Joodse dankbaarheid’ staat waarop het handjevol Joden dat de oorlog overleefde de Amsterdammers bedankt voor hun hulp in deze, komt het door het Nederlands Auschwitz Comité geïnitieerde Holocaust Namenmonument Neder­land.

Waar de Dankbaarheid blijft, weet ik niet, maar er zal vast wel een mooi plaatsje voor worden gevonden.

Er is over het Namenmonument veel te doen geweest. Het is te groot, het komt op de verkeerde plaats, de juiste procedures zijn niet gevolgd, er worden bomen voor gerooid, er is een hele waslijst van bezwaren, maar zoals zo vaak bij dit soort zaken is het echte probleem van het Monument vrijwel onbesproken gebleven.

Het echte probleem van het Namenmonument zijn de namen. Wie naar de site Holocaustnamenmonument.nl gaat, vindt daar de rubriek ‘Veel gestelde vragen’.

Een van die veel gestelde vragen luidt: ‘Hoe komen de namen op het ­monument?’

Het antwoord luidt: ‘Slachtoffers worden op het ­monument vermeld met de eerste voornaam, achternaam, geboortedatum en de leeftijd bij overlijden.’

Op de steen van Anne Frank gaan we dus het volgende lezen: ‘Annelies Frank, 12 juni 1929, 15 jaar’.

Waar en wanneer Anne Frank is vermoord, vertelt de steen niet, zoals hij ook niet vertelt wanneer ze is gedeporteerd en of ze in 1944 dan wel in 1945 is vermoord. Dat ze in Frankfurt am Main is geboren, blijft onvermeld, en dat ze Anne heette, komen we niet te weten. ­

De kampen waar de moorden plaatsvonden, krijgen geen naam, Mauthausen,Westerbork, Vught, Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt, Bergen-Belsen blijven ongenoemd.

De slachtoffers lijken uit het niets te komen om in het niets te verdwijnen.

En dat kan de ­bedoeling toch niet zijn.

Tijdens het jaarlijkse kersttoernooi, dat deze keer werd verspeeld in de R.K.T.H. (Rem Koolhaas Tennis Hallen) aan het IJsbaanpad, gebeurden vreemde dingen.

Zo lag Mensje ziek in bed, ging ik languit, viel Paulien om, was Ton geruime tijd jas, tas en ­telefoon kwijt en waren Hans en ik zo onder de indruk van de schoonheid van het meisje dat onze drankjes bracht, dat we het allebei heel druk hadden met niet naar haar te kijken.

Ton en ik zaten langs de baan toen we het over onze kwalen kregen. Bij onze otorinolatyngologen aangeland vroeg Ton of die van mij een Griek was, want dan hadden we misschien dezelfde. “Hij is wel van de Griekse Beginselen,” zei ik, “maar of het een Griek is...”

Op dat moment begon Aliet, die ook op het bankje zat, zich ermee te bemoeien. “Hij wil niet weten of het een Griek is,” zei ze, “maar of hij van het Griekse hof is.” “Griekse hof?” zei ik. “Ja,” zei ze, “waar ze Engelse sommen maken.”

Laatst had iemand het over ‘vrienden van Dorothy’. Die kende ik niet, zoals ook het Griekse hof, Engelse sommen maken en het ezelsbruggetje ‘je gaat niet met vakantie op je zuster’ mij onbekend waren.

Om drie uur kwamen er vier mannen onze baan op die beweerden dat het, omdat zij hier al tien jaar elke zondag vanaf drie uur speelden, niet onze baan maar hun baan was. Tennisbanen blijken net als vliegtuigstoelen dubbel boekbaar.

Het toernooi werd, zoals elk jaar, gewonnen door Dolf, die mij tijdens het etentje vertelde dat ze vroeger thuis een leesportefeuille hadden met o.a. Paris Match, ­Esquire en Life. “In onze leesmap,” zei ik, “zaten de Panorama en de ­Wereldkroniek.” “Verschil moet er wezen,” zei Dolf.

Het verhaal van de kip, onze eerste kip, de kerstkip van 1953. Toen mijn vader in 1953 bij de Amerikaanse rekenmachinefabriek Monroe ging werken, veranderde er zo het een en ander in ons leven.

Had mijn vader bij Fokker driehonderd gulden in de maand verdiend, bij de Monroe werden dat er zeshonderd; droeg hij bij Fokker een overall, bij de Monroe werd dat een sportcombinatie; moest hij bij Fokker doen wat er gezegd werd, bij de Monroe waren het anderen die deden wat door hem gezegd werd.

En vlak voor de kerst werd een kerstpakket bezorgd. Met blikjes zalm (van Delmonte!), een fles wijn (wijn!), olijven (olijven?), een banketstaaf, wal- en Bombaynoten, chocoladeflikken, kerstkransjes.

Klapstuk was een grote kip die zijn nek nog had en hier en daar een veertje. Mijn moeder keek een tijdje bedenkelijk naar het dier en wendde zich toen af. "We kunnen toch geen hele kip weggooien," zei mijn vader toen hij het beest bekeken had.

"Maar ik weet niet hoe het moet," zei mijn moeder. "Gewoon bakken," zei mijn vader. "Maar dat vel," zei mijn moeder. "Dat moet eraf hoor. Jo, dat vel gaan we niet opeten." Onder het vel zat, herinner ik me, een dikke laag geel vet.

"Heerlijk Trui," zei mijn grootmoeder toen mijn moeder de kip opdiende, maar nadat ze een stukje geproefd had, moest zelfs mijn oma toegeven dat zwart geblakerde kip niet te eten is.

Wat we wel gegeten hebben, weet ik niet meer, ik denk een boterham. Een paar jaar later aten we elke zondag kip. En omdat het zonde was om de jus weg te gooien, kwam die op woensdag als we andijvie met een karbonaadje aten nog een keer op tafel.

Als je bij Pieper de brug over gaat en linksaf de Prinsengracht op draait, krijg je al snel de Westertoren in beeld. Recht voor je, en in al zijn schoonheid. Wat een toren is het toch, zo hoog, zo licht, zo mooi en overal zo achteloos aanwezig.

Hoe vonden ze de Westertoren in 1637, toen ie net af was, vraag ik me wel eens af.

Guy de Maupassant ging graag eten in het restaurant van de Eiffeltoren, “want dat is de enige plaats in Parijs waar je dat onding niet ziet,” zei hij. Werd er in de zeventiende eeuw, in Amsterdam, net zo over de Westertoren gedacht? Joost mag het weten.

Voor me op de gracht stapte een elegant geklede vrouw uit een taxi. Ze maakte meteen een selfie van zichzelf, waarbij ze zichzelf zo kaderde dat de toren net buiten beeld bleef. Had ze van de hele ­toren geen weet of verdroeg haar schoonheid geen concurrentie?

Het liep tegen vieren en ik zat in de stroom bouwvakautootjes die de stad aan het verlaten waren.

Zo’n autootje is net te breed om je te passeren, dat is voor hen niet leuk, maar voor jou ook niet, dus glip ik als het even kan tussen twee amsterdammertjes door naar de stoep, zodat het autootje er langs kan. In de auto gaan de duimen omhoog, maar bij de volgende hoek al ben je weer tot elkaar veroordeeld.

Ik reed langs het Dodenhuisje op de Westermarkt en langs het Anne Frank Huis. Ik passeerde de verdwenen apotheek schuin aan de overkant waar apotheker Oey Tjeng Sit papierproppen in de etalage exposeerde.

Ik genoot van het licht in het water, van het licht in de lucht, van het licht op de gracht. Ik genoot.

Ik stond op het punt om mijn favoriete antiquariaat te verlaten toen er twee meisjes binnenkwamen. Ze waren in de beugelleeftijd, de ene van Aziatische huize zo te zien, de andere de dochter van de antiquaar.

“Zij eten vanavond pannenkoeken,” zei de dochter, “mag ik met haar mee?”

“En je huiswerk dan?” zei Marcel.

“Daarom gaan we juist naar mij toe,” zei vriendin, “want mijn vader heeft beloofd ons te helpen. Hij is heel goed in wiskunde. En we eten geen pannenkoeken, maar spruitjes.”

“Nou vooruit maar,” zei Marcel. “Wel vragen of je moeder de spruitjes lekker lang doorkookt,” zei ik nog toen de dames al in de deur stonden.

Even later stak ik vanuit de­ ­Albert Cuypstraat de Boeren­wetering over. Aan de overkant van het water kwam ik Saar tegen van voorheen de indianenhoofdtooienwinkel in de Roelof Hartstraat.

“Heb je het gezien,” zei ik en ik wees naar de zijgevel van het Sir ­Albert hotel op de hoek van de Ruysdaelkade en de Albert Cuyp. Waar tot voor kort een tekst van Disraeli stond, was nu een enorme reiger neergestreken.

“Een paar weken geleden,” zei ik, “schreef ik een stukje waar de tekst van Disraeli in voorkwam en prompt was ie verdwenen. Dat overkomt me nogal eens. Schrijf ik over een viskar op de Herengracht, hebben ze hem weggehaald. Hele tramlijnen verdwijnen zodra je er een keer over schrijft. Maar je kunt toch niet alles altijd maar weer controleren.”

Bij het weekblad The New Yorker hadden ze heel lang de beste ­checking department ter wereld. Alles maar dan ook alles werd ­gecontroleerd. Dat ging zo ver dat als in een stuk het Empire State Building voorkwam er iemand naartoe ging om te kijken of het er nog stond.

In de 24 werd omgeroepen dat we niet verder gingen dan de Weteringschans. Er was iets bij het Centraal Station, iets met de wissels, maar wat er ook aan de hand was, als we verder wilden, moesten we met de metro.

Het Grote Ogenblik was daar, eindelijk zouden we afdalen naar de diepten onder onze stad, in het Grote Gat waaraan twintig jaar gegraven was.

Toen ik de roltrap zag, duizelde het me, zo diep had ik een roltrap nooit zien gaan en het eerste wat ik me afvroeg was: wat gebeurt er als de roltrap het niet doet? Maar hij deed het en na een kwartiertje roltrappen stonden we beneden.

Daarna was alles heel gewoon. Een treintje dat je in een paar ­minuten op het station brengt, net als de tram.

Is de stad veranderd door de ­metro? Een beetje. Alle routes en hun aansluitingen die sinds mensenheugenis in je hoofd verankerd zitten, zijn veranderd en dat wil nog wel eens tot kortsluiting ­leiden.

Ha, de 12 komt eraan en je bent al bijna ingestapt als je ­bedenkt dat de 12 niet meer gaat zoals hij gaat, maar heel anders en dat je de 3 moet hebben en daarna moet overstappen op de 13 of de 19.

Vanuit de 3 zag ik op de spijlen van het hek van de Vondelbrug iets dat ik zo snel niet thuis kon brengen.

De volgende dag zag ik dat het ging om het versneden en in partjes op de spijlen geplakte portret van een mij onbekende jongeman die, ook via de spijlen, twee versneden mededelingen deed: ‘Als ik val sta ik op,’ en ‘Als ik sta val ik op’.

De stad verandert voortdurend, want inmiddels is het kleine kunstwerk weer verdwenen.

Tijdens mijn ochtendmedley (‘Avonds bij het licht der sterren/ kijk ik even naar de maan’, ‘Mijn wiegie was een stijfselkissie’, Volare, ‘Zwarte Theo hield van ­Tina die met Leo was verloofd’, Kaatje ging eens water halen, ‘’k ben wel jong, maar niet meer zo jong als ik was’, Domino, en opmerkelijk vaak de regels ‘Koekoek, koekoek/ een vrouw in een mannenbroek/ Echt waar, echt waar/ een man in een directoire’, die ik nog van mijn moeder heb), tijdens mijn ochtendmedley dus zong ik als uit het niets “Wie gaat ermee, wie gaat ermee/ naar het land van Hupfalderee/ want daar wonen zoveel lalala’s/ en die wonen daar in Gloria,/ Victohoria!”

Het ‘directoire’ in Koekoek is me nog altijd een raadsel.

Ik weet dat ik aan mijn moeder heb gevraagd wat dat was, een directoire, en dat zij me dat toen ook heeft verteld, maar haar antwoord ben ik vergeten. En nu zit ik dus met het land van Hupfalderee, want zo heette dat land natuurlijk niet, zoals er ook geen ‘lalala’s’ wonen.

‘Kijk op Google,’ zult u zeggen, maar mag ik u dan verwijzen naar de onvergankelijke regels ‘Ik greep meteen naar de DDT/ maar daar verwoest je zo’n huwelijk mee/ dus ik dacht, ik zal die motten daar maar laten’ uit de Twee Motten van Dorus?

Er zijn gevallen, vind ik, dat Google uit den boze is: “Kun jij je The Killers herinneren?”

”Jazeker, dat is toch die film over een roofoverval op een racetrack” “Nee, nee, dat is The Killing van Kubrick. Ik bedoel The Killers van Don Siegel, met Lee Marvin en Angie Dickinson.” “Naar het verhaal van Hemingway.”

“Precies. Marvin en zijn maat komen John Cassevetes vermoorden, maar die maat, hoe heette die ook alweer?”

Wie dan naar Google grijpt, heeft het niet begrepen.

‘Uitjes en zuur?” vroeg de haringman van Vishandel Centrum op de Haarlemmerdijk.

“Nee, dank je,” zei ik.

“Eén haring met niks,” zei hij.

Ik at hem buiten op, mijn haring met niks die ook met niks uitstekend smaakte.

Nadat ik vlaggenstokje en kartonnetje binnen in de prullenbak had gedeponeerd, wilde ik via de Korte Prinsengracht naar Tussen de Bogen. Wat nog niet zo eenvoudig bleek, maar als beloning was er het uitzicht vanaf ­Ketelmakerstraat op Westerdok.

Eenmaal Tussen de Bogen fietste ik over dat malle snelweggetje naar nummer 91 waar ElliottHalls Gallery de foto’s van Bob Willoughby exposeert, waarover ­Peter van Brummelen in de krant zo enthousiast heeft geschreven. Hij heeft niet overdreven. Shooting Stars (nog tot 17 januari) toont stralende foto’s van Audrey Hepburn en Kim Novak, Grace Kelly, Liz Taylor, Marilyn Monroe, er is een uitbundige Louis Armstrong en eenzame Chet Baker, heel bijzonder allemaal.

In het gesprekje met de dames van de galerie vertelde ik dat ik de foto’s waarop Elvis Presley en ­Sophia Loren elkaar het hof maken, heb uitgeknipt en ingeplakt. “Ik knip elke dag een foto uit,” zei ik.

“Elke dag?” zei een van de dames.

“Ja,” zei ik, “ik ben een elke-dag-man.”

Zo had ik het eerder niet geformuleerd, maar het is wel zo. Elke dag een Klein gelukje, elke dag een aantekening in mijn dagboek, elke dag een stukje over Yves Klein, elke dag een ­foto uit de krant en in de kast nog een paar boeken vol foto’s uit de tijd dat ik elke dag een foto maakte.

“En elken dag één glaasje,” voegde ik er in het geniep aan toe. Op weg naar het café zag ik dat er op de hoek van Prinsengracht en Lauriergracht een groentenwinkel is gekomen.

In mijn ervaring is het de stem die het eerste verdwijnt.

Hoe mijn vader een sigaret opstak, weet ik nog, zoals ik ook nog weet hoe hij een handje pinda’s achterover sloeg of met een hamer een schroef de muur in joeg. “Amerikaans schroeven,” zei hij dan, maar hoe zijn stem klonk als hij ‘Amerikaans schroeven’ zei, ben ik vergeten.

Ergens in huis bevindt zich een slordig cassettebandje waarop hij vlak voor zijn dood geïnterviewd wordt door zijn kleindochter, maar wat ik me daarvan vooral herinner, is dat het slecht verstaanbaar was.

Als ik goed luister, hoor ik mijn moeder nog wel eens zingen, maar verder zijn de stemmen van de doden in het niets verdwenen. Mijn grootmoeder, tante Corrie, de kleine Martin, meester Wormer, Hans van Bronkhorst, mijn eerste liefde, ze laten zich niet meer horen.

Maar soms gebeuren er vreemde dingen. Zo zat ik laatst een beetje te rommelen op YouTube toen ik na Sanny Day en de Millers om de een of andere reden Ru van Veen aanklikte. Ru van Veen was pianist bij een grapjas en ik was verliefd op zijn dochter die Hilde heette en in 1985 op veertigjarige leeftijd is overleden.

Meer voor de grap tikte ik Hilde van Veen in en zie, het wonder ­geschiedde: er verscheen een ­opname die laat horen hoe ze ­begeleid door Addy Kleijngeld Monsieur Victor Hugo (‘que votre musée me semble beau’) van Nicole Louvier zingt. In 1960 schat ik.

Bijna zestig jaar later hoor ik haar stem weer en voor even is ze helemaal terug, zenuwtic en al.

“Passe le temps,” zingt Hilde als voor mij, “comme il passe vite!/ Seul notre amour est sans limite/ Et j’préfère à tous les musées/ Ton baiser? Ton baiser. Ton baiser.”

In New York bijvoorbeeld, maar ook in Mumbai of ­Caïro is het de gewoonste zaak van de wereld om in een hotelbar een drankje te drinken. In Amsterdam doen wij dat niet zo, en vandaar dat wij nog nooit in het Arena Hotel waren geweest. We wisten zelfs niet waar de ingang zat.

Die liepen we zo voorbij, waarna we terug mochten en nog even naar de tennissers op de tennisbaan in het Oosterpark konden kijken. De mannen hadden hun doordeweekse kloffie aan en speelden met ballen die zo te zien nog van voor de oorlog waren, ze droegen zelfs geen tennisschoenen, maar ze speelden goed. Totdat het begon te plenzen en ze allemaal onze kant op vluchtten.

Wij het Arena Hotel in dus, waar we iets te vieren hadden. Met bier en bitterbal gewapend raakte ik in gesprek met een juf die onze kleindochter nog de tafel van 3 had geleerd. Een leuk gesprek, totdat ik in de gaten kreeg dat ze ­bezig was mij te strikken voor de rol van Sinterklaas. Als een haas maakte ik mij uit de voeten, want hoe oud ik ook ben, ik nog altijd bang voor Sinterklaas.

De oude vriend die ik vervolgens sprak, zei dat hij volgende week naar Parijs ging om de rue Vaugirard af te lopen, de langste straat van Parijs. “Eten bij La Coupole,” zei hij, “en dan weer naar huis.”

Tijdens het voortreffelijke etentje dat volgde, vertelde een ­wereldreiziger dat toen Eddy en hij eens na een dag woestijn in het enige plaatselijke restaurant te eten zaten, Eddy zich plotseling niet lekker voelde en zijn eten moest laten staan. “Are you finnish?” zei de woestijnkelner.

“No, I’m Dutch,” had Eddy gezegd, waarna hij voorover met zijn hoofd in zijn bord viel.

Aan de kade van Azartplein waar over een minuut of tien het pontje af moest meren stond een houten bak gevuld met zand. In het zand lagen schelpen en staken stukjes glas, groen en bruin. Geen zeeglas, want dat is glad geslepen, maar stadsglas, zo van de straat, maar daarom niet minder mooi. Het pontje was inmiddels in zicht en hoe dichterbij het kwam, hoe sneller het te varen leek.

Nadat ik me had ingescheept, had ik een kleine tien minuten om van het IJ te genieten. Water en hoge luchtige, midden in de stad, kom er eens om. “Het aardige van het ritje is,” zei iemand tegen me, “dat er aan de overkant helemaal niks is.”

Maar dat bleek niet helemaal waar. Ik zag een bioscoop, een restaurant dat Hangar heet en zowaar zag ik ook de Goudfazant, waar ik sinds lang wel eens eet, zonder te weten waar dat restaurant zich nu precies bevindt. Dit doordat we er nooit op eigen houtje naartoe gaan, maar altijd met ­iemand meerijden, wat voor mij gelijk staat aan verdwalen.

De Johan van Hasseltweg kwam uit op de Meeuwenlaan, en dan ben je weer thuis. Bij Huize Valentijn op nummer 27 wapperde onze fiere driekleur in een scheepsmast in de tuin. Ernaast stond een prachtige zonnewijzer.

In het fraaie boekenkastje van de buren trof ik een exemplaar van Tartarin de Tarascon, die zoals u weet in Algerije op leeuwen jagen ging. Op de terugweg koopt hij een kameel die zich zo aan hem hecht dat hij als Tartarins schip van wal steekt in het water springt en met de boot meezwemt. Had ik zo’n ­kameel, dacht ik, de overtocht vanaf de Meeuwenlaan zou nog mooier zijn.

"Maar u bent dus een echte ­Amsterdammer,” zei Wesley van Oger in de PC bij wie ik het pak kwam ophalen dat ik een paar maanden eerder had gewonnen in de Nationale Pakken Loterij.

“Geboren en getogen,” zei ik.

“Wij,” zei Wesley en hij bedoelde zichzelf en de vriendelijke jongedame die aan een tafel iets onduidelijks zat te doen, “wij zijn ook Amsterdammers, maar ik kom dus uit Almere.”

“En ik uit Dordrecht,” vulde de jongedame aan, “maar ik ben laatst wel op het Monnikenplein geweest.”

“Monnikenplein?” zei ik. “”Ja, of Nonnenplein, dat kan ook, maar het is er doodstil. Er was een klein kerkje als je door een deur naar buiten ging, stond je midden in de stad.”

Begijnhof, concludeerde ik.

Niet veel later liep ik met mijn pak in een zak door de Gabriël Metsustraat toen ik aan de gevel van het Sweelinck College voor havo en mavo gouden letters zag die de volgende zinnen schreven: ‘let-op-wat-iedereen-kan-horen-en-pas-dan-komt-het-hier-toevallig-tevoorschijn-een-nieuwe-klank.’

Een mysterieuze zin die ik eerder nooit gezien had, zoals ik het Poëzie Museum op het Museumplein, vlak achter me, ook nog nooit gezien heb. Maar dat komt misschien doordat je het niet zien kan.

Het is er alleen middels een app te bereiken, maar heb je die, dan zie je niet alleen het museum, maar heb je ook toegang tot versjes van o.a. Neeltje Min, Elly de Waard en Menno Wigman. Het virtuele museum is ontwikkeld door International Silence, een naam met een belofte.

Vlak naast het gebouw met de gouden zin aan de gevel is een poortje dat toegang geeft tot het pleintje achter het Sweelinck College. Het is hier heerlijk stil. Het is na vieren. Dat de kinderen dan naar huis zijn, zal er mee te maken hebben.

Toen Loek Dikker, met wie ik nog op de kleuterschool heb gezeten, zijn jongere zusje Marianna en ik onlangs over de Bos en Lommerweg liepen, het was zo ter hoogte van bakker Van der Heijden, begon Loek over de rol van de kou in onze jonge jaren. “Als je ’s winters buiten was,” zei Loek, “zag je altijd blauw van de kou. Je hoort daar nooit iemand over, maar het waren verschrikkelijke winters.”

Ik herinnerde me 1947 toen de ijspaleizen in de straten tot de ­daken reikten, maar 1956 was ook niet mis. “Het was toen zes weken achter elkaar min achtentwintig,” zei Loek, “en alles was al die tijd bevroren.”

“Wij zijn toen met de auto naar Marken gereden,” zei ik. “Halverwege de Gouwzee stond een benzinepomp op het ijs.” “Ik had het altijd koud,” zei Loek. “Er was water op de parketvloer gekomen en die was bevroren. Wij hadden een gashaard met achttien staven. Als hij thuis kwam, ging mijn vader languit voor de kachel op de grond liggen. Zo hield hij alle warmte ­tegen. Koud, koud, koud.”

“Jij,” mengde zijn zusje zich in het gesprek, “nam altijd de poes mee naar bed.” Normaal zei Loek zijn vader en moeder in de kamer gedag als hij ging slapen, maar als hij de poes onder zijn pyjamajasje verborgen hield, bleef hij in de deuropening staan in de ijdele hoop dat zijn moeder niet zou merken dat de poes miste.

“En mijn broer Peter,” zei Marianna, “nam zijn kleine zusje, mij dus, mee naar bed. Tot het warm was. Dan zette hij me in het pikkedonker op de koude gang.”

We waren als de oude eskimo die het in het ziekenhuis voor het eerst lekker warm had. Zijn leven lang had hij kou geleden.

Tien wollige witte schapen op wieltjes en in ­aflopende grootte, die op een holletje voortgetrokken worden door een meisje met een Marie Antoinettepruik op, waar zie je dat nog?

We gingen naar de opera, naar de Barbier die we allemaal kennen van de beroemde aria zoals gezongen door Dorus (‘we gaan naar de kino/ en huren een kano/ ’k weet een café met een oude piano/ links om de hoek bij het meer van Lugano/ daar ga ik dan heen met die lieverd alleen’) of door de Parel van Volendam, waar ie in de vertaling van Jan Rot ongeveer zo gaat: ‘Wil je een harinkie/ of liever een palinkie/ harinkie palinkie/ palinkie harinkie/of liever garnalen/ uit Monnickendam’.

Op het Rembrandtplein, zagen we, was een ijsbaantje gekomen en de kerstverlichting in de Utrechtsestraat reikte tot Oosterling. In de Amstelstraat tochtte het, zoals het altijd doet in de Amstelstraat. “Nare straat,” zei mijn geliefde.

“Het schijnt hier vroeger heel gezellig geweest te zijn,” zei ik. Dat had ik van mijn ouders. Zelf herinnerde ik me alleen het theater waar we een keer met een hele ploeg van school naar Rooie Sien waren geweest.

Dat was me wat, al die keurige Spinozaleerlingen bij een voorstelling van het Amsterdams Volkstoneel met de legendarische Beppie Nooy als Rooie Sien, achteraf raakten we er niet over uitgepraat. “En hier zat de Krokodil,” zei ik. “Daar kwamen alleen maar oude nichten.” Het waren wonderlijke tijden die achter ons lagen.

Voor de ingang van de opera speelde een man op een tuba en toen tijdens de ouverture van Rossini’s Barbier van Sevilla de gordijnen opengingen, holde er een meisje voorbij dat een Marie Antoinettepruik droeg en tien wollige witte schapen in aflopende grootte op wieltjes voorttrok.

Nadat ik in de binnentuin tussen Roelof Hart en Gerard Terborg drie rondjes om de zonnewijzer had gereden en zo ruim de tijd had om de nieuwe knoppen in de magnolia te bewonderen, kwam ik Anne tegen, die me vertelde over de begrafenis van een wederzijdse vriendin.

“Martie was zo dronken,” zei ze, “dat ze van haar fiets viel.” “Zo mag ik het horen,” zei ik. Op begrafenissen kan niet genoeg gedronken worden. Over het onderwerp valt het nodige te zeggen, maar in plaats daarvan besloot ik mijn schreden naar Zorgvlied te richten.

Het was koud in het Beatrixpark. En hoewel je de snelweg altijd hoort razen, was het stil. Het enorme hotel dat naast het park verrijst, is nog steeds niet klaar, maar tot mijn grote vreugde zag ik bij de doorgang naar station RAI twee stenen leeuwen staan, zodat mijn verzameling stenen leeuwen­paren nu vier deelnemers telt: Willem de Zwijgerlaan (bij de gerietdekte villa), Oosterdok (bij de peperbus), Amsterdam-Rijn­kanaal (tussen Nesciobrug en Oranjesluizen) en hier dus, het wordt nog eens wat.

Op Zorgvlied waren een paar mannen aan het zagen en af en toe hipte een ekster voorbij, verder was het op dezelfde manier stil als in het Beatrixpark. Zoals meestal waande ik mij alleen.

Nadat ik een platgereden en roestige kroonkurk op het graf van mijn dode vriendin had gelegd, bekeek ik het monumentje dat Martie gemaakt heeft voor Kitty Courbois, twee gekruiste handen, haar voornaam en de karakteristieke bloem, zoals zij die graag tekende, mooi.

Op de terugweg verdwaalde ik, zoals ik dat op Zorgvlied vaker doe, maar toen ik de uitgang ­gevonden had, was daar als altijd de rivier.

De drie Musketiers waren met zijn vieren, het gelijknamige accor­deonduo was met zijn tweeën, wat een van de kenmerken van een duo is, dat ze met zijn tweeën zijn.

Duo’s hebben het niet makkelijk, Johnny en Rijk bijvoorbeeld lieten daarover geen twijfel. Hun show heette Een paar apart, en dat was het. Altijd heisa en heibel en om het extra ingewikkeld te maken, te veel drank.

Niet alleen Johnny en Rijk hadden last van het duo zijn. Toen ik tijdens een bijeenkomst in kunstboekenantiquariaat Egidius na een inleidend gesprek over Snuf en Snuitje samen met Jan de duo-balans opmaakte, bleken duo’s vrijwel nooit voor het geluk geboren.

Walden en Muijselaar (Snip en Snap) lijken de uitzondering, maar Bassie en Adriaan (‘Ik ben wel dom, maar niet slim’) konden elkaar wel vermoorden, om over Peppi en Kokki (‘Toet toet, boing boing’) maar te zwijgen. Tragisch, na een leven lang sappelen eindelijk succes en dan elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

“Kan je je Wil van Selst herinneren?” zei ik. Dat kon Jan zich niet. Wil van Selst was de verteller van Peppi en Kokki, en dat deed hij voortreffelijk, zoals hij alles wat hij deed voortreffelijk deed.

Of hij nou Henri Salvador speelde die bij Fred Haché L’abeille et le papillon zong (“Scheer je weg, nep-Henri Salvador”) of een boer in vers gesteven blauwe overall in Summer in the fields, een sad movie van Wim van der Linden.

Onze dochter die van de Peppi en Kokki-generatie is, had als kind een verschrikkelijke hekel aan de twee matrozen. Dat meent ze zich ook te herinneren. Maar om haar te pesten houd ik altijd vol dat ze zich dat wegens te jong onmogelijk kan herinneren en dat ze juist hun grootste fan was.

De Esmoreiters stonden met zijn allen voor het Roomse blok dat daar in het begin van de ­jaren vijftig was verrezen. Daarvoor was er een landje, waar nog lang een stuk van de vleugel van een in de oorlog neergeschoten vliegtuig had gelegen.

Maar toen de toffelemonen kwamen, moest de vleugel weg om plaats te maken voor meneer pastoor, die in een jurk gehuld de woningen afging om borreltjes te drinken en te zeggen dat er meer kindertjes moesten komen. Tenminste, dat zei mijn moeder.

Terwijl we, gemengd als vroeger op de openbare school, nog stonden na te gniffelen, ging er een deur open. In de deuropening verscheen een dame op leeftijd die het gezelschap enige tijd opnam en toen onze namen begon op te noemen.

Het was Mizzi van Son die hier al sinds 1950 woont. ‘Zij gaf,’ schreef Loek Dikker de volgende dag, ‘een extra dimensie aan de samenkomst en onze ronddwaling door onze oude buurt. Met haar herinneringen is er nog steeds iets van ons in de Esmoreitstraat aanwezig. En daar had ik niet op gerekend.’

Wie er niet was tijdens onze wandeling, was Gisela. Haar vader had, in de zomer van 1954 schat ik, de Sparwinkel op het pleintje overgenomen van meneer Pas.

Ik herinner me dat wij jongens op het pleintje onze jongensdingen ­deden, zoals voetballen, vechten en vieze praatjes verkopen, terwijl de meisjes kaatsenbalden en hinkelden, zoals meisjes, griezelige wezens waar je niks aan had, dat ­deden, toen Gisela voor het eerst naar buiten kwam.

Een moment was het stil, daarna was het met voetballen, vechten en vieze praatjes vertellen voorgoed gedaan. ‘All the boys love ­Gisela,’ zongen we en we sprongen touwtje tot we erbij neervielen. ­Gisela was het einde van onze jongensjaren.

Het was een wonderlijk gezelschap dat zich op donderdag 29 november verzameld had in het poortje, het eerste poortje om precies zijn, dat de Bos en Lommerweg verbindt met de Tijl Uilenspiegelstraat.

Het was een man of dertig, mannen en vrouwen, allemaal zo rond de 70 zo te zien. Een man die iets apart stond, verhief plotseling zijn stem en zei: “Laten we nu allemaal doen wat een rechtgeaarde Esmoreiter deed en doet als hij zich in een poortje bevindt.”

Vrijwel op hetzelfde moment klonk er uit alle kelen een luide kreet die weerkaatste tegen muren en plafond, even waren we allemaal weer jong.

Een reünie van de straat waar je geboren bent, wie heeft ooit zoiets gehoord, maar na maanden van voorbereiding was het zover en stonden we klaar om onze straat en zo ons verleden binnen te lopen.

Iemand wees zijn geboortehuis op nummer 57, de deur was nog de deur uit zijn jeugd. Iemand anders wees het hekje rond het perkje waar ze nog eens van afgelazerd was, en ik wees naar het huis op driehoog aan de overkant waar Robbie Sijmons woonde.

Ik vertelde dat zijn ouders een keer een nieuw bankstel hadden gekocht, een hele gebeurtenis in die dagen, en dat ze het bankstel daarna in de plastic verpakking hadden laten zitten, iets waar ik zoveel jaar later nog niet over uitgepraat ben.

Ik wist ook nog dat ik bij Kees Timman thuis voor het eerst zuurkool had gegeten. En een heel ei op een boterham. Ik wist niet dat het kon.

Marion Dammers van de overkant vertelde daarop dat wij eens voor een nacht van bed hadden geruild. “Toen je moeder de volgende ochtend een eitje voor me had gebakken, zei ze dat het best op twee boterhammen kon.”

Toen mijn geliefde vijftig werd, heb ik voor haar een map gemaakt met daarin vijftig unica in tien categorieën. Vijf manuscripten, vijf handgeschreven gedichten, vijf schaakpartijen, vijf foto’s van Marilyn Monroe en vul maar verder in tot je aan de tien en dus ook aan de vijftig bent. Het was een gigantisch karwei waaraan ik, in het diepste geheim uiteraard, maandenlang, vaak tot laat in de nacht bezig ben geweest.

Het was zelfs zo erg, dat mijn even frequente als geheimzinnige afwezigheid nog bijna tot huiselijke twisten leidden. Maar de verjaardag werd een groots festijn met zang en dans en feestgedruis tot in de kleine uurtjes, zo’n feest dat je van leven niet meer vergeet en waarvan zelfs de kleinste ­details voor altijd in je geheugen staan gegrift.

Van nul naar vijftig is een lange reis, waarvan met name de eerste dertig jaar eeuwig lijken te duren, terwijl ook de twintig jaar die volgen nog veel tijd in beslag nemen.

Maar daarna gaat het hard, een­ieder die boven de vijftig is, kan dat bevestigen. Decennia vliegen voorbij of het niks is, en zo kon het gebeuren dat we plotseling een verjaardag te vieren hadden, waarvoor zeven cadeautjes nodig waren.

Op het feestje waar ik de cadeaus cadeau mocht doen, waren verscheidene mensen die er twintig jaar geleden ook bij waren. En dus werden er herinneringen opgehaald. “Weet je nog dat we vijftig kroketten hebben gehaald,” zei Maaike. “Bij snackbar Constantijn.”

Vijftig kroketten? Ik was paf, want hoe kan een mens in hemelsnaam vijftig kroketten vergeten. Een paar weken later werd er aangebeld bij onze dochter die net een artikel over een hongersportdieet geschreven had. Toen ze opendeed, stond er een doos met 35 cheeseburgers op de trap.

Mijn moeder had een vriendin die onbevlekt was ontvangen. Hoe het precies zat, wist ik niet, maar volgens mijn moeder had ze een kind gekregen zonder dat ze ooit, nou ja je weet wel, net als Maria.

Over nou ja je weet wel had ik vage ideeën, maar van Maria wist ik niets. Waarop mijn moeder over een heilige geest begon die Maria zonder nou ja je weet wel zwanger had ­gemaakt, zodat ze onbevlekt ontvangen was. Net als Doortje van der Smaal.

Doortje van der Smaal woonde op de Hobbemakade, schuin ­boven de boekwinkel tegenover de bloemenschuit. Wij gingen wel eens bij haar op bezoek en dan speelden Doortje en mijn moeder quatre-mains de Vlooienmars op de piano.

Het onbevlekt ontvangen kind heb ik nooit gezien. Gé en Doortje van der Smaal hadden een Pampus en als ik haar op de jachthaven zag, had ze een sjaaltje om haar hoofd geknoopt, waarvan de knoop boven haar voorhoofd zat. Gé van der Smaal verkocht dassen, en gros.

Om de hoek, in de Roelof Hartstraat, boven de ­Natuurwinkel, woonde nog ­iemand die dassen verkocht. Stropdassen, huis aan huis, vanuit een koffer. Het was de vader van een vriendin, die op zolder een atelier had.

Op het atelier stond een ezel met daarop een schilderij van een niet-voltooide zonsondergang aan zee. Wij lagen meestal op kussens op de grond, tot die vader de trap kwam opgeslopen om op hoge toon te vragen wat wij aan het doen waren.

Een tijdje terug vroeg ik aan Theo van de Kaaswaag of hij wist waar de Natuurwinkel had gezeten. “Hier,” zei hij. Toen ik in het portiek ging kijken, bleek het naambordje van toen nog aan de deur te zitten.

Nadat we in Londen met uitgever en vertaalster hadden gevierd dat Song of Stars, de vertaling van mijn Sterrenlied over Sientje Abram, was verschenen, bleken we nog een hele dag over te hebben.

Wat te doen? zoals Lenin reeds zei.

Wij kozen er voor naar Camden Lock Market te gaan, een vriendelijke kleinschalig marktje zo was ons verteld, waar een bootje vertrok dat door het Regent ­Canal naar Little Venice voer.

De markt bleek een soort Foodhallen, maar dan tot de vierde macht verheven, maar het bootje lag er, afgemeerd aan een kade waarop een rij kleine eettentjes stond geschakeld. In volgorde van opkomst: Camden Pizza, Kolkat Katirolls, Fish & Chips Calamari, Hotdog. Indonesian Street Kitchen, Steak & Chips, Columbian Street Food en Halloum Fries.

Omdat de huisjes in tweeën ­waren gedeeld, kon je aan de ­achterkant ook terecht, en wel voor Arepa Venezuelan Street Food, The Mac Factory, Baba’s G’s Bhangra Burger, Chicken Strips, Katsu House, Burgers & Fries en Caribbean Chicken & Chips.

Wij gingen voor de calamaris en daarna aan boord voor een van de mooiste boottochtjes mij bekend. Het bootje met zijn twee passagiers gleed in stilte over het spiegelende water, bomen in herfsttooi aan de ene kant, het jaagpad aan de andere, onder elegante bruggen door, door lange tunnels, langs fraaie landhuizen en vrolijk opgeschilderde woonbootjes.

Toen we later op de middag in ­Upper Street bij Fox on the Green zaten, waar ze naast een lekker biertje voortreffelijke chorizo­kroketjes bleken te serveren, doemden aan de overkant van de straat in de invallende schemering de rode neonletters op van Screen on the Green, een ouderwetse bioscoop die mij sterk aan de Odeon deed denken.

Bij Odeon hadden ze variété, hier niet, maar leuk was het.

I Amsterdam moet verdwijnen, maar de letters in het verder verlaten veldje bij Breda staan erbij of ze van geen wijken zullen weten. ‘IK GA’, zeggen ze, ‘VIA BREDA’. Ik ook dus.

Ik wist het niet, u misschien wel, maar voor het geval u het niet wist, laat ik het u bij deze weten: als je van Amsterdam naar Brussel moet en om redenen niet van de Thalys gebruik kunt maken, ­beland je in een boemeltje dat ­getrokken wordt door een oude stoomdiesel die met touwtjes aan elkaar hangt.

De trein zelf is een tweedehands­je waarin ze van gevaarlijke ­nieuwigheden als wifi of een digitaal display waarop je over de vorderingen van de reis op de hoogte wordt gehouden, niet hebben gehoord. Een keer per tweeënhalf uur komt er een man met een rugzak voorbij die kwattarepen verkoopt en uit een keteltje keteltjeskoffie schenkt.

Af en toe wordt er iets omgeroepen. Dit geschiedt in het Fins, Marols en Urdu, door iemand die geen van deze talen beheerst en voortdurend wegvalt en als hij niet wegvalt, begeleid wordt door mokerslagen op een aambeeld dat in de smederij staat waar het vuur brandt dat de trein verwarmt.

In Rotterdam hield de trein ermee op. “Oerdie wah dah doeroetoe,” werd er omgeroepen. Na een kwartier reden we weer, maar in Breda ging de stekker er definitief uit.

De volgende trein had de ­nodige startproblemen maar na een reis van vijfenhalf uur bereikten we Brussel waar de Eurostar naar Londen een half uur eerder vertrokken bleek. De volgende ging twee uur later. Wat twee uur en een kwartier werd, omdat er ­gewacht moest worden op passagiers van de vertraagde trein uit Amsterdam.

Te Berchem las ik op een bord: ‘Hier danken wij de dingen’.

Op woensdag 14 november 2018, klokke vijf, verliet ik ons huis om op de Ceintuurbaan een gegrilde kip te kopen. De maan, in het eerste kwartier, piepte net boven de huizen uit, terwijl de zonsondergang de hemel kleurde.

Met de maan aan mijn rechterzij en de zonsondergang in mijn rug liep ik de ­Gerard Terborgstraat uit in de richting van de Boerenwetering. Eenmaal op de brug zag ik hoe het blauwe uur de Ceintuurbaan binnen sloop.

Het ene blauwe uur is het andere niet. Het blauwe uur is altijd mooi, maar het ene is nog mooier en intenser dan het andere.

Wat er nu aan het gebeuren was, herinnerde me aan het blauwe uur zoals ik dat lang geleden mocht ervaren in Florence. We hadden iets staan drinken in een krap café bij de markt.

Weer buiten belandden we volkomen onverwacht in het volmaakte blauwe uur, dat de lichtjes van de marktkramen in een vonkenregen omtoverde en van de gebouwen met hun torentjes geheimzinnige schimmen maakte.

Op de Ceintuurbaan trokken de achterlichten van de auto’s en de fietsers lange rode strepen door de schemering, terwijl de hemel steeds meer op een stolp van donker glas begon te lijken.

Ter hoogte van de stralend oplichtende neon van de Rialto stond een jongen midden op de weg tussen de rails te fotograferen.

“Weet je wat je aan het fotograferen was?” zei ik tegen hem toen hij zijn fiets van het slot haalde. “De Ceintuurbaan?” zei de jongen, en toen ik moest lachen, “de zonsondergang?”

Nadat ik de kip had gehaald, liep ik door het donker terug naar huis. Niets herinnerde aan het spektakel dat zich even eerder had voltrokken.

Of het moest de maan zijn die iets hoger was gaan staan.

Op weg naar de Monnikenstraat was ik op de een of andere manier bij de Koestraat beland. Even overwoog ik een espresso bij Tofani, maar wat als ie tegenviel? Toch maar niet dus.

In de Koestraat woonden Henk en Eva en hun dochter Annabel die gezeten in haar kinderstoel met een theelepel op het blad sloeg en dan “eitje, eitje” riep.

Een huis verder woonde Bob Langestraat, de zoon van Billy Longstreet ook bekend als Laguestra. Bob was filmregisseur en bevriend met Johnny ‘Poema’ Recourt en met Pietje Synopsis.

Pietje Synopsis op zijn beurt was de tweelingbroer van Anton Quintana, groot schrijver, maar een met een handicap: wat hij schreef, kon hij zelf niet opschrijven, dat moest Lucien voor hem doen. ­

Lucien was getrouwd met de zuster van mijn dode vriendin, en zij woonden met zijn drieën, bent u daar nog, in een groot huis op de hoek van de Monnikenstraat en de Oudezijds Achterburgwal.

Inmiddels was ik ook op de Oudezijds aangeland, waar ik zag dat het hek naar de Gedempte Huidenvetterssloot openstond, een buitenkansje dat ik niet kon laten lopen.

De man die kwaaiig vroeg wat ik hier te zoeken had, had een tandenstoker en een niet brandende sigaret in zijn mond. “Niks,” zei ik, “even kijken.” Even later toen de man op de fiets zat, zei ik: “Mooi hier,” waarop hij in een klap ontdooide.

“Hoe lang zit de boel al op slot?” vroeg ik, “een jaar of dertig?”

“Twintig ,” zei hij, en “fijne dag nog.”

Hij fietste weg, richting Monnikenstraat. Lucien is al een paar jaar dood en zijn vrouw, hoorde ik eerder op de dag, is in een hospice opgenomen. In het huis waar zij woonden, zit seksshop La pomme rouge.

Barbara is inmiddels overleden.

In de Jan van Galenstraat, bij het stoplicht op de hoek met de Willem de Zwijgerlaan, stonden we naast een au-tootje van de Red Bull. Het autootje was in Red Bull kleuren gespoten en op het dak stond een enorm blik Red Bull, waarop niet alleen werd medegedeeld dat Red Bull een energiedrank is, maar ook dat het ‘laudrine’ bevat.

De twee meiden die giechelend achter het stuur zaten, die ene dan, die andere zat giechelend naast haar, leken er niet mee te zitten, met de laudrine noch met dat enorme blik op hun dak.

Bij ons in de straat woonde vroeger een vertegenwoordiger van Prodenttandpasta. Deze vertegenwoordiger reed in een Volkswagen in Prodentkleuren, dat wil zeggen dat de ene helft van de Volkswagen knalrood was en de andere helft knalwit.

Op zijn dak stond een reusachtige tube Prodenttandpasta, ook rood en wit. En de vraag was altijd of het nou fijn was in een rood-witte Volkswagen te rijden met een reuzentube Prodent op je dak.

“Hij rijdt wel gratis,” wist mijn moeder. Dat was een voordeel, want omdat wij ook een Volkswagen hadden, de RK-69-03, wisten we hoe duur het was een auto te rijden, en dat terwijl hij de hele week voor de deur stond.

Want mijn vader ging gewoon op de fiets naar zijn werk. Met de auto naar je werk, het idee, wie had ze ooit zo zout gegeten. “Maar zo’n tube tandpasta op je dak,” zei mijn vader, “ik zou me doodschamen.”

Mijn tienjarige ik was neutraal. Ik vond alle auto’s even erg. Niet als ze stil stonden, maar wel als je erin moest zitten om ergens heen te gaan, waar je nooit naartoe wilde.

Op de stationstrap wierp het bevallige meisje dat naast mij liep een blik op mijn koffertje en vroeg of ze het van mij moest overnemen.

“Nee,” zei ik, “dat red ik nog wel. Volgend jaar misschien?”

“Afgesproken,” zei ze.

Eenmaal in de tram zag ik iets waar je over leest, maar wat ik geloof ik nooit met eigen ogen had aanschouwd. Een vader haalde een zak snoep tevoorschijn en bij die aanblik klapte zijn dochtertje van vreugde in haar handen.

Altijd gedacht dat die handenklapperij zoiets was als het spitsen van je oren of het schrapen van de keel, maar nee dus, het bestaat echt.

Nadat ik was uitgestapt, begaf ik me naar Arnold Cornelis voor een kroketje. Bij Arnold Cornelis voor de deur staat een bank waar ik graag op zit. Je hebt er een fraai uitzicht over de Van Baerlestraat en een aardig inkijkje in de diverse zijstraten. Er passeren fietsers en wandelaars, auto’s, bussen en trams, van alles te doen dus. Laatst nog zag ik Karel van het Reve voorbij lopen, weliswaar was het zijn zoon, maar toch.

Als ik mijn kroket heb besteld, zeg ik dat ik buiten ga zitten en vraag ik of ze me even waarschuwen als ie klaar is. Wat ze altijd vergeten.

Op de presentatie van de tweede verzameling Klein geluk in Boekhandel Martyrium vertelde ik het verhaal aan mijn buurtgenoten. Dat ik dat had gedaan, vertelde ik nu aan Sandra bij wie ik mijn kroket had besteld en tegen wie ik had gezegd dat ik buiten ging zitten.

“Daar zou ik tegen geprotesteerd hebben,” zei ze. “Ik vergeet je nooit.”

Even later kwam ze naar buiten en hield het zakje met mijn kroket triomfantelijk omhoog.

“Zie je,” zei ze, “Sandra vergeet het niet.”

Op de Boekenmarkt op het Spui zag ik tot mijn verbijstering twee ingebonden jaargangen van het Franse tijdschrift Aviation liggen. De jaargangen 1910 en 1911, uit de grootse begintijd van de vliegerij, toen ze allemaal nog vlogen: Curtiz, Wright, Garros, Blériot, Santos Dumont.

En hier werd verslag gedaan van hun avonturen, in honderden artikelen met honderden adembenemende foto’s, en dat voor de prijs van een gemiddeld etentje met zijn tweeën.

Niet goedkoop dus, maar beter duur dan niet te koop.

Mijn hoofd was nog in de wolken toen ik werd aangesproken door een man met een baard en een wandelstok. “Je kent me niet meer,” zei hij, “maar ik ben Pim Koldewijn.”

“De dichter!” riep ik. Begin jaren zestig zaten we samen in de redactie van de Telescoop, de schoolkrant van het Spinoza Lyceum. Pim gebruikte zijn redacteurschap om zijn gedichten te publiceren die vervolgens door mij onder het pseudoniem de Drie Turven belachelijk werden gemaakt, een mooie taakverdeling.

“Schrijf je nog versjes?” wilde ik weten. “Ik ben er nog een tijdje mee doorgegaan,” zei Pim, “maar toen ben ik natuurkunde gaan studeren.”

We kregen het over de andere redacteuren van de schoolkrant. Over Arthur Hartkamp die schitterend rijmende verzen schreef: ‘Verliefdheid is als bloemengeur/Een graag opbloeiend lenteodeur’; over Lars Nigtevecht die om de een of andere reden in het Engels dichtte.

Dit zijn de eerste regels van A Question From a Soldier: ‘I’m not afraid to die this very moment/ If only someone told me why’. Dat heb ik uit een oude schoolkrant, maar van Dik Ruiter wist ik nog een regel uit mijn hoofd: ‘De slotheer is onrustig’.

Pim begon zijn Extase met: ‘Twee nauwe pijpen/ en een rode rok’, dat is beter dan ik toen vermoedde.

In het gebouw van roei­vereniging De Amstel hangt een skif aan het plafond. Een paar jaar geleden nog moest het gebouwtje weg om te wijken voor een megalomaan stadsdeelkantoor, maar gelukkig is dat niet doorgegaan.

Je hebt er een prachtig uitzicht op het water en op de Amstelkade aan de overkant. De laatste keer dat ik hier was, was in het voorjaar van 1960, toen mijn vriend nog roeide en ik eens ben gaan kijken hoe hij het ruime sop koos in zijn wherry.

Daar viel niet veel aan te beleven, want hij was in een oogwenk om de hoek verdwenen en voor water en ­kaden had ik toen nog geen ­belangstelling. Op je zestiende heb je wel wat anders aan je hoofd. Ik denk dat ik even langs ben ­gegaan bij een vriendin in de Roelof Hartstraat.

Op de bijeenkomst in het club­gebouw maakte ik kennis met een vrouw die de achternaam van haar man droeg en die nadat ze die naam had genoemd, aarzelend zei dat het eigenlijk haar naam niet was, maar dat ze de eer had zich zo te mogen noemen.

“Hoezo eer?” zei ik, “mijn geliefde heeft altijd haar eigen naam gehouden.”

“Dat kan ook natuurlijk,” zei ze. “Ik heet Zwolsman.”

Een gesprek met iemand die je niet kent, is als schaken. Je moet vooruit denken en dus zei ik: “Niet de beste schilder van de wereld, maar ook niet de slechtste.”

Waarop de vrouw natuurlijk zou vragen wat ik daarmee bedoelde en ik over Nescio’s Bavink kon beginnen die immers gemodelleerd is naar de schilder Johannes Zwolsman. Maar de vrouw zei: “Dat was mijn grootvader.”

Oom Frits en tante Aagje had ze goed gekend. Tante Aagje was heel aardig, maar Nescio was een saggerijn.

Marthe was vijf geworden en dat had ze ­gevierd met tien vriendinnen en een speurtocht die naar een schatkist leidde. Marthes moeder liet een filmpje zien waarop de tien kinderen rond de schatkist stonden, allemaal met een toverstokje in hun hand.

“Hokus, pokus, pilatus, pas, ik wou dat de schatkist open was,” zongen ze en verdomd, dat was ie.

Die toverstokjes hadden ze gemaakt omdat de toverheks van dienst haar toverstaf kwijt was en dus de schatkist niet meer open kon krijgen.

“Dat had ik een beetje onderschat,” zei Marthes moeder, “want er waren meteen kinderen die vroegen of de toverheks dat wel goed vond, dat zij naar haar schatkist gingen zoeken. Ze waren bang dat ze misschien kwaad zou worden.”

“Wat heb je gezegd?” zei ik.

“Dat het volgens mij een heel aardige toverheks was en ze zich dus geen zorgen hoefden te maken. Maar toen was er een kind dat wilde ­weten hoe ik dat wist, dat het een aardige toverheks was. ‘Dat denk ik,’ heb ik toen gezegd, maar dat maakte het alleen maar erger, want wat als ik het nou eens mis had.”

“Toverheksen, altijd wat,” zei ik, waarna ik ‘O wat is het donker in de bosjes (als ik maar geen toverheksen zie’) voor haar heb gezongen.

Toen ik zo’n veertig jaar geleden zelf uit schatgraven ging, hadden we te maken met de verschrikkelijke kapitein Haak en de Bende van de Zwarte Hand. Zeerovers zijn ook niet mis en dus had ik toen we met onze schatkaart het bos in gingen, veertig stappen links, dertig stappen rechts, een geweer bij me, de oude luchtbuks van mijn vader, waarmee hij in zijn laatste zomer, onherroepelijk genezen van een hersentumor, de wasknijpers van de waslijn schoot.

Aangezien Jan van antiquariaat Egidius uit Noord komt en ik uit Noord kwam, kon hij me vertellen wat ik, toen ik vanaf de Oranjesluizen de Schellingwouderdijk opreed, zoal gemist had.

“Beneden aan de dijk staat een rij sluiswachtershuisjes,” zei hij, en als je het pad nam tussen die huisjes en de Dijk kwam je bij een watertje, waarin een klein pontje ligt, waarmee je jezelf door middel van een touw naar de overkant kunt trekken.

“Daar sta je op het terrein van Ketjen. Als je daar iets opraapt,” zei Jan, “is er altijd nog wel iemand die zegt dat je daar heel voorzichtig mee moet zijn. Wegens gif.”

Er waren allerlei actiegroepen tegen Ketjen geweest en Rudi Falkenhagen was een van de voormannen. “Was dat Snuf,” zei ik, of Snuitje?” “Snuf,” zei Jan: “Mm-mooie pp-parels, ff-fijne pp-parels.”

Op de Kring kreeg Theun de Winter een keer ruzie met Falkenhagen. “Jammer,” zei Theun toen Falkenhagen woedend weg beende, “want als acteur heb ik je hoog zitten.” In ijdelheid gestreeld, hield Falkenhagen de pas in, waarop Theun het ‘mm-mooie pp-parels, ff-fijne pp-parels’ horen liet, waarna de boot pas goed aan was.

“Kan jij je herinneren,” zei ik ­tegen Jan, “dat Pipo ruzie kreeg met zijn schepper en het verder verdomde?” Jan kon zich dat niet herinneren. De ruzie ging over merchandising en de man die de rol van Pipo overnam, liet in interviews weten dat de vorige Pipo een waardeloze clown was en dat hij weleens zou laten zien hoe een echte clown dat aanpakte. Het werd een drama.

Jaren later gingen mijn ouders in Lisse wonen en als je daar in het winkelcentrum de acteur in kwestie lopen zag, werd hij onveranderlijk gevolgd door een stoet kinderen die pesterig ‘Pipo, Pipo’ riepen.

Het Leidsebosje, dat tot voor kort voor zover ik weet geen naam had, heeft nu twee namen zag ik, Leidsebosje West en Leidsebosje Oost.

In Leidsebosje Oost ben ik nog niet geweest, maar Leidsebosje West was even schrikken. Het stukje oerwoud dat daar sinds mensenheugenis lag, is ­gekapt en tot een doorzichtig parkje omgetoverd.

“Wel zo veilig,” zei mijn geliefde, maar dat je je vroeger in het toen nog naamloze Leidsebosje zo heerlijk onbespied kon wanen, had ook zijn voordelen, herinnerde ik mij.

Als jongen heb ik mijn ouders vaak over het Leidsebosje gehoord. Het verhaal speelde in de eerste maanden van de bezetting. Mijn vader en moeder waren samen met Maleveld en zijn vriendin uit geweest op het Plein.

Ik weet weinig van Maleveld maar het was een geheimzinnig iemand en als zijn naam viel, hoorde je onverwachte dingen.

Maleveld koerste bij de amateurs, waar hij er plezier in schiep de grote Pellenaars van de weg te rijden; Maleveld was vlak na de bevrijding betrokken bij het leegroven van Canadese legerdepots; Maleveld zou een handeltje in cocaïne hebben gehad; Maleveld had een vriendin die mannenkleren droeg.

In het Leidsebosje hadden twee Duitse soldaten een opmerking gemaakt over zijn vriendin. Waarna er een knokpartij was uitgebroken, waarbij Maleveld, straatvechter, en mijn vader, lichtgewicht, de soldaten stevig hadden afgedroogd.

Met als resultaat dat mijn moeder zeker een halfjaar geen oog dichtdeed uit angst voor de gevolgen.

Zoiets zou nu niet meer kunnen gebeuren. Het is keurig in het Leidsebosje West. Frisse paaltjes langs de laantjes, de tak van ’t Zagertje voor verder doorzakken behoed door een spinrag van ­kabels, het beeld van Heijermans schoongeboend en in het zicht ­gezet en het belangrijkste: geen bosje meer te bekennen.

Toen mijn vriend Mels de Jong 60 werd, vertelde hij me dat hij zo ontzettend graag tien jaar jonger zou zijn geweest, want dan had ie tien jaar extra tijd gehad. Een raadselachtige redenering, dacht ik, terwijl ik bedacht hoe jammer ik het vond dat ik Mels niet veel eerder had ontmoet.

Het is heel gek, maar de meeste mensen leer je kennen op precies het juiste ogenblik. Toen ik 9 was, kwam Hans Ree bij me in de klas te zitten, prima, op mijn 16de ontmoette ik Tim Krabbé, kan niet beter, en zelfs over het tijdstip waarop ik mijn geliefde leerde kennen, ben ik dik tevreden, hoewel ik het in haar geval niet erg gevonden had als het een jaartje eerder was gevallen.

Mels was een erudiete en geestige man, aardig, maar tegelijkertijd had hij iets geheimzinnigs. Je voelde dat je hem niet helemaal kon kennen. Mels was gek op spelletjes. Hij was een goede schaker, maar in spelletjes als rikken, kingen, toepen en hoe het verder ook heten mag, was hij onverslaanbaar.

We deelden onze liefde voor de Franse literatuur. Hij hield van ­Céline, en Flaubert vond hij zwaar overschat, maar over Modiano ­waren we het eens. Net als over A.M. de Jong, zijn oom aan wie hij een mooie biografie wijdde.

Op 23 augustus van dit jaar ­begon ik Merijntje Gijzen te her­lezen, alle acht de delen. Op 1 september hoorde ik dat het slecht ging met Mels. Op de 19de is hij, 86 jaar oud, in Frankrijk over­leden.

Vorige week herdachten we hem, aan de Amstel, waar iemand alles samenvatte door het zingen van het chanson van Charles Trenet: `Que reste-t-il de nos amours/ que reste t-il-de ces beaux jours/ Que reste-t-il de tout cela/ Dites le moi.¿

In de Reguliersdwarsstraat, vlak voorbij de Schapensteeg met zijn achterkant van de Tuschinski, op nummer 125, aan de kant van de Reguliersbree, hing tot voor kort een neon Eiffeltoren aan de gevel. Het was een laatste overblijfsel van Place Pigalle, een animeerzaak ­zoals ik ontdekte toen ik er eens nietsvermoedend naar binnen liep.

Maar er werd niet alleen ­geanimeerd, want aan de bar trof ik twee doodgewone meisjes die zodra ze hun mond opendeden uit ‘Volllendam’ bleken te komen.

Ik kwam in die dagen voor mijn werk vrijwel dagelijks in Volendam, dus hadden we een boel te bespreken. Het meisje dat ik leuk vond, vertelde dat ze als serveerster werkte in een restaurant aan het Doolhof, vlak achter de Dijk. Waar we na haar dienst afspraken.

Toen ze het restaurant uitkwam, bleek ze, ik kon mijn ogen niet geloven, in Volendams kostuum. Ik was op slag verliefd. Al die rokken, en het schortje en dat kapje, wie zou daar niet voor zijn gevallen?

Vijftien jaar later ben ik nog een keer in Pigalle geweest, na een lange dag met Jan Cremer, Mick Boskamp en Kees van Beijnum. “Allemaal balletdanseressen en meiden van de Filmacademie,” zei Jan, die er verstand van heeft. Op de animerende balletdanseressen en meiden van Filmacademie na was de zaak verlaten.

Jan bestelde Hongaars bier en poestanootjes en nadat we ons geïnstalleerd hadden, zei hij: “Jongens, nog vragen?”

Toen de gigantische rekening kwam, dreigde er een opstootje, want Jan verdomde het te betalen. Ik verheugde me al op een vechtpartij, maar op de een of andere manier wist hij de rekening af te kopen. Weer op straat keek ik naar de Eiffeltoren die in paars neon aan en uit ging en die nu voorgoed verdwenen is.

In de tram op weg naar mijn favoriete restaurant gebeurden merkwaardige dingen. Het was de 5 maar verdomd als het niet waar is, op het Leidseplein veranderde hij zomaar in de 10. Of nee, het bleef gewoon de 5, maar hij gedroeg zich als 10 en daar werd niks over omgeroepen of zo, nee, ze deden gewoon of het zo hoorde.

Nadat ik op eindpunt was uit­gestapt, liep ik gewoontegetrouw naar het geboortehuis van de ­gebroeders Reve om te kijken of alles bij het oude was. Dat was het, maar de schitterende cactussen in de etalage van het hoekhuis, ­waren die nieuw of waren ze er ­altijd al en had ik ze nooit gezien?

Zo mooi als de cactussen waarvan ik altijd droom en die mij nooit gelukt zijn. Moest ik nu blij zijn met de prachtige cactussen in hun etalage of bedroefd over mijn cactusmislukkingen? Ik wist het niet.

In het restaurant hadden Freddy en ik het over onze herinneringen die verdwijnen of juist uitdijen en steeds mooier worden. “Op het Sir Albert Hotel in de Albert Cuyp,” zei ik, “staat een citaat van Disraeli, ‘Like all great travellers I have seen more than I remember and remember more than I have seen’. Zo is het ongeveer, denk ik.”

Vroeger zat daar een diamantslijperij, herinnerde ik me. “Moppes,” zei Freddy., “Samen met mijn vader ben ik daar eens ­geweest. Ik kreeg er handenvol goudkleurig slijpsel. Ik dacht dat we rijk ­waren.”

Freddy had in De L’Europe gewerkt. Daar woonde de oude ­directeur van Moppes. Zijn kamer kwam hij niet meer uit. Op sommige dagen wilde hij dat Freddy hem de hele avond kwam bedienen. En zodra de deur dicht was, zei hij dan: “Zo, nu gaan we samen Ajax kijken.”

De frietrij bij Manneken Pis op het Damrak lijkt steeds langer te worden. De rij is zo lang dat het welhaast onmogelijk is geworden om te controleren of de rij zo lang is door de kwaliteit van de ­patat of dat het om iets anders gaat, een vermelding in een hippe gids, een filmpje op YouTube of iets dergelijks.

Als ik hier loop, denk ik altijd aan de cineast die alleen langs de kant van de Beurs over het Damrak durfde, de zonnige kant was hem te wijds.

Als hij in de schaduw langs de muur van de Beurs sloop, was hij op weg naar Hotel Polen, waar we vaak bijeenkwamen met onze producent, die zoals een producent betaamt sigaren rookte, een telefoon op zijn tafeltje had staan en de rekening betaalde. Niet veel later brandde Polen af.

Het was in de tijd dat de fluorescerend beschilderde bus van Magical Mystery Tours vanaf het Rokin vertrok voor zijn psychedelische trip naar Afghanistan, het paradijs op aarde, toen al.

Ook aan de God van Nederland op zijn terras denk ik wel eens als ik op het Damrak loop, maar vaker nog aan Hooters. Als je in het voorbijgaan bij Hooters naar binnen keek, zag je blote meiden met een cowboyhoed op hun kop en een riem om hun middel waaraan twee holsters hingen met klapperpistolen die ze af en toe lieten knallen. Als ze een goede fooi vingen, denk ik.

Een tijdje geleden las ik over bootbabes, schaars geklede dames die toeristen een boot proberen in te praten. En op het dak van zijn moeder vertelde Sander die op het water woont mij dat er bootjes ­varen met paaldansende paaldanseressen aan boord. Varende prostitutie lijkt niet ver weg.

In 1955 ging Eddy Posthuma de Boer, die toen 24 was, naar Parijs om bij Magnum, het beroemde door Cartier-Bresson en Robert Capa opgerichte fotopersbureau, zijn foto’s te ­laten zien.

Ik was ook in Parijs in 1955. Ik was elf en we waren op de terugweg van Ventimiglia waar we onze vakantie hadden door­gebracht toen mijn vader, zo ter hoogte van nougatstad Montélimar, besloot dat ik Parijs moest zien.

Mijn vader was dol op omwegen, dit in tegenstelling tot zijn zoon, die meteen begon te klagen dat hij helemaal niet naar Parijs wilde maar naar huis. Eenmaal in Parijs aangekomen was het oorlog in onze Volkswagen.

Ik zat achterin in een Tour de Francespecial van Het Vrije Volk te lezen, mijn vader briesend achter het stuur, terwijl mijn moeder vergeefs probeerde de zaak te sussen.

“De Eiffeltoren verdomme!” riep mijn vader toen we over Place de la Concorde ­reden, “kijk, het Louvre, verdomme, de obelisk, kijk!” Mijn vader in zijn korte broek achter het stuur van zijn Volkswagen, zijn onwillige zoon achterin, elke keer als ik op Concorde kom, moet ik eraan denken.

Eddy Posthuma de Boer slaagde niet voor zijn Magnumexamen. Gelukkig niet, want dan had ie van die slome Cartier-Bressonfoto’s moeten gaan maken, terwijl hij nu een leven lang fijne Eddy Posthuma de Boerfoto’s heeft gemaakt.

Zijn nieuwe expositie, tot 9 ­januari in Hotel Arena, heet ­Paris-Amsterdam 1955-2018 en ­bestaat uit tweeregelige verzen, waarin de twee steden op elkaar rijmen, een marktkoopman in de rue Mouffetard en een manser bij zijn orgel in de Kalverstraat, een man met pet aan de bar in café la Tartine, een man met een hoed op een stoel in café Hesp.

Kleine wonderen van een groot kunstenaar.

Op de trap betrapte ik me erop dat ik Moanin’ liep te fluiten. Dat vroeg om maatregelen en dus pakte ik een Art Blakey-cd uit de kast en zette Moanin’ op. Bij de eerst maten al had ik mijn twijfels en toen het wijsje erop zat en het echte werk begon, wist ik het ­zeker: de trompet was niet om aan te horen. Hij werd anno 1980 ­geblazen door een zekere Wynton Marsalis, las ik in het begeleidende boekje. Maar ik wilde helemaal geen Marsalis, ik wilde gewoon Lee Morgan en dan het liefst zoals hij in november 1959 klonk in het Concertgebouw.

YouTube bracht uitkomst.

De volgende dag, een woensdag, fietste ik, zonder ook maar één keer aan Astrid te denken, heen en terug over de Willemsparkweg, waar zij toch woonde. Op de heenweg kwam ik langs een elektronisch verkeersbord dat zei dat ik 12 kilometer per uur reed en dat me daarvoor beloonde met een smiley. Op de terugweg legde ik even aan bij antiquariaat Metamorfose op de hoek van de Valeriusstraat en de Hendrik Jacobszstraat. In de bak vond ik een boek met Rimbaud op de cover. Toen ik naar binnenging om mijn euro af te dragen, hoorde ik Thelonious Monk. “Met Art Blakey zo te horen,” zei meneer Metamorfose.

Een paar dagen later dacht ik aan Astrid. Haar vader was van Blue Note, met als gevolg dat ik ­alles van Blakey dat tussen september 1959 en mei 1960 op Blue Note verscheen, van dichtbij heb mogen horen. En niet alleen Blakey, Horace Silver, Don Byrd, Kenny Burrell en Hank Mobley maakten ook platen. De eerste plaat van het Lee Morgan Quintet heb ik net niet gehaald.

Want op 7 mei 1960 was het uit met de verkering.

Op een van de laatste mooie zomerochtenden zaten we in een tuin vol Oost-Indische kers, granaatappelboompjes, vijvertjes en reusachtige vijgen. Het is dat we in Amsterdam waren, anders had ik me in het Zuiden gewaand.

We dronken eerst koffie en daarna bessensap van echte bessen en ondertussen hadden we het over Salvador Bloemgarten, ooit geschiedenisleraar op het ­Spinoza Lyceum en in die hoedanigheid aanwezig in een door leraren en leerlingen gedragen productie van Oklahoma.

“Bloemetje was zo goed,” zei ik, “dat er zestig jaar later nog over wordt gepraat.”

Izak kende Bloemgarten van een mislukte poging tot restauratie van de conciërgewoning van de Sophie Rosenthal Bewaarschool in de Nieuwe Uilenburgerstraat. “Het huisje staat er nog,” zei hij. “Links van de synagoge.” Ik ben dezelfde middag nog gaan kijken.

De bedrijven in de Nieuwe Uilenburgerstraat dragen namen als Techniek, Meubelmakerij en De Specialist, namen die op de of andere manier vertrouwen wekken, vind ik. De enigszins vervallen conciërgewoning staat inderdaad links van de

Uilenburger sjoel die weer schuilgaat achter het gebouw van Riolering en Bruggen. Het is stil in de straat. Alleen bij de diamanten van Gassan is leven.

Terwijl ik de enorme bakstenen schoorsteen weer eens bewonderde, zag ik dat er op het terrein van het badhuis aan de overkant ook een schoorsteen staat, een klein­tje.

Bakstenen schoorstenen in de stad, hoeveel zouden er nog zijn? Bij Hotel Arena staat er een, bij Sportfondsenbad Oost, en bij Tetterode, verder kom ik niet.

Op het Waterlooplein kocht ik even later een poesiealbum uit 1955 met het versje ‘Er liep een nikkertje op het strand/ Het poetste zijn tandjes met hagelwit zand/ Och mocht mijn zieltje toch zo rein/ Als de tandjes van dat nikkertje zijn.’

Op het Leidseplein stapte ik in een tram richting Spui. De tram was afgeladen, maar na een halte al kwam op de achterbank een plaats vrij naast een al wat ­ouder echtpaar, waarvan de man echt oud was. Ouder dan ik bedoel ik dan.

Toen we op de halte Keizersgracht stonden, wees de man en zei: “Daar zat vroeger een winkel waar je prachtige vazen kon kopen, maar ook stoffen en meubelen. En op het dak was een terras met een prachtig uitzicht over de stad. Maar hoe die winkel heette...”

De vrouw zei niets en ook ik zweeg.

Bij de volgende halte haalde de man herinneringen op aan de boekwinkel die hier had gezeten en waarvan hij de naam ook was vergeten.

“Scheltema,” zei ik, “hier zat Scheltema en een halte terug zat Metz. Allemaal weg. ­Komen niet meer terug.”

De man vertelde dat hij Amsterdammer was, maar al lang niet meer in de stad woonde. “Ik kom hier maar af en toe,” zei hij, “en er is niet veel hetzelfde gebleven. Maar de grachten zijn nog prachtig, gelukkig.”

Wat ik kon beamen.

Ik stapte uit en begaf me naar Athenaeum om een paar boeken op te halen. De balie waar je je tot voor kort voor dit soort zaken kon melden, bleek verdwenen en de boeken waren zoek. Tot ze toch werden gevonden.

Vanuit De Zwart keek ik even later naar het huis boven Athenaeum waar Theo Kars vroeger woonde. Nadat zijn vriendin gedreigd had zelfmoord te plegen, ging zij in de vensterbank zitten, waar ze haar benen dreigend buitenboord liet bungelen.

Op alles wat tegen haar gezegd werd, antwoordde ze met: “Ik ben een trotse Cherokee-indiaan.”

Toen Hanny Michaelis in 1922 werd geboren, woonden haar ouders in de Van Eeghenstraat. Haar eerste herinneringen zijn van toen ze twee of drie was en zij in de J.M. Coenenstraat woonde, aan de korte kant, op de hoek met de Reijnier Vinkeleskade.

‘We hadden een prachtig uitzicht,’ zegt Michaelis in Verst verleden, haar door Nop Maas opgetekende jeugdherinneringen. ‘Het was nog niet bebouwd aan de overkant van de Coenenstraat.’

Over het eerste huis dat er gebouwd werd, schreef ze een halve eeuw later een gedicht met de ­regels ‘(…) Met grote/ beslistheid verkondigde ik/ dat halen ze ’s zomers weer weg.’ Ze zal drie zijn geweest toen ze die uitspraak deed.

Het zijn ragfijne herinneringen die Michaelis ophaalt. Zo vertelt ze haar over neven Benima die ze nooit gekend heeft, maar die er volgens haar moeder trots op ­waren dat ze, als teken van welstand, twee keer per dag vers brood aten.

‘Bij ons thuis,’ voegt ze daaraan toe, ‘werd al het oude brood opgegeten. Als het heel oud was, maakte mijn moeder er heerlijke broodschoteltjes met krenten en rozijnen of gember van.’

Als ik bij Marjan thuiskwam die in de Hoendiepstraat woonde, werd daar aan de eettafel gekaart door oude tantetjes met een nummer boven hun pols. Marjan zelf was als baby door haar moeder over het hek van Westerbork gegooid. Haar moeder werd in Auschwitz vermoord.

De tweede vrouw van haar vader die nu haar moeder was, had een keer zo’n broodschoteltje gebakken, alleen heette dat geen broodschotel maar ‘broodchalata’, een woord waarvan ik niet weet hoe je het schrijft. Maar het was heerlijk, zo lekker dat Marjan vanaf dat moment de traktatie regelmatig voor mij mee naar school kreeg van haar moeder.

Als je vanaf de Lijnbaansgracht de Reguliersgracht opgaat en bij de
Utrechtsedwarsstraat bent gekomen, zie je aan het einde van de straat heel groot en rood het woord CARRÉ. Ik laat me er altijd door verrassen. Zoals de hele Reguliersgracht altijd weer een verrassing is.

De bruggen, de ­bomen, het water, de rust. Wat me ook bevalt, is dat je als je vanaf het Thorbeckeplein komt nooit weet of de straat langs de gracht doorloopt of dat je plotseling de gracht moet oversteken om een brug verder via de overkant op je weg terug te kunnen keren.

Op de brug van Amstelveld naar Prinsengracht, de brug die de hoek maakt met het huis met de ooievaar, u weet wel, heb ik eens twee bouwvakkers op hun knieën voor de brugleuning een uitgebreid gesprek over ‘de neut’ horen voeren. Daar was iets mee, met de neut, maar wat ben ik vergeten.

Vlak voorbij Utrechtsedwarsstraat en brug zag ik in een raam een beeldje dat me aan Voorzitter Mao deed denken die het bij nadere beschouwing ook was. De Grote Roerganger zat met zijn rug naar ons toe in een rieten stoel en dronk een glas bier dat hij had ingeschonken uit een rood blikje.

Op markten in Sjanghai waren dit soort beeldjes wel te koop. Aan de ene kant vond ik ze best mooi, aan de andere kant, wie wil een beeld in huis van een massamoordenaar die na zijn zoveelste dagje massamoorden even tot rust komt met een biertje.

Zijn Rode Boekje was ook te koop. Hoe meer doden in het jaar van verschijnen, hoe hoger de prijs. Liever ging ik naar huis met Kuifje in China. Dat had ik al, maar in het Chinees is het toch anders.

In de Koningsstraat, zo ter hoogte van stripantiquariaat Lambiek, vond ik in een boek dat ik in een boekenkastje vond een rood buikbandje met de tekst ‘Objédérébus Pablo Picasso’. Objédérébus, niet een woord waar je een, twee, drie klaar mee bent.

Ik stak de Nieuwmarkt over en liep er nog op te kauwen toen ik langs een bankje kwam, waarop twee mannen in het zonnetje bier zaten te drinken. “Ik stap de wachtkamer binnen,” hoorde ik de ene man zeggen, “en wat denk je dat ik zie? Adelheid Roosen, die languit op de grond te liggen lag.” ”Bij de tandarts,” zei de andere man. “Bij de tandarts,” beaamde zijn maat. Hij nam een slok uit zijn blikje en keek naar de overkant van de straat, waar vroeger zoals ik me herinnerde een visboer zat.

Dat ik me dat herinnerde kwam doordat de fotograaf met wie ik in die dagen optrok, verliefd was op het meisje bij wie we iedere dag een haring aten. Ik kon me er iets bij voorstellen, want ze had mooie ogen en rook heerlijk naar vis. Toen het niks werd, begon hij iets met het meisje van de glaswinkel om de hoek.

Op het terras van ’t Loosje ­bestelde ik een vaasje. ‘t Loosje wordt gedreven wordt door een dochter van Marie, de dit jaar overleden uitbaatster van café Emmelot. Omdat ik graag eens met Coby over haar moeder wilde praten, liet ik bij de man die mijn biertje bracht een briefje achter, dat ik ondertekende met Guus ­Solex. In de tijd dat ik vrijwel ­dagelijks in café Emmelot kwam, was Coby een jaar of elf. De liefdesbriefjes die ze mij schreef eindigden altijd met de vraag wanneer ze weer op mijn brommer rijden mocht.

Toen mijn vader en moeder nog niet mijn vader en moeder waren maar geliefden, hadden ze eerst een kano en later een zeilboot, eerst een kleine BM en daarna een kajuitjachtje. Als de Carpe Diem in winterstalling lag, gingen ze naar de ijsbaan en vandaar de stad in.

Mijn vader was bank­werker en mijn moeder mono­typiste. Hij betaalde kostgeld aan zijn moeder, hoewel hij zelden thuis sliep, maar zij verdiende meer dan hij en samen hadden ze een mooi inkomen.

“Daar leefden hele gezinnen van,” zei mijn moeder vaak.

Ze gingen naar Parijs waar ze ­Joséphine Baker zagen in de ­Folies Bergère en huurden een DKW waarmee ze op vakantie gingen in Luxemburg. Nog altijd kan ik de verrukkelijke forel proeven die zij daar aten.

Welke cafés ze aandeden als ze op zaterdagavond uitgingen, weet ik niet, maar als het erg laat werd of juist heel vroeg, het is maar hoe je het bekijkt, eindigden ze in ’t Sterretje op het Waterlooplein.

Een café dat in de vroege ochtend openging, ik kon het als jongen niet bevatten, maar het leek me wel wat en ik nam me voor om als ik groot was ook naar ’t Sterretje te gaan.

Maar toen het mijn beurt was, was het ’t Sterretje ­verdwenen.

Pas nu vond ik het terug. In een politierapport van 22 juni 1940 lees ik dat een dronken Sanna ­Elisabeth Day, artieste, 18 jaar, in ’t Sterretje beroofd denkt te zijn van ‘haar roodlederen portemonnaie’ waar 15,27 gulden in zat.

Sanny Day van de Millers, een van mijn lievelingszangeressen in een legendarisch café.

‘Ik voel me niet lekker/ mijn hart klopt als een wekker’ neurie ik, terwijl ik me kip voel, want de ­portemonnee, met inhoud, werd teruggevonden.

In de boekenpoort die van de Gerard Terborgstraat naar de binnentuin voert die de ­Gerard Terborg met de Roelof Hartstraat verbindt, werd ik aangesproken door een man die zojuist een vuistdikke biografie van Trotski uit een kast had gevist.

Ik had me beperkt tot een dun­netje over Edison, maar het was wel de biografie die ik als tien­jarige had gelezen, en dat maakt verschil.

Er stond een plaatje in wist ik nog en zo was het. Op het plaatje zie je de twaalfjarige Edison bezig met het maken van de krant, die hij uitventte in de trein waar hij werkte.

De man vertelde dat hij een boekje had geschreven, dat hij me graag geven wilde.

“Het is maar een dun boekje,” zei hij, “want het gaat over de eerste jaren van mijn leven. Waarvan ik me niet veel herinner, behalve dat ik in Westerbork was en daarna in Bergen Belsen.”

Op weg naar zijn huis vertelde hij nog dat zijn vader na de oorlog graag op het Waterlooplein kwam en daar een keer een uitgave van de eerste vijf boeken van Mozes had gevonden.

“Jammer dat er een deel ontbreekt,” had hij gezegd, “want anders had ik ze graag willen hebben.”

In blauwe trams en groene barakken van Izak Salomons is zo’n boek waarin het grote leed ingehouden en zuiver is verwoord: ‘Op een van de onheilspellende maandagen vóór een transport tikte ons nichtje Sprins tegen het raam van onze barak om afscheid te nemen. Zij was de enige van het gezin van oom Alex die nog niet op transport was gesteld.’

Sprins Salomons was net zeventien toen ze op 23 juli 1943 naar Sobibor werd gedeporteerd om vermoord te worden. Ze knaagt, Sprins.

Tijdens een verblijf in Hua-Hin (Thailand) stond ik in een diep­gevroren supermarkt in de rij voor de kassa achter een ­oude Chinees en zijn kleindochter.

De oude Chinees deed een spelletje met zijn kleindochter en tot zijn en ook mijn niet geringe verbazing kon ik het liedje dat hij erbij zong helemaal meezingen. En zo klonk het tweetalig: “Papegaaitje leef je nog/ieja deeja/Ja meneer, ik ben er nog/ieja deeja/Ik heb mijn eten opgegeten/en mijn drinken laten staan/iejaadeeja/ poef!”

Zoals u zult begrijpen, werd het een vrolijke boel in de supermarkt.

Om de een of andere reden raakt het mij altijd zeer als ik kinderen in een ander land spelletjes zie spelen die ik zelf ook heb gespeeld. Zoals ik ook ontroerd raak als in laten we zeggen in Anna Karenina twee kinderen een potje boter-melk-kaas of in De schaduw van de bloeiende meisjes een hinkelbaan tekenen.

Het zal ­ermee te maken hebben dat kinderspel­letjes tot de weinige dingen uit je jeugd behoren die niet kwijtraken.

In de krant las ik een stukje over de voorbije zomerrage Ztringz. Dit spelletje waarvoor slechts een touwtje nodig is, zou ‘een gepimpte versie’ zijn van ‘de magische vingertouwtjes van halverwege de jaren tachtig’.

Maar aan het einde van de jaren veertig had mijn moeder er al plezier in om mij ‘de kop en schotel’ uit haar jeugd in de tweede helft van de jaren tien te tonen. En halverwege de jaren vijftig hadden alle meisjes uit de klas de ‘parachute’ en de ‘ladder’ in hun vingers.

In de etalage van een antiquair bij ons om de hoek heeft lang een grote foto gehangen van een Papoeameisje dat met haar touwtje de ‘Eiffeltoren’ had gemaakt.

Het Houten Schooltje was een kleuterschool aan de Reinaert de Vosstraat in Amsterdam-West. Ik had lang en tevergeefs geprobeerd een foto van het Houten Schooltje te vinden, toen ik de foto van de Erasmusschool, die vroeger in de gang van de school hing en die als door een wonder in mijn bezit is gekomen, nog eens bekeek.

Het Houten Schooltje staat in de leegte achter de leegte waarin de Erasmusschool staat. Drie lokalen zo te zien en een speelplaats.

Ik heb er drie jaar op de kleuterschool gezeten, van mijn vierde tot ik bijna zeven was. Vanwege oorlog was er niets op het Houten Schooltje, alleen matjes om te vlechten en houten schepjes om te graven.

Er komt dan een moment dat zelfs een kleuter zich begint te vervelen. En dat ie wil lezen ­bijvoorbeeld. Maar om te kunnen lezen, moet je eerst leren lezen en lezen leren was streng verboden. Je had wel eens kinderen die iets konden lezen.

‘Gun ze/roggebrood van de Hunze’ op de bestelauto van oom Bart, of ‘Kopen bij de Spar/is sparen bij de koop’ op de ruit van de Sparwinkel van meneer Pas, maar als iemand dat ontdekte was je de klos. Want lezen, was slecht voor kleine kinderen hun hersentjes.

Ik heb wel eens gedacht dat ik het hele verhaal heb verzonnen, omdat ik me schaam dat ik pas op mijn zevende lezen kon. Maar zie.

In zijn prachtige herinneringen aan zijn kinderjaren in de Provence beschrijft Marcel Pagnol de ­paniek die ontstaat als blijkt dat hij op zijn vierde al kan lezen: ‘Tot mijn zesde jaar waren de klaslokalen voor mij verboden terrein en mocht ik geen boek meer inkijken, uit vrees dat mijn hersens uit ­elkaar zouden springen.’

In de Bartholomeus Ruloffsstraat reden we achter een man die aan zijn hand een fiets meevoerde, Dat ziet er heel eenvoudig, maar je moet het wel kunnen. Ik kan het niet, zoals ik ook geen banden plakken kan, geen schroeven in kan draaien, en niet weet hoe ik geld op mijn ov-chipkaart moet zetten of een smartphone opnemen zonder de verbinding te verbreken.

Aan het stuur van de tweede fiets hingen zeven fietsbanden, vier zwarte en drie gewone. Waar wij rechtsaf gingen, ging de man rechtdoor, maar even later reden we weer achter hem terwijl de klok van de Obrechtkerk vijf slagen horen liet.

Door het Vondelpark reden we naar de Amstelveenseweg en vandaar naar Surinameplein en Postjeskade met zijn prachtige vlinderstruiken. Ik herinner me dat waar nu de Lelylaan begint een paar zo uit Cissy van Marxveldts Joop ter Heul weggelopen villa’s stonden waar ik als kleine jongen madeliefjes plukte. Op de foto van de gebeurtenis draag ik het uit ­Engeland afkomstige petje met vlinderstrik, waaruit ik kan afleiden dat de villa’s er eind jaren veertig, begin jaren vijftig nog stonden.

Bij de Postjeskade hield de stad op in die dagen. Vanuit de flat van mijn tante Gré, de zuster van mijn oma, die mooi piano speelde en er in mijn ogen heel eng bij zong, keek je uit over de tuinderijen die tot de horizon reikten en die doorsneden werden door smalle sloten die de boeren gebruikten om hun groenten en fruit op kleine schepen naar de stad te brengen.

Tante Gré’s oom Henk was fout geweest in de oorlog en daarom kwamen we er alleen als hij niet thuis was, zoals hij mijn sinterklaascadeautje bij mijn oma voor de deur moest achterlaten, want binnenkomen mocht hij niet.

Een goede vriendin had een Rotterdamse tante op wie zij zeer gesteld was. Wij ook. We hebben haar maar een keer ontmoet, maar zij stal voor altijd ons hart door het bos waar wij toen vlakbij woonden te betitelen als ‘een slordig bos’. Zo’n tante dus.

Onze goede vriendin vertelde dat ze de brieven van haar favoriete tante nog eens had gelezen, en ze daarna had weggegooid. Nauwelijks bekomen van de schrik sprak ik een oude vriend die ging verhuizen.

Hij had flink opgeruimd vertelde hij. Vooral zijn brievenverzameling had het moeten ontgelden. “Voor het Letterkundig Museum,” zei hij, “zijn ze niet geschikt, dus weg ermee.” Alle brieven van een wederzijdse vriendin waren zo voorgoed verdwenen. En waarom?

Ik heb ook een stapeltje brieven van die vriendin. Het zijn flinterdunne, op blauw luchtpostpapier geschreven brieven die tezamen minder plaats innemen dan een half ons rookvlees dun gesneden. “Guus had ze graag willen hebben,” zei Dorine die erbij was en die maar wat blij is dat haar familie aan het begin van de vorige eeuw alles bewaard heeft.

Mensen lijden aan een ziekelijke neiging tot opruimen. Alles moet weg. Boeken moeten naar de container, foto’s gedigitaliseerd, hele nalatenschappen worden mee­dogenloos versnipperd. Iemand zei laatst tegen me: “Ik wil niet zeggen dat je je al moet melden als de dode nog boven de grond is, maar hoe eerder je erbij bent hoe beter.”

In lijn 24 sprak ik rabbijn Soetendorp. We kregen het over documenten en kwamen zo op brieven. Hij had een keer een brief van David Ben Goerion gekregen die hem, een jonge rabbijn toen, opgedragen had iets antisemitisch uit het Spinozahuis te verwijderen. “Ik kan die brief nergens vinden,” zei hij. “Geeft niks,” zei ik. “Zolang hij maar niet kwijt is.”

'Denkend aan de dood kan ik niet slapen/ Niet slapend denk ik aan de dood.’ Dat is van Bloem.

Ik denk vaak aan de jeugdleidster van de tennisclub waar ik als tienjarige kwam spelen. Haar naam deed mij altijd huiveren. Ze heette mevrouw De Dood.

Onze tennisclub op de Zuidelijke Wandelweg was ooit een club met veel Joden en nog veel meer NSB’ers. Over de oorlog van mevrouw De Dood werd fluisterend gesproken.

“Wat was er met je?” zei ze nadat ik in 1954 de beslissende wedstrijd om het clubkampioenschap verloren had van Kees Timman, terwijl ik toch zeker wist dat ik winnen zou.

Ik heb Kees na afloop nog voorgesteld de wedstrijd over te spelen, maar daar wou ie om de een of andere reden niet aan.

Ik probeer me mevrouw De Dood vaak voor de geest te halen, maar het lukt niet. Had ze geen grijze ogen? Woonde ze niet op de Overtoom?

De reden dat ik vaak aan haar denk, is, denk ik, in haar naam gelegen, De Dood is overal. Overal in de stad zit ie je op de hielen, op pleinen en straten, vanuit de huizen houdt hij je in de gaten, hij wacht je op achter elke deur.

Onze gang stond vol met de laatste spullen uit het huis van onze buurvrouw, die op Hemelvaartsdag was overleden. Het waren de spullen die niemand wilde hebben, een tafeltje, een kleed, twee prenten, een lamp, een doos met oude boeken en, tot mijn verbazing, een paar bekers, op tennistoernooien gewonnen eerste en tweede prijzen.

Als ik in tenniskleren met mijn racket onder mijn arm onze buurvrouw tegenkwam, zei ze: “Zo, ga je tennissen?”

Dat ze zelf goed getennist had, heeft ze me nooit verteld.

De haringman van het Vishuisje op de brug over de Herengracht in de Utrechtsestraat was aan het multitasken. Hij praatte met een vriend, gaf instructies aan het personeel, wrikte aan de deksel van een haringemmer en vroeg ons wat we hebben wilden.

Terwijl hij aan het schoonmaken sloeg, spotten we een pot braadharing. Braadharing? “Is dat panharing?” wilden we weten. “Braadharing, panharing, gebakken bokkem, allemaal hetzelfde,” zei de haringman. “De een zegt haring, de andere maatje, in Leiden zeggen we bokkem, het maakt niet uit, als het maar lekker is.”

“Wij waren laatst in Leiden,” zei ik, “en daar hebben we op het stationsplein een haring gegeten. Die was zo lekker dat we er op de terug­weg nog een hebben genomen.” “Pfff,” zei de haringman, “dat loopt goed af. Die kar is van mijn oom, dus stel je voor dat jullie het niks vonden.”

“Nee, heerlijk juist,” zeiden wij. “Komen jullie uit Leiden?” zei de haringman. “Nee, maar we komen er wel eens.” “Jullie zijn dus Amsterdammers?” Dat bevestigden we. “Ook gezellig,” zei hij.

Onze haringen waren schoon en we namen plaats op het mini­terras om uit te kijken over de Utrechtsestraat met zijn aanstekelijke tramverkeer en ondertussen van onze haring te genieten.

De haringman van het Vishuisje was inmiddels aan zijn volgende klant begonnen. “Die man,” zei hij en ik hoorde hem wijzen, “was laatst in Leiden en daar heeft hij een haring gegeten bij mijn oom. Hij vond hem heerlijk.”

“Zo ging het verhaal niet helemaal,” zei ik. “Maar wel ongeveer,” riposteerde hij. “Bij mijn oom in de kar,” vervolgde hij, “staat een bordje met: ‘Altijd wat’. Vroeger snapte ik dat niet, maar nu ik wat ouder ben, denk ik: hij heeft gelijk. Het is altijd wat.”

Hoe ik er gekomen was, wist ik niet precies, maar ineens stond ik aan het Amsterdam-Rijnkanaal. De huizen aan de Zeeburgerdijk lagen aan de Flevoparkweg en waar de Zeeburgerdijk was, was onduidelijk, maar ik was waar ik wezen wou, op de Westelijke Merwedekanaaldijk.

Het is links en rechts water op de Kanaaldijk. Het kanaal aan de ene kant, het Nieuwe Diep aan de andere. Geen auto’s, geen bebouwing, alleen maar hoge hemelen.

Het was dat er al een doorzichtige nevel over het blauw lag, anders had je je in de zomer gewaand. De enorme brug in de verte moest de Zeeburgerbrug zijn en de ranke brug daarachter die van Nescio.

Ken uw stad. De aanloop naar de Nesciobrug is een langzaam stijgend wonder, de brug zelf een feest en afdalen gaat als vanzelf. Eenmaal beneden reed ik het niemandsland binnen.

Onder aan de dijk stonden zomerhuisjes waar de Oost-Indische kers bloeide en glimmende appels aan de bomen hingen. Maar weinig horeca, zeurde het stemmetje van binnen.

Langs het steeds smaller en bonkiger pad lagen op gezette afstanden ondiepe waterbassins en op het kanaal werd Marco tegemoet gevaren door Pandora.

Na een tijdje wist ik niet meer waar ik was. Waar ik ook keek, ik herkende niets, maar toen ik vreesde dat ik op een industrie­terrein was beland, bleken het de Oranjesluizen.

Waar de mannen zoals altijd naar het schutten stonden te kijken.

Een kwartier later zat ik op het terras van het Sluysje met een aanpalend echtpaar over eenden te praten. “Was het geen nonnetje,” zei zij. “Nee,” zei ik, “die zijn onmiskenbaar.” “Krakeenden, denk ik,” zei hij.

Uit het café kwam een man met in elke hand een glas bier.

“Twee maal klein geluk,” zei hij in het voorbijgaan.

Geen doel maar wel op de kaart gekeken. Beter kan het niet, al helemaal omdat het vandaag, terwijl het gisteren toch de mooiste herfstdag sinds mensenheugenis was, een nog mooiere herfstdag is dan gisteren. Ik wilde naar het Amsterdam-Rijnkanaal. De kunst is om je onderweg niet te veel te laten afleiden, want ­anders kom je nergens.

In de Tweede Jan Steenstraat bijvoorbeeld zag ik een etalageruit met het woord Armando erop. Moest ik daarvoor afstappen? ‘Van 1983 tm 2001,’ las ik toen ik afgestapt was, ‘woonde Armando hier in de Tweede Jan Steenstraat (en Berlijn).’

Erika Veld fotografeerde twee jaar zijn atelier. Een van haar foto’s hing in de etalage, waarin zich verder een paar stenen bevonden, twee paar rubberen handschoenen met verfspatten en een hartvormige steen met een gat waar een penseel doorheen gestoken was.

Een dag eerder zag ik bij Athenaeum het etalagehoekje waarin de schrijver Dirk Ayelt Kooiman werd herdacht met twee foto’s en twee oude nummers van de Revisor. Jan Meng stond ook op de foto’s zag ik.

Hoe lang geleden was het geleden dat ik hem voor het laatst gesproken had, Dirk meen ik, Jan kom ik nog wel eens tegen. Zolang in elk geval dat ik me niet meer herinnerde hoelang, laat staan dat ik nog weet waarover we het hadden.

Goede schrijver, Dirk, net als Siegfried van Praag, de schrijver van Jeruzalem van het Westen. Bij Schiller, waar Willy en ik elkaar na mijn bezoek aan Athenaeum ontmoetten, hadden we het over hem.

Willy vertelde een mopje dat Van Praag hem eens had verteld: “Twee Joden zaten bij Schiller. Zegt de ene: ‘Doe jij nog wat aan je geloof?’ ‘Jazeker,’ zegt de andere. ‘Wat dan?’ ‘Ik zit twee keer per week bij Schiller.’”

Wegens het mooiste herfstweer sinds mensenheugenis had ik het water ­opgezocht. Vanaf de Gelderse­kade was ik de Waalsteeg ingedoken om er aan de Oude Waal weer uit te komen. Er bloeiden stok­rozen in de steeg.

Op de Waals­eilandbrug keek ik naar het water en het zonlicht dat eroverheen schetterde.

Het wit van de Montelbaanstoren was witter dan ooit en ik dacht, daar woonden Matthijs en Phil van De Fabeltjeskrant, en daar Jean-Paul Vroom die zo’n mooie vlindertafel had en hier, op de hoek van de Lastageweg, zat ­café Het Hoekje waar het dichters-paar Alain Teister en Thera Westerman iedere middag zo vanaf een uur of vier met bier en jenever en allerlei tussenvormen keek of het ook op kon.

En dat kon het, zoals zou blijken.

Een keurige jongen vroeg me de weg naar het Waterlooplein en een moeder met een klein jongetje aan haar zijde, zei: “Weet je hoe papa en mama die rooie auto noemen?”

Het jongetje had iets anders aan zijn hoofd dan een rooie auto, maar ik was zo nieuwsgierig dat ik achter de vrouw aanrende en haar naar het antwoord vroeg. “De ­tomaat,” zei ze.

Door de Buiten Bantammer­straat liep ik naar het met kinderhoofdjes bestrate stuk weg langs het Oosterdok. De kinderhoofdjes glommen in het licht.

De eerste twee schepen langs het eerste strekdammetje hadden geen naam, het derde schip heette Hendrik, het vierde Lorien, het vijfde Stand By en het zesde ­Beagle. Dat was een soort jeugdhotel zo te zien.

Tussen de schepen stond een jongen te vissen. “Vang je wel eens wat?” wilde ik weten. Dat deed hij. “Zoals?” zei ik. “Meestal snoekbaars,” zei hij. Toen we onze dialoog beëindigden, was de ene visser er vijf geworden.

Is Heinz een Amsterdammer? Natuurlijk, zult u zeggen. Heinz praat als een Amsterdammer, Heinz loopt als een Amsterdammer en gedraagt zich als een Amsterdammer, dus zal hij wel een Amsterdammer zijn. Eens, maar is er ook fysiek bewijs? Over een beetje stripfiguur zijn hele veldslagen uitgevochten. Is Guus Geluk een eend of een gans?

Deed kapitein Rob het met Magda of met Willy, of met allebei? Waar zijn de ouders van Kuifje? Hoe zat het tussen Winonah en Pum Pum? Wat zei Kick Wilstra toen hij met Jenny het riet in roeide? Heeft Midas Wolf behalve het onsterflijke ‘Zonder spek/ word ik gek’ nog meer gedichten geschreven? Wie is Dick Bos en waarom?

Is Heinz een Amsterdammer? Ik heb het eerste deel van het verzameld werk erbij gepakt en ben eens gaan kijken. Heinz uit de kast pakken is een van de dingen die je beter niet kunt doen. Je slaat Heinz open, bekijkt hier en daar een plaatje en voor je het weet, ben je bij opa Platvink, zit je op zee of in het Vreemdelingenlegioen.

En zie daar maar eens weg te komen. Maar bladzijde 59 dus bracht uitkomst over de vraag of Heinz niet alleen een Amsterdammer is, waar we van uitgaan, maar ook in Amsterdam woont.

Op het eerste plaatje al loopt hij samen met Frits tussen twee amster­dammertjes. Frits vindt dat Heinz er eens uit moet en hij wil hem meenemen naar de tentoonstelling van Herman Tenekaas.

“Die is,” zegt Frits op het derde plaatje, “bezig met de demystificatie van materiaal en object!!” Waarna Heinz op het vierde plaatjes bovenop een ­authentiek Amsterdamse lantaarnpaal is gaan zitten. Nu is er dus Heinz de film. Ik houd mijn hart vast. Maar ik ga kijken.

Als ik vanaf de Beethovenstraat rechtsaf de Stadionweg opdraai om naar de Holbeinstraat te gaan, steek ik meteen over naar de tramrails die vanaf het Olympiaplein langs de vluchtheuvel voeren.

Wel opletten dat er geen tram of taxi aankomt, maar heerlijk fietsen zo tussen de rails en tegen de rijrichting in. Graag zou ik zo eens naar het Centraal Station rijden, bij voorkeur door de Leidsestraat.

Als je op de fiets rechtsaf wil, zijn er twee mogelijkheden. Er is een stoplicht of er is geen stoplicht. Als er geen stoplicht is, is er geen probleem en kan je gewoon rechtsaf slaan, behalve als de boel verstopt zit.

In dat geval kan je geduldig wachten, proberen over links bij de afslag te komen of de stoep nemen. Als er een stoplicht is, en het staat op groen, dan is ­alles ongeveer hetzelfde.

Staat het stoplicht op rood, dan is er de kans dat je toch rechtsaf mag. Mag dat niet, dan kan je geduldig wachten tot het licht op groen gaat, proberen over links bij de afslag te komen of de stoep nemen.

Is er geen stoep, maar een landje of grasveldje, dan zal daar in de loop van de tijd een olifantspaadje ontstaan.

Wie van de Breitnerstraat naar de Apollolaan fietst, treft bij de bloemenstal een betegeld olifantspaadje aan, het enige exemplaar mij bekend. Toen ik van de week bij de bloemenstal afstapte om de zaak aan een nader onderzoek te onderwerpen, viel het me op dat de bloemenstal open was, maar er volkomen verlaten bij lag.

Toen ik verder fietste, zag ik hoe dat kwam. Achter kar en bloemen verscholen zaten het bloemenmeisje en haar geliefde, op hun hurken tegen over elkaar, omstrengeld en gevangen in een oeverloze kus.

Met mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is, zat ik na een potje tennis aan het IJsbaanpad nog wat na te praten.

Hij vertelde dat de Peruviaanse die bij hem de boel schoon houdt, op het punt stond naar Peru af te reizen in verband met een reünie met haar oude volleybalvriendinnen.

Het ene verhaal haalt het andere uit en dus vertelde ik dat ik enkele weken eerder, tijdens een flitsverblijf in Valencia, in een café aan het grote plein in het centrum ­zeven vrouwen van een Vlaams volleybalteam had ontmoet en dat ik voor ze had gezongen.

“Wat?” wilde mijn vriend weten. Waarop ik ‘Ik wou da’k was’ voor hem zong: ‘Ik wou da’k was/ een lekker glaasje wijn/ ik wou da’k was een lekker glaasje wijn/ was ik een lekker glaasje wijn/ ’k zou altijd op je lippen zijn/ ik wou da’k was een lekker glaasje wijn.’

“Dat lijkt erg op de Broek van Doris Day,” zei Hans, en hij begon al te zingen: ‘Ik wou da’k was/ de broek van Doris Day.’

Verder kan niet in een nette rubriek en dus viel ik hem in de rede met “Nee, nee, nee, het is om­gekeerd, het glaasje wijn was eerst, de Broek van Doris Day is een variant op dat glaasje wijn.”

Een paar dagen later mailde Hans me in een heel ander verband dat de beroemde grootmeester Sawielly Tartakower tientallen jaren in hotel Mazagran had gewoond, in de rue de l’Échiquier in Parijs.

‘Is de Schaakbordstraat naar hem genoemd?’ wilde ik weten. Nee, dus.

De vraag is nu wat precies het verband is tussen het Schaakbord en de Broek van Doris Day. Geen idee, maar dat er een verband is, lijkt me zeker.

Het is verbazingwekkend hoeveel plezier een mens kan ontlenen aan het vooruitzicht van een bezoekje aan de slager. Ik was meer dan twee maanden niet langs geweest, wegens hij op vakantie, ik op vakantie en nog zo het een ander, maar nu was het weer zover en was ik op weg naar de Marathonweg

Onder de eeuwenoude platanen langs de Apollolaan waren mannen in hesjes bezig de bladeren op te ruimen. Geen opzienbarend nieuws, maar ze deden het met een hark, en dat mag een nieuwtje heten.

Zoals altijd was het een heerlijk ritje. Helemaal blij kwam ik bij Zikking binnen, waar ik eerst de vader een hand gaf en toen de zoon, waarna er een meisje restte dat gehakt aan het draaien was. Na haar gehakthand vertelde ik over een vriend, Hans van Bronkhorst met wie ik zes jaar op de lagere school heb gezeten, die in de jaren zestig als leerlingkok bij het Doelen Hotel werkte.

In zijn pauze sleutelde Hans graag aan zijn brommer. “Maar krijg je dan geen vreselijk smerige handen,” zei ik. “Een keer gehakt maken,” zei Hans, “en ze zijn weer schoon.”

Zikking zit op 55, schuin tegenover 66, waar mijn vader heeft gewoond op drie hoog, van 1932 tot 1935, van zijn zeventiende tot zijn twintigste. Hij heeft er nooit een woord over gezegd, maar het moet voor een kind uit Kattenburg vreemd zijn geweest daar in Nieuw Zuid.

66 driehoog heeft kleine ramen en zit schuin boven een van de poortjes naar de Achillesstraat. Aan mijn vaders kant wordt het poortje opgesierd door een blote vrouw en een half geklede vrouw. Op het poortje aan de andere kant van de Marathonweg rennen twee hardlopers voorbij en staat een derde voorover gebogen uit te hijgen.

Het aardige van een reünie van je oude school is dat je ongestraft tegen iedereen aan mag praten.

“Het is niet te geloven,” zei ik tegen een dame met wie ik in de rij stond, ik voor bier en zij voor witte wijn, “dat de kantine er nog precies zo uitziet als vroeger.

Ik hoorde de flesjes schoolmelk weer rammelen in het krat.” “Schoolmelk?” zei ze, “dat heb ik niet meer meegekregen. Van welk jaar bent u?”

Enzovoort, enzovoort, of het de gewoonste zaak van de wereld is.

Natuurlijk waren er ook mensen die ik wel kende. Cindy bijvoorbeeld die op Facebook een column schrijft die ze in een goede bui eens omschreef als Klein chagrijn.

“Valt er nog wat te halen voor je?” zei ik. Ze wist het nog niet. “En jij?” “Geen zorgen,” zei ik, waarop ik terugkeerde naar ons tafeltje.

Sonja had net verteld dat kinderen vaak niet bij haar over de vloer mochten komen omdat haar ­ouders van het toneel waren. “En toen kwam de televisie,” zei ze, “en waren we ineens razend populair.”

De vader van Marianne deed onderzoek naar homoseksualiteit bij muizen. Marianne woonde in West. Toen ze in de tweede klas op haar eindrapport twee vijven had, kreeg ze te horen dat ze maar beter naar de MMS kon gaan.

Een vriendinnetje dat op het Muzenplein in een villa woonde, had na haar twee vijven ‘meer aandacht nodig.’ Marianne was er nog niet over uit.

En Frans? Die beroemd werd door na een geschiedenisles over Turkije als ‘zieke man van Europa’ te vragen wat de sultan dan mankeerde?

Frans ging verhuizen. Van Noordoost-Groningen naar Hillegom. Tevreden fietsten Dorine en ik naar huis.

Via de kortste weg, want Dorine weet altijd de kortste weg.

Vanaf de negende verdieping van de Wolkenkrabber mag het uitzicht over Amsterdam aan beide zijden spectaculair heten.

Aan de ene kant zie je richting Amstel maar een klein stuk stad, aan de andere kant kun je vrijwel elk huis waar je ooit gewoond hebt goed zien liggen. Het was een stralende dag, en dat scheelt.

We hadden het erover hoe weinig sporen de oorlog in de stad heeft nagelaten. “Eigenlijk alleen de monumentjes,” zei Ronald.

“En de herinnering aan winkels die fout waren in de oorlog,” vulde Rosa aan. “Toen we elkaar nog maar net kenden, heeft hij me ze allemaal aangewezen.”

Ik keek naar het plein aan onze voeten, het Victorieplein dat vroeger Daniël Willinkplein heette en door de Duitsers in de oorlog gebruikt werd als verzamelplaats om opgepakte Joden naar de trein te voeren.

Een half uur eerder fietste ik over de Churchill-laan toen ik een smalle doorgang zag, en nam. Aan de andere kant bevond zich het plein dat zich Jekerstraat noemt.

Omdat ik me meende te herinneren dat hier een plaquette was gekomen die herinnert aan de kinderen die uit de school op het plein zijn weggevoerd, ging ik op zoek.

Maar kon niets vinden.

Wel was er op de hoek, vlakbij de Maasstraat, een etalage waarin een etalage vullende zwart-wit­foto van een stuk rails te zien was. Waarheen de rails ging, werd niet vermeld, maar veel goeds leek het niet te voorspellen.

In de Roerstraat ging ik op zoek naar het balkon dat een Duitse ­politie hier in de oorlog had laten aanleggen, het enige balkon van de straat.

Ik vond het waar de Roerstraat een plein wordt, op nummer 62 eenhoog. “Een mooi balkon,” zei ik.

“Een fout balkon,” zei Ronald.

De ganzen vergaderen weer in de bermen langs de kaden. Overal zijn de vuurdoorn­hagen knallend rood en in de ­Velasquezstraat groeien paddenstoelen in het gras.

De bladeren van de wijnranken verkleuren, de zonnebloemen reiken tot de tweede verdieping en de vlinderstruiken waar tot voor kort vlinders aan leken te groeien, staan er verlaten bij.

“Wat weet je van Gerard Reve en Yves Klein?” zei Marcel van antiquariaat Fenix. Ik vertelde dat ­Reve een tekst van Klein had vertaald, Kom met mij in de leegte, en dat ik de uitgave indertijd had gekocht, maar dat ik, zoals dat gaat, geen idee had waar het bibliofiele kleinood zich bevond.

Dat kwam goed uit, want binnenkort had Marcel waarschijnlijk een exemplaar te koop.

Ik legde mijn euro neer voor een uit 1900 of daaromtrent daterende kinderuitgave van Huckleberry Finn, met de originele plaatjes, en vervolgde toen mijn weg.

Nadat ik de Ceintuurbaan was overgestoken, belandde ik in de Cornelis Trooststraat voor de etalage van een elektriciteitswinkel die net als de winkel zelf trouwens helemaal volgestort was met troep.

Te midden van de afgedankte armaturen, verrotte stekkerdozen en leeg­gelopen batterijen lag het Handboek der Nederlandse Filatelie.

Met de buren was het al even treurig gesteld. ‘Betreden op eigen risico’, zei een plakkaat, ‘niet betreden in verband met insecten en schimmel.’ Boven de ingang hing nog een uithangbord dat ‘ontbijt, lunch, diner, banquette’ beloofde. De naam van het restaurant kon ik niet lezen.

Vroeger zat hier Tafeltje dekje, het restaurant van Hans en Eva, goede vrienden die de gewoonte hadden het geld dat ze met hun restaurant verdienden dezelfde avond nog in het café van de buren in drank om te zetten. Dat kon niet goed gaan natuurlijk en dat ging het ook niet.

In Parijs kun je aan de bierglazen op de terrastafels zien hoe laat het is. Zie je bolletjes, fluitjes, vaasjes en hoe al dat glaswerk ook heten mag, dan is het voor vijven.

Komen de grote glazen op tafel, dan weet je dat happy hour is begonnen en het dus na vijven is. Het bierglas als zonnewijzer, wie had ooit zoiets gedacht.

Als om te bewijzen dat tijd een rekbaar begrip is, duurt happy hour in de meeste café’s van vijf tot tien en het zou me niks verbazen als een uur binnenkort nog langer duren gaat.

Tijd en ruimte hebben, zoals bekend, het een en ander met elkaar te maken, zelfs in de echte ruimte kan je dat merken. Zo weten wij op ieder moment hoeveel ruimte we in beslag nemen. Als dat niet zo was, zouden we voortdurend ­tegen elkaar opbotsen.

Maar als je op een rommelmarkt voor een zacht prijsje een rode Joustra ­F-Ral Ralley hebt gekocht en je moet zien het vliegtuigje met zijn kleine piloot nog aan de stuurknuppel ongeschonden thuis te krijgen, merk je ineens dat je ruimtebesef ook betrekkelijk is.

Als je een rib gekneusd hebt, port iedereen je in je ribben, als je schouder ontwricht is, slaan ze je op je schouder en als je in een plastic tas een vliegtuigje vervoert, loopt iedereen er tegen op.

En in het restaurant in de rue de Charenton waar we gingen eten, hoefde ik de tas maar een seconde op een stoel te leggen of men snelde van alle kanten toe om er op te gaan zitten.

Naast het restaurant, zag ik later, zat een marmeren plaat aan de muur geschroefd met de tekst: ‘Op 17 april 1967/ is/ hier niets gebeurd.’

Op het filmpje staat Gino de Dominicis met zijn rug naar ons toe op een rotsblok hoog boven een vallei. Hij draagt een zwarte broek en een zwarte trui.

Zijn haar valt tot vlak boven zijn schouders, het is 1970. Na enkele tellen spreidt hij zijn armen om ze vervolgens langzaam op en neer te bewegen alsof hij zich klaarmaakt om weg te vliegen. Een paar keer lijkt het ­moment daar, maar nee, en dan is het zover, Gino de Dominicis kiest de ruimte.

Maar niet voor lang, want binnen een tel staat hij wankelend op de grond, waarna hij ­terugkeert naar het rotsblok en met zijn rug naar ons toe zijn armen spreidt.
Wij willen wel vliegen, maar weten niet hoe, de tentoonstelling L’Envol - ou le rêve de voler, tot 28 oktober in La maison rouge in Parijs, laat daarover geen twijfel.

Yves Klein lijkt op de beroemde foto uit 1960 weg te vliegen van het dak van het huis in Fontenay aux Roses, maar wat de foto niet laat zien, is het vangnet dat door zijn judovrienden strak werd gehouden.

Nee, dan Franz Reichelt en zijn parachute. Zijn sprong, in 1912, van de eerste verdieping van de Eiffeltoren was echt. Hij vloog, als een baksteen naar zijn dood, maar hij vloog.

Weer op straat zag ik een oude man met een heel klein verzet tegen de rue des Pyrenées op fietsen. Op zijn pet draaide een wentelwiekje.

En niet veel later in het park was er een jongetje van een jaar of tien dat vanaf de loopbrug over het water een zelfgemaakt parachuutje lanceerde.

“Zijn parachute doet het beter dan die van Reichelt,” zei ik. “We zijn dan ook honderd jaar verder,” zei mijn geliefde.

In het parc Monceau, in Parijs, vind je allerlei malligheid. Een Venetiaanse brug, Korintische zuilen, een piramide en een woud van kastanjebomen die in het juiste jaargetijde duizenden kastanjes laten vallen.

Als je mazzel hebt, regent het kastanjes op je kop. Een dag eerder liepen we door het parc des Buttes Chaumont.

Nadat ik van een vrouw twee glanzende kastanjes had gekregen, besloot ik een verzameling kastanjes uit Parijse parken te beginnen, een verzameling die uiteindelijk uit moet groeien tot een verzameling kastanjeboompjes die heel Parijs beslaat.

Vandaar onze aanwezigheid in het parc Monceau.

Het viel nog niet mee om uit al die duizenden kastanjes er een paar uit te kiezen, maar uiteindelijk verdwenen twee volmaakte exemplaren in een plastic boterhammenzakje met het label ‘Monceau-18’, je begint een verzameling of je begint haar niet.

Toen het klusje geklaard was, wandelden we naar het nabij gelegen musée Nissim Camondo, zo’n museum dat zijn eigen museum is, want het museum is het museum, als u begrijpt wat ik bedoel.

Bij de ingang vroeg de suppoost me mijn zakken leeg te halen: sleutels, kleingeld, papiergeld, brillendoekje, kastanjes, tandenstokers, fototoestel, notitieboekje, ballpoint, metrokaartjes. “Wat heeft een jongen in zijn zak,” zei ik.

De suppoost gaf geen antwoord, maar hij lachte wel toen hij de verzameling zag groeien, met ‘knikkers, stuiters, ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes, een touwtje, drie centen, een kluit visdeeg, een dolle kastanje, een stuk elastiek uit de bretel van mijn oudste broer, een leren zuiger om stenen uit de grond te trekken, een voetzoeker, een zakje met kokinjes, een koperen knoop om heet te maken, een hazesprong, een stukje spiegelglas enz. enz.’

Om de hoek van het museum, in de rue de Courcelles, staat een rode pagode.

Na de nodige omzwervingen door het altijd weer verbazingwekkende Parijs (‘alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit’) waren we in het parc des Buttes Chaumont beland, waar we op een bankje van een ijsje genoten. Dat wil zeggen, mijn geliefde, want ik blief geen ijs.

Terwijl zij van haar ijsje genoot, vertelde ik haar over mijn vriend uit het militaire leger die een keer een week naar Parijs ging en de eerste dag de beste in dit park terecht was gekomen.

Daar zag hij een man die op de grond een doek had uitgespreid waarop hij met drie bekertjes een balletje liet verdwijnen. De omstanders mochten voor geld ­raden onder welk bekertje hij het balletje verstopt had en dat was heel makkelijk, want ­iedereen die meespeelde, raadde het goed en kreeg een fiks bedrag uitbetaald.

Wegens geen geld meer had mijn vriend dezelfde avond nog de trein naar huis genomen. Toch is het aangenaam toeven in dit park. Er zijn geen trommels, geen vuurtjes, geen fietsers. De kinderen rennen in de rondte of suizen op hun autoped van de hellingen af.

­Er liep vrouw voorbij met in iedere hand een strandemmertje dat tot de rand gevuld was met glanzende kastanjes. “Mag ik twee kastanjes van u?” vroeg ik haar. Dat mocht. Van haar dochtertje mocht ik zelfs het hele emmertje hebben.

In de bus die ons naar huis bracht, stonden twee jongens met een autoped met het woord Bird erop. Lang geleden was ik in Campello, een dorp bij Alicante. In dat dorp liep een hond waarop met menie de woorden ‘Bird Lives’ geschilderd stonden.

Met dezelfde bus kwamen we langs het terras waar een paar jaar terug mijn glas bier van tafel woei.

In Parijs is Amsterdam nooit ver weg.

We zaten op het kleverige tafeltjes terras van ­café Popul’Air, op de hoek van de rue de la Mare en de rue Henri Chevreau, vlak bij het parc de Belleville, u weet wel, toen er een piepklein jongetje uit een auto stapte.

Hij droeg een witte broek met witte gebedsriempjes en had een witte keppeltje op. Hij verdween in de richting van de zwaarbewaakte crèche om de hoek.

Mijn geliefde, die bezig was haar tas in de hondenriemstand aan te lijnen, maakte zo de meesterinterviewer in mij wakker werd, Hawaïhemd en al, en dus ik zei: “Wanneer is je tas voor het laatst gestolen?”

“Toen we elkaar net kenden,” zei ze, “in dat café op de hoek van de Staalstraat, kom, hoe heet het ook alweer.”

“En alles zat erin? Je telefoon, je OV chipkaart, je pinpas?”

”Welnee, die bestonden toen nog helemaal niet.”

“Wat zat er dan in?”

“Gewoon, geld, mijn sleutels, make-up spullen, vrouwendingen die je niks aan gaan.”

“Wat voor tas was het?”

“Een juchtlederen schoudertas. Geverfd, We verfden alles, ons haar, onze schoenen, jurken,T-shirts, het was pas wat als het geverfd was. De tas had ik blauw geverfd, met verf van de schoenmaker uit de Albert Cuypstraat.”

Ineens zag ik, bijna vijftig jaar later, de tas weer voor me, blauw, blauw, hemelsblauw.

Het jongetje met het keppeltje kwam het straatje uit en droeg een nog veel kleiner zusje.

In Barcelona, in een steeg naar de Ramblas, probeerde een tassendief de tas van mijn geliefde te roven. Maar ze liet niet los en zette zo’n keel op dat de dief het hazenpad koos.

Door zijn diefjesmaten, die het schouwspel met belangstelling hadden gevolgd, werd hij met hoongelach ontvangen.

Ik kom iets heel kleins ­kopen,” zei de vrouw die de uitdragerij binnenkwam waar ik al een tijdje te rommelen stond.

Veel bijzonders was hier niet te vinden, zoveel was duidelijk, maar er hing een ingelijst borduurwerkje waarvan de tekst me aan het twijfelen had gebracht.

‘De hoop is onze wandelstaf/ vanaf de wieg tot in het graf’, stond er, en dat vond ik mooi, maar nee, toch maar niet.

Weer op straat dacht ik aan Aristoteles Onassis. Toen hij, al in coma, op zijn sterfbed lag, had Maria Callas hem nog een keer bezocht en zei toen naar verluidt: “Ari, ik ben het, je kanarie.”

Mijn geliefde maakte tijdens het verstrooien van de as van haar moeder een ­opmerking over de enorme hoeveelheid as in de urn. “Ja,” zei de begrafenismevrouw, “dat komt, de kist zit er ook in.”

Ik fietste door de Kanaalstraat, en over het oude WG-terrein naar de Eerste Constantijn Huygens voor een biertje op het terras van café Helmers, het was een lange dag geweest.

De laatste keer dat ik hier zat, kwam ik terug uit Sjanghai. En kwam ik om zes uur in de ochtend tot de ontdekking dat ik mijn huissleutels niet bij me had.

En dat de bel het niet deed. Ik ben toen bij Helmers gaan zitten om ieder kwartier naar huis te bellen. Bij het twaalfde telefoontje was ze wakker.

Vijftien jaar later zit ik bij Helmers nieuwe stijl als de man die achter me zit me op de schouders tikt en vraagt of het mijn fiets­sleuteltje is dat op de grond ligt. Helmers en sleutels. Als dank bied ik hem en zijn vrouw een biertje aan, maar nee ze moeten weg.

Het werd nog een leuk gesprek.

Altijd weer het Museumplein, ze zeggen dat de Dam het hart van de stad is, maar ik kom er eigenlijk nooit en sinds de halte Dam naar het Centraal Station is verplaatst al helemaal niet meer, maar op het Museumplein dus – zat een jonge vrouw naast een rood emmertje, waarin vier stokjes stonden.

Er stond een hartje op de emmer geschilderd en de jonge vrouw had een doek aan haar voeten liggen waarop wat kleingeld lag.

De bedoeling van een en ander ontging me, maar daar had je de twee meisjes al die het raadsel gingen oplossen.

De meisjes schudden de stokjes in de emmer wat heen en weer en zwaaiden er daarna zo mee door de lucht dat ze twee enorme zeepbellen schiepen die naast elkaar over het plein dansten tot ze een eind verderop in zeven kleuren uiteen spatten.

Nieuwe zeepbellen waren inmiddels onderweg. De jonge vrouw van de emmer kreeg als beloning twee euro.

Voor IAMSTERDAM waren een paar breakdancers hun kunsten aan het vertonen. Ik dook de poort van het Rijks in waar Vivaldi’s Lente deze keer vier balalaika’s had weten te verleiden.

Bij Hans en Grietje, eens het centrum van hip Amsterdam, nam ik de Zieseniskade naar de Marnixstraat en kwam zo langs het huis waar je vroeger als je er ’s nachts langs kwam een vrouw aan een bureau kon zien zitten die met haar rug naar de wereld, in het licht van een verhoorlamp, woedende rookwolken naar het plafond deed opstijgen.

Op een gegeven moment was ze verdwenen, verhuisd, naar de Wolkenkrabber, waar ze is overleden.

Toen ik een paar weken na haar dood het huis betrad, hing haar jas nog aan de kapstok.

Haar schoenen die onder de kapstok stonden, leken heel klein.

Opsmuk, de indianentooienwinkel van Peet en Saar in de Roelof Hartstraat, is helaas verdwenen, maar tot voor kort was hij er nog.

Op een dinsdagmiddag ­zaten we met zijn drieën op het bankje voor de winkel een beetje te kletsen, toen er een auto stopte, waaruit twee mannen tevoorschijn kwamen.

De ene was groot en dik, de andere klein en smal.

“Ik herken uw schoenen van Google Earth,” zei de Dikke tegen Peet die dat wel vaker hoorde, maar toch moest lachen.

“Maar,” vervolgde de Dikke, “weet u dat u binnen met een overstroming zit?”

“Overstroming?” zei Saar geschrokken.

“Ja,” zei de Dikke, “het water stroomt van de bovenverdieping dwars door jullie plafond.”

De Smalle, die naar binnen was gelopen, stak zijn hoofd om de deur en wenkte.

We stonden op en volgden de Dikke naar binnen.

“Kijk,” zei hij toen we in het keukentje waren gekomen. En inderdaad, het viel niet te ontkennen, er kwam water door het plafond.

“Maar gelukkig,” zei de Dikke, “is er een waterzuiger te huur. Als u 2500 euro vooruit betaald, is ie hier over een uur en kunt u hem tot negen uur vanavond gebruiken.”

“Ik bel eerst de eigenaar van het pand,” zei Peet.

“Doe ik wel even,” zei de Dikke.

“Hij neemt niet op,” zei hij even later, waarop Peet de telefoon toch maar even zelf ter hand nam.

“Overstroming?” zei de eigenaar van het pand die boven woonde, “ik weet van niets.”

Je zou denken dat Snuf & Snuit zich nu snel uit de voeten zouden maken, maar niks daarvan, ze bleven nog geruime tijd nazeuren over hun waterzuiger.

Toen ze weg waren, bleef de vraag hoe ze het water door het plafond hadden gekregen. Tovenaars?

De baardige man die op de Nieuwmarkt stond te schreeuwen, werd omringd door zeven polities. “Waarom? Waarom? Waarom?” schreeuwde de man met overslaande stem.

Goede vraag, maar een antwoord hoefde hij niet te verwachten. De polities die om hem heen stonden, deden niks, ze lieten hem uitrazen, denk ik.

Ik draaide tegen de rijrichting in de Kloveniersburgwal op, waar het zoals altijd op dit gedeelte naar vis rook. Bovendien kwam Rijk de Gooijer me tegemoet gelopen. Maar Rijk de Gooijer was toch dood?

Dat hij hier vroeger had gewoond en als hij niet bezig was om uit het raam te vallen met Nel Jarretel op het terras van de Zon zat, leek me geen excuus om hier dood rond te lopen.

Toch was het hem. Als de apostelen was ik ten prooi aan twijfel. Die duurde totdat Jezus geen geest bleek maar waarlijk opgestaan.

Even later reed ik door de Oude Hoogstraat en de Oude Doelenstraat langs verdwenen antiquariaten en cafés naar de Damstraat. Daar bevond zich vroeger een vestiging van het Leger des Heils met aan de gevel een lichtreclame met de woorden ‘Twijfel niet GOD is er.’

Aan het einde van de straat, op de Dam, verdrongen de mensen zich om de vuurvreters. De klok in de koepel van het Paleis sloeg twee uur.

Wij stonden eens op het ­Paleis om van het uitzicht te genieten. Wegens hoogtevrees hadden we ons van de rand terug laten zakken tot de koepel. Waar het ook mooi was. Op dat moment begon de klok te slaan. Na vier slagen waren we gereduceerd tot sidderende hoopjes mens.

Toch had mijn geliefde tijdens dit geweld tijd gevonden om mijn gympen te bekijken. “Als we weer beneden zijn,” zei ze, “gaan we nieuwe kopen.”

Wie met de neus ­omhoog loopt, ziet in de stad de gekste dingen, overvliegende ooievaars, rare torentjes, ronkende Dakota’s, penthouses, luchtballonnen, rondcirkelende buizerds, schommelende schommels, regenbogen, eenzame mannen in hoogwerkers, dakterrassen, ja, hele zwembaden.

Het landschap aan de grond heeft ook veel te bieden, maar is doordat het gebodene dichterbij is ook gevaarlijker.

Als ik een regenboog of een Dakota zie, gaat hij in de verzameling, maar aangezien de verzameling zich in mijn hoofd bevindt, kan dat nauwelijks kwaad.

Maar de verrassingen van de straat zijn tastbaar en gaan als ze erin slagen je tot meenemen te verleiden, hun eisen stellen.

Dat ik het tot op de draad verroeste ijzeren schildje, waarvan de voorstelling op zo’n schitterende manier onherkenbaar is geworden, niet kon laten liggen maar mee naar huis heb genomen, betekent ook dat ik het ergens een plaatsje moet geven.

Bij voorkeur uit het zicht van zekere geliefde die het niet zo heeft op stukken roestig ijzer.

Maar wat je allemaal vindt. Schroeven en spijkers en bouten, een metalen plaatje met twee schroefgaatjes en in reliëf de mededeling 045B, en dan al die even kleine als ondoorgrondelijke mechaniekjes.

Het fijnst vind ik het als bewegende delen nog bewegen of losse delen op de een of andere manier in of op elkaar passen.

Wat ik heb gevonden, weet ik vrijwel nooit en kan me ook niet schelen.

Met een uitzondering: een door kleindochter op het voormalige NDSM-terrein gevonden zinken voorwerp in de vorm van een kleine staartloze haai dan wel grote zetpil, met zwart rubber bekleed.

Het voorwerp past in mijn hand en heeft aan het puntige uitlopende uiteinde een scherpe punt. Geen flauw benul wat het is, maar ik mag er graag naar kijken.

Op de foto’s van Dolf Toussaint, zoals te zien op de prachtige tentoonstelling Amsterdam voor het voorbij is, zie je soms dingen die zich niet meteen verklaren laten.

Want wat bijvoorbeeld moeten twee straatschoffies midden in de stad met een emmer en een schepnet? Stekelbaarsjes vangen natuurlijk! Die schepte je in die dagen uit elke sloot. De stekel­baarsje gingen eerst in een jampot met water en een waterplant en gaatjes in het deksel.

Het was het begin van een aquarium, waarvoor een iets grote bak nodig was.

Als je stekelbaarsjes waren uitgezet, vulde je je verzameling aan met salamanders, en kikkervisjes die pootjes gingen krijgen en in kikkers zouden veranderen.

Maar voor het zover was, waren stekels, salamanders en kikkervisjes allang dood en door de wc gespoeld.

En wat te zeggen van de tekst op het bord dat naast IJssalon Monte Pelmo in de Tweede Anjeliers-dwarsstraat namens een verder onzichtbare sigarenwinkel aan de gevel hangt: ‘Tramkaart en zegels-alhier/ Voorverkoop/ Snip + Snap in Carré/ Ochtendbladen 20 cent/ Voorverkoop DWS-GVAV/ DWS ­tegen Turken/ 16/9’.

Het geheel onder auspiciën van Dr. Dush- kind.

De dames Snip en Snap, dat waren de heren Willy Walden en Piet Muyselaar, in een bloemetjesjurk, met een hoedje op en een tasje aan hun arm.

Ze waren de sterren van de Sleeswijk Revue en zongen: ‘Want Snip snapt niet wat Snap snapt/ En Snap snapt niet wat Snip snapt/ Als Snip snapt Snap/ En Snap snapt Snip/ Verdwijnt het Snip en Snap princiep’.

DWS was een hoofdklasseclub uit de Spaarndammerbuurt. De Turken tegen wie ze speelden, waren van Fenerbahçe uit Istanboel. Die troffen ze in de eerste ronde van de Europa Beker. Op woensdag 16 september 1964. In het Olympisch Stadion.

DWS won met 3-1 dankzij doelpunten van Geurtsen (2) en Hollander.

Gaat dat zien.

In de binnentuin stonden de bomen in de zwiepende ­regen te schudden van de donderslagen. Ik zat aan tafel en had het vliegtuigje uit zijn Chinese verpakking gehaald. Het is klein en blauw en de piloot draagt een rood mutsje. Omdat ik bang was het mechaniek te beschadigen, wond ik het heel voorzichtig op.

Het was zo’n vliegtuigje dat een stukje rijdt en dan over de kop gaat. Toen ik het losliet, verheugde ik me op die koprol, maar hij kwam niet, want het was zo’n vliegtuigje dat keihard rechtuit rijdt. Bijna de tafel af, ik kon het nog maar net opvangen.

Omdat het van ene moment op het andere minder hard was gaan regenen, pakte ik de met kranten gevulde Dirktas die in de gang op me stond te wachten en haastte me naar mijn afspraak met de papierbak en mijn uitgever. Bij de papierbak aarzelde ik, tas weggooien, tas bewaren?

Het werd bewaren, je weet maar nooit wanneer zo’n tas te pas komt. Een kwartiertje later dus toen ik na het bezoek aan mijn uitgever in een vreselijke stortbui terecht kwam. En besloot de tas over mijn hoofd te trekken.

Het aardig is dat je met een Dirktas op je kop door de Van Baerlestraat kunt lopen zonder dat er iemand van opkijkt.

De donder rolde over het Roelof Hartplein. De auto’s hadden een boeggolf die hoger reikte dan de auto’s waren en het water op de fietspaden was zo diep dat de fietsers massaal voor de stoep kozen.

Weer thuis pakte ik het uit 1927 daterende gedichtenschrift van mijn moeder en las: ‘Een bruggetje, een watertje,/ Een schuitje en een snatertje,/ Een maaier met een zonnehoed,/ Dat doet mijn Hollandsch harte goed.’

De Pniëlkerk, beter bekend als ‘het Theelichtje’ stond op het naamloze pleintje dat begrensd wordt door Bos en Lommerweg, Merlijnstraat en Vier Heemskinderenstraat.

De Pniëlkerk is er niet meer, maar het Theelichtje wel, met theater ­Mozaïek, een restaurant en een terras, waar we een tafeltje kozen in de late middagzon.

We zaten nog maar net toen er een man voorbij kwam met aan de lijn een klein zwart hondje met een vierkanten kop en korte pootjes. Ze liepen richting Admiraal de Ruijterweg.

In de Bos en Lommer weet ik waar ik ben en in de uitbouw waarop we uitkeken, zag ik niet het Thaise restaurant dat er nu zit, maar de openbare bibliotheek die er vroeger zat.

Vanaf de Egidiusstraat waren er drie zulke uitbouwen, in de eerste zat bakker Van der Heijden, en die zit er nog, in de tweede een slager en hier dus een bibliotheek waar ze nooit een boek hadden.

Alle Bob Eversboeken waren voor de komende vijfentwintig jaar gereserveerd en verder hadden ze niks, zelfs geen Winnetou.

De man en het hondje kwamen inmiddels weer aangelopen, nu van de andere kant. De man had een fles wijn onder zijn arm en het hondje hield plotseling op met ­lopen.

We kregen ons biertje, we kregen een portie bitterballen, maar het hondje verdomde het nog steeds. Het was koppiger dan een ezel en de man was heel geduldig, maar tijdens onze tweede biertje werd het hem toch te machtig.

Even later volgden wij man en voortgesleurde hond de Twee Koningskinderenstraat in en zo naar de Blancefloorstraat. “Als je de Blancefloorstraat uitkomt,” had iemand tegen me gezegd, “en je kijkt naar rechts, zie je daar een enorme ijsbeer.”

En verdomd, hij stond er.

Omdat ik vanwege de metro niet precies wist in welke tram ik zat, wist ik dus ook niet door welke straat we reden en waarheen, maar tot mijn plezier zag ik in het voorbijgaan twee jongemannen een spiksplinternieuw touw en blok van hun bakfiets tillen.

“Kijk,” zei ik tegen mijn geliefde. Zij keek, de jongens zagen dat zij keek en begonnen te zwaaien, waarna wij terug zwaaiden. Want ‘wie zwaait, wordt gezwaaid’, zoals de Wet van Zwaai het formuleert.

Ik dacht inmiddels aan de middag dat ik bij de fauteuilopknapper in de Bosboom Toussaintstraat zo’n grote leren clubfauteuil had gekocht. “Dat wordt hijsen,” zei ik nadat ik de fauteuilverkoper onze, laat ik zeggen nogal steile trap had laten zien. Maar hij wilde het met tillen proberen. Dus grepen we onderaan de 94 treden de fauteuil beet en begonnen de lange hijs naar boven.

Halverwege, zo ter hoogte van het bordje waarop vermeld staat dat hier in 1967 zekere A. Jacobs in het ravijn is gevallen, was een smalle overloop waar we even rust konden pakken. “Gaat ie?” zei de man. Ik knikte, “maar,” voegde ik er filosofisch aan toe, “het ergste komt nog.”

Even later bereikten we de haarspeldbocht die toegang tot ons huis gaf en liep de fauteuil krakend vast. Na enig nadenken werd besloten de fauteuil een slag te draaien. Wat niet hielp, zodat terug de enige uitweg was. Beneden bleek de stoel niet langer door de deur te gaan. Wel erin maar niet eruit, hoe was dat mogelijk?

Teruggekeerd op mijn huidige adres kwam ik op de trap de zoon van onze onlangs overleden buurvrouw tegen. In het huis van zijn moeder, dat hij aan het leeghalen was, staat een vleugel. Meer zeg ik niet.

Vraag niet hoe het kan, maar vanaf het Noordzeestrand heb ik de zon nooit in de zee zien zakken. Zoals ik ook nooit gezwommen heb in de Noordzee, wat weer een hele andere kwestie is. Maar nu was het zover.

Het weer was uitnodigend, de hemel van wolkenloos azuur, ideale omstandigheden en dus togen we naar zee.

De badplaats waar wij zo graag komen, was geheel zichzelf. De toeristen spraken Fries en aten een ijsje. Het vispaleis lag in verbouwing, de kleine kinderen zaten in hun bolderkarren en op het grote plein werd druk gevoetbald.

Nadat we de treden van de trap naar de strandopgang hadden beklommen, bleven we in verwondering staan.

Zee en horizon hadden in alle stilte de kleuren aangenomen van een bleke regenboog. De zon was al rood, de maan was nog wit en in de meertjes bij de strekdam zwommen kleine zeesterren.

Een jongen zat een enorme bal op te blazen en omdat hij nogal dik was, leek het of de bal hem aan het opblazen was.

De drie jongedames die we te gast hadden, waren in zee, waar ze het ene moment net zeehonden op een zandplaat leken om het volgende moment zes benen te laten zien.

De horizon intussen sneed kleine plakjes van de zon die trillend op het water stond. Tot ie verdwenen was.

‘De zon gaat onder/ Ik voel me bijzonder,’ dichtte Rudi ter Haar, en zo was het.

“Hoe oud waren de jongens die naar jullie toekwamen,” zei onze dochter tegen de dames toen ze uit zee kwamen.

“Een jaar of 15,” zei Rana.

“En zeiden ze nog wat?” “Ze zeiden ‘hallo’,” zei Zilke.

Jongens die in zee naar meisje toe lopen, zijn altijd 15 en zeggen altijd ‘hallo’.

Op het jaarlijkse Schrijvers Tennis Toernooi in Dordrecht dat voor de drieëndertigste keer verspeeld werd, draaiden Hans en Nicolaas gehakt, terwijl Alexander zich door Mensje liet fileren. Het toernooi viel laat dit jaar, maar het was stralend herfstweer en dat maakte veel goed.

Jammer alleen dat Theo niet mee kon spelen, maar hij was op tennissafari geweest en daar was iets mis gegaan met zijn enkel. Theo is een goede speler, maar ­eigenlijk is hij niet van tennis, maar van ‘real tennis’.

Wat dat is, real tennis, weet niemand, behalve Theo, die ook de enige is die weet wat een tennissafari is. Het schijnt een soort kaatsen te zijn, real tennis meen ik, maar dan ­anders.

Theo wilde het graag uitleggen, hij wilde zelfs wel vertellen hoe kaatsen ging, maar dat wilde niemand horen, want als je het eenmaal wist, kon je nooit meer zeggen dat je kaatsen een volstrekt onbegrijpelijk spel vindt, waarvan je alleen weet, ook zo iets, dat het altijd plaatsvindt op de vijfde woensdag van juli, meestal in ­augustus dus.

Een tweede reden dat Theo niet meespeelde, was dat hij naar Peter en Irene moest die vierden dat ze elkaar vijftig jaar geleden ontmoet hadden. Peters hart liep over van Irene, maar hij wist niet hoe hij haar benaderen moest.

“Weet je waar ze woont?” zei Theo toen ze op een middag samen door Leiden liepen. “Hier,” zei Peter, waarna Theo aanbelde en zijn vriend met de woorden ‘Irene, dit is Peter’ met twee handen naar binnen had geduwd.

Hoog aan de hemel gleed zachtjes ronkend een gele tweedekker door het azuur. Nadat Kester het toernooi had gewonnen, vroeg ik hem of hij dat verwacht had.

“Achteraf wel,” zei hij.

In de ochtend las ik in een column van Peter Winnen dat het in de Vuelta van 1932 zo koud was dat de wielrenners bij de boeren stopten en om juten zakken vroegen die ze dan aantrokken over hun koerstrui.

Vervolgens dook ik onder in De Goede Dood, het zesde deel van de acht delen tellende Merijntje Gijzen cyclus van A.M. de Jong.

Het is herfst en Merijntje gaat meehelpen bij de suikerbietencampagne, zwaar werk. Koud en nat bovendien, waarop de boer juten zakken uitreikt die de arbeiders over hun hoofd trekken, ­zodat het lijkt of er kabouters met puntmutsen op het land staan te werken.

Eenmaal op straat kwam ik een moeder tegen die vergezeld ging van haar zoontje dat zijn jas niet heeft aangetrokken maar over zijn hoofd heeft gehangen, zodat hij een puntmuts draagt.

Drie op een rij, een tevreden stemmend begin van de dag.

En nog mooier wordt als het zachtjes te regenen begint. ‘Il pleut doucement sur la ville,’ dat is van Rimbaud. Ik hou van het ogenblik dat de eerste regendruppels vallen en al die paraplu’s tevoorschijn komen, niet alleen om opgestoken te worden, maar ook voor de verkoop. Waar zijn de paraplu­verkopers als het niet ­regent?

Een meisje zit bij haar moeder achterop onder haar eigen pluutje, in de Vijzelstraat staan 27 toeristen met huurfietsen langs de stoep. Ze halen stuk voor stuk de poncho uit hun fietstas.

Op de nieuwe bankjes die aan het Rokin langs het water zijn verrezen, zitten een jongen en een meisje onder een paraplu, als dat geen liefde is, en op de brug voor het CS wordt een bruidje gefotografeerd. Lachend houdt ze haar paraplu omhoog.

Even verderop zie ik de Westertoren waar ik hem nooit eerder heb gezien, hoera.

In het septemberzonnetje liep ik vanaf het Vondelpark richting huis. Mooie wandeling. Stille straten, lommerrijke pleintjes, drukke terrassen waar het toch heel stil is, en kijk, een jonge vrouw op de fiets met een cellokist op haar rug. In moppen en films zit daar een ham of een stengun in, maar ik ging er vanuit dat de vrouw een cello vervoerde.

Even later zag ik twee vrouwen die allebei een hobo bij zich hadden, of zal het een klarinet zijn geweest? Toen ik nog een viool voorbij zag komen, wist ik het zeker, in het Concertgebouw werd een concert gegeven.

Als jongen ging ik wel eens naar voetballen in het Olympisch Stadion, met mijn oom Cees die op de Marnixkade woonde.

We liepen een stuk Nassaukade af, gingen door het Vondelpark en als je er dan aan de andere kant weer uit kwam, merkte je ineens dat je niet meer alleen was, en dat er meer mensen op weg naar het Stadion waren.

Eerst langzaam maar al snel sneller begon de stoet aan te zwellen tot ineens het hele trottoir in beslag werd genomen door de druk pratende menigte waar jij deel van uitmaakte. En bij het ­Stadion kreeg je het ‘officieel programma met de opstellingen van beide elftallen’ en nog een voetbalwedstrijd toe, het kon niet op.

Als ik op een terras neerstrijk, zit het helemaal vol met de grijze duiven die zo dadelijk het Concert­gebouw zullen bevolken.

“Tegenwoordig zijn ze stil en zacht,” zegt de grijze dame aan het tafeltje naast me tegen haar even oude vriendin. “Je zet hem op je klit en klaar.”

”Echt? Via zo’n postorderbedrijf?” “Welnee joh. Op het Weteringcircuit. Ik ga wel mee hoor. Staan we zo weer op straat.”

Ik zat op het terras van het Melkhuisje in het Vondelpark, zo’n terras waar je met kind of kleinkind graag komt, omdat het er leuk toeven is, maar waar je, als kind of kleinkind eenmaal de leeftijd heeft om er ­alleen op uit te trekken, toch nooit meer komt.

Aan het tafeltje naast me zaten een moeder en haar dochtertje. Het dochtertje was een jaar of zes en zat vrolijk iets te frutselen tot de moeder plotseling zei: “Wat ben je toch een naar kind.”

Ik schrok ervan. Maakte de moeder een grapje en bedoelde ze met dat ‘naar’ eigen ‘leuk’ of ‘aardig’? Het kind dacht duidelijk van niet. Het bleef frutselen, maar een stuk minden ontspannen. “Houd daar mee op,” zei haar moeder. “En pas op of ik breng je naar oma.”

Iets zei me dat ik maar beter op kon stappen, en dat deed ik ook. Op weg naar het Kattenlaantje passeerde ik een groep meisjes, waarin twee donkere schonen de show stalen door hoog boven de andere uit te torenen. Er was iets met ze, maar wat? Ineens zag ik het: ze waren op wieltjes.

Vanaf de Kattenlaan reed ik de Jan Pieter Heije in. Klein Ethiopië op de hoek had uitbreiding gekregen. Naast restaurant Abyssinia, voor al uw tepsi, zigni, hamli en assa, zit de Abyssian Hairsalon en daarnaast de African grocery, een bazaar zo te zien.

Ik ging naar binnen en binnen was het heerlijk. Onbekende geuren omringden me, ik zag prachtige zakken meel en kruiden, allerlei geheimzinnige haarproducten en grote juten zakken met koffiebonen.

In een zijkamer bevond zich een naaiatelier, waar uitzinnige gewaden worden genaaid.

De Franse dichter Arthur Rimbaud die lang in Abessinië verbleef, leed aan bazaarkoorts. Ineens begreep ik waarom.

Al met al ben ik nog steeds niet in de metro geweest. Dat komt, ik moet nooit nergens wezen waar de metro komt en als het wel het geval is, gaat er ook een tram naartoe. Die ik dan neem.

“Het is maar gewoon onder de grond,” zei de vrouw met wie ik voor het Centraal Station in de 17 was gestapt. “Ze doen wel alsof het een paleis is, maar het is gewoon onder de grond.”

Zo zit dat, dacht ik, want hoewel ik heel wat paleiselijke metrostations heb aangedaan, ze zaten allemaal onder de grond. Voor me was een Amerikaans echtpaar komen zitten, van wie zij Chinees was en haar zus had meegebracht met wie ze vrolijk zat te kwebbelen terwijl hij naar buiten keek.

“Look!” zei hij toen we bij het hoofdpostkantoor waren gekomen, “wonderful architecture! Unbelievable!” Om er na een korte stilte “Van Gogh!” aan toe te voegen. Het voormalige hoofdpostkantoor is een van de wonderen van de laatgotiek, dat valt niet te ontkennen, maar dat ‘Van Gogh’ gaf stof tot nadenken.

Hoezo ‘Van Gogh’? Aardappeleters, opvliegende kraaien, zonnebloemen, afgesneden oren, allemaal Van Gogh, maar het hoofdpostkantoor?

De tram rammelde langs het ­Anne Frank Huis, het huis van Rembrandt aan de Rozengracht, maar dat bracht me niet op een idee. We kwamen langs de kazen van Abraham Kef en de pianowinkel van Clavis aan de Marnixstraat, maar niets.

Mijn nichtje speelt prachtig vleugel, dacht ik en toen stapte ik uit. Want ik herinnerde me dat er aan de achterkant van Clavis jarenlang een affiche heeft gehangen voor een expositie van Hans Verhagen, een prachtig affiche met een prachtig portret, in lijst. Of het er nog hing, wou ik weten.

Nadat ik had aangebeld bij het torentje en de deur die zo een smalle draaitrap onthulde, was opengezwaaid, vouwde ik mijn handen tot een toeter en riep

“Zijn wij welkom?” in het trapgat. Boven aan de trap wachtte John.

“Ha,” zei ik, “een leeftijdgenoot. Dus jou kan ik wel vragen uit welk boek ik zojuist citeerde.”

“Dat kan je wel vragen,” zei John, “maar ik weet het niet.”

Ik was paf. ‘Zijn wij welkom?’, dat was toch net zoiets als ‘een echte Middenwegwind’ of ‘hoei, boei, ik moet hier even zijn’, of was ik nou gek?

Het gekke is, dat ik, nu ik er naar zoek het citaat niet vinden kan. Zelf verzonnen? Het zal toch niet.

Inmiddels waren we na een stevige klim aangeland op het in de schaduw van het torentje gelegen dakterras, dat zijn reputatie als het mooiste dakterras ons bekend weer ruimschoots waarmaakte.

Overal water en schepen en lichtjes, een opkomende maan, de geur van salvia en het geluid van brekend glaswerk, mooier wordt het niet.

Ronald, die op negenhoog in de Wolkenkrabber woont, vertelde hoe zijn vader met duizend sigaren de oorlog was doorgekomen. En daarna over zijn moeder, die heel jaloers was.

Zo was ze een keer woedend geworden omdat ze vanuit de Van Swindenstraat haar man zonder trouwring in een op het viaduct passerende trein had zien zitten.

Ik vertelde over de minnares van mijn vader, die net als Ronald in de Wolkenkrabber woonde, maar dan op elfhoog.

“Wist je moeder ervan?” zei Ronalds geliefde die erbij was komen staan.

“De eerste jaren niet,” zei ik, “maar toen liep ze een keer door de Van Swindenstraat…” ‘Hebben we toch nog gelachen,’ om de haringman van het Haarlemmerplein te citeren.

Juffrouw van Erp die op het Spinoza Nederlands gaf, heette juffrouw van Erp, Zijderveld van oude talen heette Zijderveld.

Sinds ik bij haar om de hoek woon, noem ik haar Annelies, want zo heet ze.

We kwamen allebei van de bakker, zij van de hare en ik van de mijne en stonden voor boekhandel het Marty­rium met elkaar te praten.

Annelies had in de etalage een boek gezien dat haar interesseerde, “maar,” zei ze, “ik heb nog zoveel boeken in de kast die ik nog lezen moet.”

“Een vers boek af en toe,” zei ik, “doet wonderen,” waarna ik vertelde dat ik Merijntje Gijzen aan het herlezen was. Heerlijk, vooral dat roomse gezever over het geloof.

“Wij waren christelijk,” zei Annelies, “maar ik ging wel naar de openbare school. Christelijk onderwijs vond mijn vader niks.”

“Van welke tak waren jullie?” wilde ik weten.

Gewoon en op zondag een keer naar de kerk. “Op zondag speelde mijn moeder piano en dan zongen we uit Kun je nog zingen, zing dan mee. Vaak liedjes waar ik niets van begreep. ‘Hollands vlag/ je bent mijn glorie’, glorie, wat zal dat wezen?”

Je weet vaak niet wat je zingt, ­beaamde ik, en als voorbeeld zong ik Groen als gras voor haar. “Waar dat over gaat. Ja, over vriendschap en de dood, ‘Egidius, waer bestu bleven/ mi lanct na di, geshelle mijn’, maar verder?”

“Het gaat over Eurydice,” zei Annelies, waarop we samen J’ai perdu mon Eurydice hebben gezongen.

“Ik heb net een kaascroissant gekocht,” vervolgde Annelies, “Bij Meijssen. De kleingelukkoekjes die ze verkopen, heb jij dat bedacht?”

Een half uur later kwam mijn geliefde thuis. Ze had bij Meijssen een gevulde koek gekocht. “Weet je wat ze verkopen?” zei ze. Ik wist het.

Aan weerszijden van de Van Baerlestraat ziet de wereld er hetzelfde uit. In de Vondelparkkant van de PC Hooft staan huizen in plaats van winkels, maar dat is het wel zo’n beetje. De Paulus Potterstraat gaat naadloos over in Willemsparkweg en Koninginneweg, statige huizen en winkels op stand.

Maar dan komt de Amstelveenseweg en aan de andere kant is alles anders, daar ligt de echte wereld, met bakkers en slagers, ­vitragewinkels, bloemenhoeken, melk- en sigarenboeren, knutselzaken, koffiehuizen en cafés.

Waar de Chinese toeristen die hier rondlopen vandaan komen, God mag het weten, maar ze zijn allemaal even opgewonden.

Ze voelen zich zoals toeristen in ­Parijs zich zouden kunnen voelen in de rue de Belleville, als ze daar kwamen dan, want dat doen ze niet.

Bij de eerste de beste slager bestelde ik een broodje leverworst en verdomd, dat is precies wat ik kreeg, zonder dat ik er een moedeloos makende opsomming van groffe of saksische, harde of droge, met spekjes of zonder, kroon, smeer, kalfs, kips of hausmacher erbij geleverd kreeg. Zelfs de mosterd leverde geen problemen op.

Het is een volkse buurt rond het Hoofddorpplein die bovendien goed geheim gehouden wondertjes herbergt als het Legmeerplein en Te Vraag.

Kapper Cor uit de Bosboom Toussaintstraat woonde tegenover Te Vraag. Kapper Cor bij wie je geen afspraak kon maken maar die, als hij wist dat ik ­geknipt wilde worden en hij een plaatsje vrij kreeg, even zijn winkel uitkwam om in het geheel niet­
o­pvallend uitgebreid de straat af te kijken.

Kapper Cor over wie ik eens een versje heb geschreven dat eindigt met de regels ‘Knip knip knip zo gaat de schaar/ kapper Cor is bijna klaar’. Zou hij nog knippen, Cor, of is hij klaar?

Wie veel door de stad fietst, of loopt, weet wanneer hij op een route zit. De route is ontstaan door hem vaak te nemen en als hij eenmaal bestaat, blijft hij bestaan, hoelang je hem ook niet genomen hebt.

Met mijn grootmoeder liep ik van de Koekjesbrug langs de Nassaukade naar het Vondelpark. Dat pad heb ik sinds mijn tiende niet meer bewandeld, maar ik weet dat het er is, en wie weet neem ik het nog een keer.

De route van vandaag draait om het Haarlemmermeercircuit heen de Marathonweg op en gaat vandaar langs het Olympiaplein naar de Parnassusweg.

Bij de Stadionkade gekomen, laten de pleintjes met de kastanjes zich zien en de huisjes op de brug, waarin de friettenten dapper stand houden.

Brug over, ventweg op en bij de Peter van Anrooy rechtsaf, en ja hoor, daar staat mijn oude school. De piepkleine lage huisjes waar de conciërge en zijn hulpje woonden, staan waar ze altijd stonden, tussen de bomen en struiken voor het plein met het beeld van Koning Voetbal.

Daarachter ligt de school met zijn hoge ramen en zijn twee trappen die langs de mozaïeken toegang geven tot de hal. Eronder de gesloten fietsenkelder.

Adembenemend stil is het, deze zomerse dag in de laatste week van augustus. De school lijkt verlaten, niets beweegt.

Maar maandag zal dat anders zijn. Dan begint het lieve leven weer, met de eerste schooldag, dag van verwachting, van nieuwe agenda’s en nieuwe roosters, nieuwe leraren, nieuwe vakken, nieuwe leerlingen, nieuwe kansen op een nieuw leven.

Eva heeft haar haar laten millimeteren, Doortje heeft haar naam veranderd, Theo spreekt alleen nog Frans, Kees rookt nog altijd Lexington. Ik ben op mijn nieuwe brommertje gekomen, een Solex. We noemen hem de Luijters 2.

'‘Als u om inspiratie verlegen zit,” zei Alies uit Nibbixwoud, die tijdens het knippen altijd zo gezellig met me praat, “moet u de trein eens nemen.”

Omdat de bus staakte, was ze een weekje met de trein gekomen.

“Druk,” zei Alies, “zo druk dat je soms niet eens mee kunt. Gisteren stonden we met een heel stel op het perron kwaad te wezen, toen zo’n meid die wel in de trein stond, zei dat we ons niet moesten opwinden, het was toch zeker lekker weer! Iemand werd zo kwaad, dat zij die meid in ene de trein ­uittrok.”

Het was nog voor de komst van de Noord/Zuidlijn en ik ben ­benieuwd hoe het nu met Alies en de bus gesteld is, maar goed dus dat ik binnenkort weer naar de kapper moet.

Alies vertelde inmiddels over een nachtelijke treinreis van Frankfurt naar Amsterdam. Ze was een triller aan het lezen en net bij de ontknoping aangeland toen iemand in de couchette het licht uitdraaide.

“Zonder iets te vragen, nou vraag ik u.” Alies was meteen opgestaan en had het licht weer aangedaan. “En toen?” zei ik. Toen niks.

Mijn vader en moeder en ik zaten op een mooie zomerochtend met het raam open in het stoomtrein­tje naar Aalsmeer, toen er een man de coupé in kwam die zonder iets te zeggen het raam dichtschoof.

Waarop mijn vader opstond en het zonder iets te zeggen weer openschoof. Waarop de man het raam weer dichtschoof en mijn vader het bij wijze van slotakkoord scheef in de sponningen trok, waar het muurvast kwam te zitten en heel erg open stond.

Woedend ging de man op zoek naar een andere coupé.

“Opgeruimd staat netjes,” zei mijn vader.

Vrouwe Fortuna bracht Charlie op ons pad, een prachtige baby met ros haar en blauwe ogen, goedlachs en twee stevige ondertanden. Die ze, zodra de mogelijkheid zich voordeed, krachtig in mijn wijsvinger zette, au!

Na de eerste hulp vroeg ik zoals gebruikelijke naar welke school ze ging, hoe het zat met de tafel van acht, en hoe ze haar haring at, met of zonder uitjes.

Haar moeder vertelde over een broodjeswinkel waar ze in vis ­deden. “In zo’n steeg tussen het Damrak en de Nieuwedijk.” “De Zoutsteeg,” zei ik. “Precies.”

Ze had er laatst een heerlijk broodje haring gegeten en de haringboer had haar verteld dat in de loop van de dag de hele wereld voorbijkwam in zijn winkel. “Vuilnismannen en winkelmeisjes, mannen van de beurs, zomaar voorbij- gangers en toeristen in alle soorten en maten.”

“Het is een wonder dat ie er nog zit,” zei ik. Oporto zit er nog en de viswinkel, maar verder staat ­alles in de steeg in het teken van hashish en tattoos.

Ons favoriete café ­indertijd was de Blue Star, waar Hendrik de Schilder ook vaak kwam. Hendrik vertelde graag het verhaal van het kerstspek en als ie moest pissen hield hij het zo lang mogelijk op.

De plas die volgde, noemde hij het burgermansorgasme. Op een avond had hij een Amerikaanse naar zijn atelier meegenomen die hem er in de loop van de nacht had uitgegooid. “Uit mijn eigen atelier,” zei Hendrik.

“Hoe moet dat nou met je kruisafname?” zei ik. “Dat is zo langzamerhand meer een kruisiging aan het worden,” zei Hendrik. “Ach,” zei ik, “zolang er maar kunst op staat.” Hendrik knikte instemmend: “Kunst is alleen kunst als er kunst op staat, daar heb je gelijk in. Pilsje?” Dat sloeg ik niet af.

Wie in de Heemstedestraat de brug over de Westlandgracht oversteekt, gaat het grote niets binnen. Eerst is er nog Libanees restaurant Cedars, maar daarna is er niets, nou ja, een paar flats aan de ene kant en hier en daar een bruggetje aan de andere.

Ik had gehoord dat er op het Abraham Staalmanplein een enorme beer was verrezen, maar geen beer te bekennen, zoals er op het pleintje helemaal niets te bekennen viel.

Ik staarde een tijdje naar het keukenraam van de flat waar wij in 1959 gingen wonen en draaide toen de Johan Huizingalaan op die aan de andere kant van de Plesmanlaan een stuk gezelliger wordt. Maar het pleintje met de markt kwam als een volslagen verrassing.

Het was er een drukte van belang. ‘Het kleurrijkste terras van Nederland’ dat opgesierd wordt door de woorden ‘Hoera het is vandaag’ was afgeladen en voor de fish & chipskar er pal tegenover stond een rij die de rij in de Voetboogsteeg naar de kroon stak.

­Kaftan Fes deed in traditionele Marokkaanse mode en Willem ­­Sok in sokken.

Achter de kraam met strooien hoedjes stond een prachtige Amsterdamse dame die Carine bleek te heten. Ze was in gesprek met een gesluierde Marokkaanse die een hoedje kocht en de markt net zo prachtig vond als ik. “Ik kom nooit meer op markten,” zei ze, “maar hier is het anders.”

Toen ze met haar hoedje was vertrokken, gaf Carine een overzicht van haar marktcarrière: Dapper, Mos, Ten Kate, Vespucci, ’40-’45 en sinds acht jaar de Siermarkt, plus de Lindengracht op zaterdag.

Ze woonde, vertelde ze, aan de Korte Marnixkade, op driehoog. “Dan heb je prachtig uitzicht over het water,” zei ik. “Ja,” zei ze, “als je boven bent.”

Aangezien ik zelf in een stadsdorp woon, mag ik me in deze een deskundige wanen.

We woonden hier nog maar net toen ik op een koude voorjaarsmorgen een vlucht ganzen blaffend hoorde overvliegen. “We wonen op een dorp,” was mijn conclusie.

Op een dorp is het stil. Het is stil op ons dorp. De bewoners zitten op mooie dagen voor hun huis met elkaar te praten, her en der tref je geraniums en vlinderstruiken, en een hibiscus of camelia. Ook sluipen er poezen rond.

Wie in een echt dorp woont en het dorp verlaat, staat in de woestijn. Het wordt bollenveld genoemd of weiland, maar het is woestijn. Wie zijn stadsdorp verlaat, staat midden in de stad, wat wel zo aardig is. Wij wonen in een brinkdorp, met op de brink een mooie fontein.

De dorpen die tussen Entrepotdok en Kattenburgergracht ontstaan, lijken mij lintdorpen. Het beste zicht op hun reilen en zeilen heb je vanaf de Hoogte en de Laagte Kadijk, maar mooier nog is het om langs het water de Nieuwevaart te volgen, van Overhaalsgang tot Oosterdok, langs Buiten Kadijken en Matrozenhof dus, je kijkt je ogen uit.

Via de Laagte Kadijk reed ik terug, op zoek naar het dorpscafé, dat ik vond naast de Nijlpaardenbrug.

Het heet Bloem en het rook er vaag naar dierentuin, niet zo vreemd als je bedenkt dat Bloem schuin tegenover Artis ligt. Ik bestelde een biertje, waarop het vriendelijke meisje vroeg wat voor bier ik gehad had willen hebben, Hoegaarder wit, Gulpener gebrouwen, Zomerbok van de tap, Waalse wieken.

“Heb je ook een gewoon biertje?” zei ik. “Pils?” zei ze, “nee, pils hebben we niet.” Het heeft even geduurd, maar ik had het eindelijk gevonden, het Café Zonder Bier.

Terwijl de stad op allerlei plaatsen wordt weggespoeld door golven toeristen, lijken er op ­andere plaatsen dorpen te ontstaan.

Ik was de poort doorgegaan van de voormalige Oranje-Nassaukazerne met dat pompeuze wapen vol leeuwen en kronen aan de gevel en reed over het Wilhelmina Blombergplein naar de Alexanderkade.

‘Alleen voor voetgangers’ stond er bij het Olifantsbruggetje naar de Mauritskade. Zelden zoveel fietsers op een voetgangersbruggetje gezien, met zo’n bord vraag je er kennelijk om.

Het was heerlijk weer en de Alexanderkade lag er prachtig bij. Om de hoek wist ik de Gooyer en de altijd weer verrassende gevel van voormalig bioscoop de Odeon, lange tijd een houthal en nu een filiaal van Gideon Italiaander, met daar tegenover het enorme benzinestation waar ik vanmiddag zo maar verdwaalde.

Vroeger lagen hier rails voor wat een heel klein treintje geweest moet zijn. Van Werkspoor misschien?

Op de Hoogte Kadijk stapte ik af voor een etalage vol oude radio’s. In 1972 of daaromtrent schreef Wim Noordhoek een roman met de titel Beromünster.

“Zegt dat je wat?” vroeg hij me. Het zei me niks, want wij hadden thuis geen radio maar een stekkie.

Maar sindsdien kijk ik altijd op de kiesschaal van oude radio’s of Beromünster erop staat. Beromünster stelde ik vast, stond nog steeds helemaal rechtsboven, vlak onder Hamar.

Langs het water reed ik naar museumwerf ’t Kromhout, waar het vol stond met roestige motorblokken en scheepswrakken, terwijl er voor de deur ranke scheepjes lagen afgemeerd. Geen mens te zien. Stilte.

Toen stak ik de brug over de ­Entrepotdoksluis over en reed zo de hier ontstane dorpen van Entrepotdok en Kadijken binnen. Dorpen in de stad. In Parijs zijn ze er nog, hier zijn ze er weer.

Jan van antiquariaat Egidius in de Haarlemmerstraat heeft het roer omgegooid. Alle boeken, op de kunstboeken na, eruit en kunst aan de muur. De stoelen die er altijd stonden, staan er nog, dus kan er nog altijd geouwehoerd worden door de mannen.

“Jan verkoopt geluk,” zei een van die mannen eens tegen mij en ik kan daar volledig mee instemmen. Laatst belde Jan me om te zeggen dat hij iets leuks voor me had. Als Jan zegt dat hij iets leuks voor me heeft, gaat het meestal om iets van Yves Klein, en dus zat ik al op de fiets.

Deze keer had hij de poster bij de Yves Klein-tentoonstelling in het Stedelijke Museum van 1965 voor me, een symfonie in blauw van de hand van Wim Crouwel.

Ik was net uitbewonderd en in een van de stoelen gaan zitten toen er een geheel in het zwart ­geklede dame binnen kwam zeilen.

“Waarom,” zei ze op enigszins aangebrande toon, “zijn de zeefdrukken van Dibbits die in de etalage hangen goedkoper dan die van Bonies die ernaast hangen Ik wil het graag weten, want ik was erbij toen Dibbets ze maakte.”

“Kent u Dibbets?” zei Jan. Ja die kende ze, ze bezat zelfs de enige echte Dibbets in de hele wereld waar er maar een van was, haar dochter.

Zo, dat was er uit, waarop het verhalen vertellen kon beginnen. Over de zwerfhond die Dibbets en zij hadden meegenomen uit Italië en die hier maar niet aarden kon, en zelfs mensen beet, over de depressies van Carel Visser die van zijn therapeut hout moest hakken en daarom de hele dag hout te hakken stond, en al die tijd dacht ik aan Yves Klein, Yves Klein en het geluk.

Op de Ceintuurbaan, zo ter hoogte van het Sarphatipark, werd ik achterop gefietst door een moslima met haast. Zo razend was haar vaart dat ze al snel aan de horizon verdwenen was.

Ik was net voorbij het huis met de ballende kabouters, dat ik altijd zo mooi vond, maar dat een aantal jaren terug geheel is verpest door wit ­engelengebroed aan de erkers, toen ik haar weer in het vizier kreeg. Ze stond op de brug foto’s van de Amstel te maken. Haar haast was dus maar schijn geweest, om de een of andere reden deed me dat plezier.

Ik stak het water over, nam het tunneltje en dook bij het Weesperplein de Sarphatistraat in. Het is geen Amsterdammer die in de Sarphatistraat niet even aan de uitvreter zal denken.

En dat was precies wat ik deed toen ik op de gevel van een kazerneachtig gebouw, dat me bekend voorkwam, de naam van Japi’s schepper ontwaarde, Nescio. Ik stapte af en zag dat er aan de gevel een monumentje hing. Het was een portret in reliëf van Nescio dat vergezeld ging van de eerste regel van De uitvreter.

Het gebouw bleek het vroegere Rijks Militair Hospitaal, het naargeestige oord waar de enige vriend uit mijn tijd in het militaire leger terechtkwam toen hij, wanhopig, probeerde middels een hongerstaking aan de kwelling van de dienstplicht te ontsnappen.

Hulpeloos lag hij aan de slangen waarmee hij onder dwang kunstmatig werd gevoed, terwijl er met enige regelmaat officieren aan zijn bed verschenen om hem uit te leggen welke straffen ze nog in petto hadden als hij zijn staking niet staakte. In het militaire leger werd je verzekerd dat je later op deze tijd zou terugkijken als de mooiste ­jaren van je leven. Niets is minder waar.

Het sneeuwwitte beeld dat oprijst uit de vijver op het Museumplein is van Joseph Klibansky en twaalf meter hoog.

Het heet Zelfportret van een dromer, mooie titel voor een beeld dat ons een astronaut laat dromen die gewichtloos in de ruimte zweeft terwijl hij met zijn linkerhand op de leuning van een stoel leunt en er op zijn rechtervoet een potplant draagt.

De astronaut doet denken aan de mannetjes die lang geleden zogenaamd naar de maan gingen om daar huppeldansjes uit te voeren en vlaggetjes te planten. Het werd op de televisie uitgezonden en ik geloofde er niks van.

Als er echt mensen naar de maan gingen dan liet je hun reis toch niet verslaan door iemand die zich Hullekie Dullekie noemde en schreeuwerig vergezeld ging van Harry de Harige Aap.

Tijdens de uitzendingen van Hullekie Dullekie kwam altijd het moment dat hij telefonisch verbinding maakte met een professor in Houston. Na veel zoemen en klikken, hoorde je van heel ver weg een geknepen stem ‘Hier Houston’ zeggen.

In werkelijkheid stond de professor met een wasknijper op zijn neus in een telefooncabine van het Hilton.

Eerder op de dag vertelde Hans dat zij de avond tevoren in het Hilton een glas wijn hadden gedronken, waar ze 25 euro voor moesten afrekenen. Het was heerlijke wijn geweest en het terras aan het water was schitterend, maar toch. “In de tijd van ‘barretje Hilton’ waren de prijzen heel gewoon,” zei ik.

Ik zat er eens met Theun de Winter toen ik nodig plassen moest. Op het invalidentoilet aangekomen, bleek daar een heel koud buffet opgesteld, met zalm en krab en kreeft en nog zo het een en ander. “Je moet echt even komen kijken,” zei ik even later tegen Theun.

Vorige week ben ik naar het Marineterrein gefietst. Om es te kijken, want het was daar zo mooi had ik gehoord. Dat bleek niet te veel gezegd. Zodra ik het poortje door was viel ik van de ene verbazing in de andere.

Het is een enorm terrein met mooie oude huizen en overal water, grasvelden, majestueuze bomen, en meteen recht voor mijn neus een spectaculaire fontein die ondanks de droogte stevig zijn best stond te doen.

Je kijkt er ­tegen de achterkant van het voormalige Zeemagazijn, het huidige Scheepvaartmuseum, waar heel wat aardige schepen liggen afgemeerd. De nagebouwde VO-zeeëer o.a, maar je hebt er ook een verbazingwekkend uitzicht op NEMO en de huizen en schepen aan de Prins Hendrikkade.

Pension Homeland heeft een stralend terras aan het water en in dat water ligt sinds kort een boardwalk, een reeks steigers voor een snelle verbinding met de overkant. Maar dat niet alleen, want de steigers noden ook tot zonnen, zwemmen, picknicken en flirten.

Alles wat je op dit terrein verwachten was, was aanwezig. De drie meisjes met een fles witte wijn in een koeler, de jongen die zijn vriendin tot springen dwingt, waarbij zij elegant haar neus dichtknijpt, de schone die het topless doet en natuurlijk de iets te gebruinde, iets te gespierde Adonis met zijn handstand en radslagen die als hij zich op zijn handdoek neervlijt zo opvallend niet naar de zonnebaadster zonder ­bovenstukje kijkt.

Vanuit de trein herinner ik me het Marineterrein als een paar ­oude oorlogsschepen en een bruggetje. En als je het via Kattenburg probeerde zat je met een lange muur en poortjes die, als ik me goed herinner bewaakt werden door matrozen. Inmiddels is het Marineterrein een van de wonderen van de stad.

Ik sta op een tramhalte op de tram te wachten als een man die samen met zijn vrouw op dezelfde halte staat naar me toekomt en vraagt of de trams vanaf deze halte naar het Centraal Station gaan. “Nee, nee, nee,” zeg ik, “dan moet u daar wezen,” en ik wijs, zo’n beetje de bocht om naar een halte die je hiervandaan niet zien kunt.

Terwijl hij terugloopt naar zijn vrouw komt mijn tram eraan en ik stap in. Als ik naar buiten kijk, zie ik dat het echtpaar nog steeds op de halte staat. Dat bevalt me niks. Ze hadden al lang op weg moeten zijn naar de halte die ik ze heb gewezen. Je vraagt tenslotte niet voor niets de weg. Of heeft de man die de weg vroeg mijn antwoord niet begrepen en gaan ze zo dadelijk straal de verkeerde kant op, wat dan mijn schuld is.

U herinnert zich natuurlijk de passage in Dwaallicht als Laarmans zijn zwarte broeder onder de drie rijstekakkers de weg heeft ­gewezen naar de Kloosterstraat en Maria van Dam en vanuit de tram de zwartjes ziet twijfelen of ze wel de goede kant op gaan.

Laarmans voelt zich verantwoordelijk voor zijn drie koelies en stapt uit om hen op de tocht te begeleiden. Hij voelde dezelfde verantwoordelijkheid die ik nu voel, maar voor mij is het te laat om uit te stappen.

Maar het kan uiteraard nog ­erger. Zo werd mijn geliefde dit voorjaar, op het Leidseplein meen ik, aangesproken door een stel rugzakdragers die op het Zandpad moesten zijn. Waarna ze de rugzakdragers met grote precisie en voorzien van een heldere schets naar het Schapenburgerpad dirigeerde.

Maanden geleden, maar ze voelt zich nog steeds schuldig.

In mijn opsomming van verdwenen geuren, koffie en ­caçao, versgebakken brood, roestig ijzer, geschaafd hout, menie, drop en pepermunt, vergat ik de geur of liever de stank te noemen die zich aankondigde met hondengeblaf.

Want de verse waar-kar die zich eens in de zoveel weken meldde, ging altijd vergezeld van een roedel straathonden. Het waren dezelfde honden die als ze de kans kregen tegen je op ­begonnen te rijen en die op de een of andere manier altijd aan elkaar vast leken te zitten.

Wanhopig draaiden ze dan in een korte cirkel om elkaar heen, totdat er iemand naar buiten kwam met een emmer water om die over de honden te legen, waarna ze blaffend uiteen stoven om niet veel later opnieuw te beginnen.

Als mijn moeder het geblaf hoorde, sloot ze ramen en deuren, want de verse waar-kar verspreidde een even doordringende als smerige lucht die lang bleef hangen bovendien. De verse waar zelf zag er ook hoogst smerig uit, met griezelige schubben en tentakels op de uitgestalde magen, pensen, darmen. Je rilde als je het zag.

Groot was dan ook mijn schrik toen ik als vijftienjarige op bezoek bij vrienden in Toulouse op een avond verse waar kreeg voorgezet. Een enorme pan vol, tripes, een delicatesse. Ik had op eetgebied al het een en ander meegemaakt, oesters, knoflook, drinken bij het eten, stinkkaas toe en dat was me allemaal uitstekend bevallen, maar verse waar.

En het ergste was, ik wist dat het in de loop van de maand nog een paar keer op het menu zou verschijnen. Het was als in het vers van Dèr Mouw: ‘en dankbaar was ik dan met heel mijn hart/dat we zo prettig bij elkander zaten;/behalve ’s maandags, als we zuurkool aten.’

We kwamen het restaurant uit en hadden maar één fiets. Dus nam ik mijn geliefde achterop. Romantisch! Maar ter hoogte van het Frederiksplein werd het al minder, en, Mon Dieu, als ik het niet verhinder, hoe zal het dan op het Hugo de Grootplein zijn? Zij wordt niet zwaarder, en ik wel ouder.

De rol van de fiets in het liefdesleven van de Amsterdammer is mijn inziens altijd onderbelicht gebleven. Volgens mij kunnen we in deze twee categorieën onderscheiden: a) de fiets staat stil; b) de fiets wordt voortbewogen.

Onder categorie a) valt het naast elkaar ieder op je eigen fiets zitten, soms op het zadel, soms op de bagagedrager, en elkaar smartelijk kussen, meestal ten afscheid, maar lang niet altijd. In categorie b sub 1) zit je geliefde bij jou achterop en heeft voorzichtig een arm om je heen geslagen.

Die arm gaat onder jouw arm door en haar hand zoekt een plekje op je borst. Intieme handeling, die nog intiemer wordt als de tweede hand zich bij de eerste voegt, zodat je tussen haar armen gevangen zit, waarbij zij haar hoofd tegen je rug laat leunen.

Jij kunt natuurlijk ook bij haar achterop zitten en de zojuist geschetste handelingen verrichtten, maar om onduidelijke redenen waren meisjes daarvan vaak niet gediend.

In geval b sub 2) heb je haar voorop genomen, dat wil zeggen, op de stang, jouw lippen in haar haar en hals. Hoogst ongemakkelijk, vooral voor de stangzitster in kwestie, maar ademloos van Slotervaart naar Buitenveldert. En als het even kon terug. Ja, dat mag liefde heten.

Ten slotte heb je b sub 3): kussen terwijl je allebei op je eigen fiets fietst. Dit valt af te raden, echt ­levensgevaarlijk, want ik zeg je, als je valt dan leg je.

In de tijd dat mensen nog brieven aan elkaar stuurden waar ze eerst postzegels op plakten, ontvingen wij de brief die ik als de mooiste brief ­beschouw die ik ooit heb ontvangen.

Hij kwam van het zoontje van een vriendin en hij schreef: ‘Ik spaar pozegels. Jij ook?’ Deze op het oog zo simpele mededeling bevat vele lagen.

De negenjarige is in de postzegelleeftijd beland, zoveel is duidelijk. Hij is te beleefd om het te vragen, maar wat hij wil, is dat jij als de bliksem aan de slag gaat om sigarenkistjes en oude ­enveloppen te doorzoeken op postzegels, en dat je vanaf nu alle binnenkomende post van de zegels ontdoet en die naar hem opstuurt, zoals hij ook hoopt dat je nog ergens een oud ­album hebt liggen ‘wat je toch nooit inkijkt’ en daarom aan hem cadeau gaat doen.

En zulks geschiedde.

Zelfs de brieven die W.F. Hermans me in die dagen stuurde, zijn van hun postzegels ontdaan. Toen de negenjarige mij naar pozegels vroeg, was ik zo oud als hij nu zijn zal en ik spaar ik al zo’n vijfenzestig jaar geen postzegels meer.

Maar als ik op woensdagmiddag met de tram over de Nieuwezijds rijd, kijk ik naar het plein-tje waar de postzegelmarkt werd gehouden. Als je je daar als jongen vertoonde, kwam er meteen een man naar je toe, die vroeg of hij je boekje t zienmoch. Oei. Want je wist waar hij op uit was.

Op die ene waardevolle zegel, waarvan jij niet wist, dat hij zo waardevol was en die je zomaar voor een dubbeltje verkocht, terwijl hij misschien wel een rijksdaalder waard was.

Op de postzegelmarkt staat nu slechts een enkele oude man. Geen jongen die zich zien laat.

Vlak voor ik de deur uitging, had Dumoulin op tv iets tussen zijn spaken gekregen. Zijn voet? Een fietspomp? Een paard en wagen? Het stond er niet bij, maar in ieder geval moest hij van zijn fiets af. “Dit speelt Dumoulin niet in de kaart,” hoorde ik de verslaggever zeggen.

“Integendeel,” voegde hij er aan toe. Toen ik de deur achter me dicht trok, zat ik vol onrust, want was Tom nu wel of juist niet in de kaart gespeeld? Ik was al in de Ferdinand Bolstraat toen ik er nog niet uit was.

Omdat ik ter hoogte van het ­Marie Heinekenplein een lichte trek ontwaarde, ging ik een Aziatisch restaurant binnen, waar ik de enige klant was. Ik ging aan een tafeltje bij het raam zitten en bestudeerde het schoolbord voor de deur.

‘Fresh ingredients,’ las ik, en ‘pho/ noodles/ beef/ shrimps/ pork/ Food 12.00-22.00/ All day long’. Uit de luidsprekers klonk jazz uit lang vervlogen tijden, Paul Desmond, schatte ik, maar zonder Dave Bruback.

Op het Marie Heinekenplein renden de kinderen door de waterstralen en waren de terrassen afgeladen.

Op het fietspad reden de fietsers twee rijen dik vlak achter elkaar, zodat ik me achter mijn springroll even in Saigon kon wanen, waar de motorfietsjes twaaf rijen dik rijden, met op iedere motor een middelgroot gezin, een tafeltje met twee stoelen, een hak en een koelbox, plus een paar aan hun poten bij elkaar gebonden kippen, en een eend in een rieten kooitje.

Op de terrassen van Saigon zit je op lage stoeltjes en iedereen bemoeit zich met iedereen, zeker als je zoals ik een keer deed een broodje worst bestelt, waarvan de worst in mijn mond ontplofte en in de vorm van een rookpluim naar buiten kwam.

Kamperen is oorlog, zo leerde ik al snel tijdens onze kampeervakantie op het kampeerterrein in Hyères, een stadje dat je nooit te zien kreeg, omdat het bezet was door de tegenpartij die een onbegrijpelijke taal sprak en er rare ­gewoontes op nahield.

De kampeur wordt van alle kanten tegelijk aangevallen, door de beheerder van de kampwinkel die een tientje rekent voor een over­leden krop sla, door miljoenen kwaadaardige bromvliegen, door de levensgevaarlijke scheerlijnen van de tenten van de andere kampeurs, door watergebrek, kolereherrie en een totaal gebrek aan privacy. Kakken, neuken, ruziën, alles geschiedt er in het openbaar.

Onze ruzie brak uit toen mijn tante Mies mij verbood langer met mijn twee uit Algerije gevluchte Joodse vriendjes om te gaan. “Je bent hier op vakantie met Petertje,” zei ze, “er is dus geen enkele reden om met andere jongens ik weet niet wat uit te spoken.”

Mijn tegenzet mocht er wezen. Ik hield op met spreken. Als we moesten kaarten, kaartte ik zwijgend, moesten we badmintonnen, dan badmintonde ik zonder woorden en op het strand zat ik sprakeloos in het zand.

“Wees nou toch eens beetje ­aardig,” zei mijn lieve moeder. Maar aan dat aardig had ik geen boodschap.

“Wat wil je nou, verdomme,” zei mijn vader, maar ik gaf niet thuis. De toestand was ondraaglijk en duurde tot het einde van de vakantie, toen mijn vader onze Volkswagen in twee dagen woedend naar huis reed, ik op de achterbank met de Toureditie van Het Vrije Volk.

Tijdens de vakantie, zo herinner ik mij, kochten wij iedere dag een kistje perziken die door mijn ­vader en mij in de loop van de dag een voor een met huid en haar werden opgegeten. Lekkerder ­perziken heb ik nooit gegeten.

Behalve rulle zandpaden, vliegen en de weeë lucht van latrines bood de camping in Hyères ook strand en zee. Als ik ’s morgens mijn boterham met enge chocoladevlokken opgegeten had, probeerde ik alleen weg te komen, maar mijn tante Mies hield me scherp in de gaten. Petertje moest mee, ik zou eens verdwalen.

Zijn aanwezigheid werd pas goed vervelend toen er op het strand een blonde schone verscheen die een rieten schietschijf in het zand zette en er met een boog pijlen op af begon te schieten. Of ik het ook eens wilde proberen, vroeg ze, wat ik maar al te graag wou.

We probeerden met elkaar te praten, maar dat viel niet mee, een jaar middelbare school Frans reikt niet ver. Petertje, die op de etaleurschool zat, had nooit Frans geleerd, maar, zei tante Mies, als hij het had geleerd, had hij het vast vloeiend gesproken, heel wat beter dan ik in elk geval.

Net toen het tussen Diana en mij spannend dreigde te worden, was ze verdwenen. Haar plaats werd ingenomen door twee Joodse jongens die met hun ouders uit Algerije waren gevlucht.

Ze woonden in een uit wrakhout opgetrokken hutje op het strand. Hun vader was iedere dag op zoek naar werk, en hun moeder bakte de vis die wij in de loop van de dag vingen met behulp van twee onderwaterpistolen.

Als zij de olie in de vispan goot, keerde ik terug naar ons tentendorp voor de dagelijkse doppers met wortelen en een gehaktbal uit blik. Om de dag kwam er mannen van de gemeente Hyères die met een gifspuit enorme wolken DDT over de camping legden, maar ondanks dat zagen doppers, wortelen en gehaktbal altijd zwart van de vliegen.

Op de eerste dag van ons verblijf op een camping in Hyères bleek dat het opzetten van een combitent op de Veluwe anders was dan het opzetten van dezelfde combitent onder de verschroeiende Zuid-Franse zon.

Zo was de grond niet vlak en zaten er om de een of andere reden stenen in verborgen, terwijl ook dennenbomen over wortels bleken te beschikken.

De stokken waren vaak in de war en binnententen wilden niet naar binnen, maar na een uur of twee hing alles tussen de scheerlijnen, gereed voor inspectie door mijn tante Mies en mijn moeder, die de tentenbouw vanuit twee klapstoelen in de schaduw hadden gade­geslagen.

“Je ziet helemaal zwart,” zei mijn moeder. “Van de vliegen,” zei ik. “Die zijn straks weer weg,” zei tante Mies. “Tja, ik weet niet,” zei ze daarna, als tegen zichzelf.

“Corrie, wat vind jij? Maar ik denk dat de tent daar (ze wees naar een hobbelig veldje een tiental meter verderop) toch beter staat.” En dus werd de hele bliksemse boel afgebroken om nog een keer opgebouwd te worden, stokken, haringen, scheerlijnen en al.

“Ik zou wel een boterham lusten,” zei mijn vader toen hij zat. Ik werd naar de kampwinkel gestuurd om zo’n raar brood te halen.

Eenmaal terug draaide mijn moeder een blik boter open, zodat we konden zien hoe de boter meteen overdekt werd door vliegen. Om de boterham op te eten, moest mijn vader hem onder zijn hand houden.

Inmiddels hadden we dorst gekregen, maar de waterzak, die aan een tentpaal hing, bleek leeg, zodat Petertje en ik naar de waterput moesten om water te putten. Er waren dertien wachtenden voor ons. “Kon je niet een beetje voortmaken,” zei mijn tante Mies tegen me terwijl Petertje de volle zak weer aan de paal hing.

In onze zomervakantie gingen we kamperen op een camping in Hyères waar een collega van mijn vader een prachtig kampeerterrein wist.

Wij gingen met de Volkswagen en Oom Frans, tante Mies en Petertje met hun Fiat 1100, wat in tegensteling tot een Volkswagen een echte auto was. Zei tante Mies. Die ook besloten had dat in Frankrijk op voedselgebied helemaal niets te koop was.

Het vlees werd er niet uitgebeend, de melk was altijd geschift en van boter hadden ze nog nooit gehoord.

Dus kochten we bij haar zuster die in de Albert Cuypstraat een ­comestibleswinkel dreef van alles in blik, van rookvlees en kornet bief tot appelmoes en worteltjes met doperwten. Alleen de blikken boter kocht mijn moeder bij onze melkboer, wat nog tot stevige ­ruzie leidde.

In konvooi reden we naar het Zuiden, over de Route Nationale die bij elk dorp het dorpje Toutes directions aankondigde, gek werden we ervan.

In de ochtend van de derde dag bereikten we de camping, waar we ontvangen werden door de campingbeheerder die een in de kampwinkel gevestigd kantoortje bemande.

“Meneer Luiée,” zei mijn tante Mies, “aangenaam kennis te maken.” “Eensgelijks,” zei de man die me met zijn baard en zijn korte broek een enorme oetlul leek. “Maar,” voegde hij er aan toe, “zegt u maar gewoon Luier, als in een volle Hollandse luier,” waarna ik hem iets sympatieker vond.

Toen de formaliteiten achter de rug waren gingen we tussen de dennen en rulle zandpaden op zoek naar een plekje om onze tenten neer te zetten. “Er bromt hier iets,” zei mijn moeder. “Vliegen,” zei ik. “Die zijn straks weer weg,” zei tante Mies. De zon stond in het zenit toen we de ideale kampeerplek gevonden hadden.

Een jaar eerder waren we in Ventimiglia zo leuk op vakantie geweest, dat werd besloten dit jaar in pension te gaan, lekker dicht bij huis. Het werd pension Margriet in Hilversum, vlak bij de Loosdrechtse Plassen, waar we af en toe een zeilboot gingen huren, leuk.

Verder gingen we uitstapjes maken in de omgeving, naar de ­piramide van Austerlitz bijvoorbeeld, of naar de echoput waar je ‘hoe heet de burgemeester van Wesel’ in de put kon roepen die dan antwoordde met ‘ezel, ezel’.

Omdat het regende, kon dat van die zeilboot niet door gaan, maar tussen de middag was er wel warm eten in het pension. Aardappelsoep vooraf en dan bloemkool en een puddinkje toe. Als de pensioneigenaar de soep bracht, hing zijn das erin.

“Dat doen we niet meer,” zei mijn moeder toen de twee weken voorbij waren.

Besloten werd een tent te kopen. Na overleg met mijn tante Mies en mijn oom Frans werd het een combitent, twee reusachtige tenten met een luifel in het midden. Ons deel van de tent werd betaald van de studieverzekering die mijn ouders voor mij hadden afgesloten.

Met Pasen van het nieuwe jaar gingen we proefkamperen. Kamperen bleek met stokken. Die in ­elkaar moesten, dan uit elkaar en vervolgens weer in elkaar, maar dan anders. Ook had je scheerlijnen en waren er haringen.

Zo erg als in pension kan het niet zijn, dacht de kleine optimist in mij voordat het daadwerkelijke kamperen begon, maar het bleek erger. Je at met raar bestek van rare borden die op een klaptafeltje stonden. Het eten was ook namaak en omdat het regende, was alles koud en klam.

Toen het voorbij was, konden we niet zomaar weg, maar moest alles eerst afgebroken en ingepakt.

De hoge populieren langs de tennisbaan staan roerloos in de zomerzon. Erachter, langs het spoor van het verdwenen treintje naar Aalsmeer, ligt een van de mooiste fietspaden van de stad.

Maar gefietst wordt er niet, want wegens werkzaam­heden is het pad voor zeven jaar gesloten. Omdat wij doen of we tennissen, slaat Ton een dropshot die ik net niet haal.

Bij het net aangekomen, zie ik een vlinder neerstrijken op het gravel. Het is geen witje, en ook geen atalanta, dagpauwoog of kleine vos. Ik kan mijn ogen niet geloven, maar het is de kleine ­ijsvogelvlinder, één keer in mijn leven eerder gezien, in een tuin op Wieringen. Wat doet een kleine ijsvogel op een tennisbaan? Het antwoord zal in het Bosplan liggen.

Aan het IJsbaanpad is inmiddels zonder dat ik er erg in had een enorme torenflat verrezen. Als wij uitgetennist zijn, komen de mannen die de flat bouwen en klaar zijn voor vandaag ons tegemoet.

Ze dragen korte broeken en gele bouwvakkershelmen en slepen koelboxen en gereedschapskisten mee. Als we elkaar passeren, mag ik graag met mijn wijsvinger op mijn ontbrekende horloge tikken en iets zeggen als ‘een vroegertje vandaag?’ maar de mannen laten zich helaas niet provoceren.

De mensen die hun torenflat gaan bewonen, krijgen een prachtig uitzicht op de velden van ASV Arsenal, zoals de mensen die vroeger aan de Joos Banckersweg woonden vanuit hun huiskamer op de velden van VVA konden kijken, en Kuki Rol dus gratis en voor niks konden zien voetballen.

Wat was ik jaloers op het vriendje dat in zo’n huis woonde, en wat vond ik het raar toen ik tot de ontdekking kwam dat ze op zondagmiddag gewoon hun zondagmiddagdingen deden zonder een boodschap aan VVA te hebben.

Wij van de Erasmusschool in de Egidiusstraat haden geen eigen gymnastieklokaal, dus gingen we touwklimmen, ringen en wandrekken in de Karel Doormanschool aan de andere kant van de Michiel de Ruijterweg.

Af en toe sloot de gymnastiekmeester me op in de springkast. Af en toe liet hij je knielen op de lange houten bank onder het klimrek. Soms mocht je je vasthouden aan de spijlen, maar meestal gingen je handen op je rug. De Karel Doormanstraat is geen bijzonder originele straat om aan deze straffen terug te denken, maar ik fiets er nu eenmaal en heb dus weinig keus.

Ik ben zo halverwege de Karel Doormanstraat als ik aan het einde van de straat de Keith Haring van de Markthallen zie opdoemen, ha! Nooit geweten dat je hem hier vandaan ook zien kon. De ­jaren onder de bekisting hebben het werk geen kwaad gedaan. Het ziet eruit of het gisteren is geschilderd.

Toen ik de Willem de Zwijgerlaan overstak om de Haring van iets dichterbij te bekijken, werd mijn aandacht getrokken door een enorme villa die vlak ­tegen het water aan staat. Een hek, van die glimmend witte sierstenen, een rieten kap, boeddha’s en leeuwen en in een vogelprieel een grote stenen papegaai. Plaza del Sol zegt het bordje.

Op het terras van het Café van de Buurt aan de Rijpgracht geniet ik na. Toen ik als kind hier bij mijn oma logeerde, keek ik door de kleine raampjes uit op een paar boompjes langs het water.

Inmiddels zijn de boompjes uitgegroeid tot een dubbele rij reusachtige kastanjes. Niets blijft hetzelfde. Zo kan je bij het Café van de Buurt niet met geld betalen en moet de hele fooienpot geplunderd worden om mij mijn wisselgeld te geven.

De brug die het ene stuk Clerqstraat met het ­andere verbindt, is er nog wel, maar ook weer niet. Fietsers en voetgangers kunnen er overheen, maar voor ­auto’s, trams en schepen is ie gesloten.

Ze zijn een hele nieuwe brug aan het bouwen, zag ik door het hek dat de bouwput van de wereld scheidt. Er ligt een caisson in het water en mannen met helmen waren druk aan het betonvlechten, zoals wij kleuters matjes vlochten, dag in, dag uit, dag in.

In de Clerqstraat weet coffeeshop Cheech en Chong van geen wijken. Zou er nog iemand zijn die weet wie dat waren? En zou er nog iemand zijn die weet waar Mama’s en Tapa’s op het Hugo de Grootplein naar verwijst? Mamma Mia in de Frederik Hendrikstraat zal minder problemen opleveren.

Op het stukje Hugo de Grootkade dat in het verlengde van de Da Costakade naar de Bilderdijkstraat gaat, zag ik een vrouw met wie ik vroeger vaak in de trein zat een hondje in haar fietsmandje zetten. Afstappen en een praatje maken?

Ik fietste door en belandde op het bolwerk, dat zo hoorde ik van een vriend op de bolwerkroute ligt en waar een monumentje herinnert aan molen de Palm. “In de vorm van een molensteen?” vroeg ik hoopvol. Waarop ik kon vertellen over Theo Thijssen die in 1908 met zijn klas uit wandelen ging, naar de baarsjes en de slatuintjes.

‘We gingen,’ schreef een van zijn leerlingen, ‘de meester zijn huis voorbij. De meester woont in de Clerqstraat. We hebben ze zoontje gezien. We hebben ook een overtoom gezien en molensteenen. De meester zij tegen Cor van dijk dat hij wel één van die steenen mee naar huis kon nemen.’

De hele dag was het of de stad met zijn hele hebben en houwen naar de tropen was verplaatst. Een lome warmte hing in de straten en de schaduw bood nauwelijks verkoeling, geen zuchtje wind.

Je rook dingen die je anders niet rook en die je liever niet ruiken wilt, en alles ging langzaam, zelfs de uren.

Ik moest naar een etentje dat plaatsvond in een restaurant op mij onbekend gebied. Ik had de kaart bestudeerd, maar toch had ik niet het gevoel dat ik precies wist hoe ik er komen moest of hoelang het lopen was vanaf het eindpunt van de tram.

Maar het was te warm om me echt zorgen te maken. “Je kan altijd nog een taxi nemen,” zei mijn geliefde.

Eenmaal in de 12 verdwenen mijn zorgen en maakten plaats voor het genoegen van een aangenaam ritje over de trambaan van de Churchilllaan, langs dat malle beeld van Gandhi en langs de Wolkenkrabber die permanent in de steigers lijkt te staan.

De terrassen voor café Vrijdag op de hoek met de Amstel zaten stampvol en zag ik het goed, had de peperbus die er staat een nieuw soort dak had gekregen?

Bij het Amstelstation stapte ik uit en even later daalde ik af naar het IJslandpad waar de lage huisjes gescheiden worden door stille straten. In een van de straten stonden twee donkere meisjes te badmintonnen.

In een kastje met mee te nemen boeken stond Wie is van hout? van Jan Foudraine. Ik deed het niet, maar eigenlijk had ik het mee moeten nemen om het, eenmaal in het restaurant, cadeau te doen aan Henk Spaan die het versje lang geleden schreef: ‘Eenzaam liep hij door het woud. Hier was iedereen van hout.’

Bij Stach op de hoek van de Admiraal de Ruijterweg en de Van Speijkstraat hebben ze de ­tafeltjes buiten gezet, zie ik vanuit de tram. De hele stad is in tafeltjes aan het veranderen.

Toen ik in de jaren tachtig bij de Zeevaart op de Oudezijds een stoel naar buiten droeg en op die stoel voor het café een biertje ging zitten drinken, was dat een stille revolutie, want terrassen waren er nauwelijks in die dagen. Americain, Lido, Hoppe, Old Inn, veel verder kom ik niet. Zelfs het Blauwe Theehuis zat dicht als ik me niet vergis.

Terrassen was meer iets voor het zonnige zuiden. In ons kikkerlandje waar het ’s winters vroor en ’s zomers regende, waren café’s binnen, liefst met de deur dicht en een zwaar gordijn ervoor.

Maar de tijden veranderen, en dus hebben ze bij Stach nu tafeltjes, net als bij Buon Giorno een eindje verderop, bij Treffers daar tegenover, bij de Juice Brothers een eindje verderop en bij Bar Spek daar tegenover.

Het is een leuk stukje tussen Treffers en Juice Brothers. De mooie bloemenstal op de hoek met de Willem de Zwijger, de reusachtige boom met het nestkastje, en de vers onthulde Keith Haring binnen handbereik.

Aan de tafeltjes voor de kiosk van de Juice Brothers zat niemand, maar aan het formicatafeltje op de Wiegbrug zaten twee mannen in oranje hesjes gebaren te maken die er op wezen dat ze bezig waren dominostenen door elkaar te husselen.

De brandslang die inmiddels water over de brug spoot, deed hun werk. De dominostenen, bedacht ik, hadden ze vast geleend van Spelletjescafé 2 Klaveren aan de andere kant van het water.

Door het water schoof de Claudia, een binnenvaartschip dat ik wel vaker zie, wat mij altijd veel plezier doet.

Rita en Valentijn begonnen een restaurant en ze noemden het Riva, dacht ik toen we op het aan de Amstel gelegen terras van café-restaurant Riva neerstreken.

De Amstel is zo’n plaats in de stad die iedereen, denk ik, probleemloos vinden kan. Waar je ook woont, je fietst er zo naartoe. Voor het Centraal Station geldt hetzelfde, maar Muiderpoort wordt al moeilijker en hoe zal het met het Stedelijk, het Erasmuspark en ­Bickerseiland zijn? Er zijn mensen die in het centrum wonen en Sloterdijk al een expeditie vinden, terwijl het tien minuten fietsen is.

Wij waren over het heerlijke fietspad tussen Okura en Zuider Amstelkanaal, en over het spectaculaire Borssenburgplein naar de Berlagebrug gefietst. Als je aan de overkant almaar rechtsaf gaat, kom je als vanzelf bij Riva.

Het ­terras van Riva ligt aan de Amstel, maar als je op het terras zit, is het meer of het in de Amstel ligt, zo dicht zit je op het water. Dat blikkerende golfjes toonde en bevaren werd door een keur aan scheepjes.

Het leukste vond ik de sloep die bevolkt werd door meisjes die bij gebrek aan hemd allemaal een ­ouderwets ogende beha droegen. En toen, met een bootje dat zich Waver noemde, kwam een zeil­vakantie van lang geleden in beeld.

Onze BM moest van waar ie was naar ergens anders en dat ging via de Waver, een smal riviertje met om de paar honderd meter een bruggetje. Waar de BM niet onderdoor kon, zodat mijn vader op de scheepstoeter moest blazen totdat de boer kwam die voor een kwartje de brug opendeed.

Soms moest hij vloekend het land in om de bruggenboer te ­zoeken. Een keer kwam hij een stier tegen.

Eenmaal in Vinkenveen begon het te regenen.

In de krant las ik dat café Bos op 1 augustus zijn deuren sluit. Café Bos op de hoek van de Amstelveenseweg en de Vaartstraat is niet ­alleen het ­café met dat mooie eindje rails voor de deur, maar ook het café waar ik een tijdje terug het volmaakte eierrekje op de bar zag staan.

Niet lang daarna werd het eierrekje gestolen door een eierrekjesdief. “Jammer,” zei ik tegen mijn geliefde toen we ons naar het café begaven voor een biertje en zo’n onvergetelijke portie ossenworst, “want dit was het moment geweest om een bod uit te brengen.”

De volgende dag bracht een mail waarin de uitbater van het café me schreef dat ‘het beroemde eierrekje’ inmiddels bij hem thuis stond. ‘Mag ik het u schenken? Op een moment dat het u uitkomt overhandig ik het u graag. In café Bos.’

De klok op de Sint Agneskerk wees kwart voor drie toen we op het terras van Bos kennismaakten met eierrekjeseigenaar Hans-Peter van Heusden, verhalenverteller, blogger (boskastelein.nl), en neef van Piet van Heusden, die in 1952 in Parijs wereldkampioen achtervolging bij de amateurs werd.

Het eierrekje stond in feestelijk geel verpakt tussen ons in. Er kwam bier op tafel en ossenworst en de verhalen vlogen heen en weer. Hele levens werden in enkele zinnen samengevat en zoals dat gaat, bleken we talloze vrienden en kennissen te delen.

“‘Als we nog even doorpraten, zijn we familie,’ zei Nicky Roeg eens tegen me,” zei ik toen bleek dat Van Heusden op de lagere school bij Nicky in de klas had gezeten. Toen we, helemaal gelukkig, met ons eierrekje weer op huis aan gingen, wees de klok van de Sint Agnes nog altijd kwart voor drie, eierrekjestijd.

Toen mijn vader in 1948 uit Londen terugkwam, waar hij voor Fokker een cursus over de ­automatische piloot had gevolgd, bracht hij een groene wals en een rode tractor voor me mee. En een klapperpistooltje.

Op woensdagmiddag kwamen tante Mies en ­Petertje bij ons op bezoek. Het was de eerste keer dat ze bij ons thuis kwamen. We aten een boterham en tante Mies zei dat ik stil moest zitten. Toen ik zei dat ik stil zat, zei zij dat ik aan tafel mijn mond moest houden.

Na het eten speelde Petertje met de wals en de tractor en ik met mijn klapperpistool. Na een tijdje werd Petertje te slapen gelegd. In mijn bed. Toen tante Mies hem wakker had gemaakt en had aangekleed, zei ze dat Petertje nu met mijn klapperpistool mocht spelen.

Ik wilde het niet aan hem geven, waarna zij het van mij afpakte en ik begon te huilen. “Petertje mag tot we bij de tram zijn met je klapperpistool spelen,” zei ze. Huilend liep ik aan mijn moeders hand naar de tramhalte op de Admiraal de Ruijterweg.

Pas toen de tram op de halte gestopt was, kreeg ik mijn klapperpistool terug. “Zeg je tante Mies en Petertje gedag,” zei mijn moeder. Dat wilde ik niet. Thuis bleek dat Petertje een drol in mijn bed had achtergelaten.

Toen tante Mies en Petertje twee weken later weer op bezoek kwamen, zei mijn moeder dat ik tante Mies straks een kusje moest geven.

Ik begon te huilen en sleepte de keukenstoelen naar de gang waar ik ze voor de voordeur op ­elkaar stapelde. Nadat mijn moeder de stoelen weer had weggehaald, kroop ik onder tafel, en trok het kleed over me heen.

Het klapperpistooltje had ik verstopt.

Nadat Theo en ik die naar Noord waren gegaan om het fabrieksterrein van de Fokker te bekijken het Fokke terrein bekeken hadden, gingen we meanderend op weg naar het pontje op het NDSM-terrein.

“Wat deed je vader eigenlijk bij Fokker?” zei Theo. Mijn vader is er in 1934, op zijn twintigste, begonnen als machinebankwerker en later werd hij ­instrumentmaker, zei ik. “Maar daarvoor heeft hij toch ook wel ­gewerkt?” zei Theo.

Zeker wel. Na twee jaar op de ­ambachtsschool kwam hij als leerling bij een smederij in de Langestraat. “Ik heb,” zei ik, “nog een aambeeldje van messing dat hij op de ambachtsschool gemaakt heeft.

En ik heb ook nog zo’n voorwerp met een moeilijke naam dat twintig driehoekige, congruente en gelijkzijdige vlakken heeft, er staat er een van steen naast het beeld van Spinoza aan de Zwanenburgwal.”

“Een icosaëder,” zei Theo die niet van de straat is. “Ook van messing. Aambeeld en icosadinges staan naast elkaar om een begin en het eind te markeren.” Waarmee het tijd was om even te zwijgen.

Op de Theo Fransmanbrug waar ik nooit eerder was geweest, keken we naar de stad aan de overkant, zo prachtig, zo mooi geworden, met de nieuwe skyline op de voorgrond en de oude erachter, dat ik er bijna niet over uit kon.

Niet veel later zaten we op het terras van Noorderlicht dat ook al zo’n verpletterend uitzicht heeft. Een aardig meisje bracht een heerlijk biertje, de zon scheen en de overtocht met de pont hadden we nog te goed, mijn liefje wat wil je nog meer.

“Je moet weer eens over die vreselijke tante van je schrijven,” zei Theo. “Mijn verschrikkelijke tante Mies?” zei ik. “Precies,” zei Theo. “Morgen?” zei ik. “Morgen,” zei Theo. Morgen.

De Kogeldistelstraat is zo’n straatje waar je kunt zien hoe het gaat worden in Amsterdam-Noord.

Toen Theo en ik, die op weg waren naar het fabrieksterrein van de Fokker, het straatje inliepen, zag ik drie piepkleine meisjes die op piepkleine fietsjes door de straat heen weer reden of piepkleine rondjes draaiden. De ene kant van de straat was bewoond, de andere kant in aanbouw, maar omdat het schaftuur was, was het heerlijk stil.

De moeder met kinderwagen die door ons aan de tand werd gevoeld, zei dat het hier heerlijk wonen was, een beetje pionieren nog, maar ze had een leuke eengezinswoning met een tuintje, dus wat wilde een mens nog meer. “Over een jaar of tien is het helemaal klaar,” zei ik, “geen zorgen dus.”

Nadat we afscheid hadden genomen, liepen Theo en ik de straat uit naar het water van het Johan van Hasseltkanaal-West. “Daar was de Fokker,” zei Theo, en hij wees. Eerbiedig keken we naar de overkant, waar niets te zien was.

“Hier,” zei ik plechtig, “is de Tweede Wereldoorlog gewonnen.“ En inderdaad, want hoe kwam het dat de Duitse Junkers en Messerschmitts de luchtslag om ­Engeland verloren? Hoe kwam het dat hun luchtsteun tijdens de ­inval in Rusland tekortschoot en dat nazi-Duitsland door een gebrek aan vliegtuigen in een open stad veranderde?

Precies! Doordat de dappere Fokkerarbeiders zoals mijn vader pal stonden tegen de bezetter en elke kogellager ­bestemd voor de vijandelijke vliegtuigen saboteerden. Als de Mof dacht op 10.000 voet te vliegen, ploegde hij in werkelijkheid een akkertje.

Petje af dus voor de mannen die elke dag voor dag en dauw met de pont het IJ overstaken, waarbij geen klacht ooit over hun lippen kwam.

Wat maken twee mannen in ­Amsterdam-Noord op weg naar het ­fabrieksterrein van de Fokker zoal mee? Ze lachen heel kinderachtig om de bordjes ‘brom/ snor/ fietsen verboden’ en als ze langs de school van het kleinkind van de oudste lopen, overwegen ze haar naam te scanderen. Maar dat doen ze niet natuurlijk, stel je voor.

Als ze een vrouw zien die een beetje verscholen achter een container een sigaret staat te roken, zegt Theo: “Wat denken we hier te doen? Verboden sigaretten roken in de baas zijn tijd?” wat nog bijna heibel werd en als we trek in koffie krijgen, ondervragen we de personeelsleden van kinderwagen­fabriek Joost die op hun terras iets lekkers zitten te eten uit hun driesterren kantine.

In onze tijd was dat wel anders, verzuchten we, met als gevolg dat we even later in de enorme hal van Neef Louis op twee oude stoelen herinneringen zitten op te halen aan onze kantoorlevens.

Mijn ­favoriet was de ergonomische stoel die iedere dag werd ‘fijn gesteld’ door een ingenieur uit Delft met als resultaat dat je iedere dag meer rugpijn kreeg. Maar de kantoorclown die ik na zijn mededeling dat hij was gekomen om ‘met ons te lachen en te huilen’ een enorme schop onder zijn hol heb gegeven, mocht er ook wezen.

Te midden van de oude schoolbanken, gammele stoelen en ­tafels, lampen en driezitsbanken, ­alles vintage uiteraard, bevindt zich café Waar genoegen, waar het goed toeven bleek.

Ze verkopen er ‘goddelijke tosti’s’ en op een leitje las ik ‘Hoi leukerd, koffie?’ Het viel nog niet mee om hier weg te ­komen, maar we moesten verder, want wie naar Noord gaat om het fabrieksterrein van de Fokker te bekijken, zal naar het fabrieks­terrein van de Fokker moeten.

‘Zullen we naar Noord, naar het fabrieksterrein van de Fokker,” zei Theo een tijdje geleden en nu was het zover.

Toen ik op de tramhalte op hem stond te wachten, stond het meisje dat een eindje verderop op het bankje zat op en zei op vriendelijke toon: “Zit ik op uw plaats?” Zeven keer ‘op’ in een zin, niet slecht. “Nee hoor,” zei ik. “Ik sta hier. En jij zit daar, helemaal goed toch.”

Met de 5 maakten we een mooi ritje naar het Centraal Station, ­geniet ervan zolang het kan, en daar aangekomen liepen we door het station naar het IJ waar het prachtig was, een en al beweging van water, wolken, schepen, fietsen, wandelaars.

Op het IJpad gekomen werd ons oog meteen onaangenaam getroffen door vijf kratten met daarop vijf borstbeelden zoals je die in de Sovjetunie op elk pleintje kon aantreffen, onveranderlijk voorstellend een besnorde karpatenkop die, omdat hij meer dan een miljoen slachtoffers op zijn naam had geschreven, een borstbeeld had verdiend.

In dit geval ging het om ‘the nameless heroes’ van een communistische revolutie, nou dan weet je het wel.

We troffen opmerkelijk veel lelijke ‘installatiekunst’ op onze weg, maar heel mooi was de enorme ­vogel van roestig ijzer die op een veldje naast het toekomstige Jan Donkerspark de vleugels spreidt en elk moment lijkt weg te vliegen.

“Hij maakt wel het vleugelgebaar,” zei Theo, “en dat mag niet op velden waar je voetballen kunt.” “Maar een kruisje slaan,” zei ik, “mag gek genoeg weer wel.”

Waarna Theo vertelde hoe zijn vader een kruisje sloeg: (vingers tegen het voorhoofd) “Even nadenken… (hand naar het kruis) Zit mijn gulp dicht? (hand naar borst, rechts) Heb ik mijn portefeuille? (hand naar links) Heb ik mijn zakhorloge?”
“Mijn vader,” zei ik, “zei altijd, ‘Vader-kietelt-Moeder-hier.’”

Hoe lang al neem ik mij voor de geheimzinnige Lijnbaansgracht eens helemaal af te rijden?

Vanaf het begin dat ergens bij de Amstel liggen moet tot zijn einde in de Brouwersgracht, in drie stukken als ik het wel heb die op een heel onoverzichtelijke manier van elkaar gescheiden zijn.

Je hebt straten die bij ieder wissewasje van naam wisselen, maar zo niet de Lijnbaansgracht. Die blijft zijn naam trouw, wat er ook gebeurt.

Dit alles, en nog veel meer, overdacht ik, terwijl ik komende van de Koekjesbrug in razende vaart de Marnixstraat overstak en me volop genietend in de bocht stortte die me vanaf de brug over de Lijnbaansgracht naar de Lijnbaansgracht voerde.

Het ruikt hier nog altijd naar pepermunt of verbeeld ik me dat? De stad is vol verdwenen geuren, koffie en cacao, versgebakken brood, roestig ijzer, geschaafd hout, menie, drop, pepermunt.

Als ik de Rozengracht ben overgestoken zie ik tot mijn verbazing ter hoogte van de Bloemgracht, bij dat leuke loopbruggetje, een muurreclame die zegt dat zich vroeger hier een filiaal van Ome Jan bevond.

Zou het filiaal in de Nes nog bestaan, waar de junkies in de junkietijd hun gestolen spullen stalden om vervolgens het bonnetje aan de beroofde eigenaar te verkopen? Hun dubbele beloning voor een diefstal?

Op de Lijnbaansgracht wordt het naarmate je vordert steeds stiller, zo stil dat zo ter hoogte van de Kromme Palmstraat en de Driehoekstraat de mensen zich als dorpelingen beginnen te gedragen. De man die voor zijn huis thee zit te drinken, zegt me vriendelijk gedag.

Een vrouw achter een kinderwagen zwaait en haar dochtertje zwaait mee. De timmerman die iets te timmeren staat, legt zijn hamer neer om zijn hand op te steken. Je bent in Amsterdam, maar je zou het niet geloven.

In een avontuurlijke bui had mijn geliefde een nieuw soort brood gekocht. Witbrood, gemiddeld geen goed idee, maar dit was heel lekker had ze zich laten vertellen.

Toen ik een sneetje afsneed, had ik al de twijfels die bij de eerste hap hardhandig bevestigd werden. “En?” zei mijn geliefde. “Gummi,” zei ik, en na enig nadenken voegde ik daar “zoals mijn moeder zei” aan toe.

Een kwartiertje later haalde ik het laatste koffiezakje uit zijn doosje, waarna ik het doosje niet weggooide maar op het aanrecht liet staan om er eerst het lege koffiezakje in te gooien en daarna de lucifer waarmee ik het gas had aangestoken, precies zoals mijn moeder dat altijd deed.

Toen ik de datum op de krant zag, zag ik dat mijn moeder vandaag 106 was geworden. Mijn moeder is al jaren dood, maar zolang ze in mij voortleeft, wordt ze net als mijn vader nog ieder jaar een jaar ouder.

Ik heb leuke herinneringen aan mijn moeder toen ze jong was, maar gek genoeg denk ik vaker aan haar laatste nogal treurige jaren in een bejaardenhuis. Ze was vaak de weg kwijt en er waren steeds minder dingen waar ze plezier aan beleefde.

Maar elke dag dronk ze een glaasje, St Raphaël, een fles in de week. Tot ik een keer door een verzorgster geroepen werd die in het piepkleine keukentje van mijn moeder het keukenkastje opende en wees.

Naar de drieëntwintig flessen St Raphaël die daar broederlijk bijeen stonden. Of ik ze hebben wilde. “Waarom nemen jullie ze niet,” zei ik, “als prijs bij de bingo.”

Even later liep de verzorgster met mijn moeder aan haar arm naar de zaal waar bingo werd gespeeld. “Misschien wint u wel een fles St Raphaël, mevrouw Luijters,” hoorde ik haar zeggen.

Ik zat met mijn rolkoffertje in de tram en stond op het punt uit te stappen toen de man die tegenover mij zat, vroeg of ik kwam of dat ik vertrok. De vraag trof me als een vuistslag.

Wij zijn nog niet aangekomen of we maken ons al klaar voor het vertrek, maar in dit geval wist ik het niet precies. Ik kwam van huis en was bijna thuis, dus ging ik nu of kwam ik? “Ik weet het niet,” zei ik, niet geheel opzettelijk Nijhoff citerend.

Eenmaal op de halte besloot ik tot een kroket. “Zonder broodje?” zei de banketbakster. De vraag deed me naar adem happen. Zonder broodje? Zonder broodje, ja, en zonder Onze Vader (‘Geef ons heden ons dagelijks brood en zondags een kadetje’), zonder gezongen hoogmis, zonder vrijdaggebed en zonder laag overtrekkende wolkenvelden met hier en daar een bui.

Zonder broodje? Dat deed me denken aan de manier waarop mensen die ergens in geloven mensen die dat niet geloven als ongelovigen wegzetten. Ieder houtje houdt er zijn eigen ongelovigen op na en ik val altijd in de prijzen.

Maar, maakt het mij tot een ongelovige, dat ik niet aan iemands houtje doe? Ik dacht het niet. Ik ben niet ongelovig, zij zijn gelovig en dat is niet hetzelfde. Als mensen me vragen wat ik ben, zeg ik altijd ‘niks’, maar een erg bevredigend antwoord is dat niet.

François de Waal heeft nu het woord ‘apathist’ gemunt: ‘Een ­agnost weet niet of God bestaat, de atheïst zegt dat God niet bestaat en voor de apathist doet het er niet toe.’

Mijn kroket was inmiddels klaar. “Met mosterd?” zei de banketbakster. “Fout,” zei ik, “je moet zeggen, ‘Zonder mosterd?’ en dan zeg ik: ‘Doe maar met.’”

Het ergste dat mannen van mijn generatie is overkomen, is een ­zekere voetbalwedstrijd op een zekere dag in juli 1974, de dag die bekend staat als De Dag Waarover Niet Gesproken Wordt. De stad huilde en zijn bewoners lieten zich niet zien, als katten die hun dood voelen naderen, hadden we ons verscholen en toen we weer tevoorschijn kwamen, likten we onze wonden.

Toen het een jaar later een beetje beter leek te gaan, haalde ik een krop andijvie uit een krant van maandag 8 juli 1974 en begon alles weer opnieuw.

Eerder was het ook al erg. In 1954, toen ik 10 was, in de dagen dat Nederland nog probleemloos van Finland, Luxemburg en Saarland verloor, was daar als uit het niets het Hongaarse Wonder Elftal. Iedere jongen kon de namen van de Wonderspelers opnoemen, 64 jaar later kom ik niet verder dan Puskás, Kocsis, Hidegkuti en Grosics, de doelman.

Net als Nederland twintig jaar later ging Hongarije wereldkampioen worden en net als twintig jaar later werd het Duitsland, door een misselijk doelpunt van Helmut Rahn. Terwijl mijn vader meewarig toekeek, zat ik huilend voor de radio. Ik wist dat het nooit meer goed zou komen, en dat is aardig uitgekomen.

Wel ik heb de Hongaren nog eens zien spelen. In het Olympisch Stadion, tegen een vertegenwoordigend elftal van Amsterdammers, met Jossie Vonhoff in de gelederen als ik me niet vergis.

De Hongaarse voetbaltovenaars bakten er weinig van, vonden wij kenners in de bovenste ring van het stadion, maar dat was voordat ze even gas gaven en in een paar minuten tijd drie doelpunten maakten.

Nederland had inmiddels een vriendschappelijke interland van Duitsland gewonnen, dus eigenlijk waren wij nu wereldkampioen, met de Hongaren als goede tweede.

De man die bij de visboer aan de beurt was terwijl ik mijn haring van het vlaggetje hapte, zei: “En doe er ook nog maar twee zure bommen bij.”

“Gaan die ook op de barbecue?” zei de visboer.

De man lachte. “Wie weet is het heel lekker,” zei ik.

“Een gat in de markt,” zei de visboer.

“Haring van de barbecue is wel heel lekker,” zei de man.

“Zoute haring? Of zure?” zei de visboer. En zo ging dat dus nog even door.

De volgende morgen ging ik op weg naar de Gasthuismolensteeg, waar een teruggevonden vriend een geschilderd zeegedicht voor me klaar had staan.

Omdat ik er niet aan gedacht had dat de halte Dam zich tegenwoordig ter hoogte van het Centraal Station bevindt, moest ik heel eind teruglopen. Ik pakte de Beurs Passage, waar het wemelde van de selfiesmakers, maar waar bitter weinig te doen valt, en vandaar nam ik de stegen die me op de Torensluis brachten.

Die enge kop van Multatuli staat er nog, maar de haringkar op de hoek van Singel en Raadhuisstraat die al een tijd dicht was, is definitief verdwenen.

Je kan precies zien waar hij heeft gestaan, de ­tegen de brug aanleunende rechthoek is nog heel herkenbaar. Maar de plaatsen waar elektra en water uit de grond kwamen, zijn al onvindbaar geworden, en naar vis rook het niet meer.

Haringkarrenarcheologie, een droevige bezigheid eigenlijk maar ik kan het niet laten en zoek soms naar overblijfselen op bruggen en hoeken van straten.

De zeegedichtenschilder vertelde dat toen hij een keer zes haringen op de hoek van het Singel had gekocht de ­haringboer aan hem had gevraagd wat hij er mee van plan was, waarop hij zei: “Ik ga ze zingen leren.”

Het mooiste zomer­geluid klinkt, denk ik, wanneer je, bij voorkeur aan het einde van een warme dag, twee ijsklontjes in een glas koude rosé laat vallen.

Alsof na de lange winter het ijs breekt in de Neva. Het ijs kraakt, knapt, schommelt nog even na en begint dan op te gaan in de wijn. Alvorens het drankje op tafel te zetten, neem ik meestal een klein slokje als om te controleren of het waar is.

Het tinkelen van de ijsblokjes in het glas op weg naar zijn tafeltje mag er ook zijn. Welhaast zo goed als het brommend zingen van de hommel die een bloem is binnengevlogen, een roos, het klokje van het vingerhoedskruid, een fluweelrode stokroos.

Op stille zomermiddagen, als de stad is uitgestorven omdat iedereen op Zandvoort zit, laat zich wel eens een klein sportvliegtuigje horen dat hoog in de lucht met zijn verre geronk de stilte versterkt.

Als wij jongens zo’n vliegtuigje hoorden, hielden we het scherp in de gaten, want het kon zomaar gebeuren dat het ineens een rare bocht draaide, waarna het in de lucht een rookspoor trok dat, terwijl het vliegtuigje zwenkte en keerde langzaam maar zeker een wollig witte letter vormde, de R.

Wat zal de luchtschrijver schrijven deze keer? “Rabarber,” zei een grapjas, en nadat het vliegtuigje achter de R een A heeft geschreven, lijkt dat nog steeds tot de mogelijkheden te behoren. Maar wat het ook aan de hemel schreef, binnen enkele minuten zou het, wind of geen wind, verwaaien.

Ook heel zomers was de streperig-witte snor die zich boven je ­bovenlip afzette als je te diep in je beker karnemelk had gekeken. Een beker karnemelk en een ­boterham met komkommer of ­tomaat op een zomerse dag, lekkerder wordt het niet.

Op het terras van café Marktzicht op de hoek van de 2e Hugo de Grootstraat en de Gilles van Ledenberchstraat zat ik me te verbazen over de hoeveelheid ­reminiscenties die zo’n op het oog toch tamelijk onopvallende plek met zich mee kan brengen.

Zo heeft mijn vader als jongen met zijn moeder en zijn broer in de 3e Hugo de Grootstraat gewoond. Als hij daarover sprak, klonk hij bitter. Hun huis was eigendom van de Lutherse kerk die zich als weldoende huisbaas meende zich overal mee te mogen bemoeien.

Over de vernederingen die ze moesten ondergaan, sprak mijn vader niet graag, maar nadat ze er vertrokken waren, wilde zijn moeder niets meer met de kerk te maken hebben. “Het was een akelige kamer,” zei mijn vader, “met een WC op de gang en ouderlingen die in en uitliepen.”

Mijn herinneringen aan dit deel van de buurt zijn een stuk aangenamer, als is het er eigenlijk maar een. Het zal in de vierde klas van de lagere school zijn geweest, de huidige groep drie als ik me niet vergis, toen de meester zei dat er iemand naar het depot in de Van Reigerbergenstraat moest om daar pennen en schriften te halen.

De hele klas zat op slag in de kies-mij-meester-stand en o het geluk, toen ik werd verkozen. Ik kreeg een briefje mee en daar ging ik, helemaal alleen, de Erasmusgracht af tot de Joos Banckersweg en zo naar de Jan van Galen.

Terwijl de andere kinderen aan het rekenen waren of taalles kregen, liep ik over straat en zag de karren die ratelend van de Markthallen kwamen, hoorde ik het bellen van de Beltbrug en zag ik schepen varen door de Kostverlorenvaart.

De school leek heel ver weg.

Over het jaagpad langs de Kostverlorenvaart liepen we naar de Beltbrug. Tussen de flats aan het water bloeiden de rozen, in een tuintje was een vrouw onkruid aan het trekken en op het scherp geschoren gras lagen een jongen en een meisje ieder de helft van een krant te lezen.

De dukdalven langs het pad zijn opgevrolijkt met waterkunst en op de kade zat een aalscholver na te denken. ‘En de scholvers scholven aal,’ dacht ik, maar van wie de regel was, wilde me niet te binnen schieten. Keest Stip? Daan Zonderland? John ‘O Mill.

Op de Beltbrug keken we naar het heerlijke bruggetje over het Marktkanaal en naar De Otter die er een beetje verweesd bij leek te staan. Het brugwachtershuisje was goddank nog niet bewoond.

Op het terras van café Marktzicht op de hoek van de 2e Hugo de Grootstraat en de Gilles van Ledenberchstraat was nog een tafeltje vrij, een aanbod dat we niet konden weigeren. We zaten nog niet of mijn geliefde zei: “De tachtig.” En inderdaad, het was de 80, de bus waarmee ik toen ik nog werkte naar mijn werk ging.

De bus stopte bij de bushalte en toen hij weggereden was, zei ik: “De laatste keer dat mijn moeder bij ons is geweest en ik haar naar Lisse heb teruggebracht, hebben we op deze halte de 80 genomen.”

Ik zag ons staan op die koude wintermorgen. Mijn moeder klein in haar jas die haar veel te groot geworden was, met schrikogen, voortdurend half in paniek, terwijl ik tijd vullende kletspraatjes verkocht, misschien wel net zo erg in paniek als zij.

De jongen die op het terras bediende, bracht bier en Vlaamse friet en vroeg of we uit Amsterdam kwamen. “Geboren,” zei ik, “en getogen.”

Ik denk niet dat ik wel eens eerder naar het Bilderdijkparkje ben gegaan. Ik ben er vaak geweest natuurlijk, maar dan kwam ik er terecht.

Meestal met kleinkind, via het ­nabij gelegen IJscuypje met dat lekkere ijs en die grappige smalle banken voor de deur. Maar deze keer had ik om de een of andere reden zin om naar het Bilderdijkpark te gaan.

Toen we bij het park aankwamen, zag ik dat buurtcafé De Nieuwe Arend definitief verdwenen was en had plaatsgemaakt voor De Binnenvisser, een uitspanning met terras aan de rand van het park.

Bij de ingang van het park werd ik aangesproken door een man die Peter de Leeuwe bleek te zijn, de beeldhouwer die een beeld van Johan van Hulst wil maken en die me daarover enige tijd geleden een mail had gestuurd. “Toeval bestaat niet,” zei hij. “Of juist wel” zei ik.

Van Leeuwe, die vergezeld ging van zijn zoon en een kleindochter, een prachtige baby van een jaar of een, bleek van 1942 wat hem in mijn ogen die van 1943 zijn tot een oude lul maakte, had net als ik in het Kleuter Verzet gezeten, ik in Amsterdam, hij in Den Haag.

Toen ook nog eens bleek dat zijn kleindochter even eerder bij Jan de haringman haar eerste halve haring had gegeten, stelden we vast dat het zo moest zijn en werd besloten de bijeenkomst op een ander tijdstip voort te zetten.

Door het park liepen we naar de Kattenrug, het bruggetje waar Bilderdijkgracht, Kostverlorenvaart en Hugo de Grootgracht samenkomen. Wat een water, en wat een uitzicht. Aan de ene kant op de Westertoren, aan de andere kant op de Piramides van Jut, de dukdalven als evenzovele sfinxen in de vaart.

Terwijl de kinderen ’s nachts over straat slierten, ligt hun vader in diepe slaap verzonken en houdt zijn vrouw de wacht. Twee uur thuis, hebben ze gezegd en het is nu kwart over twee en nog geen spoor.

Een half uur later is het kwart voor drie en hij ligt daar maar te slapen alsof er niks aan de hand is, terwijl ze toch iets moeten ondernemen, de ouders van haar vrienden opbellen, de binnenstad inrijden om haar te zoeken. Zal ze hem wakker maken? Maar nee, ze weet wat ie zeggen zal, dus houdt zij de wacht, totdat ze, het is bij vieren de deur hoort opengaan en er voetstappen zijn op de trap.

Zo was het toen ik 16 was, zo was het toen onze dochter 15 was en zo zal het zijn als kleinkind 14 is geworden.

In tweespraak met haar moeder vertelde een jeugdige bezoekster dat ze ’s nachts wel eens vergat haar moeder te appen om te zeggen dat het wat later werd of dat ze niet thuiskwam. Dat had er bij haar moeder een keer toe geleid dat ze daadwerkelijk de politie belde.

En die hadden er wel zin an, zeker toen ze hoorden dat de Verloren Dochter zich waarschijnlijk in een chic pand in de P.C. bevond. Ze had daar inderdaad in bed gelegen toen ze plotseling via een ­megafoon haar naam door de nacht hoorde schallen. Naar buiten komen, moest ze en mee, naar het bureau.

Tegenwoordig ging haar moeder ’s nachts wel eens ’s de hort op. “En als ik dan wakker word,” zei dochter, “en mamma is niet thuis, en ze beantwoordt ook mijn appjes niet, dan gaat de deur op slot en komt ze er niet meer in.”

Als je niet beter wist, zou je denken dat aan het ­tafeltje in het café drie oude mensen koffie ­zaten te drinken, niks bijzonders dus. Maar ik wist beter, voor mij was er meer aan de hand.

De andere man aan het tafeltje was de jongen met wie ik van 1956 tot 1959 op de Ir. C. Lely HBS had gezeten en met de dame deelde ik toen zij een meisje was van 1959 tot 1962 de schoolbanken op het Spinoza Lyceum.

“Waarom ben jij eigenlijk van het Lely naar het Spinoza gegaan?” zei Dorine, want die was het die aan het tafeltje zat.

“Ik heb Guus jaren geleden eens een briefje geschreven,” zei Ton, “en hij schreef toen terug, dat hij aan die periode van zijn leven liever niet herinnerd wilde worden.” Waarna het ophalen van herinneringen kon beginnen.

Bij HanTak, ook bekend als Tak of Takkie, bleef ik haken. Tak was een apart figuur volgens Ton. Zo bracht hij zijn beer mee naar school, die hij dan op de bank liet zitten, of hij had een fototoestel bij zich waarmee hij juffrouw Brandenburg, die Engels gaf, wilde­­ ­fotograferen.

Ik kon me Tak goed herinneren. Hem dank ik de jazz. Tot Tak dacht ik dat jazz hetzelfde was als de Dutch Swing College Band. Want dat zeiden ze op de radio: “En nu ons jazzuurtje met de Dutch Swing College Band onder leiding van Peter Schilperoort.”

Ik had niks met die muziek, maar met Art Blakey, Gerry Mulligan, Thelonious Monk, Horace Silver, Dizzy Gillespie, en Charlie Parker niet te vergeten, was het liefde op eerste gezicht.

Waar Tak gebleven is, weet ik niet, maar de muziek die hij me gaf, is nog altijd bij me.

Het loopt tegen het einde van de middag als ik na de boodschappen neerstrijk op het terras van Gambrinus op de hoek van de Ferdinand Bol en de Rustenburgerstraat, om de hoek van uitvinderswinkel You think it we make it, zal ik maar zeggen. Het regent niet, maar er vallen druppels.

De jongen en het meisje die me even eerder voor de ingang van AH nog iets probeerden te slijten wat ik niet hebben wil, bezetten een tafeltje en delen een high five. Een klein meisje in een tweedelig badpakje stept zingend voorbij en vanuit de Rustenburgerstraat komen almaar mooie meisjes langs gefietst.

Eentje heeft een rieten mandje aan haar stuur waarvan het deksel als ze over de drempel fietst bij wijze van groet even open wipt.

Aan de andere kant van de Ferdinand Bol zitten gierzwaluwen in de lucht. Veel zijn het er niet, maar het zijn er net genoeg om niet al te verontrust te zijn over de gierzwaluwstand boven Amsterdam. ‘Ze komen met zijn tweeën en ze gaan weg met zijn achten’, schreef iemand me die er zowaar in geslaagd is gierzwaluwen haar nestkastje in te lokken.

De volgende morgen fietste ik vanaf het Olympiaplein de Herculesstraat in. Een straatje van niks en uitgestorven, maar vlak voor het poortje naar de Marathonweg kwamen de gierzwaluwen van alle kanten tegelijk.

Vanuit hun tegen de dakkapelletjes gemetselde nesten doken ze omlaag, omhoog en scheerden ze naar de overkant, en weer terug naar het nest, bij tientallen tegelijk. Hun kreet stuiterde tegen de muren en ik stond daar maar, helemaal alleen en helemaal gelukkig.

Een paar dagen later schreef een vriend die in Sellingen (Gr) woont dat de zwaluwen door zijn huis vliegen. Toch weer iets om jaloers op te zijn.

Omdat wij niet als iedereen waren, zaten wij op zondag met onze tafeltjes en onze parasol, ons krentenbrood en onze thermoskan met ijswater aan een stoffig zandpad tussen de dennen waar altijd van alles te beleven viel.

Zo kwam prinses Beatrix een keer voorbij in een jeep die ze zelf bestuurde, terwijl ze toch te jong was voor haar rijbewijs. Aan mijn vader de eer ons badmintonnet voor haar op te tillen.

Zulke dingen maakten zij niet mee, de anderen, die hun tafeltje, hun ligstoelen en hun parasol om de een of andere reden in de berm naast de snelweg hadden gezet. Bermtoerisme heette dat.

Op een hoek van het Tuyll van Serooskerkenplein leken oude tijden te herleven. Wat je vaak ziet, is dat mensen twee keukenstoelen en een piepklein tafeltje voor hun deur hebben gezet en daar thee zitten te drinken, of bier.

Maar het bruingebraden echtpaar op het Tuyll van Serooskerkplein had het anders aangepakt. Ze hadden ligstoelen neergezet en een grote parasol. Onder de parasol stond een tafeltje met glazen witte wijn, de fles met zo’n wit servetje om zijn hals stond in de koeler.

De man droeg een korte witte broek en zij een blauw badpak en ze zaten erbij op een manier die te kennen gaf dat ze voorlopig niet weggingen.

Drie kwartier later zag ik op de Lijnbaansgracht dezelfde opstelling en even daarna op de Reguliersgracht nog een keer. Drie keer stoeptoerisme op een middag, dat kan haast geen toeval zijn.

Bij de Javakitchen op de Ceintuurbaan hebben ze, heel voorzichtig twee stoelen buiten gezet. “Je moet er een tafeltje tussen zetten,” zei ik tegen mijn vriendin in haar hoofddoek. Maar dat mag niet weet ze, en dus doet ze het niet.

Als er dan toch buiten de deur gegeten moet worden dan het liefst in een groot, leeg restaurant dat over niet al te lange tijd langzaam vol zal lopen. Hoewel, een klein restaurant, dat ’s avonds vol zit, maar waar ’s middags geen mens komt, is ook goed. Mijn ­favoriet in dit genre was lange tijd Centra in de Lange Niezel.

Centra was in die dagen een kantineachtige gelegenheid met formicatafeltjes en de keus uit goedkope wijn en iets minder goedkope wijn. Als ik om half drie binnenkwam, werd er verbaasd opgekeken, maar nadat de bestelling was geplaatst, hernamen de middagbezigheden hun loop.

De baas stond in hemdsmouwen voor het raam en keek naar buiten. Twee vrouwen zaten achterin servetjes te vouwen en de barman onderhield zich met een aanloper over de Primera División. Het eten kwam met een liftje. Uit de radio kwam Spaanse muziek.

Het liftje was indertijd nog door mijn oom de timmerman aangelegd. Mijn oom vertelde graag over zijn verbouwingen in de buurt: Chinezen, peeskamers, liftjes. Recent hoorde ik van een dakdekker dat hij ook strandhuisjes bouwde. Nooit geweten.

De middagen in Centra gleden als vanzelf voorbij. Op een keer zag ik Joseph Heller en zijn vrouw voorbij lopen, maar tegen de tijd dat ik buiten was, waren ze al tussen de mensen in de Warmoesstraat verdwenen.

Nu zitten we in restaurant ­Amsterdam, groot en leeg, precies zoals het hoort, maar je ziet dat iedereen er klaar voor is. We bestellen oesters en een knalrode Bourgueil, tegen de regels geloof ik, heerlijk.

En terwijl wij wachten, wordt het ene tafeltje na het­ ­andere bezet, zwelt het rumoer in het restaurant langzaam aan, tot het precies de juiste sterkte heeft bereikt. Nog even en het is weer tijd van gaan.

Langs Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Rusland, Nederland en ­Engeland reed ik de Roemer Visscherstraat uit en de Tesselschadestraat in.

‘Tesseltje, Tesseltje, leef je nog?’ neurie ik dan, indachtig P.C. Hooft. De aardige mevrouw van het bloedpriklaboratorium die wel eens bloed van me prikt, zag aan de manier waarop ik haar domein betrad dat er iets niet helemaal in orde was.

“Een beetje duizelig,” zei ik, terwijl ik mijn mouw oprolde en zij haar naald in stelling bracht. “Rustig aan doen,” zei ze, “en geen bruuske bewegingen maken.”

“En niet op ladders klimmen,” vulde ik aan. “Dat zegt mijn moeder ook altijd,” zei ze.
“Je moeder?” zei ik met enig ongeloof in mijn stem.“ ”Ja, ze is 98, bijna blind en doof en ze wil niet dat ik haar verzorg, maar af en toe zegt ze tegen me dat ik niet op een ladder klimmen moet.”

Maar af en toe moet het. Helemaal bovenin de verste hoek van de keuken, zo ongeveer op de plaats waar de afzuigkap niet hangt, zat een pijlstaart. Een ­ligusterpijlstaart zo te zien, geen alledaagse verschijning in de stad, maar je ziet ook wel eens een zo’n tropische kasvlinder voorbij dwarrelen, niets verbaast me nog.

De pikhaak die we gebruiken om de bovenramen te openen, kreeg de vlinder niet in beweging.

Dus klom ik gewapend met een wijnglas op de keukentrap. De pijlstaart zat zo in het glas, maar ­wegens te hoog kreeg ik geen ­papiertje, men gebruike bij voorkeur een correspondentiekaart, tussen plafond en glas geschoven.

Tenslotte besloot ik de gevangen vlinder te laten uitrazen en daarna het open glas langzaam te laten zakken. Het duizelde me, maar verdomd, het beestje bleef zitten om vervolgens vanaf ons balkon in de wijde wereld in te vliegen.

‘Komt Roomsen ziet gij de ketters staan/ Niet gedraald en valt ze aan.’ Dat zongen de tomaten van de roomskatholieke studentenvereniging Thomas als de toffelemonen zo’n halve eeuw geleden op het Museumplein gingen vechten met de Nederlands Hervormde protest papen.

Ik dank God, op mijn blote knieën, dat ik nog iemand ken die vroeger van het houtje was. Want alleen iemand die vroeger van het houtje was, kan je dat soort dingen vertellen. Het rijke Roomse leven heet dat en het gaat meestal over paters die eerst vieze dingen met hun leerlingen deden en ze daarna sloegen.

Na de vechtpartij op het Rembrandtplein vertelde Leo over de pater die zo verschrikkelijk met consumptie sprak dat zijn leerlingen bij wijze van demonstratie op een dag besloten de banken op de eerste rijen af te dekken met wc-papier.

De gevolgen laten zich ­raden. Mijn lerares Nederlands op het Spinoza sprak ook met consumptie, maar dat was het probleem niet. Ik herinner me haar als een kwetsbare vrouw die veel te grote oorbellen droeg en lippenstift die altijd een beetje uitgesmeerd was.

Ze had drie handtassen bij zich en twee straalkacheltjes die ze aan het begin van de les voor haar tafeltje op de grond zette, waarna ze wijdbeens op het ­tafeltje ging zitten.

Als ze over ­Hadewych sprak en over Hadewychs oerewoet raakte ze langzaam in trance en begon ze, met consumptie, van boven naar beneden de knoopjes van haar blouse open te knopen. Vanaf beneden knoopte ze daarna alles weer dicht om eenmaal boven van voren af aan te beginnen.

“Onze leraar Duits,” zei mijn geliefde, “zat altijd uitgebreid in zijn neus te graven. Als ie uitgegraven was, schoot ie de snotjes zo de klas in.”

De Oudemanhuispoort riep. Waarom hij riep, weet ik niet, maar hij riep en dus liep ik vanaf het Rokin de Langebrugsteeg in.

Ik liep helemaal nergens over na te denken, wat nog niet gemakkelijk is, toen mijn oog viel op de ingang van kantoorboekhandel Van der Heijde. P.W. Akkerman stond er met grote letters boven de deur. Maar de winkel heet toch Van der Heijde en geen Akkerman?

Een heel verleden viel over me heen. Toen ik als gids bij rederij Kooij werkte, bevond zich in het stukje Nes dat tegenover Van der Heijde naar het water leidt, de kelder waarin de foto’s werden ontwikkeld die aan het begin van ­iedere rondvaart van de passagiers werden gemaakt en die ­geacht werden aan het einde van de reis op hen te wachten.

Als de foto’s te laat waren, kwam dat bijvoorbeeld doordat de fotografe en ik in de kelder met elkaar hadden staan zoenen, zodat het ontwikkelproces even aan haar aandacht was ontsnapt. Liefde die de dampen van ontwikkelaar trotseert, dat mag liefde heten, lijkt me.

Als we niet in de kelder zaten, ­zaten we vaak bij Dave in café Gebed zonder end, nu Kapitein Zeppos, in het Gebed zonder end. We zaten weggedoken in een hoek, aan een grote houten tafel.

Toen ik op een middag bij haar aanschoof, wees ze naar de tafel. “Kijk,” zei ze. Ze had mijn naam in het hout gekerfd. Tot dat ogenblik zal ik zelden zo gelukkig zijn geweest. In de liefde dan, want verder had ik geen klagen.

Het Huis aan de Drie Grachten aan de Grimburgwal, zag ik, zat nog altijd op slot. Vroeger zetelde hier meneer Balkema, een antiquaar voor wie ik als de dood was.

‘Als alles goed is,” zei ik tegen het meisje van de boekenwinkel waar ik iedere week de Monde van vrijdag koop, “ligt de Monde voor me klaar.” Ze pakte de krant en hield hem voor de scanner. “Dat werkt niet,” zei ik, “al vijf jaar niet en volgens mij zeg ik dat ik al vijf jaar tegen je, iedere week.”

“De enige reden waarom ik dit doe,” zei ze, “is om jou dat te horen zeggen.” De riposte lag voor de hand, maar ik besloot hem voor volgende week te bewaren.

Met mijn krant onder mijn arm liep ik richting stad. Ik was net de Ceintuurbaanbrug over toen me over de Ceintuurbaan een open blauwe tram tegemoet kwam.

Het was een 16 en tot mijn grote tevredenheid kon ik vaststellen dat het kleurenvierkantje voor analfabeten op de voorkant van de tram indertijd ook door een blauwe en een gele driehoek in tweeën gedeeld werd.

Na enige omzwervingen belandde ik op een kermis. Voor de zuurstokkenkraam, waar ik mijn ogen uitkeek. Nooit geweten dat er zoveel smaken zuurstokken bestonden: zuurstok, kaneelstok, kersenstok, dropstok, framboosstok, rood-wit-blauw-stok, meloenstok.

Daar aangekomen, werd ik aangesproken door een man met een pet op en een jongetje aan zijn hand. “Mooie krant,” zei hij, wijzend op mijn Monde. “De Monde van vrijdag,” zei ik, "met de literatuurbijlage."

Heeft u een binding met Frankrijk?” “Nee,” zei de man, “maar toen ik uw krant zag, moest ik aan een Franse zegswijze denken, ‘Le journal est un monsieur’.” “Die gaat ook in het Nederlands, hoor,” zei ik. “Ja,” zei hij, “maar ik dacht aan de Franse zegswijze en dat wou ik toch even zeggen.”

Na meloenstok kwam banaanstok, regenboogstok, discostok, suikerspinstok, smurfstok, tuttifruttistok, bubblegumstok en roomijsstok, en dat was het wel zo’n beetje.

Op het Muzenplein dat eigenlijk een brug is, was ik afgestapt om naar het water te kijken. De Boerenwetering aan de ene kant en de enorme bak water die de Kom genoemd wordt aan de andere.

Op de brug zelf is het altijd merkwaardig stil, als een aankondiging van het Stille Zuid dat aan de andere kant van de brug ligt. Wie hier naar de Boerenwetering kijkt, zal ook de grote en uitzinnige villa zien waarmee de Churchilllaan besluit.

De villa, hij dateert uit 1929, ligt aan het water en zit ondoorgrondelijk in elkaar, met daken boven daken, terrassen, veranda’s en een tuin. Op het muurtje dat de toegang tot de voortuin lijkt af te schermen, staat een verstild beeld van een jong meisje, dat een schaal, of is het een bos tulpen in haar handen houdt.

Ik stond er naar te kijken toen op de brug een meisje verscheen dat een foto nam van het beeld van de Jongen met konijnen.

“Je moet ook even naar dit beeld kijken,” zei ik even later tegen haar, “zo mooi.”

“Weet u iets van die beelden?” zei ze. “Meestal zijn ze van Hildo Krop,” zei ik.

“Ik woon in Parijs,” zei het meisje, “en als ik nu in Amsterdam ben, kijk ik met heel andere ogen naar de dingen. Ik voel me een beetje toerist, toerist in eigen stad.”

Samen keken we naar het beeld van het meisje. “Weet jij wat ze in haar handen houdt?” zei ik. “Ik denk,” zei ze, “dat het een lotus is.”

Bij wijze van afscheid stelden we ons aan elkaar voor. Tess was al bijna bij de Herman Heijermansweg toen ze zich even omdraaide om te zwaaien. “Dag Guus,” riep ze.

En weg was ze.

In de Witte Olifant, een school in de Nieuwe Batavierenstraat, was een bijeenkomst waar we het monumentje konden bekijken waarop de honderden Joodse kinderen herdacht worden die hier in de oorlog voor ze vermoord werden op de Joodse school zaten. Er was een tentoonstelling, er was muziek en er waren heel veel mensen.

Tussen al die mensen trof ik ­iemand van wie ik wist dat ik haar goed kende maar die ik niet thuis kon brengen. Het bleek de dame die in de kaaswinkel om de hoek zo vaak tien plakjes oude kaas voor me afsnijdt. In de winkel herken ik haar probleemloos, maar hier wist ik niet wie ze was.

Met de meisjes van de kassa van de Albert Heijn heb je dat ook. Je ziet ze drie keer in de week, maar als je er een in mensenkleren door de Leidsestraat ziet lopen, kom je niet verder dan ‘ik ken haar ergens van.’

Marieke van Martyrium herkende ik niet omdat ze in een veel te grote auto zat, zo’n auto die je niet verwacht bij iemand die Emily Dickinson verkoopt. “Ik ben verliefd op die auto,” zei ze, “ik heb hem al veertien jaar. Maar misschien herkende je me niet omdat ik woedend was. Ik was net mijn fiets wezen halen, op zo’n depot.” “Toch wel ver weg mag ik hopen?” zei ik. Haar blik sprak boekdelen.

Toen de gemeente eindelijk besloten had het parkeerprobleem aan te pakken, liep ik eens door onze straat waar twee mannen ­bezig waren een wielklem aan te leggen. “Heren,” zei ik, “mag ik u bedanken voor het prachtige werk dat u verricht.”

De mannen keken me aan of ze water zagen branden. Nooit eerder had iemand iets aardigs tegen ze gezegd.

In de poort onder het Rijks stonden een accordeonist en een violist die zowaar iets van Vivaldi ten gehore brachten. Bij het stoplicht moest ik 38 seconden wachten.

Eenmaal aan de andere kant, op de brug over de Prinsengracht, ontwaarde ik tussen de petunia’s een jonge vrouw die zich met gracht en bloemen als achtergrond door haar vriend liet fotograferen.

Dat zie je vaker, maar zelden zag ik een dame met zo’n, ja hoe zeg je dat vandaag de dag, ‘snoeptafel’, zou mijn moeder gezegd hebben, maar of dat nog kan, betwijfel ik.

Piet Koopt Hoge Schoenen, dus de volgende brug ging over de Keizersgracht en verdomd als het niet waar is, de dame die zich hier liet fotograferen had een zo mogelijk nog grotere ‘bos hout voor de deur’ zoals mijn vader gezegd zou hebben.

Nieuwsgierig naar wat de Herengracht zou brengen, trapte ik stevig door, maar hier was alles­ gelukkig bij het oude, een leuke Pakistaanse familie met een jongetje van een jaar of elf als middelpunt.

Bij de Atheneaeum Boekhandel stonden vijf witgedekte tafeltjes voor de deur. Huh? dacht ik, gaan ze net als bij de kapper prosecco schenken? Maar er was niets aan de hand gelukkig.

Ze vierden dat na weken slopen, bouwen en schilderen ‘De Doorbraak’ was voltooid, wat wil zeggen dat je voor het Nieuwscentrum niet meer buitenom hoeft.

Het was heel erg geweest, hoorde ik, met veel lawaai en vooral veel stof, maar het was prachtig geworden. Ik kan me hier geheel bij aansluiten.

Wat mij zeer bevalt, is dat alles anders is, maar toch hetzelfde is gebleven. Ik liep zo naar de Franse afdeling waar ik een boek vond met de titel De ballerina met de grote borsten.

Nadat we tijdens het toetje door de schetterende schaterlach van een ­dame de tent waren uitgejaagd, besloten we er ergens nog een te nemen. “Ik opteer voor Hermes,” zei mijn vriend. We zaten in de Gerard Dou en moesten naar de Dusartstraat en dus staken we even later de Albert Cuyp over en belandden zo in het poortje van de Hercules Seghersstraat.

Mijn vriend beschouwt dit als het lelijkste stukje Amsterdam hem bekend, maar dat kan ik niet met hem eens zijn. De architectuur valt inderdaad een beetje tegen, maar het poortje vind ik aardig en ook het speelpleintje erachter ­bevalt.

We waren het poortje nog niet uit of er kwam ons een meisje tegemoet dat zich op een skateboard trekken liet door een klein zwart hondje, een moderne versie van de hondenkar waar wij alle twee nogal van opkeken. Op dat moment zagen wij de kat die ons vanaf een vensterbank in de gaten zat te houden.

Het was zo’n kat die wat met je doet, zoëen die erom vraagt in poezentaal toegesproken te worden zal ik maar zeggen. Maar er zat glas tussen ons en de kat dus was het maar de vraag of ie ons zou horen en of ie wel antwoord geven kon.

Intussen vertelde mijn vriend over de poezen die hij op zijn reisjes door Zuid-Oost Azië zoal ­tegenkwam, en die hij dan vroeg hoe ze aan die mooie bontjas kwamen en of ze wel hun best deden op de poezenschool.

Als de poezen dan antwoord gaven, raakten de toegestroomde kinderen in vervoering, want dat poezen praten kunnen weten ze niet zo in die landen.

Café Hermes bleek overigens gesloten en als je plassen moet, blijkt Wildschut plotseling een heel eind weg.

‘Ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil graag alles weten.’ Dat hoorde je vroeger vaak en tegenwoordig nooit meer, vandaar dat ik het aardig vind het af en toe te zeggen. “Ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil graag alles weten,” zei ik tegen Masha, dertien, die in de eerste klas zit van Montessori Lyceum Amsterdam.

“Jij zit toch op het MLA?” “Jazeker,” zei ze. “Hoe komt het dan,” vervolgde ik, “dat ik je nooit zie, terwijl ik toch vaak genoeg door de Pieter Hoochstraat fiets.” “Omdat wij nooit bij school blijven hangen,” zei Masha.

“Waar gaan jullie dan heen?” vroeg ik. “Meestal naar het Museumplein,” zei ze. Daar had ik haar ook nog nooit gezien, maar het Museumplein is groot. “Waar op het Museumplein? ” “Op dat schuine dak bij de Albert Heijn, vlak naast de Badkuip.”

“Weet je hoe dat schuine dak heet?” zei ik. Dat wist Masha niet. “Het Ezelsoor,” zei ik. “Waarom? Het lijkt helemaal niet op een ezelsoor.” “Dat doet het wel,” zei ik, waarna ik een boek pakte om het te demonstreren.

“Gek wel,” zei Masha,” dat je op een ezelsoor dat geen ezelsoor is naar een badkuip zit te kijken die geen badkuip is.” “Heel vreemd,” zei ik.

“Wat dacht je in dit verband van het rijtje Kevers, Snoeken, Eenden?” Daar dacht ze niks van, want ze had geen idee waarover het ging. “Een Kever,” zei ik, “is een Volkswagen, een Snoek is een Citroën DS en een Eend een Deux-Chevaux.”

“Wist jij,” zei Masha, “dat Citroën gewoon Citroen heette, en dat hij zijn naam heeft veranderd omdat ze die in Frankrijk niet konden uitspreken.” Ik wist het, maar om Masha te plezieren had ik het liever niet geweten.

Op straat valt van alles te zien en te beleven. Je hoeft je huis waar nooit iets gebeurt, nou ja, je vindt wel eens een theelepeltje ­terug dat kwijt was, maar te verlaten en de dingen komen in beweging. Zouden de dingen stil staan als jij niet naar ze keek?

Mijn geliefde is al eerder vertrokken. Ze is naar de kapper, maar als ze geknipt is, treffen we elkaar en daarom ga ik ook op weg.

De klok lijkt een korte omweg toe te staan en zo beland ik in de passage van het Rijksmuseum, waar ik een man in een wit pak achterop rij die op zijn rug een enorme map meezeult.

Er staan letters op, maar ondersteboven zodat ik ze niet zo snel kan lezen. Dus parkeer ik langs de stoeprand en laat de man die onder zijn last bijkans bezwijkt nog een keer passeren. ‘Small ­notebook’ lees ik.

Bij Iris & Schrieck staat een enorme brandweerwagen in de etalage, zodat de man die naast me staat welhaast gek van begeerte wordt. Ik wil naar binnengaan als mijn telefoon gaat en mijn omweg drastisch inkort. ‘Rechtdoor/ naar school en kantoor’ is het nu.

In de etalage van een Italiaans restaurant op de Elandsgracht, zie ik, staat een zeegroene Vespa en een eindje verderop, op een bankje voor een gesloten herenkapper, zit een vrouw de krant te lezen. “Ik herkende je niet,” zeg ik. “Naar de kapper geweest misschien?”

Als we bij Libertine in de Wolvenstraat iets lekkers eten, zitten we tegenover een winkel die Closed heet, maar die wel degelijk open blijkt te zijn. En dat weet ik nog niet, maar op de gracht, om de hoek, staat een enorme zeegroene ijskast te wachten op ik weet niet wat.

Marie ging, denk ik, elke dag even naar de kapper in de Lange Niezel. Op weg naar café Emmelot kwamen we elkaar vaak tegen, zij met een sjaaltje over haar vers gekapte haren. In het café zaten de vaste jongens te wachten.

Zo herinner ik me Brabantse Willem die een sigarenwinkel dreef en altijd jarig was, de ­homoseksuele Zaandammer met een muts van imitatie astrakan op zijn kop, de voormalige legionair die tegen twaalven begon te exerceren om tegen enen in huilen uit te barsten, Lous die bij de Golden Crown werkte en Nelis natuurlijk die onder zijn betonnen vechtpet naast de jukebox stond.

Als Nelis met de bouwvak ging, ging hij vissen in Djémèn. Ik voerde vaak lange gesprekken met hem zonder dat ik hem verstond. Wij kwamen een paar jaar bij Marie toen ze besloot dat er een nieuwe bar moest komen. Dat vonden wij niks. Van ons moest alles altijd hetzelfde blijven.

Om het onheil af te wenden, richtten we de Marie Fan Club op. Wie lid werd, tekende automatisch de petitie ten behoud van de oude tapkast. Maar het mocht niet baten. Op een middag werd de bar vanaf de brug over de Voorburgwal feestelijk te water gelaten.

Aan de nieuwe bar bleek het ook goed toeven. De dagen gleden er voorbij en niemand die ook maar een dag ouder werd.

We zaten te ouwehoeren en Marie serveerde een balletje gehakt. Ze liet haar schaterlach horen en zette Dinah Washington op. We zaten te drinken en Marie schonk de glazen vol en vertelde dat ze op Zandvoort een caravan had gekocht. “Waarvoor?” wilden we weten. “Ach,“ zei ze, “je wilt wel eens wat anders.”

In Memoriam Marie Louwerens (1931-2018).

Als café Emmelot op ­zaterdagavond vol zat, en met vol bedoel ik prop, stamp, afgeladen, als haringen en sardines zal ik maar zeggen, kwam onvermijdelijk het ogenblik dat Marie, die ­tamelijk gevuld was, en haar broodmagere zus Jos even verdwenen.

Als ze terugkwamen droegen ze een bolhoed en Laurel en Hardy-maskers. Marie dat van Laurel en Jossie dat van Hardy. Na de staande ovatie klommen ze op de bar waar ze hun obscene dans uitvoerden die de menigte onherstelbaar uit zijn dak liet gaan.

Wie het heeft meegemaakt, is nooit meer dezelfde geweest.

Café Emmelot was zo’n café dat onder je huid kroop, en dat kwam niet door het café, want het was een café als andere, met een bar, een biljart, en een jukebox. Maar Marie was anders.

Marie liet de Amerikaanse verlofgangers in dollars betalen om ons van het verschil te drinken te geven, Marie hield af en toe de jeneverfles hoog om de drank rechtstreeks in je mond te schenken tot ie overliep en als er stiltes vielen liet ze het dienblad vallen, waarna iedereen weer bij de les was.

Intussen zat haar Piet op het dak bij zijn duiven, maar zodra het druk werd, kwam hij beneden om een oogje in het zeil te houden. Het was een kleine, donkere man die ik eens met het ondereind van een biljartkeu twee lastige reuzen de zaak heb zien uitmeppen.

Marie hield van de Supremes en van Ray Charles, van Trini Lopez en Sam The Sham, van Tante Leen en Manke Nelis. Maar het meest hield ze van het singletje van Dinah Washington dat vele malen per dag te horen was: What A Difference A Day Makes (and the difference is you).

(Wordt vervolgd)

Wanneer ik café ­Emmelot betrad, hield ik me altijd aan de regels van een door mij zelf geschapen ritueel. Vlak achter de deur, in de hoek aan de kant van de Oudezijds stond een oude weegschaal, en hij staat er nog. De weegschaal was smal en hoog en had een gleuf waarin je twee centen gooien moest om gewogen te worden.

Altijd als ik binnenkwam, ging ik op de schaal staan en gooide mijn twee centen, of waren het bij gebrek aan centen stuivers, in de gleuf, waarna er helemaal niets gebeurde. Want de weegschaal was sinds mensenheugenis kapot.

Zoals ook de haan die boven de bar hing en die geflankeerd werd door de in tweeën gedeelde tekst ‘Als deze aan kraait, Piet// Geef ik krediet’ nooit kraaide. Niet dat Marie, de onlangs op 87 jarige leeftijd overleden uitbaatster van café Emmelot, nooit krediet gaf, het heette alleen niet zo. Het heette ‘ik schrijf het wel even op’.

Vanaf het moment dat ik Marie voor het eerst zag, hield ik van haar, en dat gevoel is altijd gebleven, mijn Zeven Natte Jaren lang en ook in de jaren die volgden en ik nog maar incidenteel binnenviel om Marie vaak niet treffen.

De vriend die ik al snel meetroonde naar Emmelot hield ook van haar. Wij hielden van Marie en Marie hield van ons. Als we aan de hoek van de bar, zij aan de ene kant en wij aan de andere, met zijn drieën zaten te drinken en te kletsen, kwam onvermijdelijk het heerlijke ogenblik dat Marie informeerde waar wij nu eigenlijk in studeerden.

“In de beffologie zeker, hè?” En dan lachten we en schonk Marie de glazen nog eens vol en altijd van het huis.

(Wordt vervolgd)

In de trein kwam er een meisje tegenover me zitten. Ze was een jaar of 6 en ze kon al een beetje lezen. Nog geen hele woorden, maar wel letters. “Kijk,” zei ze tegen haar moeder die naast me zat, “daar staat de M van Marlies.” Ze wilde weten welk woord er stond, maar haar moeder praatte er overheen, waarschijnlijk omdat er HOMO stond.

Toen de conducteur de coupé betrad, zei de moeder: “Moest je de conducteur niet iets vragen?” “Waarom zijn er geen gordels?” zei Marlies tegen de conducteur. “Dat is een goede vraag,” zei de conducteur, met paniek in zijn ogen, want hij had geen idee.

Ondanks dat begon hij een verhaal over mensen die vlug moesten kunnen uitstappen en dat dat niet kon als je een gordel om had, een slap betoog dat hij eindigde met de vraag: “En? Ben je tevreden met dit antwoord?”

Marlies dacht heel even na en zei toen “nee”. Die liet zich niet met een kluitje in het riet sturen. Toen ik het station uitliep, bleek het te regenen, en niet zo’n beetje. “Akelig weer,” zei een man op de tramhalte. “De musea zullen wel vol zijn.” “Die zijn altijd vol,” zei ik. “Ja,” zei hij, “maar waarom heb ik nooit begrepen.”

Tijdens de tramrit dacht ik na over zijn opmerking, maar ik kwam er niet uit. Op dat moment kwam er een jonge vrouw binnen met een opgestoken parapluutje, dat toen ze eenmaal binnen was een stuk groter leek te worden en nog veel groter werd toen ze het niet dicht bleek te krijgen. De hele tram bemoeide zich ermee, maar de paraplu weigerde.

Die zou ik graag eens een strandstoel zien uitklappen, dacht ik toen ik uitstapte.

Toen ik het aan de Amstel gelegen café Hesp binnen ging, zag ik in een oogopslag dat alles bij het oude was gebleven en wist ik meteen weer waarom de journalisten uit de Wibautstraat hier zo graag zaten te drinken.

Hesp is niet alleen een bruine kroeg, alles is er ook bruin of liever in tinten van bruin, van een beetje tot heel donker. De jongens van de bediening steken er wonderlijk licht bij af.

Ik stond aan de bar met een vijfje in mijn hand om een borrel te ­kopen toen ik mijn naam hoorde roepen. Hij zat een eind weg, maar ik herkende hem aan zijn tatouaties, Henk Schiffmacher die ik, denk ik, net zolang niet had gezien als ik niet in Hesp geweest was, een jaar of vijfentwintig.

Henk was in gezelschap van een reusachtige witte hond die onder tafel vredig lag te slapen en van zijn Louise die ik als ik haar eerder had ontmoet ook aan haar tatouaties had kunnen herkennen.

Er kwam drank op tafel, er klonk ziejedienogweles en hoegaathetmetdie en op een gegeven moment vroeg Schiffmacher of ik Hendrik van Teylingen kende. “Jazeker,” zei ik, “een groot dichter.”

Dat deed Louise plezier om te horen, want zij was zijn dochter. Vanaf dat moment hadden we het over haar vader die niet alleen een groot dichter was maar ook van Hare Krishna. “Mijn vader is heilig verklaard,” zei zijn dochter.

Toen hij op sterven lag, is er een tape gemaakt, waarop je zijn discipelen hoort zingen en trommelen en om een broodje kaas hoort vragen. Nadat hij de laatste adem heeft uitgeblazen stopt de opname, maar de tape loopt door en brengt dan Jesus Christ Superstar ten gehoren.

Hare Krishna, hare hare.

Meestal tram, fiets of loop ik maar wat raak. Ik hoef van niemand niks en kan dus gaan en staan waar ik wil en wanneer ik dat wil.

Soms zegt een vriend: “Zullen we naar Noord, naar het fabrieksterrein van de Fokker?” en dat doen we dan, maar veel vaker heb ik geen doel. In die zin vertonen mijn bezigheden een grote overeenkomst met het leven zelve.

Maar vandaag had ik een doel. Een paar weken terug zag ik een paar kamelen over een viaduct wandelen en die kamelen die eigenlijk dromedarissen waren (één bult) wilde ik nog eens zien. Vandaar dat ik de Berlagebrug was overgestoken. Die vlak achter mij openging en zijn blauwe onderkant liet zien.

Een matig soort blauw trouwens. Waarom schilderen zo’n onderkant niet Yves Klein Blue en als dat teveel gevraagd is, maak er dan een Mondriaan van of een Barnett Newman. Iedere ­Amstelbrug zijn eigen kunstwerk, wat een spektakel zou het zijn.

De kamelen kon ik zo niet vinden, maar in plaats daarvan stuitte ik op een viaduct met daarop de woorden ‘DOE IETS’. Doorzichtige letters waren het die me aan Meccano deden denken en tevens aan het denken zetten. ‘Doe iets,’ ja, maar wat?

Terug aan de Amstel zag ik een poort die ‘Hulp voor Onbehuisden Mannen’ beloofde. Achter de poort stond een groot gebouw dat ateliers herbergde. Voor het ­gebouw lag een moestuin met ­rabarber en wijnranken tegen een zorgvuldig afgesloten tuinhuisje. Op een rond voetstuk stond een papegaai in felle kleuren.

Ik ga naar café Hesp, bedacht ik, niet omdat ik dorst heb, maar om iets te doen en om dit stukje te kunnen besluiten met de zin: ‘Daar zaten ze vroeger te zuipen, de mannen van het Parool.’

Vroeger was het altijd koud meen ik me te herinneren. Met de ijsheiligen, half mei of daaromtrent, vroor het dat het kraakte en daarna kwam de junival, en dat was ook niet best.

Zoiets als zeevlam, maar dan erger. En het regende ook altijd. Als ik naar de tennisbaan fietste, begon het halverwege, zo ter hoogte van het Bellamypleintje te regenen. Eenmaal op het tennispark keek je naar de plassen op het gravel van de banen en je wist dat het uren zou duren voor er kon worden gespeeld.

Tegenwoordig regent het niet meer en als het al regent wordt al het water door het gravel opgezogen. Het gravel verandert in pap, maar zelfs de grootste plas is in een kwartier verdwenen.

Na anderhalf uur tennis in de regen fietste ik door de regen naar huis. Ik reed langs de Stadionkade en terwijl ik langzaam natter werd, keek ik naar de druppels in het water. De meisjes op hun fietsen hadden de paraplu opgestoken en hier daar zag ik, heel­ouderwets, een zwarte poncho.

Toen ik een jongen was, droegen alle jongens kaplaarzen, zwarte kaplaarzen. In die kaplaarzen hing de enigszins muffe geur van rubber, sokken, voeten. Maar dat rook je alleen als je ze aantrok, na school, om kwart over vier, en als je ze uittrok, na het bovenkomen, om zes uur.

Om tien over vijf ongeveer stond je in de blubber van een betrekkelijk ondiep meertje onder aan de dijk toen je plotseling voelde hoe je voeten werden vastgezogen in de modder en langzaam wegzakten, zodat het leek of het water steeds hoger kwam te staan.

Totdat het de rand van de kaplaars bereikte en de kaplaars overstroomde. Er is geen jongen die zich niet herinnert hoe dat voelt.

Op het moment dat ik de Beethovenstraat inreed, ­begon het zeuren in mijn kop, ‘zal ik wel of zal ik niet, zal ik of zal ik toch maar niet’, een haring meen ik. Eerst maar even naar de Mensenvriend, dacht ik, dan zien we daarna weer verder.

Terwijl ik mijn fiets op slot zette, zag ik een jonge moeder met haar nog veel jongere zoontje de winkel uitkomen. Het jongetje droeg een gele fietshelm en onder zijn arm een sixpack closetpapier.

Plotseling bleef hij staan, legde het pak op de grond om zich vervolgens op een bedje van Popla te slapen te leggen. Zijn moeder keek vertederd toe, ik keek vertederd toe en een al wat oudere dame leunend op haar stok deed hetzelfde.

Ineens zag ik wie het was, Marjan Berk. "Ha Marjan,” zei ik. “Even kijken,” zei ze, en toen: “Ha Guus.” Ik vroeg of ze in de buurt woonde, maar nee, ze woonde in een hofje aan de gracht. “Maar ik heb hier wel gewoond,” zei ze.

“In de Schubertstraat, tussen de muizen en de kakkerlakken.” “In zo’n chique straat?” zei ik. “Het is maar wat je chic noemt,” zei Marjan. Toen haar man haar verliet, was zij ook weggegaan. “Dat is lang geleden,” zei ik. “Ik was zestig,” zei ze. Inmiddels was ze 86.

Na een blik op mijn fiets zei ze: “Fietsen mag ik niet meer, maar ik rijd nog wel auto. Mijn oude Saab staat verderop.” Marjan wilde haar weg vervolgen, maar die werd geblokkeerd door een busje.

Uit het busje kwam een pontificaal in ­Volendams kostuum gestoken vrouw die bij de viswinkel naar binnen ging. Waarmee het pleit beslecht was. Ik volgde de Volendamse naar binnen en bestelde mijn haring.

Net als Jan Six heb ik wel eens wat gevonden op het Waterlooplein. Vond Six geheel zoals het hoort een echte Rembrandt, ik vond een Foujita.

Op weg naar een afspraak in Danzig, het café met het mooiste uitzicht van de stad en met als extraatje Fatima Elatik die op een troon troonde met een kring van Marokkaanse jongens aan haar voeten, een prachtig schouwspel, liep ik langs een kraam waar ik iets ingelijst zag staan dat de signatuur Foujita droeg.

Ik was al tien kramen verder toenik dacht, Foujita? Op het Waterlooplein? De Japanse schilder Foujita (1886-1968) is in Frankrijk wereldberoemd, maar in Nederland kent vrijwel niemand hem, dus zou het zou zo maar kunnen dat er werk van zijn hand op het Waterlooplein was beland.

Terug dus, es kijken en dan voorzichtig informeren naar de prijs. Het bleek een leuke aquarel met een schaap op wieltjes en een dame in rode kimono. De prijs viel ook mee, maar er was wel iets mee.

Jan Six had het natuurlijk makkelijk, ten eerste is er niemand in de wereld die zoveel boeken over Rembrandt heeft gelezen als hij; ten tweede heeft hij zijn hele jeugd tegen dat portret van de Oude Six zitten aankijken wat ook heel leerzaam is en ten derde stond het met koeienletters op de achterkant, ‘REMBRANDT’, als je dan nog niet ziet dat het om een Rembrandt gaat.

Maar op mijn Foujita had de schilder voor zijn Japanse signatuur wel bijzonder knullig uitgevoerde karakters gebruikt. Het bleek een vervalsing, dit in tegenstelling tot de Rembrandt van Six die hij, Six meen ik, nu voor honderd miljoen euro gaat verkopen aan de hoogste bieder. Ik heb mijn Foujita gehouden. Ik zou hem voor geen goud willen missen.

De kousenwinkel van Vondel in de Warmoesstraat is opgeheven, maar hotel Winston zit er nog, zag ik laatst. Hotel Winston was een hotel dat graag het Chelsea Hotel van Amsterdam wilde zijn.

Herman Brood en Peter Klashorst kwamen de kamers kwasten, Koos Dalstra en Arthur Lava lazen er hun verzen voor en toen Thom Hoffman een film wilde maken waarvoor Hermine Landvreugd en ik het scenario moesten schrijven, moest dat geschreven worden op een kamer in Winston, wauw!

Dat scenario werd niks en met de artistieke ambities van Winston is het ook slecht afgelopen, vrees ik. De Warmoesstraat was indertijd een soort goot waar je het beste maar zo snel mogelijk uit kon ontsnappen, door de Sint Annenstraat te nemen bijvoorbeeld, of de Wijde Kerksteeg, die je naar het Oudekerksplein voert met zijn kinderhoofdjes en zijn stegen rondom, maar tegenwoordig is de Warmoesstraat best aardig.

Op de hoek met de Enge Kerksteeg zit zelfs een bloemenwinkel, waar ze schelpen die als cactussen die als schelpen zijn verkopen. Hoogtepunt van de straat is de krantenwinkel op de hoek van de Lange Niezel, waar ze al een lang mensenleven lang ­dezelfde pornoboekjes verkopen. En de krant van gisteren, denk ik wel eens.

Langs Emmelot en de Zeevaart liep ik naar de Nieuwmarkt, waar op het terras van de Cotton Club net een tafeltje vrij kwam. Een grote donkere vrouw deed een dansje en zong: “Wij hoeven gelukkig niet af te vallen,” en in de man die een hondje aan de lijn hield meende ik door de manier waarop hij het hondje aan de lijn hield Marco ­Polo te herkennen, eens een gevreesd barkeeper van café de Pool. Ze hadden daar ook een barkeeper die André Pool heette, en Martha natuurlijk, maar Martha is dood.

Vanaf het terras kon ik de jongens goed in de gaten houden. Ze waren met zijn vijven, alle vijf een jaar of tien. Soms stonden ze in een groepje te fluisteren, dan renden ze ieder een kant op, waarbij ze schreeuwden tot ze elkaar niet meer horen konden. Ze deden geen kwaad, maar als ze de kans kregen iets uit te halen, zouden ze het niet laten.

Plotseling hadden ze alle vijf een maiskolf in hun hand die ze deskundig soldaat maakten door de maiskorrels weg te eten tot alleen de kern overbleef.

Zo aten wij jongens lang geleden een winterwortel. En zo ook bewogen we ons door de straten op zoek naar rottigheid. Nette jongens waren we, maar achteraf, denk ik vaak, is het een wonder dat we onze jeugd hebben overleefd.

Voor het heien van de nieuwbouw werden dennenstammen aangevoerd die als grote vlotten in de Erasmusgracht lagen. Wie zich op zo’n vlot waagde, kon elk moment tussen twee stammen in het water raken, waarna het vlot zich boven je hoofd zou sluiten en je reddeloos verloren was.

Dat wist een kind, maar het is nooit gebeurd. Als het oorlog was met de andere straten, werden er vlotten gebouwd waarmee door de Erasmusgracht werd gevaren. Vanaf de vlotten bekogelden we elkaar met stenen, en wie onder de brug van de Hoofdweg door wilde, wist dat hij de kans liep een straattegel op zijn kop te krijgen.

Het is nooit gebeurd. Zoals er bij het schotsen springen nooit iemand onder het ijs is geraakt en er nooit iemand van een stelling in de bouw is gevallen.

Soms pikten we bij de groentewinkel in de Lanseloetstraat een paar winterwortels die we afkloven tot alleen de geelbleke kern overbleef.

"Op het Maria Heinekenplein,” zei Ton, “zit een meisje in een kooi.”

“Hoe ­bedoel je?” zei ik. “Nou, gewoon,” zei hij, “precies zoals ik het zeg. Op het Heinekenplein zit een meisje in een kooi.”

“Hoe weet je dat,” vroeg ik. “Heb je het van iemand gehoord of ergens gelezen?”

“Nee,” zei Ton, “ik moest op het plein zijn en toen zag ik daar een meisje in een kooi.”

“Is ze tam?” zei ik, “ik bedoel, dat je haar wortelloof kunt voeren, of dat ze van je vlakke hand een suikerklontje eet?” Maar dat wist Ton niet, terwijl hij toch een groot Revekenner is. “Ik ga meteen kijken,” zei ik.

De lentesneeuw rolde en tolde door de stad die middag. De ­iepenzaadjes legden schuivende tapijten langs de muren en trokken cirkels rond de bomen. Alles was overal in beweging.

En tussen het geweld van al die kleine blaadjes zag ik plotseling zo’n esdoorn­vleugeltje neerdalen, als een piepkleine helikoptertje draaiend om zijn eigen as.

Het Papieren Vliegtuigjes Boek is uit 1967, maar ik heb het nog en dat niet alleen, ik trok het zo uit de kast. Vliegtuig 10 is ontworpen door Richard K. Neu uit Wilminton, Ohio en is een wonder van eenvoud.

Met een A4’tje en een schaar knip en vouw je in enkele tellen een prachtig helikoptertje in elkaar. ‘Vanaf een hoog punt lanceren,’ zeggen de instructies. Dat deden we.

Vanaf het balkon op vier hoog in de Burgemeester Röellstraat daalden ze neer, de driftig draaiende helikoptertjes. Waarna we de al even eenvoudige en elegante ­‘duration flyer’ van Frederick J. Hooven uit Bloomfield Hills, ­Michigan lanceerden die langzaam, langzaam richting Ringdijk vloog om vervolgens ver aan de horizon in het niets te verdwijnen.

Ons favoriete theelepeltje is kwijt. Weg, zoek, verdwenen. Het is een eenvoudig zilveren lepeltje. “Echt zilver,” zei mijn moeder tegen me als kleine jongen, “kijk maar, hier zit het zilvermerkje.”

Als je door het vergrootglas keek, kon je het merkje goed zien. Ook verdwenen, het vergrootglas. Er zat toen nog een klein steentje in het uiteinde van de steel van het lepeltje, een groen steentje dat glom in het licht.

De theelepeltjes die wij bezaten, werden opgesierd door een bloem, en de naam van de bloem stond in de steel, roos, tulp, ranonkel, margriet, koekoeksbloem, sering. De bloemenlepeltjes waren kunstig gekruld.

Het lepeltje met het groene steentje had als versiering slechts een opstaand randje langs de steen. Op de een of andere manier werd het door het gebrek aan versiering juist mooier, vond ik als kleine jongen.

Het lepeltje was mijn moeders lepeltje. Mijn vader kon het niet schelen waarmee hij roerde, maar mijn moeder gebruikte altijd dat ene lepeltje.

Haar thee dronk ze uit grote Wedgwood theekoppen, waarvan er een heeft overleefd. Haar koffie uit mokkakopjes, ook van Wedgwood meen ik. Ook van de koffiekopjes is er nog een. Het is het kopje waaruit ik mijn koffie dronk en heeft Chinese motieven.

Het lepeltje zal tot de uitzet hebben gehoord die mijn moeder kreeg toen ze in 1940 trouwde. Maar misschien ook niet, want het leek op geen enkel ander voorwerp dat we bezaten.

Toen het na mijn moeders dood in ons bezit kwam, was het groene steentje al jaren uit zijn setting verdwenen. Het lepeltje was er niet minder mooi om. Het was het lievelingslepeltje van mijn geliefde, voor cappuccino en espresso, en nu is het weg. Iemand zou een requiem voor een theelepeltje moeten schrijven.

Toen ik Blotto, het blad van de Laurel & Hardy Club had opengeslagen, was het eerste wat ik las: “Laatste nieuws!! GEEN leuke middag op 26 mei!!’ Dat is geen leuk nieuws, maar uiteindelijk viel het allemaal wel mee afgelopen zaterdag.

Zo kwam de klimmende winde in bloei en als ipomea eenmaal bloeit weet je niet waar het eind is. Als het een beetje meezit, worden we de hele zomer gewekt met fluweelblauwe bloemen die het na een paar uur weliswaar begeven, maar alleen omdat ze ruimte maken voor de nieuwe lichting.

Verder werd Tom Dumoulin tweede in de Giro, een mooie prestatie, en zag ik tijdens de verder nogal saaie Champignons League finale drie uitzinnige doelpunten die in niets leken op de doelpunten die ik in eerdere finales heb zien vallen.

Was ik Jurgen Klopp dan zou ik doelman Loris Kariks vervangen door de 11-jarige Guus Luijters uit Amsterdam West. Die had ze niet door gelaten, maar gewoon gepakt, zeker weten.

Eerder op de dag trouwens was onze kleindochter met de e’tjes van DSZ kampioen geworden in de Hoofdklasse, ik bedoel maar. Het zit in de genen of niet.

Mark die een en ander op kwam hangen, had zijn boor meegebracht, dus ook dat zat niet tegen. Hij werkt in de bouw tegenwoordig, vertelde hij. Met Polen, Turken, Bossenaren en Bulgaren, met metselaars, dakdekkers, stukadoors.

Sommige mannen, zei hij, hadden een broodtrommel bij zich met boterhammen die hun vrouw thuis klaar had gemaakt. Maar de meesten hebben een koelbox, “en het is een wonder,” zei hij, “om te zien hoe die stukadoors en metselaars hun boterham smeren met pindakaas of chocopasta. Heek precies langs de randen en de oppervlakte waterpas.” Geen leuke middag hoezo?

De naam van naamloze kruispunten is een zorgelijke zaak. Is het de Krommerd, de Krommert of de Krommerdt?

Wie het weet, mag het zeggen. Maar ik bemoei me er niet mee, want voor je het weet, is het ruzie.

En de beroemde sigarenwinkel op de Krommer(t)(d)(dt), waar ’s avonds de man met de leren jas en de geldtas op zijn buik de wacht hield bij een rij sigarettenautomaten, hoe heette die voor hij Primera Shamoun ging heten?

Toen ik binnen eens ging vragen, trok de jongen achter de toonbank een lade open en overhandigde mij een glazen cliché, waarop Laurel en Hardy stonden afgebeeld.

Ze rookten allebei een sigaar, wat Hardy heel blij maakt en Laurel aan het huilen. Het bijschrift luidde: ‘Hardy rookt een lekkere sigaar van Veenendaal. Laurel niet. Veenendaal geeft/ wat een ander niet heeft.’

De winkel heette Veenendaal meende ik te mogen concluderen. Wonderlijk, dacht ik, al dat Veenendaal in de stad, de Veenendaalse lingeriewinkel op de Ceintuurbaan, klokkenwinkel Veenendaal op de Vijzelgracht, en nu weer een sigarenboer op de Krommer.

Maar inmiddels weet ik beter. Onlangs stuurde Lex Lammen (1938) mij zijn in 2006 verschenen en inmiddels onvindbare boekje De kromme Admiraal, waarin hij herinneringen ophaalt aan een jeugd op en om de Admiraal de Ruijterweg.

In dit meesterwerkje trof ik een door Eddy Posthuma de Boer gemaakte foto van de winkel in 1956 die er geen twijfel over laat dat hij Kersten heette. Ze hadden er van alles in de aanbieding en de voorverkoop, en heel gek, geen sigarettenautomaat te zien.

Hoe zit dat? Stonden die automaten ergens opgeslagen en werden ze pas ’s avonds naar buiten gehaald? Dat lijkt omslachtig, maar vooralsnog kan ik niets anders verzinnen.

‘Aan namen heb ik niks! Rugnummers moet ik hebben!” zou verslaggever Barend Barendse geroepen hebben toen via de Tour radio het nieuws binnenkwam dat Pompidou was gevallen.

Toen de beroemde anekdote weer eens langskwam, bleek mijn geliefde al een leven lang in de veronderstelling te verkeren dat het Poulidor was die gevallen was, waarmee en nieuwe anekdote was geboren.

Toen ik de nieuwe anekdote enige tijd later door vertelde, zei Hans: “Ik heb ook altijd gedacht dat het over Poulidor ging.” De liefhebbers in ons gezelschap stonden versteld, zoals u zult begrijpen.

Even later bleek dat Jan niet wist wat een Amsterdammertje is. Nu komt hij uit Noord, waar ze frivoliteiten als het Amsterdammertje niet hoog zullen hebben zitten, maar toch.

Toen Noord uitbehandeld was, kregen we het over het Amsterdammertje in het buitenland en dus over de inmiddels overleden fotograaf Joop Schaaps. Joop was de enige Amsterdammer die ik woorden heb horen gebruiken als ‘pikketanussie’, ‘kalletje’, en ‘in het snotje krijgen’, maar als hij ze uitsprak, klonk het niet als de folklore die het is.

We stonden we tijdens het Festival eens aan een bar in Cannes toen de barkeeper een Amsterdammertje schonk. “C’est un Amsterdammertje,” riep Joop en in een teug dronk hij zijn glas leeg. De barkeeper kende het fenomeen niet, zo bleek, en het had geen naam, maar hij onderging het als het weer.

De Marokkaanse vrouw die ons een paar weken terug op haar terras in Parijs een Amsterdammertje schonk, wist van de hoed en de rand.

“Het heet een krijgertje,” zei ze. “Overal in de wereld heb ik ernaar geïnformeerd,” zei ik, “maar nooit heb ik het gevonden.” “Tot het lot je naar mijn tafeltje voerde,” voegde zij er aan toe.

Boven de berm langs het meertje aan het IJsbaanpad zag ik mijn eerste atalanta van dit voorjaar. De atalanta was niet kakelvers maar ook niet oud en verkreukeld. Een migrant uit Zuid-Europa of Noord-Afrika dus.

In de voorbije jaren begonnen atalanta’s net als dagpauwogen en kleine vossen dat doen te overwinteren, met als gevolg dat er eind mei al een nieuwe generatie vloog. Maar de vorst van eind maart heeft aan dit feest een eind gemaakt en atalanta’s komen weer van ver dit jaar. Maar ze zijn er, wat ik van de gierzwaluwen niet durf te zeggen.

De voorzitter van het Wereld Natuur Fonds die tot voor kort uitsluitend op panda’s jaagde, kreeg de eerste gierzwaluwen al half april in het vizier, maar ik zie ze nergens en ik hoor ze ook niet. Niet goed opgelet misschien?

Maar gierzwaluwen die in groepjes krijsend langs de hemel jagen, kunnen je toch niet ontgaan? Ik liep door de oude straten van de binnen stad, mijn oren gespitst, de ogen open, maar niets.

Wel zag ik in de Korte Koningstraat een smalle gang die leek uit te komen op een tuin. Voor de ingang stond een jonge vrouw met een ouder echtpaar te praten. “Mag ik even kijken?” vroeg ik. Dat mocht.

De man die in de tuin op een ligstoel zat bij te komen van een lange werkdag heette Franz. Vroeger was hier de smederij van zijn vader die ook Franz heette, net als zijn grootvader trouwens. Hun oude uithangbord hangt er nog.

“Als je hier binnenkwam,” zei Franz, “brandde er altijd een vuur. En daar stond een groot aambeeld. Daar hebben de hele oorlog twee Joden onder verborgen gezeten.”

De Bremer Tuin, een van de verborgen parels van de stad.

Omdat ik sinds een tijdje stilstaande klokken spaar, begaf ik me naar de Hildo Kropbrug, want daar staat een zeldzaam exemplaar, dat aan de ene kant half vier en aan de andere kant tien over negen wijst.

Half vier wintertijd, tien over negen zomertijd trouwens, maar dit terzijde. Ik ging kijken om te zien of alles nog bij het oude was, zodat ik de klok een plaatsje in mijn verzameling kon geven, maar helaas, hij liep weer. Aan beide zijden.

Enigszins teleurgesteld vervolgde ik mijn weg. Eerst door het ­Beatrixpark, dat er vredig bij lag, maar waar binnenkort de hel losbarst, toen achter de RAI langs en met uitzicht op Zorgvlied naar de Amstel.

Ik sta altijd versteld als ik de rivier hier zie. In de stad zit de rivier gevangen tussen de kaden, maar hier is ie zo breed, zo statig, zo onaangepast. Een onaangetaste herinnering aan lang vervlogen tijden. Ik fietste langs Amstelrust met zijn seringen en langs het Amstelpark tot ik bij de Molen van Rembrandt kwam en de Buitenveldert in dook.

Bij het Maimonides aan de Van Boshuizenstraat staat het ‘Monument voor het ondergedoken kind en beschermer’, dat is mooi, maar de school zelf heeft een hek nodig, wat een stuk minder mooi is.

Een eindje verderop, op nummer 12, trof ik op het dak van een doosvormig gebouw zowaar een regel van de dichter Kees Winkler.

‘… HET ZOMERSGROEN’ stond er in grote groene letters op het dak. Via allerlei sluipwegen door laantjes en parkjes bereikte ik de Parnassusweg, die me onder het Amsterdams door naar het Vondelpark voerde.

Daar zag ik nog net hoe een ooievaar neerstreek op zijn nest. Onderweg heb ik geen klok gezien, maar ze liepen allemaal op tijd.

Afgelopen winter vroeg een deelnemer aan een tennistoernooi mij waar we na afloop gingen eten. “In Amsterdam,” zei ik.

“Ja,” zei hij, “maar waar?”

Zelf kreeg ik laatst een uitnodiging voor een etentje bij Cradam. Cradam? Toen het muntje was gevallen, dacht ik terug aan de Kadi. Tijdens mijn opleiding in het militaire leger stond er iedere week een dag velddienst op het menu. Dat was een dag die je rennend doorbracht met 25 kilo op je rug en geweer in je handen.

We renden door bos en door hei, over rulle zandpaden, door zandverstuivingen en meertjes. Heel verfrissend allemaal. Maar omstreeks half een werden onze exercities onderbroken. Want wat heeft de soldaat op zijn brood? Recht. De soldaat heeft recht op zijn brood. Zo zit dat.

En als je je dan neervlijde op de heide stond daar het wagentje van de Kadi. Hoe het wist waar je was, weet ik niet, maar het wist het en het was er. Het wagentje van de Kadi verkocht een soort koffie en thee alsmede pennywafels, dennekoeken, rondo’s en beroepskoeken. Alles een dubbeltje als ik me goed herinner.

’s Avonds waren er soms voorstelling van de DWL (Dienst Welzijnszorg Leger) in de kazerne. Daar heb ik een keur van artiesten zien optreden, aangekondigd door Peter Piekos of Frans Vrolijk met een helm op hun kop. Het leukst was Ria Valk. Zangeres Conny van den Berg verscheen eens geheel in het zwart en begon ‘Waar zijn de soldaten heen/ waar zijn ze gebleven?’ te zingen.

Zevenhonderd dienstplichtigen kwamen als één man overeind en brulden “Hier trut. Heb je geen ogen in je kop? Ga je poes begraven.” En op de koele kadi liep de kale koelie met een kilo kali op zijn kale koeliekop.

Omdat het vandaag precies 80 jaar geleden is dat de Herenkapper met de sanseveria’s in de Ferdinand Bolstraat zijn deuren opende, vervoegde ik me er voor een knipbeurt.

Veel slingers en ballonnen natuurlijk, de eerste tachtig klanten gratis en tompouce toe. Voor Alies uit Appingedam die onder het knippen vaak zo gezellig met me praat, maakte het geen verschil. Ze was gewoon Alies uit Appingedam, zoals ze altijd is.

“Ik zal het maar eerlijk zeggen,” zei ze nadat ik in de stoel had plaats genomen, “de twee boeken die u hebt geschreven en die u me cadeau hebt gedaan, heb ik aan mijn moeder gegeven. Ze heeft ze gelezen, en nou, ze vond ze waardeloos. ’Dat kan iedereen,’ zei ze, ‘dat heb ik ook allemaal meegemaakt.’” “Ik hou nu al van haar,” zei ik. “Ja,” zei Alies, “met haar hoef je ook nooit te vervelen.”

“Tachtig jaar,” zei ik, “dat is een hele tijd. Ik herinner me dat ik hier als kleine jongen wel eens langs kwam.” ”Dan hebt u mijn vader misschien gekend,” zei Alies.

“In Suriname verkocht mijn vader vliegers en schaafijs, maar in ­Nederland was daar niet zo’n markt voor. Toen is ie kapper geworden. Hij stond een paar stoelen verderop, naast een klein dik mannetje. Zelf was hij lang en dun.”

“Ik kwam hier niet langs om ­geknipt te worden,” zei ik, “maar met de tram.” Naar de kapper ging ik bij kapper de Boer in de Marieken van Nimwegenstraat. Op ­zaterdagmiddag. Dat kostte een kwartje geloof ik en dan werd je door een oude man met een handtondeuse hardhandig opgeschoren. Au.

Nadat ik mijn tompouce had opgegeten, rekende ik af en ging weg. “De groeten aan je moeder,” zei ik. “Doe ik,” zei Alies.

Alles wordt wel duurder maar niet goedkoper zei Gerard Reve lang geleden en nog steeds heeft hij gelijk. Bij de visboer stond ik naast een man die klaagde dat de vis steeds duurder werd betaald, van pieterman tot sprot, van heek tot spiering, duivel, wolf en griet.

“Je moet niet klagen, maar beter opletten,” zei de visboer. “Hoezo?” zei de man. “Nou,” zei de visboer, “de haring is goedkoper geworden.” En verdomd, kostte een haring vorige week nog tweevijftig, nu was dat tweedertig geworden.

We worden wel ouder maar niet jonger. Ook dat is nog altijd waar. ‘Je ziet het aan hun handen en hun ogen,’ schreef ik op mijn dertigste of daar omtrent.

Tegenwoordig heb je aan kale kop en kippennek genoeg om te zien dat het een aflopende zaak is. Het klaaguurtje dat aan alles vooraf gaat wordt steeds langer en als de klachten zich beperken tot PHPD heb je mazzel.

En dan ons tennis, laten we het over ons tennis hebben. Zo kort geleden nog maar joegen we de bal meedogenloos in alle hoeken, plukten we hem hoog uit de lucht voor een smash en werden we gevreesd om onze dodelijke volleys.

Als de dag van gisteren herinner ik me het toernooi waarin Jan en ik bijna de finale haalde door op het nippertje van twee topfitte dertigers te verliezen.

En nu? Voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. We zwaaien onze rackets, maar strompelen machteloos heen en weer op zoek naar de rally die maar niet komen wil.

Het regent dubbelfouten en de pauzes tussen de games duren inmiddels langer dan de games zelf. “Dat weten jullie niet,” zei Jan, “maar ik heb een video gemaakt en na afloop gaan we die bekijken en daarna uitgebreid analyseren.”

Langs de spoordijk fietste ik over de Archimedes-laan. Een paar jongetjes waren bezig een hut te bouwen, een citroenvlinder fladderde een eindje met me mee en bij kinderboerderij de Werf stond een meisje het schaap te aaien. Af en toe kwam er een trein voorbij.

Bij Zeeburgia kon ik niet verder of in ieder geval, zo leek het. Ik kom niet vaak in deze streken, maar ik wist dat ik als rechtdoor bleef gaan aan de Valentijnkade kwam, want daar heb ik eens een tennistoernooi gespeeld.

Eenmaal op de kade zag ik in de verte een huttendorp. Jongensland? Hoe vaak heb ik me niet voorgenomen daar eens een kijkje te gaan nemen. Al was het maar omdat je er misschien wel een stempel in je paspoort krijgen kon, maar nu ik vlakbij was, fietste ik door.

Langs de Tie Breakers, tot de hoek waar ik achter een hek Joodse grafstenen ontwaarde. Een uitloper van het Jodenmanussie bleek na enig speurwerk.

Een eindje verderop, bij Buurttuin Valentijn, stond zo’n ouderwetse ANWB paddenstoel. De ene zijde wees ‘Flevopark, Oost Indisch Groen, Zwembad’, de andere ‘Flevopark, Het gemaal, Jeugdland, Tennisbaan’. Jeugdland? Wat is er mis met Jongensland?

In het midden van de kade dreef een vlot waarop een meerkoet nestelde. Op de hoek van de Linnaeuskade en de Middenweg stak ik over naar de Transvaalkade. Op een zijmuur van de Hema las ik: ‘Wonen en winkelen/ Eten en drinkelen’, wat er niet stond, maar wat ik wel las.

Aan het einde van de Valentijnkade zag ik plotseling drie kamelen lopen. Een van de drie kamelen liep in zijn eentje een eindje voor de andere twee uit. Drie kamelen op een viaduct, in Oost. Ik stapte af om mijn ogen beter niet te kunnen geloven.

De Archimedesweg kwam als een verrassing. Frivole gebouwen met torentjes en tuintjes, erkers en balkons en camelia’s die net aan het uitvallen waren. Op een bankje in een tuintje voor haar huis zat een oude dame lekker in het zonnetje.

Normaal gesproken zou ik het niet in mijn hoofd halen om oude dames die op een bankje in het tuintje voor hun huis lekker in het zonnetje zitten lastig te vallen, maar als het om een Kleingelukje gaat, gaat geen zee me te hoog. Dus meldde ik me na een paar omtrekkende bewegingen aan haar hek om te zeggen hoe mooi ik de straat wel niet vond.

De dame was het helemaal eens. “Hoe lang woont u hier al?” zei ik. Vijftig jaar, en ze was 88. Eenmaal aan de praat vertelde ze me over haar achtertuin die vroeger een spoowegtuintje was geweest waar mannen van het spoor groenten verbouwden. “Maar op een gegeven ogenblik is het spoor daar mee opgehouden en konden wij het huren. Voor vijf gulden per jaar. Nu is het 85 euro. Nog niet duur.”

Als kind had ze al in de Watergraafsmeer gewoond, vertelde ze. “Op zondag gingen we de ene week naar Ajax en de andere week uit wandelen. Mijn vader was bouwkundige en wist van alles van over de huizen. Welk huis je niet moest kopen bijvoorbeeld.”

“En de andere zondag naar de Meer,” zei ik. “Nee,” zei de oude dame, “die bestond toen nog niet. We gingen naar het oude stadion. Dat stond waar nu het Christiaan Huygensplein is. Een houten stadionnetje.”

Van dat stadion had ik nog nooit gehoord. “Hoe heette het?” vroeg ik. De oude dame dacht even na en zei toen “Het Ajax stadion.”

Vlak voordat ik de rivier overstak, zag ik in een etalage aan de Ceintuurbaan een kleine Solex staan. Geen schaalmodel, maar meer een kindersolex, als die al bestaan.

Ik stopte om een en ­ander nader te bekijken, maar wat betreft de minisolex werd ik weinig wijzer. Wel wist ik de etalage bij een kapperszaak hoort die gedreven wordt door Salvatore Zeno.

Zeno, las ik, op zijn ‘Bediende diploma Herenkappersvak’ werd op 2 juli 1950 in Napels geboren en haalde zijn diploma in Loosdrecht, op 15 oktober 1978. Een leven in de notendop, zou ik zeggen, alleen die Solex kan ik niet goed plaatsen.

Een opgeheven halte later stak ik de rivier over. Ik was van plan naar het Muiderpoortstation te gaan om vandaar de spoordijk te volgen. Maar toen ik langs het Iepenplein fietste en daar in de verte het treinviaduct zag, stelde ik mijn plannen bij. Eerst de spoordijk naar het Muiderpoort, dan zag ik wel weer verder.

De spoordijk ligt aan de Tugelaweg en langs het talud loopt een laag hek waarop ik letters ontdekte die woorden maakten die deel uitmaakten van een vers, een vers over de Transvaalbuurt.

‘Een wijk waar geknikkerd werd en diefje met verlos gespeeld touwtje gesprongen/ waar het sabbatsmaal op vrijdag het hart van alles was familie en kippensoep warme drukte en snoepgoed/ een wijk waar je bij de winkels op de lat kon kopen/ en waar men elkaar hielp ondanks de armoede’.

De naam van de schrijver zag ik niet, maar het mooie vers is van K.Michel zag ik op internet. Ik had inmiddels de Polderweg bereikt en dacht aan de bewoners van de Transvaalbuurt die hier vandaan zijn weggevoerd. Eerst naar Westerbork, vandaar naar de dood.

Wat me opviel in de bus van Zaandam naar het Centraal Station was dat ­alles onderweg zo meedogenloos lelijk was.

De Zaandamse ­Wibautstraat met zijn oude nieuwbouw en versteende voortuintjes, de industriewijken aan de rand van de stad, de parkeerplaats bij voetbalclub de Zilvermeeuwen, zelfs het partycentrum maakte een troosteloze indruk. Pas toen ik bij vlagen het IJ kon zien, ging het beter.

Op een grote loods stond ‘euro 15-10 dozen medium’, een mededeling waarmee je voor de dag kunt komen. Nadat ik bij de Schreierstoren was uitgestapt, nam ik de Oudezijds Kolk, achter de Sint Nicolaaskerk langs.

Overdag is het hier merkwaardig stil. Het verkeer op de Prins Hendrikkade hoor je niet en de Zeedijk laat zich niet horen. Ik loop hier graag, temeer daar het vervolg van de wandeling zich al begint af te tekenen.

Eerst de Zeedijk oversteken en je dan afvragen waar Tattoo Pete ook alweer zat. Hier, in de Nieuwe Brugsteeg, waar ook café Schagen zat of toch in het Wijngaardsstraatje?

Op de hoek met de Oudezijds Voor zat in ieder geval café Montparnasse, nu café de Hartjes, waar Kees van Beijnum eens een gezamenlijk te schrijven boek over de Buurt van start wilde laten gaan middels een uitgebreid interview met Japie.

Japie was het factotum van Montparnasse, en van de meisjes die de naburige ramen bevolkten. Japie had prachtige verhalen die hij prachtig kon vertellen, maar nadat Van Beijnum de knop van de bandrecorder had ingedrukt, zei Japie niks.

Het enige wat hij deed, was rillen en beven en zweten. Bier hielp niet, een koetsiertje hielp niet en “morgen nog een keer proberen?” ook niet. “Nee,” zei Japie. Het was zijn bijdrage aan een niet geschreven boek.

Harry Mulisch, van ‘telefoon voor meneer ­Mulisch’, u weet wel, kon tot zeven cijfers achter de komma nauwkeurig voorrekenen hoe groot de kans was dat negenenveertig mensen op een bepaald ogenblik samen in de 7 door de Leidsestraat reden.

Hoe groot de kans was dat ik twee weken nadat we elkaar voor het ontmoet hadden samen met Inez van Eijk in een taxi van Hilversum naar Amsterdam belandde, weet ik niet, maar het gebeurde.

Op het etentje van het dispuut waarvan ik deel uitmaak en waar we samen hadden aangezeten, was zo het een en ander gedronken en zij had zich zorgen gemaakt of iedereen wel veilig thuis was gekomen.

“Natuurlijk,” zei ik, “niemand die nog dronken in een auto stapt en bovendien, bijna niemand van ons heeft een rijbewijs.”

Inez had wel een rijbewijs en dat had ze al in de tijd dat het nog heel gewoon was dat mensen met een slok op in de auto stapten. “Ik had zo’n klein Fiatje,” zei ze, “met een linnen dak en daarmee ben ik na een paar glazen sherry, onvoorstelbaar, maar dat dronk je in die tijd, een keer over de kop geslagen. In de Leidsestraat.”

Van schrik minderde de taxichauffeur vaart. Hij kon zijn oren niet geloven, ik ook niet. Het was een heel verhaal, met stoplichten, een aanrijding en politie die, en dat was de pointe van het verhaal op geen enkele manier had onderzocht of er drank in het spel was.

“Wanneer was dat?” zei ik. Het was in 1962 of daaromtrent. In de tijd in ieder geval dat mijn vriend een witte Chevrolet Impala ­bestuurde, waarin we een zomer lang iedere zomeravond met open dak de Leidsestraat op en neer ­reden.

Een tijdje terug heb ik eens beschreven hoe ik uit de krochten van mijn ­geheugen het woord ‘Schuko’ opdiepte.

Wat ik er toen niet bij kon vertellen, was dat een al wat oudere man, iemand van mijn leeftijd zal ik maar zeggen, zich door mijn stukje plotseling herinnerde dat hij in een kast op zolder nog een paar Schuko’s had staan, en dat hij, nadat hij ze had gevonden de hele middag met zijn auto’tjes had zitten spelen.

Zelf kreeg ik een paar weken geleden een walsje van Dinky Toys opgestuurd. Het was hetzelfde walsje als het walsje dat mijn ­vader in 1948 voor me meegebracht had uit Londen. Ik was toen 5. Zeventig jaar later hield ik het walsje in mijn hand. Groen, met rode wielen, een rode stip op zijn neus en een geel mannetje om het te besturen.

Omdat we iets te vieren hadden, had ik dezelfde dag van mijn geliefde een piepklein zeilbootje gekregen, een blauw kajuitjachtje met een groen kajuitje en een blikken zeiltje met een zwarte A erop. Uit de boekenkast had ik het zilverkleurige Dakota’tje gepakt dat daar al jaren staat en de drie vervoermiddelen had ik in een kring op tafel gezet.

Ik had het walsje een zetje gegeven en terwijl hij een kaarsrecht stukje over de tafel reed, herinnerde ik mij ineens dat het een zwenk­wieltje had. Ik pakte het walsje van de tafel en controleerde of mijn geheugen mij niet ­bedroog, maar het was waar. Na zeventig jaar had het walsje zijn zwenkwiel terug.

“Ons geheugen zit vol zwenkwieltjes,” zei de vriend die ik het verhaal verteld had. “Duizenden, honderdduizenden, miljoenen zwenkwieltjes. We zijn ze vergeten, maar ze zijn er. De vraag is, hoe vinden we ze terug?”

April, de aanloop naar de meidagen, is de maand van verhalen. ‘Kom vanavond met verhalen’, dichtte Leo Vroman lang geleden. We luisteren naar hem en verhalen hoe de oorlog is verdwenen.

Op de expositie Rapenburgerstraat 1940-1945 in het Stadsarchief werd ik aangesproken door Jo Robles. In mijn boek bij de ­expositie schreef ik dat Hijman Robles en Celina van Cleef een kind zouden hebben gehad dat de oorlog zou hebben overleefd en nu stond dat kind, iets ouder geworden, voor me.

Jo Robles kwam via boek en ­expositie te weten dat hij op 10 ­augustus 1942 niet in het huis van zijn grootmoeder was geboren, maar in de Rapenburgerstraat, op nummer 16 driehoog voor. Zijn ­vader, Hijman Robles, drukker van beroep, werd op dinsdag 7 juli 1943 naar Sobibor gedeporteerd en daar op 10 juli 1943 meteen na aankomst vermoord.

Celine van Cleef en haar zoontje werden in maart 1944 opgepakt en naar de Hollandsche Schouwburg ­gevoerd. Celine van Cleef werd op 24 maart 1944 naar Westerbork ­gedeporteerd en vandaar op 5 april 1944 naar Theresienstadt.

Jo Robles, toen anderhalf, werd uit de crèche gered en naar een onderduikadres in Zaandijk ­gebracht. Na verraad kwam hij voor de tweede keer in de ­crèche van de Hollandsche Schouwburg en voor de tweede keer werd hij bevrijd en naar een onderduikadres gebracht, deze keer in Purmerend. Na de bevrijding werd hij met zijn moeder herenigd.

Later die avond ontmoette ik Ben Manasse die in 1943, hij was toen 4, was ondergedoken. Toen hij op 5 mei 1945 weer op straat kwam, zag hij overal vlaggen wapperen. Voor hem dacht hij, want die vijfde mei 1945 vierde hij zijn zesde verjaardag.

Café Krom bevindt zich op de hoek van de Utrechtsestraat en de Kerkstraat. Ik kom er wel eens. Het is een mooi, eigentijds café, dat hier en daar voorzichtig laat doorschemeren dat het al langer bestaat.

In de jaren zeventig was Krom een buurtcafé. Het was er donker en als iemand en kwartje in de jukebox gooide, was de kans groot dat je een aria van Puccini te horen kreeg, of een riedeltje operette. Als Krom open was, had je mazzel, want vaak had de baas geen zin en hield hij de deur op slot.

Nog meer mazzel had je als, met een taxi, Sylvain Poons voor de deur werd afgezet. Sylvain Poons zag er oud en breekbaar uit. Hij droeg een geruit jasje en een fleurige das en zat altijd aan hetzelfde tafeltje aan het raam.

Sylvain Poons was een beroemd acteur en een nog beroemdere zanger. ­Samen met Heintje Davids zong hij Omdat ik zoveel van je hou: ‘Jij bent niet mooi/ Je bent geen knappe vrouw/ Je nagels zijn voortdurend in de rouw/ Toch wil ik van geen ander weten/ Omdat ik zoveel van je hou’.

In zijn eentje zong hij Sally met de roomijskar: ‘Ik ben Sally, goocheme Sally/ Die de mensen op zijn duimpje kent/ Hoeveel mensen in de rats/ Heb ik van mijn kleine krats/ Nog wat gegeven/ Zal ik leven.’ Vooral dat ‘zal ik leven’ vind ik mooi.

En samen met Oetze Verschoor zong hij de Zuiderzeeballade met de onsterflijke regels: ‘Jongen dat is een gelukkie/ Ik was dat prentje jaren kwijt/ ‘k Heb nu weer een heel klein stukkie/ Van die goeie ouwe tijd’.

Sylvain Poons aan zijn tafeltje staarde naar buiten en dronk een borrel. Totdat de taxi hem kwam halen.

Als ik op Sloterdijk in de 12 stap, verheug ik me op de muurreclame in het dorp met de woorden ‘C.Otter/ Aardappelen/ alleen hier’.

Zou er nog wel eens iemand aanbellen voor een mud droogkokers?

Als ik dat denk, bedenk ik ook dat ik eens moet gaan kijken of het stadhuis waar mijn ouders in 1940 zijn getrouwd er nog staat, en waar het paadje naartoe gaat waar de mensen die de kantoren hier bevolken zo graag een wandelingetje maken.

Ik heb een tijdje gewerkt in een woestijngebied nabij het niet bestaande Hoofddorp. Om daar te komen, bracht mijn geliefde me vaak naar Station Sloterdijk. Op een ochtend zei ze terwijl ze om zich heen keek: “Je zal hier maar moeten werken.” Die uitspraak mag ik graag citeren.

Toen ik van de trap afdaalde richting tram liep naast mij een man te bellen. “Voor een tientje kan je dus onbeperkt bellen tot 30 euro?” zei hij. “Klopt dat?”

Nog in zijn raadselen gehuld, wilde ik in de tram stappen toen ik plotseling zag dat het de 14 was in plaats van de 12. “Zeker verdwaald,” zei de vrouw die ook de 12 moest hebben. Eenmaal in de tram werd omgeroepen dat we konden overstappen op de 14. “Hij rijdt leeg achter ons.” Waarom wist de conductrice niet. Iets bij de Roëllstraat, dacht ze.

Inmiddels was er aan de andere kant van het gangpad een oude Chinese man komen zitten die diep onder zijn pet verscholen zat. Ik zie vaak Chinezen, dacht ik terwijl ik naar huizen keek die buiten voorbij schoven.

Pas ter hoogte van het Concertgebouw keek ik weer naar het bankje waar de Chinees zat. Hij zat er nog steeds, maar was inmiddels 60 jaar jonger geworden.

Op een dag, het zal in het begin van de tweede helft van de jaren zestig zijn geweest, kwam K.Schippers tot de ontdekking dat iedereen wel een kunstje kon.

De een kon zijn oren laten bewegen of er een knoop in leggen, de ander tikte het Wilhelmus op zijn tanden of kon met zijn tong het puntje van zijn neus aanraken, maar iedereen kon wat.

Goed idee voor een tv-programma, en zo kwam het dat we met een stel vrienden bij Mies Bouwman onze kunsten mochten vertonen om haar kijkers aan te sporen ons hun kunstje te laten weten.

Een week later stond er een postzak met briefkaarten in de gang. Weer een half jaar later begonnen de opnames voor het tv-programma dat Kijk Mij Eens ging heten en als voorfilmpje werd vertoond bij Showroom van Jan FIllekers.

Tijdens de opnamen in gebouw Felix Meritis bleek dat veel van de deelnemers niet alleen hun kunstje in de aanbieding hadden, maar ook een act waarvan ze hoopten dat wij die op de televisie konden krijgen.

Zo herinner ik me een kale man die plotseling als vrouw verkleed echter een strijkplank stond en ‘Dolle, dolle Mina, dolle, dolle Dé’ begon te zingen.

Op zo’n middag bleek Shireen Strooker ook in het gebouw te zijn. “Ik heb wel eens gehoord,” zei ­regisseur Bob Langestraat, “dat ze haar tieten onafhankelijk van elkaar bewegen kan.”

We keken elkaar aan. “Dan gaan we dat toch vragen,” hakte Schippers de knoop door.

Met lichte gêne vervoegden wij ons bij de fonkelogige actrice, waarna ze van Schippers de opzet van het programma kreeg uitgelegd. “En nu hoorden we dat jij je borsten onafhankelijk van elkaar bewegen kan,” besloot hij.

“Ja,” zei Strooker, “dat kan ik. Maar ik doe het niet.”

Toen ik buiten kwam, slingerde zich een pad van roze prunusbloemen over het trottoir en ging de stad gehuld in een waas van groen. Het was geen middag meer, maar nog geen avond.

Ik ken iemand die nadat ze op een ochtend ontwaakt was en zich ­gereed had gemaakt om naar haar werk te gaan pas bij het Centraal Station tot de ontdekking kwam, dat het geen ochtend maar avond was. Die avond moet geleken hebben op de avond die nu, zoveel jaar later bezig was aan te breken.

Ik fietste langzaam door de stad, ik had geen haast. Ik keek naar de mensen die op weg naar huis ­waren, en van wie de meesten wel haast leken te hebben. Al was het maar omdat er hevige regenbuien op het programma stonden. Maar voorlopig was het droog.

Ik rondde het Weteringcircuit en ging in de Nieuwe Vijzelstraat meteen de Lijnbaansgracht op. Fijne gracht met fijn zicht op de achterzijden van de Weteringschans, en de verwachting van de bruggen van de Reguliersgracht die altijd weer verbazen.

Op de Prinsengracht stond een kleine sering in bloei. Aan andere kant van de rivier, op de Nieuwe Keizersgracht, verliet een jonge vrouw het gebouw waarin tijdens de bezetting de Joodse Raad was gevestigd. Om de een of andere reden deed het me huiveren.

In de Henri Polaklaanlaan zong ik van ‘Henri Polak is me neef/ want als Henri Polak me neef niet was/ kreeg ik geen geld uit de stakingskas’ en bewonderde ik de grote sering die er uitbundig te bloeien stond. Even later zat ik op het terras waar ik wezen moest. “Heeft u espresso?” zei ik tegen de vrouw in de bediening. “Jazeker,” zei ze. “Melk en suiker?”

Aan de zonnige kant van de Keizersgracht stond een grote tafel waarop een uitgebreide lunch was uitgestald. Ik zag kannen voor koffie en thee, pakken melk en karnemelk, sinaasappelsap en ijsthee, schalen met broodjes, van puntjes tot tijgerbollen, kaas in ­diverse gradaties van oudheid, ­leverworst, gekookte worst, ham.

Er was nauwelijks van gegeten en geen mens te zien. Wel zag ik vrachtwagens en hoorde ik een­ ­generator, waaruit ik afleidde dat ik waarschijnlijk te maken had met de lunch van een filmcrew die geen honger had. Zelf had ik ­helaas ook geen trek, want wat had ik me graag aan de tafel vergrepen.

Een eindje verderop zaten twee dames van zekere leeftijd in de vensterbank van curiosawinkel de Kat Kamer iets vets te eten uit een papieren zak en nog weer iets verderop, op de hoek met de Nieuwe Spiegelstraat, stond een zeer kale man in een zwarte cape die een ­ingelijste prent van een stilleven met bloemen en fruit onder zijn arm hield.

Wonderlijk, dacht ik, hoe alles plotseling in het teken van eten kan gaan staan.

Gelukkig zag ik net op dat ­moment hoe een vrouw met een plantenspuit een witte poes uit haar geveltuintje joeg.

Eenmaal op het Stadsarchief wilde ik naar huis bellen. Nadat ik mijn prepaid Nokia met beltegoed tevoorschijn had gehaald, barstte er hoongelach los. “Daar kan je helemaal niet mee bellen,” zei ­iemand, “hij doet alleen maar alsof.”

De wereld blijft min of meer hetzelfde maar telefoons veranderen sneller dan je bellen kan. In het begin van de jaren zestig toen we nog bakelieten toestellen aan een snoertje hadden, zag ik eens iemand met zo’n apparaat in zijn hand staan telefoneren in de Leidsestraat. Hij deed alsof, maar was zijn tijd vooruit.

In haar boek Een Eigen Plek vertelt Sera Anstadt hoe zij tussen 1930, toen zij met haar ouders en haar broer vanuit Polen in Amsterdam aankwam en de Duitse inval in mei 1940 zeven keer is verhuisd.

Dat lijkt veel maar is het niet. De familie van de schrijver Bordewijk verhuisde zo vaak, schreef W.F.Hermans, dat ze een keer zonder het meteen te merken in een huis ­belandden, waar ze al eerder hadden gewoond.

Volgens de overlevering hadden huisbazen in die dagen zo’n gebrek aan huurders, dat ze als ze er een vonden de boel gratis liet schilderen en behangen. “Als de mensen een nieuw behangetje wilden, gingen ze verhuizen,” zei mijn moeder die zelf een verschrikkelijke hekel aan verhuizen had.

Net als ik trouwens. Ik ben dan ook maar zeven keer verhuisd.

Toen de familie Anstadt in de Blasiusstraat ging wonen, kwamen de overburen twee broden brengen. Omdat er geen gordijnen hingen, dachten ze dat de familie heel arm was.

‘Mijn moeder,’ schrijft Anstadt, ‘had nog geen ­vitrage opgehangen, maar wél ­balatum neergelegd, wat ze in een nieuwe woning altijd van tevoren deed.’

De familie Anstadt woonde eerst in de Oude Blasiusstraat, die bekend stond als de Vieze en later in de Nieuwe Blasiusstraat die bekend stond als de Poolse. De Poolse Blasiusstraat lag als ik het goed heb gegrepen aan de kant van de Amstel, de Vieze voorbij de Weesperstraat. De Oude en de Vieze, de Nieuwe en de Poolse, zouden de benamingen nog leven?

Toen ik voor het laatst verhuisde, bleek Sera Anstadt in onze nieuwe buurt te wonen, maar over de verschillende Blasiusstraten kon ik haar niet vragen, want haar boek had ik niet gelezen. Nu ik het gelezen heb, is het te laat.

In Saigon logeerde ik in ­kamer 233 van het Continetal Hotel aan Dong Khoi, de voormalige rue Cantinat. Niets in het hotel herinnerde aan het verblijf van Graham Greene, voor mij toch de reden om voor dit hotel te kiezen.

De eerste avond liep ik in de schemering onder de vleermuizen in de richting van de Saigon-rivier toen als uit het niets een jonge vrouw op mij toe stapte. “I. Myself. For you. Alone,” zei ze.

Ik stond paf. In de loop van mijn leven ben ik heel wat keren door prostituees benaderd en wat mij altijd heeft verbaasd, is dat ze zelden of eigenlijk nooit voor een originele aanpak kiezen.

Een vriend die in een hotel in Tunis logeerde, werd eens midden in de nacht gewekt doordat er in de hotelgang op de deuren werden gebonkt. Even later zong een meisjesstem “C’est l’amour qui passe.”

De liefde kwam voorbij, maar dit is de andere uitzondering. Verder klinkt het in alle talen “Schatje, ga je mee,” al dan niet ­begeleid door een obsceen gebaar.

Ten tijde van Philodemos van Gadara, dichter uit de laatste eeuw voor Christus ging het anders, in een van zijn gedichten in elk geval. In de vertaling van J.P. Guépin begint het zo: ‘Hé dag – hallo – hoe heet je dan – en jij – loop niet zo hard van stapel’ en eindigt het met ‘en wanneer kom je dan bij me – nu als je wilt – ik wil meteen vooruit, we gaan.’

In Good-bye To All That schrijft Robert Graves dat de meisjes in Londen als openingszin ‘Tref me straks op Piccadilly’ gebruikten.

Als de Engelse en Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog elkaar ’s morgens met een salvo van de mitrailleur vanuit de loopgraven begroetten, ratelde de Engelse mitrailleur op het ritme van die openingszin waarop de Duitse mitrailleur antwoordde met: ‘Ja, maar zonder onderbroek.’

Wie mij kent, kent mij in een blauwe trui, een broek van Dockers en daar onder een paar stevige schoenen. Wat vrijwel niemand weet, is dat ik een trui heb waarin ik werk, een trui waarin ik de straat op ga, dat ik een baktrui heb, een uitgaanstenue en een optreedpak. Ik draag altijd hetzelfde, maar dezelfde kleren zijn het niet.

Vorige week had ik een eetafspraak en daarom had ik me in uitgaanstenue gestoken. Toen ik mijn OV-chipkaart uit de zak van mijn straatbroek wilde pakken, bleek de broek verdwenen, spoorloos, OV-chipkaart en al. Nou ja, dacht ik op weg naar de tramhalte, dan koop ik een kaartje. Iets duurder, maar Bruin zal het wel trekken.

Het eerste wat ik zag toen ik met vijf euro biljet in de hand bij de bestuurder van de 5 instapte, was het bordje ‘hier alleen pinnen’. Pinnen zonder pinpas is moeilijk, dus ik vroeg of ik ook met geld kon betalen, maar nee, dat kon niet, al heel lang niet meer.

Ik mengde mij onder de andere passagiers en al zwartrijdend overwoog ik de situatie. Op het Leidseplein moest ik verder met de 10 en in de 10 heb je wegens conducteur een kaartje nodig. Hoe kwam ik aan een kaartje?

Eenmaal op de halte vroeg ik aan een jongen of hij met de 10 ging. Dat ging ie. En of ie dan een kaartje voor me wilde pinnen. Dat ging niet, want hij had zijn pasje niet bij zich. Twee pinpasloze mensen op één halte, het zal niet vaak voorkomen. Na enige aarzeling zei de vrouw die ik vervolgens aansprak, “Nou vooruit dan maar.”

Voor de terugweg kreeg ik de OV chipkaart van mijn roodharige tafeldame te leen. Ondergronds reizend met valse papieren was ik als de dood om voor Hanny Schaft versleten te worden.

In de serre van café Ménilmontant, aan de place de Ménilmontant, twintigste arrondissement, Parijs, Île de France, Frankrijk, Europa, ­wereld, heelal, zat een meisje aan de thee.

Nadat ze een tweede kopje had ingeschonken, haalde ze uit een elegant papieren tasje een paar hoge hakken tevoorschijn, dat ze vervolgens aan haar telefoon liet zien tegen wie ze ook praatte. Een en ander maakte haar zo te zien heel gelukkig.

Op weg naar het Zonderbroeken restaurant waar we omdat ze ook in Parijs waren met Eddy en Henriëtte hadden afgesproken, konden we op een straathoek een kwartier lang niet oversteken omdat er honderden mannen in de menopauze op motorfietsen voorbij reden.

Het was een demonstratie. Ze mochten in woonwijken de knalpot niet meer laten knallen en geen 150 in het uur meer rijden, en vandaar.

Zodoende arriveerden we in het restaurant wat aan de ­late kant, maar Eddy en Henriëtte waren nog later. Eenmaal op straat was Eddy niet vooruit gekomen. Nadere inspectie leerde dat het kwam omdat hij zijn rechtervoet in zijn linkerschoen had gestoken en omgekeerd. “Echt waar?” zei ik. Echt waar.

Zo kregen we het over schoenen en over een vriend van mij die eens met ongepoetste schoenen op een begrafenis was verschenen, wat hem zeer kwalijk was genomen. Van daar naar het canal Saint Martin was maar een stap.

Eddy vertelde dat zij wat gedronken hadden in het Hotel du Nord. “Dat is,” zei hij, “vernoemd naar een oude film met Jean Gabin, de affiche uit 1938 hangt er nog.”

Toen ik uitgelachen was, vertelde ik hoe opmerkelijk ik het vond dat als het tennisseizoen ten einde loopt de blaadjes altijd van de bomen vallen om als het tennisseizoen begint weer terug te komen.

Als wij, in Parijs aangekomen, met bus 26 in de richting rijden van het
appartement dat wij ­huren, passeren we in de rue ­Simon Bolivar een doorgang waarin zich het begin aftekent van een trap die zich laat aanzien als steil en hoog.

Geen idee waar hij heen gaat. Naar het aanpalende park Buttes-Chaumont? Maar nee, dat kan niet, want er loopt een weg langs het park. Er moet zich dus iets bevinden tussen de huizen aan rue Bolivar en de weg langs het park, en dat iets kan je bereiken via de trap.

Na jarenlang dubben besloten we eens te gaan kijken. Onder aan de trap keek ik omhoog en dacht aan andere overtreffende trappen. Die in het metrostation Abbesses bijvoorbeeld, waar halverwege een bordje hangt met de tekst ‘Sterkte, meer dan 75 treden.’

Boven aan de Bolivartrap bleken we op de Butte Bergeyre beland. Eens bevond zich hier pretpark Les Folles Buttes, nu is het een woonoase op een berg in de stad. We liepen door de stille straten en belandden op een bankje met een schitterend uitzicht op Montmartre.

De merels lieten hun merelzang horen en de wijngaarden lagen er prachtig bij. Na een tijdje verschenen een man, een vrouw en een meisje van een jaar of vijf.

De man wees naar de Sacré Coeur. “Wat zie je daar?” zei hij tegen het meisje. “Versailles?” zei ze. Wij lachten mee. “U zit,” zei de man tegens ons, “op wat beschouwd wordt als een van de mooiste bankjes van Parijs.” “En daar hebben we recht op,” antwoordde ik.

Later, op de Buttes-Chaumont, zagen we een vrouw die iets zocht en vervolgens wegsneed uit het gras. “Wat zoekt ze,” zei ik. “Haar lenzen,” zei mijn geliefde.

Geen stad zo zwart-wit als Parijs. Het zal te maken hebben met de zwart-witalbums van fotografen als Doisneau, Izis, ­Ronis, Brassaï die in de loop van de tijd de stad zijn kleur hebben ontnomen.

Maar misschien zien we geen kleur, ook niet als we goed kijken. In Kleuren van de stad, het poëtische voorwoord van Jacques Prévert bij het boek Kleur van Parijs van Peter Cornelius, zegt hij: ‘Kleuren van Parijs./ De daken van de Opéra zijn groen, de Moulin Rouge is rood en Notre Dame is grijs en de Sacré Coeur wit./ Maar de Parijzenaar ziet die kleuren niet meer, hij zit er alsmaar in.’

Ik ben maar af en toe in Parijs, maar ook ik heb moeite met de kleur. ‘De kleuren van het canal Saint Martin,’ schrijft Prévert: ‘overzees blauw, buitenaards blauw en van de mooie Donau blauw als de Donau blauw is.’

Wij slaan het canal Saint Martin nooit over, maar blauw heb ik het, geloof ik, nooit gezien. Wel muisgrijs en olijfgroen en modderig.

Nee, dan de bloemenwinkel op de hoek van de rue de Pyrenées en place Gambetta. We nemen de bus aan de overkant om er een tijdje naar te mogen kijken, naar het fluweelrood van de bossen gladiolen, het cadmium van de ranonkels, het Delfts blauw van de ridderspoor.

Hoger in de wijk staan meisjes met kunstig geschikte bosjes narcissen die over enkele weken plaats zullen maken voor bosjes seringen. Voor de kleuren van groenten en fruit in de vier seizoenen op de markt van de rue Mouffetard om twaalf uur ’s middags geef ik nog één keer het woord aan Jacques Prévert: ‘Rood kers, geel citroen, oranje oranjeappel, groen appel en roze radijs.’

Geen stad zo vol van kleuren als Parijs.

Op de Nevski Prospekt in Sint-Petersburg, bij de ingang van het Majakovskaja-metrostation als ik me goed herinner, kocht ik eens, van een kleed, een ingebonden jaargang van het Franse kindertijdschrift La Semaine de Suzette.

Omdat het de jaargang 1909 betrof, trof ik tussen de strips, ­rebussen en feuilletons een bouwplaat aan van de Blériot XI, het toestel waarmee Blériot op 25 juli van dat jaar het kanaal overstak.

Ik blij en terug in het vaderland meteen een paar stevige vellen papier gekocht om het vliegtuigje in ­elkaar te knutselen. Het ontroerend onhandige toestel staat sindsdien op een boekenplank in mijn werkkamer.

Om de Blériot XI in het echt te zien gingen we naar het Musée des arts et métiers in de rue Réaumur in Parijs, want daar hangt ie. Een heerlijk museum, het Musée des arts et métiers, al moet je wel van stoommachines, scheepsmodellen, locomotieven en oude vliegtuigen houden.

De Blériot XI bleek groter dan het model op mijn werkkamer, maar niet eens zo heel veel groter. Het blijft een raadsel hoe ze met zo’n constructie van houten spanten en zeildoek de zware motor ooit de lucht in hebben gekregen.

Na Blériot bezochten we de Slinger, de Slinger van Foucault die hier om te bewijzen dat de aarde om zijn as draait rustig heen en weer zwaait en haast ongemerkt met de klok mee van links naar rechts opschuift.

Terwijl we daar zo stonden te kijken, voelde mijn geliefde plotseling dat de aarde niet alleen onder de slinger maar ook onder haar aan het draaien was. Een soort zeeziekte met duizelingen en misselijkheid was het gevolg.

Ik vond het naar voor haar, maar tegelijkertijd voelde ik me dichter bij haar dan de aarde ooit geweest was.

‘Als je zwanger bent,” zei Marcel van antiquariaat Feniks laatst, “zie je overal zwangere vrouwen.” Hoe hij dat wist, weet ik niet, maar het is wel waar. Omdat we naar Parijs gaan, is Parijs overal.

Zo vond ik bij ­Feniks een stadsplattegrondje van Parijs, waarin de plattegronden helaas ontbraken, maar waarin wel 127 tramlijnen stonden vermeld, plus een funiculaire van place de la République naar Bellevile via de faubourg du Temple. Wanneer zou dat geweest zijn, vroeg ik me af.

In stadsplattegronden staat nooit een datum, zo gaan ze een jaartje langer mee, maar na enig zoeken vond ik de mededeling dat Parijs 720 kilometer bij Petrograd vandaan ligt. Sint Petersburg heette Petrograd tussen 1914 en 1924. De funiculaire naar Belleville is in 1924 opgeheven, waarmee het tijdvak stevig afgebaand is. Voor wie het interesseert: koetsjes rekenden 75 cent per 645 meter.

Omdat Eddy en Henriëtte ook naar Parijs gingen, Parijs is overal, ging ik bij ze langs. Nadat ik de bloedrode bloemen van hun ­camelia had bewonderd, vertelde ik over de 127 trams. “Reed de metro toen al?” zei Eddy. Na mijn bevestigende antwoord, vertelde hij dat hij een keer op een lijntje tussen Tunis en Carthago oude metrostellen had zien rijden. Daar kon ik makkelijk overheen.

“Op Corfoe,” zei ik, “zat ik eens in de bus toen de chauffeur vroeg of ik misschien uit Nederland kwam. ‘Jazeker,’ zei ik en toen zei hij dat ik in een bus van Maarse en Kroon zat en dat ik dus vast wel wist hoe hij hem in zijn achteruit moest krijgen.” Maar een wereldreiziger als Eddy Posthuma de Boer laat zich niet makkelijk aftroeven. “In Ghana,” zei hij, “nam ik eens een bus met bestemming Heerenveen.” Einde van dit palaver.

Omdat ik in de Nationale Pakken Loterij een pak gewonnen had, begaf ik mij naar de P.C. Hooftstraat om het aan te laten meten. De winkel waar ik zijn moest, is genoemd naar zijn eigenaar die een naam draagt die op twee manieren uitgesproken wordt.

Om een en ander te verduidelijken heb ik een aa-bb versje op hem gemaakt, en dat gaat zo: ‘René Froger/ koopt zijn pakken bij Oger./ De broer van mijn tante Gré/ gaat liever naar Oger.’ Waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

In een pakkenwinkel spreek je over pakken. Dus vertelde ik over mijn vader die in de fabriek waar hij ons dagelijks brood verdiende tussen de machines doorliep in een maatpak dat hij op de een of andere manier vlekkeloos wist te houden.

Zijn pakken kocht hij bij Diks, in de Leidsestraat , zijn overhemden liet hij maken bij Sinemus, een eindje verderop. Mijn vader rookte Three Castles uit een kartonnen doosje, maar als ik thuis was, wilde hij een shagje van me draaien.

“Zal ik het voor je doen?” zei ik dan, maar nee, nee, nee, dat deed hij zelf of dacht ik soms dat hij dat niet kon? Toen hij dood was, heb ik zijn overhemden uit de kast gepakt en een voor een bekeken. Ze hadden allemaal minstens een brandgaatje.

“Ik heb,” zei ik tegen de vriendelijke jongeman die mij mijn pak aanmat, “van mijn achttiende tot mijn negenenzestigste geen pak of jasje gedragen.” “Waarom niet?” zei hij. “Omdat ik mijn smaak niet betalen kon,” zei ik.

De grote ruit van de verdieping waar wij stonden, keek uit op de P.C.Hooft, de duurste straat van heel de stad, maar ik herinner mij dat aan de overkant een groentenwinkel zat.

Als je het hekje van de Hortus eenmaal door bent en de stad achter je hebt gelaten, waan je je in een exotische wereld waar alles anders is. Hier bloeien de azalea’s zalmroze en zijn dagpauwogen nooit ver weg.

Het grind op de ­paden knerpt onder je voeten en als altijd denk ik terug aan de verrukkelijke zomer dat de paden blauw gekleurd waren en zich als beekjes door de tuin slingerden. Ik heb toen een paar blauwe steentjes meegenomen als herinnering. Waar zijn ze gebleven? Verdwenen als de sneeuw van weleer?

Hoe vaak zullen we met onze kleindochter naar de Hortus zijn geweest? Ze was dol op de gietijzeren wenteltrap en de omgang in de oude palmenkas, waar ik onveranderlijk overvallen werd door hoogtevrees. In Florence bezochten we eens de koepel van de Santa Maria del Fiori van Filippo Brunelleschi, u weet wel, de uitvinder van het ei van Columbus.

Een deurtje gaf toegang tot de omgang in de koepel. Onverschrokken deed ik de stap voorwaarts om vervolgens achterwaarts brakend als een poes terug te deinzen. Kleinkind zou waarschijnlijk over het hekje zijn gaan hangen om eens goed naar beneden te kijken.

Ook mooi waren de lijsten van planten met dieren in hun naam die zij aanlegde samen met haar grootmoeder: ‘wolfsmelk, muizendoorn, muizenoor, muurleeuwenbek, kattendoorn, hondsdraf, hondstand, wolfskers, gestreepte ooievaarsbek, bevertjes, beerwortel, hertsmunt, adderwortel, veldhondstong, wilde kievitsbloem, koeieoog, schildpadbloem, kattekruid, kattesnor, slangenkruid, paddelelie, hazenzegge, grote ratelaar, zeewolfsmelk, hertshoornweegbree, geelwitte ossentong, schapenzuring, schermhavikskruid, hazenpootje, dagkoekoeksbloem, zwaluwtong, reigersbek.’

Daarna gingen we naar de vlinderkas, om naar de poppen te kijken en naar de grote blauwe vlinders die lui voorbij zeilden om even later neer te strijken op een sinaasappelpartje. Lente in de Hortus.

‘Ga naar de markt/ koop een koe/ stukje pens/ voor de zieke mens/ stukje longen/ voor de zieke jongen/ stukje lever/ stukje toe’ en dan kriebelde je elkaar in de hand in het klapspelletje dat ik lang geleden in bed met mijn moeder speelde.

Nu zit ik in lijn 3 richting Zoutketen en kijk naar buiten, en naar rechts, want bij de halte Museumplein zie ik dan het Rijksmuseum, aan het einde van de Overtoom het torentje van Americain, bij de Kinkerstraat de toren van de Oude Kerk, bij de Clercqstraat de Westertoren, bij het Hugo de Grootplein het torentje van het politiebureau aan de Marnixstraat, aan het einde van de 1e Hugo de Grootstraat de torens van der Zaaier op de Rozengracht, op het Frederik Hendrik Plantsoen vier trams die elkaar net niet in de staart bijten, op het Marnixplein de Oude Wester, bij de Brouwersgracht de Oude Kerk en vanaf de halte Haarlemmerplein de torens van de Posthoorn.

Eenmaal op de Haarlemmerdijk begint het spelletje opnieuw, dit maal met de Baanbrugsteeg, de Binnen Dommersstraat, de Mouhaansteeg en de Binnen Oranjestraat, straten en stegen die aflopen naar het water van de Brouwersgracht.

“Hier kan je goed zien dat je op een dijk loopt,” zei mijn vader dan.

Voor de Sint Antonia school voor Meisjes naast de Posthoorn staan drie meisjes te roken en gillend met elkaar te lachen.

Vanuit zijn anonieme en smetteloos witte bestelautootje dat half op de stoep geparkeerd staat, zit de Marokkaanse chauffeur met emigratie- achtergrond en een kleurtje het­ ­allemaal aan te kijken.

“Volgens mij zijn ze stapelgek,” zegt hij tegen mij.

“Welnee,” zeg ik, “het gaat prima met die meiden.”

“Nou,” zegt hij, “dan zal het Amsterdam wel weer wezen.”

Wie zoals Hans en ik dat deden de hele Admiraal de Ruyterweg afloopt, krijgt onderweg onherroepelijk te maken met de vraag waar het goede gedeelte ophoudt en het slechte gedeelte begint, of omgekeerd.

De tweedeling is ooit gemaakt door pater K. Fens MO, maar waar Jan Jurk de grens precies legde, weet niemand meer. Karel Doormanstraat? De Rijpstraat?

Wij hielden het op de Jan van Galen. Waar de winkels in het stukje naar de Admiralengracht tot mijn ­onuitsprekelijke genoegen nog altijd boven etalages hebben.

De Stofzuigerkoning op nummer 163 bijvoorbeeld. Gaat dat zien, voor het te laat is.
“Ging je wel eens naar VVA?” vroeg ik aan Hans. Dat deed ie niet. “Speelde je wel eens in ’t Slootje?” Dat kon hij zich niet herinneren.

“Herinner je je de man in zijn leren jas die bij de Krommert voor de sigarenwinkel stond en die kwartjes wisselde voor de sigarettenautomaat?” Die was hij straal vergeten en dat je daar op zondag ook de voetbaluitslagen kon bekijken, had hij nooit geweten.

Met de herinneringen die hij aan de Admiraal de Ruyterweg niet heeft, kan je een boek vullen. We waren de hoek omgeslagen en ­keken nu het laatste stuk van de Admiraal de Ruyterweg af, het stuk naar de Wiegbrug toe, het stuk dat er eigenlijk niet bij hoort.

We liepen langs de van Speijkstraat waar Eddy Posthuma de Boer lang geleden de foto maakte waarop al die meisjes een handstand doen. Allemaal oude vrouwen inmiddels, zoals Hans en ik oude mannen zijn geworden.

Maar bij de Wiegbrug werden we opgewacht door onze geliefden die ons als hadden we de Avondvierdaagse gelopen een bosje bloemen in de hand drukten, ­zodat we ons heel even weer jongens konden wanen.

Als ik het goed heb, begint de Admiraal de Ruyterweg bij nummer 1 en eindigt hij bij 549.

Hans en ik die van 549 naar 1 liepen, waren bij de Bos en Lommerweg aangekomen, waar we ons lieten verleiden door het zonnige terras van café ’t Binnepretje, zonder n, zoals ze er ook pannenkoeken zonder n op de kaart hebben die ongezien beter smaken.

Naast ons zat een jongeman met een rugzakje die al snel gezelschap kreeg van een jonge vrouw met op haar buik een baby met het mooiste rode haar had dat ik van mijn leven bij een baby gezien heb.

Intussen vertelde Hans over de uitleenboekwinkel die vroeger op de Bos en Lommer had gezeten. Alle boeken die je daar kon huren waren oranje gekaft.

“Ik was een keer ziek,” zei Hans, “en toen lag er de hele tijd een stapel van die oranje boeken naast mijn bed. Nu nog word ik misselijk als ik oranje zie.” “Wat mankeerde je?” vroeg ik. Niets ernstigs, dacht Hans, maar evenzogoed.

“Kunt u de baby even omhoog houden?” zei ik tegen de jonge vrouw. Dat deed ze, met plezier. “Vorige week,” zei ik, “zag ik op een terras een baby die in een rugzak stond te slapen. Alleen zijn hoofd stak er boven uit. Prachtig. Maar hij had niet van dat mooie rode haar.”

“Ja, mooi hè,” zei de vrouw niet zonder trots. “Dat het maar een mooie jongedame mag worden,” zei ik bij het afscheid.

Even later stonden we voor het huis waar Hans vroeger woonde. “Herinner je je het geluid van de Blauwe Tram?” zei ik. “Nee,” zei Hans. “Ik kan nu wel gaan zeggen dat ik me dat herinner, maar dat doe ik niet.”

Toen Hans en ik, de ene van de Admiraal de Ruyter, de ander van de Esmoreit, uit de 12 ­waren gestapt en de eindeloze ­Admiraal de Ruyterweg afkeken, zei Hans: “Kijk, dat is nou typisch de Admiraal de Ruyterweg. Bijna alle straten hebben een zonnige kant en een schaduwkant, maar de Admiraal de Ruyter moet het met twee schaduwkanten doen.”

De hele Admiraal de Ruyterweg hadden we besloten, van het eind tot het begin en onderweg zagen we wel. Hans moest pas om zeven uur bovenkomen, dus we hadden alle tijd. We waren net voorbij de Willem Levendstraat toen Hans schaakmeester Nicolaas Cortlever (1915-1995) citeerde: ‘De buitenwijken boden een treurige aanblik. Men kan zich er geen voorstelling van maken wat daar werd gegeten.’ “En dan sloeg hij een pion,” voegde Hans er aan toe.

Hans en ik zaten samen in de derde klas van Erasmusschool. Daarna ging hij naar de Prinses Beatrixschool. “Weet jij nog waar die was?” zei ik zo ter hoogte van de Wiltzanghlaan. “Hier ergens,” zei Hans, maar waar precies, weet hij niet meer. Inmiddels liepen we langs het Lippijnstraatje. “Ik ben hier drie jaar iedere dag langs gekomen,” zegt Hans, “maar ik heb dat straatje ook nooit gezien, net als jij.”

Toen we de hoek omsloegen om via de Bos en Lommer terug te keren naar de Admiraal de Ruyterweg kwamen we langs café Felix. Twee maanden geleden heette het nog café J. Kooper en leek definitief gesloten. Een bordje zei: ‘Lieve mensen/ Geen zorgen om/ LUCKY/ daar wordt elke dag/ Eten en Drinken/ voor neergezet/ en kan naar binnen/ en naar buiten/ wanneer zij wil/ Joop en Lucky.’ Hoe zou het nu met Lucky gaan, vroeg ik me af.

De bloemenman bij wie ik iedere week de ­gemengde tulpen koop die in de loop van de week de vaas uit zullen dansen, was in gesprek met een vrouw die hoog boven ons uit torende.

Nou zegt dat niet zo veel, want de bloemenman en ik zijn tamelijk klein van stuk, maar de vrouw was groter dan wij klein waren, zal ik maar zeggen.

Ze zei iets over het Wilde Westen. ‘Je moet me een paard en twee pistolen geven/ want op de prairie is van alles te beleven,’ neuriede het in mijn hoofd, maar om meteen in gezang uit te barsten, ging me wat ver, dus zei ik: “Wat is er met het Wilde Westen? Ik kom er vandaan.”

Ze had net tegen de bloemenman gezegd dat ze het er nog al saai vond, zei ze. “Saai?” zei ik. “Over welk Wilde Westen heb je het?” “Nou, bij de Sloterplas en zo.” “Dat is het Verre Westen,” zei de bloemenman. “En dat is saai,” zei ik, “Maar in het Wilde Westen is van alles te beleven.” De bloemenman grinnikte en de grote vrouw stapte op haar fiets.

“Een bosje gemengde tulpen,” zei ik en zo raakten we aan de praat over het Stadionplein, waar hij ook staat en wat nu het Johan Cruijffplein worden moet. “Er zijn allemaal actiegroepen,” zei hij. “Waar die mensen zich over opwinden, of er geen belangrijker zaken zijn. Laten ze er het Bep van Klaverenplein van maken, dan zijn we af van het gezeur.”

“Daar heb ik nog mee gebokst,” zei ik, “met Bep van Klaveren.” Als je hem tegenkwam, maakte hij meteen een paar stotende bewegingen. “Kan je later zeggen, dat je nog met Van Klaveren gebokst hebt,” zei hij dan.”

En dat doe ik.

Het was een voorjaar. Ik hoorde de merel zingen, en overal bloeide rood en roze de camelia en stonden de elzenkatjes geel op uitlopen net als de forsythia.

In een geveltuintje zat een merel in een goudreinet te hakken dat de stukken in de rondte vlogen. De zon deed ook zijn best en had een grote gouden strik opgezocht die op drie hoog aan een balkonnetje hing, waardoor de strik welhaast in de zon veranderde.

Door milde trek gedreven, ging ik een broodjeswinkel binnen of liever, een winkel waar ze broodjes verkopen, want broodjeswinkels bestaan niet meer geloof ik. Ik bestelde een broodje oud kaas.

“Een broodje of een pistoletje,” zei de dame achter de toonbank. “Een pistoletje,” zei ik. “ Wit of bruin?” zei de dame. “Wit,” zei ik. “Boter?” “Doe maar zonder.”

“Wat een keuze, hè,” zei de man die naast me op zijn beurt stond te wachten. “ Je moest eens weten,” zei ik, “wat ik allemaal niet durf te bestellen wegens alle keuze die dan geboden wordt. Ik zou best wel eens een broodje leverworst willen, maar ik durf niet.”

De vrouw overhandigde mijn witte pistoletje oude kaas zonder boter en zei: “Zo snel heb je een broodje nog nooit gekregen. Ik ben echt in topvorm vandaag.” Wat ik alleen maar kon beamen.

Weer op straat dacht ik aan de grap van het broodje ham en het broodje kaas die lang geleden in het tijdschrift Barbarber stond. Hij gaat zo: Broodje kaas kost een gulden. Broodje ham een vijfentwintig. Broodje zonder kaas kost vijfenzeventig cent. Broodje zonder ham een gulden.

In de verte zag ik een bus aan komen. Waarheen hij ging, wist ik niet, maar ik heb hem genomen.

Vlak voordat we afreisden naar een afgelegen tuincentrum viste ik een pakje uit de brievenbus. Het kwam van de krant zag ik en het was ingepakt zoals sommige pakjes dat zijn, met zoveel stroken plakband die ‘breekbaar’ zeiden dat je nergens contact met het karton van de doos kon maken.

Om dit te openen had je hamer en beitel nodig. Wat zou erin zitten, vroegen we ons af. Een paasei? Een 1 aprilgrap?

Het bleek een pakje, al even goed verpakt als het eerste. Uit dit pakje kwam na veel hakken en zagen een Dinky Toy tevoorschijn van een kleine groene wals.

Het was de kleine groene wals die mijn vader in 1948 voor mijn vijfde verjaardag meebracht uit Engeland en waarover ik onlangs berichtte in een Gelukje. Ik hield het walsje in mijn hand en kon mijn ogen niet geloven.

‘Hedenochtend,’ schreef Wim Janssens, ‘trof ik uw Dinky Toys verhaal aan, wat mij direct in mijn hart trof omdat ik denk dat we misschien beide eenzelfde soort vader hadden?’

Pas toen ik bij het tuincentrum een zilveren auto als een vliegboot zag staan, kwam ik boven uit mijn zee van geluk. De auto droeg geen merk, maar leek op een Jaguar.

Wat het ook was, hoorde ik even later van de eigenaar die het middelpunt vormde van een groepje opgewonden mannen “Ik sorteer auto’s op kleur,” zei ik, “maar als je zoiets ziet, kijk je wel even.” “Of je een mooie vrouw ziet,” zei een van de mannen.

“Vanmorgen,” zei ik, “kreeg ik de Dinky Toy opgestuurd die ik voor mijn vijfde verjaardag van mijn vader had gekregen.” “Een auto?” zei de man. “Een wals,” zei ik. Hij leek net zo blij als ik.

Bij de banketbakker kon je door de paaseieren de paashazen niet zien, grote hazen, kleine ­hazen, duizenden eieren in alle kleuren en hier en daar een kuikentje.

Ik was tegelijk binnengekomen met een Indische dame die toen zij aan de beurt was mij liet voorgaan omdat ze nog even ­nadenken moest. Mevrouw­ ­Cornelis stak vragend twee vingers op waarna ik met een vinger antwoordde en zij verdween om mijn kroketje in de pan te werpen.

Tijdens haar afwezigheid danste een meisje voorbij. Ze was een jaar of tien schatte ik en droeg een hoge paardenstaart die net als zijzelf leek te zweven. De Indische dame wilde een appeltaartje met amandel, maar de taartjes die haar werden getoond bevielen niet.

“Het taartje dat ik laatst in de etalage heb zien staan, was platter,” zei ze. “Maar niet echt,” zei mevrouw Cornelis. “In de etalage staat ­alleen maar imitatie.” “Maar het zag er zo lekker uit,” zei de Indische mevrouw. “Ik ben er helemaal voor uit Noord gekomen.”

Het meisje met de paardenstaart was inmiddels aan Het zwanenmeer begonnen, waardoor ik aan Les petits rats de l’Opéra de Paris moest denken.

De Indische mevrouw had inmiddels een appeltaart naar ’t zin gevonden en nadat ze nog twee saucijzenbroodjes had besteld en het dansmeisje de kassa bediende, vroeg ze aan mij of de kroketten hier ook lekker waren. “Wat moet ik zeggen?” zei ik. “Dat ze niet te eten zijn?” De Indische mevrouw moest lachen en vertrok daarop weer naar Noord.

“Kleindochter?” zei ik tegen mevrouw Cornelis. Ik had het goed geraden. Ze was negen, “en,” voegde ze er aan toe, “ze kan heel mooi dansen.” “Je meent het,” zei ik. “En al die hazen, wordt het soms weer Pasen?”

Toen Hans die van de ­Admiraal de Ruyterweg is, voorstelde om een keer een wandeling over de Admiraal de Ruyterweg te maken, vroeg ik hem via de mail of hij dan voor het tonnetje groene zeep wilde zorgen. In zijn antwoord deed hij alsof hij me niet gehoord had, maar ik zat er intussen maar mee, want hoe zat het ook alweer met dat tonnetje?

In mijn geheugen was Michieltje Vlug & Net naar Barbarije gezeild om daar de Christenslaven uit de handen van de Muzelmannen te redden. Eenmaal ter plaatse werd zijn trotse galjoen aangevallen door de kleine maar wendbare schepen van de zeerovers, waarop hij order gaf de dekken in te smeren met groene zeep. Daar hadden de piraten niet van terug!

Waar ik het verhaal vandaan had, wist ik niet meer. Had de meester het verteld? Had ik het gelezen? In Paddeltje misschien? Wie zoekt, zal niet vinden en als je niet zoekt, komen de dingen naar je toe.

De volgende dag vond ik De Scheepsjongen van Michiel de Ruyter in een bak en bleek er geen groene zeep in het tonnetje te zitten, maar Ierse boter. En werd Bestevaer niet door de Moren belaagd, maar door de Duinkerker kapers. De Muzelmannen bleken zelfs zijn beste vrienden.

Een prachtig boek trouwens, Paddeltje, waarin je geen haring moet zeggen voor ie in het net zit en die seldrementse kapers er niet voor terug deinzen onze Nederlandse zeelui met hun oor op het dek van hun eigen schip vast te spijkeren alvorens het vaartuig tot zinken te brengen.

Een mooie liefdesgeschiedenis bovendien, want dat Paddeltje toen hij eenmaal in Broer veranderd was iets met Zus gaat krijgen, lijkt me een ding dat zeker is.

We liepen langs de Schilderskade, vlak bij huis, maar toch kende ik de namen niet van de straten die aan de overkant uitkwamen op het kanaal. “Niemand gekend die er woonde?” zei mijn geliefde. Ik dacht van niet.

In de berm scharrelden vijf dikke wollige gele bolletjes, jonge ganzen die de vorstperiode goed door waren gekomen. Hun ouders ­waren van het Capitool en rekten de hals om waarschuwende geluiden te laten horen.

We volgden het heerlijke fietspad langs het Okura en kwamen zo bij de Gerard Revebrug. De laatste keer dat ik hier was, stond zijn naam heel armoedig op een blauw straatnamenbordje, maar zie, inmiddels was de definitieve belettering aangebracht. Prachtig.

In de Maasstraat was een winkel die een aanbieding had van anti-kerntrek beslag. ‘Van 73,50 voor 34,95.’ Terwijl ik erover na stond te denken, ramde een vrouw in een witte auto eerst een bloembak en vervolgens een paaltje. Haar hele voorkant zat in elkaar, maar ze leek er niet mee te zitten. Fijne straat, de Maasstraat met zijn haringkar, zijn bloemenwinkel, zijn bloemenstal en Tout voor lekkere taartjes.

Na de Maasstraat viel de Scheldestraat een beetje tegen, maar de affiche voor het ‘Palmpasenstokken maken’ op het Troostplein maakte alles goed: ‘Kruisstokken timmeren en versieren /broodhaantje kneden en bakken/ luisteren naar het palmpaasverhaal/ meelopen in de optocht.’

Niet veel later sprak ik Diana van café ’t Mandje, die me vertelde dat Bet van Beeren net als Reve haar eigen brug had gekregen. ‘Al neuriënd en in het geheim profeterend vervolgde ik mijn weg./ Toen zag ik Bet van Beeren, aan een wit tafeltje/ tegenover haar cafee gezeten, pogend met mes en vork/ een makreel te openen om deze in de zon te eten.’ (uit: Een nieuw Paaslied van Gerard Reve).

Steeds vaker ontmoet ik mensen die iets hebben op Bakkum. Een caravan, zo’n circuswagen die als een Pipowagen wordt omschreven, een kamphuisje.

Vaak wordt er een verhaal bij opgediend over ‘de kleine huisjesbeweging’ van mensen die graag en met plezier klein wonen, wat ik overigens al mijn hele leven doe.

De woning waarin ik ben geboren bijvoorbeeld was klein. In het gangetje kon je je kont niet keren, net als in de keuken en mijn kamertje dat door een glazen schuifdeur van de huiskamer werd gescheiden, was zo smal dat het opklapbed niet uitgeklapt kon worden.

Dit alles gold ook voor het huis van tante Corrie en oom Freek die onder ons woonden. Maar zij hadden een kamphuisje, op Bakkum. Wij niet.

Wij hadden eerst een boot, waar je niet af kon en later een auto, waar je niet uit kon. Ik had aan allebei een hekel. Maar zo’n kamphuis vond ik wel wat.

Vooral het renritueel in het vroege voorjaar waarbij de Bakkummers mochten proberen een paaltje te slaan op de plaats waar ze hun huisje droomden, sprak mij aan.

Maar mijn ­ouders vonden het niks. “Ik ben blij dat wij niet zo’n huisje hebben,” zei mijn moeder ieder voorjaar. “Rennen voor je plekje, ik moet er niet aan denken.”

In de zomer gingen wij dus naar de Lage Vuursche om op een ­deken tussen de dennenbomen te zitten, en tante Corrie, oom Freek en hun kleine Marjo naar Amsterdam-aan-zee.

Pas in de herfst kwam het kamphuisje weer in beeld. “Ik ben blij dat wij niet zo’n huisje hebben,” zei mijn moeder dan. “Hoeven we het ook niet af te breken.”

Daarom hebben we zeker ook geen kachel, dacht ik, hoeven we hem niet te stoken.

Zaterdag werd in ­Tuschinski een Laurel & Hardy feestje gevierd. De Club bestond vijftig jaar en dan zouden we weten.

Overal in de hal zag je de rode fezzen van de leden van Sons of the Desert, de jongens die de kaartjes controleerden waren in rood livrei en vanuit de zaal klonk het geluid van het bioscooporgel zoals bespeeld door Donald Mackenzie.

Het moest nog beginnen, maar iedereen, oud en jong, had nu al plezier. De ouvreuses zwaaiden met hun ouderwetse zaklantarens en er was zelfs een meisje met zo’n houten bak voor haar buik, waaruit vroeger ijs verkocht werd.

In de zaal heerste de roezige ­opwinding die vooraf gaat aan een gebeurtenis waarvan je weet dat je hem leuk gaat vinden. Mackenzie speelde Honolulu Baby (‘Where did you get those eyes/ And that dark complexion that I idolize’) en toen schoof het gordijn open en begon de film, Two Tars uit 1928.

Negentig jaar later ging de zaal keer op keer massaal plat. “Kom er eens om,” zei ik in de pauze tegen een vriend, “lachen in de bioscoop en nog allemaal tegelijk ook.”

Er kwam een man langs die ons een zak hardgekookte eieren en walnoten voorhield, een verwijzing naar County Hospital (1932) waarin Laurel voor zijn vriend die met een gipsbeen in het ziekenhuis ligt een zak hardboiled eggs and nuts meebrengt. Hoe kinderachtig kan je zijn. Inderdaad, maar wel leuk.

Na zes films waren we uitgelachen en ging het weer op huis aan. In de tram zat ik zonder dat ik het mij bewust was het Ollio en Stanlio uit de Dance of the Cuckoo te neuriën. “Ik zal maar niet vragen waar je vanmiddag geweest bent,” zei de man die naast me zat.

Na een Klein gelukje over de juut en ons ‘kip, kip, kip, zonder eieren’ kreeg ik een briefje van Henk Cramer: ‘Ik vroeg me af of je deze nog kent: “Juut, juut, juut/ daar komt een smeris aan/ op een hobbelpaard/ in de Kinkerstraat.” Talie, talie, groeten van Henk.’

In mijn zes jaar op de Erasmusschool aan de Egidiusstraat in Amsterdam-West ben ik, als ik me goed herinner, drie keer lid ­geweest van een club. De eerste club die eigenlijk geen club was, hield zich bezig met het vullen van de schuren van een paaseierenfabriek.

De schuren bevonden zich in een schoolschrift, waarin we op de eerste pagina, links in de marge de buitenmuur tekenden, waarna we onderaan de pagina de lijn van de vloer aangaven die doorliep tot de laatste pagina van het schrift, waar ook de rechtermuur van de schuur te vinden was.

De bedoeling was dat we de schuur, die zo’n 64 pagina’s telde, tot de nok toe vol tekenden met paaseieren, duizenden paaseieren. Loekie Dikker heeft de schriften nog.

De tweede club was de Spelletjes & Geheimschriften Club, die in de vakantie Monopolytoernooien ­organiseerde en die niet te ontcijferen geheimschriften bedacht om daarmee Ultra Geheime Boodschappen door te geven.

Talie was de derde club en telde drie leden, Henk Cramer, Fred van Schaik en ik. De club hield zich voornamelijk bezig met het tekenen van Romeinse soldaatjes die een helm droegen met zo’n ­hanenkam erop, een schild, een zwaard of speer en een rokje.

Als we elkaar uit de verte zagen, riepen we ‘talie, talie’ naar elkaar. Ook renden we af en toe ‘talie, ­talie’ roepend door de straat.

Waar dat voor was, weet ik niet meer, maar het soldaatje kan ik nog ­tekenen, talie.

In verband met werkzaam­heden moest ik op de Aletta Jacobslaan zijn en omdat ik op de bewuste dag niet in Amsterdam was, maar de trein naar Sloterdijk nam, informeerde hoe het vanaf daar verder moest. “Metrohalte Henk Sneevliet, dan is het twee minuten lopen.”

Ik heb zes jaar in de buurt gewoond, dus dat kan geen probleem zijn. Aardig ritje, het metroritje van Sloterdijk via De Vlugtlaan, Postjesweg, Lelylaan en Heemstedestraat naar Sneevliet. De hele achterkant van West komt voorbij, inclusief een fraai kijkje op de Kolenkit en een stel bankgebouwen.

Nadat ik was uitgestapt, kon ik twee kanten op, linksaf of rechtsaf. Ik ging rechtsaf, daalde de trappen af, checkte uit en stond voor een bord dat ‘Aletta Jacobslaan’ zei en linksaf wees.

Omdat er geen pad was, maar alleen een berm langs een drukke weg, bekeek ik de plattegrond met het bekende pijltje ‘U bevindt zich hier’. “Hoe weet de plattegrond dat?” vroeg een kind laatst. Een goede vraag, want het gekke is dat de plattegrond wel weet waar ik me bevind, maar ik niet.

Ik besloot de pijl Aletta Jacobs­laan te volgen. Terwijl de berm steeds smaller werd en de weg steeds breder, stopte er een politieautootje met een politie die een gevalletje ‘verwarde oude man langs snelweg’ vermoedde. Maar toen ik zei dat ik het talud ging afdalen en beneden wel verder zag, maakte hij geen bezwaar.

Op straatniveau heb ik al lopend bij twaalf mensen naar de Aletta Jacobslaan gevraagd, maar ik vond hem pas toen ik er was. Voor de terugtocht liep ik in twee minuten naar de 2, die me naar de bewoonde wereld bracht. Op het Hoofddorpplein, zag ik, stonden acht piepkleine prunia’s te bloeien of hun leven ervan afhing.

Namen van café’s zijn vaak misleidend. Café ­Modern blijkt een oude teringzooi, in Montparnasse hadden ze nog nooit van Parijs gehoord, bij Audrey’s Bar nooit van Audrey, bij Neutraal moest je op je woorden passen en het bord aan de deur bij café Dokter in de ­Rozenboomstreeg, waarop vermeld staat van hoe laat tot hoe laat de dokter spreekuur houdt, is niets als flauwekul. Niks spreekuur, het zijn gewoon de openingstijden.

Maar in café de Wenteltrap in de Gravenstraat zat wel degelijk een wenteltrap. Die nergens naartoe ging. Ze hadden ook van die lage krukjes en geen WC. Als je moest pissen werd je naar de krul in de Eggertstraat, in de schaduw van de Nieuwe Kerk verwezen.

Ik sta op het Leidseplein als ik aan de Wenteltrap moet denken. Ik kijk naar de lichtvoetige toren van de City, waarin lichtjes branden die een wenteltrap suggereren.

In het najaar van 2001 stond ik ook op deze plek. Ik was uit de 10 gestapt en had mijn pas ingehouden, omdat vlak voor mij een prachtige vrouw met een diep ­decolleté zich zo diep voorover had gebogen om iets aan een schoen te doen, dat ik de verleiding niet kon weerstaan, en keek.

‘Zo mien jong,’ zei een stem, waarvan ik wist dat hij aan Jip Golsteijn behoorde. Jip Golsteijn, beroemd popjournalist, vriend van een ­Elvis Presley, van een Otis Redding en een mij. Hij had zijn zwarte hoed op zijn Golsteijnkop en we gingen meteen naar Palladium, zijn café, voor de nodige drankjes, een tirumisu en een goed gesprek.

Een paar maanden later was hij dood. Een tijdje terug hoorde ik dat er een brug naar hem is vernoemd. Ondanks dat mis ik hem. Om de dag.

Het uit 1936 daterende viermotorige Air France toestel de F-anny van de firma Joustra, in blik, dat ik in de Nieuwe Spiegelstraat bij Iris & Schriek in de etalage had zien staan en dat achthonderdvijfendertig euro kosten moest, bleef mij achtervolgen.

Niet dat ik het kopen wilde, in geen achthonderdvijfendertig jaar, zoals mijn moeder gezegd zou hebben, maar misschien was het wel leuk om een foto te maken. Voor later of zoiets.

Nu ben ik de gelukkige bezitter van het schitterende boek Mijn Speelgoed Vliegtuigjes (uit de collectie van Patrick Despature) en de kans dat het toestel daarin stond afgebeeld, was niet denkbeeldig, maar waar staat geschreven dat ik moet uitzoeken of het daadwerkelijk zo was?

Veel eenvoudiger toch om even naar de Spiegelstraat te fietsen en daar zelf een foto te maken? Kom ik nog eens op straat en bovendien, het is een leuk tochtje.

Toen ik bij de winkel aankwam, bleek de F-anny verdwenen, verkocht, een hele opluchting. Nu ik toch binnen was, kon ik even rustig om heen kijken en een beetje ouwehoeren met meneer Iris & Schriek die zonder mij te kennen mij kent als zijn broekzak.

Nadat ik een uit 1947 stammend hemelsblauw pennytoy raceautootje met een gele cockpit als de helm van een baanwielrenner had gekocht, vertelde ik over 1948. Mijn vader zat toen drie maanden in Engeland om de automatische piloot te bestuderen.

In zijn brieven die door mijn moeder werden voorgelezen, beloofde hij een vliegtuigje dat echt vliegen kon, maar toen hij terugkwam, bracht hij twee Dinky Toys voor me mee. “Een kleine groene wals,” zei ik. “En een rode tractor.”

“Als je de volgende keer langs komt,” zei meneer Iris & Schriek, “heb ik ze voor je staan.”

Bij mijn favoriete haringkar, die van Jan op de hoek van de Potgieterstraat en de Bilderdijk, at ik een harinkje dat me zoals ­gewoonlijk voortreffelijk smaakte. Jan vraagt altijd even naar mijn kleindochter die hij al kende toen hij met kar en al nog in de De Clercqstraat op de brug over de Da Costakade stond. Kleindochter zal toen een maand of acht zijn geweest, maar al een liefhebber.

Op de brug was het nooit zo druk, maar hier kan je het treffen dat je zes man voor je hebt, van wie er twee drie haringen willen, zodat je tien haringen wachten moet. Want aan haringen van ­tevoren schoonmaken, doet Jan niet. “Eet ze nog wel eens een haring?” zei hij. Nadat ik hem gerust had gesteld, vervolgde ik mijn weg.

Lekker in het lentezonnetje wandelde ik de De Clercqstraat af, langs de champagnebar van Five Brothers Fat en schoenmaker Hakan Koç, langs kapsalon Eclipz en het Theo Thijssenportiek, langs Sjoege en café Hendrix, dat vroeger Lido heette.

Na een turbulent etentje bij een Griek schuin aan de overkant ben ik hier eens beland met dichter/ songwriter/ezeldrijver Theun de Winter die ik nog ken uit de tijd dat zijn hele bezit in een verhuisdoos paste. Alles zit nog steeds in dozen, maar tegenwoordig heeft hij een verhuiswagen nodig.

“Obi,” zei Theun nadat we de De Clercqstraat waren overgestoken en bij Lido waren binnengestapt, “obi, een flesje champo. Van de weduwe. En voor mijn vriend hier een dubbele whiskas. Met een blokje ijs.” Oei, dacht ik, want we waren dus al verder dan ik had gedacht. En inderdaad, want nog geen vijf minuten later begon Theun Verboden vruchten te neuriën. Als hij het zong, was de lamp uit, zoals Ina altijd zei.

Bij de Prinsengracht was de ingang naar de Nieuwe Spiegelstraat gesloten voor autoverkeer. Eindelijk gaat het de goede kant op, dacht ik, maar of het ook zo was, was zeer de vraag.

Want door dat het ene paaltje dat de straat blokkeerde, was een enorme verkeerschaos ontstaan. Die nog vergroot werd doordat de Nieuwe Spiegelstraat vanaf de andere kant nog wel toegankelijk was voor ­auto’s. Die dus allemaal terug moesten.

Nadat ik een en ander een tijdje had staan bekijken, fietste ik de autovrije zone in en manoeuvreerde ik tussen de opgestopte auto’s door naar het galerijtje aan het einde van de straat. Of liever, aan het begin, je kunt met dit soort mededelingen niet voorzichtig ­genoeg zijn, is me gebleken.

Een tijdje terug bracht een ongelukkig toeval me voor de etalage van Iris & Schriek, die er op het eerste gezicht vrij onschuldig ­uitzag, maar me wel naar binnen lokte.

Had ik nooit moeten doen natuurlijk, want alles wat ik zag, was even begeerlijk, schitterende opwindautootjes, speelgoedtreinen en het ergst van allemaal, de vliegtuigjes. Het ene vliegtuigje was nog mooier, was nog duurder dan het andere.

Ik ging naar huis met een klein Japans saltovliegtuigje, dat voor zijn 75 jaar nog verbazingwekkend mooie sprongen maakte. En met heimwee naar Iris & Schriek vanzelf.

Deze keer stond er een viermotorig Air Francetoestel in de etalage, de F-Anny van Joustra, handelaren in blik. Dof rood, 835 euro slechts. Maar Iris & Schriek was gesloten, zodat ik me opgelucht naar de aangrenzende binnentuin kon begeven.

Waar in de stilte ­tussen de bomen een wit prieeltje staat, terwijl de zonnewijzer hoog aan een achtergevel de tijd aanwijst. En ik, gratis en voor niets, een prachtige schelp heb gevonden.

Wie eerder opstaat dan normaal en eerder de straat ­opgaat, ziet dingen die hij normaal niet ziet. De ochtendvroege stad is mij niet onbekend, maar kende ik vooral van laat, en dat komt niet meer voor.

Om kwart over een lig ik er in of er moet, zoals laatst iets bijzonders op de televisie zijn. De cinema is dood, mag ik graag verkondigen. Van kunstfilms krijg ik uitslag en de rest is voor kinderen.

Maar zie, midden in de nacht viel ik midden in een film over tornado’s die voor ze begonnen te tornaderen honderden haaien uit de zee visten om die vervolgens boven land weer uit te spugen. Waar ze er geen twijfel over lieten dat ook een zwerm haaien wel een hapje lust, wauw!

Of het door dit cinematografische meesterwerkje kwam, weet ik niet, maar ik was vroeg uit de veren en vroeg op straat. Het leven kwam net op gang. En gaf me het gevoel dat ik in een oude Franse film terecht was gekomen.

Bij het restaurant op de hoek was een meisje bezig tafels te dekken. Ze hield een wijnglas tegen het licht en bespeurde een vlekje dat ze wegpoetste met een doek. Bij de kaaswinkel kwam de man van de schoenenwinkel ernaast naar buiten, waarna hij met zijn broodje bij zichzelf naar binnenging.

Mevrouw Parnassus van de postzegels zette het zilver dat ze ’s avonds uit de etalage haalt weer terug en de krantenman stond achter zijn toonbank de krant te lezen. Ik ging naar binnen bij de bakker.

“Gesneden?” vroeg de mevrouw van het brood. “En dan wilt u het zeker in een papieren zak,” zei ze nadat ik bevestigend had geantwoord. Want wie zijn brood niet snijden laat, wil meestal een papieren zak.

Van alle vaste ritjes die ik maak, is het ritje door Stil Zuid met bestemming slagerij Robert Zikking mij het liefst. O, de verrukkelijke keuzes die zich aandienen zodra ik mijn straat verlaten heb.

Neem ik de kade of neem ik de laan? Neem ik de straat of neem ik de weg? En terwijl ik door de stilte fiets, verheug ik me al op het ‘meneer Guus’ en de hand van de slagerszoon, en op het heerlijke geluid van de spelende kinderen op het Hygiëaplein, want ik plan mijn ritje altijd zo dat ik aankom als hun speelkwartier begonnen is.

Voor de terugweg koos ik voor het poortje naar de Herculesstraat, en vandaar achter het Van Heutsz langs naar de Jan van Goyenkade.

Voor een geopende deur stonden een man en een vrouw met elkaar te praten toen er een peuter naar buiten kwam. De man tilde de peuter op en gooide hem hoger in de lucht dan ik ooit gedurfd had. Moeder en kind schreeuwden het uit, maar om verschillende redenen.

Een eindje verder op de kade glom mij een gouden cirkel tegemoet die toen ik dichterbij kwam te bestaan bleek uit tientallen kleine gouden schijfjes waar het woord ‘lungo’ op stond.

Verpakkingsmateriaal, dacht mevrouw Cornelis, bij wie ik een kroketje had besteld. Ze had me gezien in een talkshow en vertelde dat haar man ook eens in een talkshow had gezeten, met Nico Haak van Honkie Tonkie pianissie op je sinaasappelkissie.

Op slag gingen mijn gedachten terug naar de ochtend in november 1990 dat mijn vrouw me vertelde dat Nico Haak was overleden. Aangeslagen ging ik de straat op, waar ik zag hoe een auto een bakfiets schepte, en de sinaasappels bij dozijnen over straat ­rolden.

Er stond een reiger op het balkon. Toen ik een jongen was, waren reigers nog trekvogels die kwamen en gingen met de seizoenen, zoals trekvogels dat doen, maar tegenwoordig staan ze op je balkon als ze al niet voor een deur staan te wachten op de wonderbaarlijke verstrekking van piepkuikens.

De reiger stond op hoge poten op de reling en boog zich met enige regelmaat voorover om met zijn snavel de diepte af te tasten. Ik was koffie aan het zetten en in de waterkoker water aan het koken voor thee.

Ik dacht aan het versje dat mijn geliefde improviseerde toen we, lang geleden, vanuit de tram een goede vriend op het terras van het café bij de Hogesluis zagen zitten. “Van kroegtijger/ tot caféreiger,” zei ze. Een week later was hij dood.

Het water in de waterkoker kookte en maakte zoveel lawaai dat ik niet kon horen of de koffie in het espressopotje ook gaar was. Ik boog me daarom voorover om mijn oor te luisteren te leggen.

“Wat doe je nou?” zei ze. “Ik luister of ie al pruttelt,” zei ik. Inmiddels had ze een theezakje in mijn koffiekopje gehangen. “Wil je je thee in een koffiekopje?” zei ik. “Ik zit onder de kaaskruimels,” was haar antwoord. Even was het of we in een stuk van Beckett zaten.

Op straat passeerde ik restaurant La Falote, waar een bord voor de deur stond met de woorden ‘ ’t water loopt je in de bek/ kapucijners met spek’.

Bij boekhandel Premsela, een eindje verderop, stond ik nog wat na te praten toen ik zag hoe aan de andere kant van de ruit Remco Campert zich diep voorover boog om te zien naar welk boek hij stond te kijken.

De dubbele a zit weer in de maand en dus gingen we richting Valeriusstraat waar het ooit begonnen is. Geen straat om van achterover te vallen, de Valeriusstraat, maar toch valt er van alles te zien. Zo waren ze op diverse adressen in de weer om onder hun huis een schuilkelder aan te leggen en wat me ook opviel, was dat je bij menige voordeur kon zien waar vroeger de bel had gezeten.

De met witte verf naast de deuren geschilderde huisnummers die in de oorlog zijn aangebracht om ’s nachts je huisdeur te kunnen vinden, zaten er nog net als zevenenveertig jaar geleden. Alles verandert, maar sommige dingen blijven hetzelfde.

Café de Blauwe Reiger op de ­Amstelveenseweg is gesloten, maar op de deur van de pastorie van de Agneskerk had iemand met krijtje een geheimzinnige tekst aangebracht, ‘20+C+M+B+18’. Kabbalistiek? Een geheime boodschap van de pastoor?

Schuin aan de overkant lag café Bos er verleidelijk bij, maar wij zochten de ­oevers van de Schinkel op, waar de kade richting Zeilstraat drastisch versperd bleek door een vrachtwagen die probeerde een vuilcontainer op zijn rug te nemen.

“Daar ben ik begonnen,” zei de vrouw die met ons stond te wachten, en ze wees naar het stuk Sloterkade vlak voorbij de brug. “En nu woont mijn zoon hier.” Deze keer wees ze naar een huis vlak voorbij de vrachtwagen die de container had afgeschud en het nog eens probeerde.

“Het was altijd een fijne buurt en dat is het nog.” Op dat moment verscheen de zoon, begon de vrachtwagen te rijden en vervolgden wij onze weg.

Een kwartier later zaten we bij Gent aan de Schinkel, waar moeder en zoon even later ook binnenkwamen en we elkaar begroetten als buurtgenoten.

Omdat ik een vriend die een enorme klus voor me had geklaard als beloning een fles goedkope wijn in het vooruitzicht had gesteld, begaf ik mij naar de Beethovenstraat.

De Beethovenstraat stond lang bekend als de straat waar dames met blauw haar en een Duits accent bij de slager om een half ons rookvlees ‘dun gesneden’ vroegen. Of nog erger, om een half onsje ‘gesorteerde vleeswaren’, maar die tijd is voorbij.

De Beethovenstraat is een bruisende winkelstraat met op iedere hoek een koffietent waar de barista iedere ochtend eigenhandig de glutenvrije koe heeft gemolken.

Toen ik de straat inliep, zag ik al van verre de altijd vrolijk stemmende wolken geel van de mimosa voor de deur van de bloemenwinkel. In het voorbijgaan rook ik hun geur die me even terugbracht naar een dorp aan de voet van de Pyreneeën, een mensenleven geleden.

Nadat ik bij De Logie ‘wijnkopers sinds 1848’ te kennen had gegeven dat ik een fles goedkope wijn zocht, bleek dat nog lang niet mee te vallen en behoorlijk prijzig bovendien.

Terwijl het vriendelijke meisje de fles in een feestelijk zakje liet glijden, bewonderde ik de narcissen die op de toonbank stonden. “Heb je de prachtige mimosa bij de buren gezien?” vroeg ik. “Mimosa?” zei het meisje. “Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet weet hoe die eruit zien. Ik ben niet zo goed in bloemen.”

Ik was paf. “Dikke wollige gele bolletjes,” zei ik. “Die moet je toch wel eens gezien hebben?” “Ik weet niet,” zei het meisje. “Kom,” zei ik. Ik nam haar mee naar buiten en wees naar de gele lentewolken een paar winkels verderop. “Kijk, daar, dat is mimosa.” Ze knikte, maar erg onder de ­indruk leek ze niet.

Nog steeds kan ik er niet over uit dat ik als jongen uit de Bos en Lommer de Lippijnstraat heb gemist.

Het schrijnt en dat schrijnende gevoel werd erger toen Peter Schaap me schreef dat het straatje precies zo’n straatje was als ik dacht dat het was: ‘In die achterafstraat werden oorlogen gevoerd. Onze kerstbomenopslag lag daar, klaar om verbrand te worden, en werd geroofd. We vochten natuurlijk terug, maar niet met latten met spijkers erdoor zoals wel beweerd wordt. Voor de visboer haalden we oude kranten op waar de vis in verpakt werd. Belden we aan en riepen: Heeft u nog oude kranten voor de blinden?’

In verband met dezelfde Lippijnstraat schreef iemand die zich Bing noemt dat hij er vaak rotzooi heeft uitgehaald, maar dat het ‘doodlopende straatje’ uitkomst bood als je weer achterna werd ­gezeten door ‘de grote jongens of de juut.’

Als wij een juut zagen, op veilige afstand wel te verstaan, ­riepen we ‘kip, kip, kip zonder eieren!’, een kreet die ik bijna net zo vergeten was als de oude kranten voor de blinden. Om over het geheimzinnige ‘o wat is het donker in de bosjes. Als ik maar geen toverheksen zie!’ maar te zwijgen.

Het lijken een soort toverspreuken. Oude kranten voor de blinden was een leugentje, de kip ­zonder eieren moest de politie op afstand houden, terwijl de kreet de juut juist lokte en over de donkere bosjes uit het spel waaraan ook meisjes meededen, heb ik zo mijn vermoedens, maar het blijft gissen.

Er was ook een spreuk waarin ‘oude takkenbossen’ voorkwamen en van de week hoorde ik ‘Ranonkeltje, ranonkeltje, geef jij de hand die ik de hand zal geven?’ Maar wat het betekent, weet ik niet.

We liepen onder de overkapping achter het Centraal Station en waren op weg naar het pontje naar Buiksloot toen ik mijn naam hoorde roepen. “Heere Heeresma,” zei de stoer ­geklede jongeman die zag dat ik hem niet meteen plaatsen kon.

Op het moment dat hij zijn naam noemde, zag ik in hem zijn vader verschijnen. Ik kende hem al als kleine jongen, junior meen ik, maar inmiddels had ik hem een tijd niet gezien.

Onlangs las ik wel een polemisch stuk van zijn hand waarin hij propageerde na het kakken water te gebruiken in plaats van een papiertje.

“Ik sta in deze geheel achter je,” zei ik. Wij hadden vroeger in dit verband een ‘Indische douche’ in de wc, een door mijn vader aangelegde installatie die we een ’pissertje’ noemde.

Zo’n pissertje is niet alleen een van de betere uitvindingen van de mensheid, maar was voor ons als er ­iemand voor het eerst op ­bezoek kwam ook een bron van anticiperend plezier.

Want hoe ging het? Zo: de gast moest een plasje, stond te plassen, zag het pissertje, dacht hé wat is dat, ontdekte het kraantje, draaide het kraantje open en kwam vervolgens schuldbewust kijkend maar drijfnat de kamer in. Waar de ­familie Luijters al te lachen zat.

Deze keer lachte Heere mee. “Wat voer je uit?” wilde ik weten. Heere zei dat hij voor Schuttevaer werkte. Gewapend met zijn camera trok hij de haven in om schippers van binnenvaartschepen te interviewen.

Laatst was hij nog op receptie van de havenmeester geweest, waar hij een Parool-collega stevig van de hapjes had zien eten. “Ik heb,” zei Heere, “je hoofdredacteur gemailed om te vragen of hij jullie wel genoeg te eten geeft. Maar ik heb nog geen antwoord mogen ontvangen.”

Mocht u een dezer dagen het Stadsarchief bezoeken om de tentoonstelling Rapenburgerstraat 1940-1945 te bekijken, sta dan even stil bij het adres Rapenburgerstraat 26 huis, waar het gezin Benjamin Blaaser woonde.

Benjamin Blaaser was getrouwd met Maria Catharina Kreveld en het echtpaar had acht kinderen, Harry (1930), Paulina (1931), Meijer(1932), Salomon(1933), Andreas (1935), Theresia (1936), Jacob (1938) en Gerard (1939).

Begin 1940 zaten de eerste vijf kinderen op de Jonas Daniël Meijerschool, de latere 2e Joodse School in de Batavierstraat. Van die school is als door een wonder een absentieschriftje bewaard gebleven, waarin de kinderen Blaaser regelmatig een plaatsje kregen.

Ook zijn er brieven van hun moeder waarin zij de reden van hun absentie toelicht. Zo schrijft Maria Blaaser op 2 mei 1940: ‘Mijnheer, Mijn dochter Paulina Blaaser die is ziek. Zo gauw zij weer beter is komt zij weer naar school, maar woensdag waren zij ook niet naar school, dat kwam, ik heb een klok maar die deugt niet erg of hij staat stil of hij loopt hard. Ik hoop dat u het mij niet kwalijk zult nemen, maar het zal niet meer gebeuren.’

Deze brief is op de tentoonstelling niet te zien, maar wel is er het briefje van 10 juni 1940, waarin Maria het probleem op onnavolgbare wijze nog eens formuleert: ‘Juffr. Ik heb een klok of die staat stil of hij loopt. Nu vanmorgen stond de klok stil, zo doende was het te laat voor hun.’ Het absentieschrift vermeldt: ‘De klok stond stil. Moeder wist niet hoe laat het was.’

Benjamin Blaaser werd op 12 oktober 1942 in Mauthausen vermoord. Maria en hun acht kinderen werden op 25 januari 1944 vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd waar ze op 28 januari 1944 werden vermoord.

Amsterdam is altijd mooi, maar Amsterdam in de winter is nog mooier. Het zal door het lage licht komen, dat het water in de grachten in zilver verandert en de gevels glanzen laat.

We waren uitgestapt op het Haarlemmerplein en liepen langs Tabak’s Notenbar de Haarlemmerdijk op. Er kwam ons een grote man tegemoet met een grote gele pinopet op zijn kop, als was het een pannenkoek. Bij Jordino stond een reusachtige paashaas in de etalage met allemaal kleine kuikentjes aan zijn hazenpootjes.

In het verlengde van de stegen glinsterden de grachten. Bij Centrum op de hoek met de Prinsengracht namen we een haring. Het was me niet eerder opgevallen maar bij de blikjes fris staat de tekst ‘Heb je het benoud/drink ze dan koud.’ Geen speld tussen te krijgen, lijkt me.

Op het Singel dacht ik terug aan de dag dat er vlammen sloegen uit de koepel van de Lutherse kerk. Mijn vader heeft me eens verteld dat de koepel groen was door oxidatie van het koper. De koepel zal vanzelf weer groen worden, maar ik zal het niet meer meemaken.

We staken over naar de Korsjespoortsteeg waar we de muurreclame probeerden te ontcijferen, maar veel verder dan ‘Jacques & Co’, ‘Vertegenwoordigers’ en ‘motoroliën” kwamen we niet. Tenslotte belandden we op het terras van de II Prinsen op de hoek van de Prinsenstraat en de Prinsengracht.

Het was ijskoud en de zon ving en verguldde de wijzers van de klok van de Noorderkerk die 5 voor half 5 aanwees. Er fietste een jongen voorbij met een Chinees meisje achterop dat een wollig wit hondje met uitgestrekte pootjes voor haar buik hield. Dat kregen we er gratis bij, op die koude middag in het mooie Amsterdam.

Vanaf een zekere leeftijd zouden wij geen nieuwe vrienden kunnen ­maken, maar wie op ­zekere leeftijd nieuwe vrienden maakt, weet dat het niet waar is.

Wat hij ook weet, is dat hij zijn ­oude vriendschappen koestert met een vasthoudendheid die doet denken aan het achteloze ­gemak waarmee hij vroeger vriendschappen verbrak.

Op een terras aan het Prins Bernhardplein zat ik tegen Bernard Hammelburg op te scheppen dat ik een vriend had met wie ik nog in de derde klas van de lagere school had gezeten.

Niet dat ik daar veel mee opschiet, want de vriend in kwestie heeft een geheugen waarin wel plaats is voor een miljoen schaakpartijen, maar niet voor derde klassen van de lagere school.

Maar toch, de gedachte alleen al dat we een verleden delen, stelt me op de een of andere manier gerust. Hij zou zich de toneelstukjes kunnen herinneren die we in de klas opvoerden, hij herinnert ze zich niet, maar het zou kunnen, en dat is prettig.

“Ik heb nog heel veel vrienden uit die tijd,” zei Bernard Hammelburg. “We hebben allemaal in dezelfde Joodse jeugdvereniging gezeten.”

Pats! In een klap kwam het hele continent van heden en verleden in beeld, breuklijnen en al. Wie lid was van de Joodse jeugdbeweging, padvinderij of AJC heeft vrienden van heel vroeger, kan ze hebben in ieder geval.

Hetzelfde geldt voor iemand die uit een buurt komt waar weinig werd verhuisd, maar wie van Leeuwarden naar Amersfoort naar Amsterdam ging, is iedereen kwijt.

Ik ging van West naar Zuid en liet mijn westvrienden achter, behalve die ene dus die trouwens in Zuid woont en pal om de hoek.

Al een jaar of 25 hoor ik mijn geliefde zeggen dat ze wel eens een patatje zou lusten van Wil Graanstra op de Westermarkt, maar om de een of andere reden komt het er niet van. Vanmorgen bijvoorbeeld was de patatrij langer dan de rij voor het Anne Frankhuis, maar na een mooie stadswandeling door een ijzig Amsterdam kreeg ze een herkansing.

De man bij wie we bestelden, droeg een bril met een rood montuur en een uitzinnige ijsmuts. “Hé Wil,” riep een voorbij fietsende wielrijder. Het was dus Graanstra zelf die hier friet stond te bakken.

Er meldde zich een nieuwe klant, waarop bleek dat ik een beetje in de weg stond. “Kan je ­tegen die gozer van je zeggen dat ie doorloopt,” zei Graanstra die inmiddels met zijn nieuwe klant in onderhandeling lag over mayo, piccalilly, dan wel pili pilisaus.

“Je bent tegen haar beleefder dan tegen mij,” zei ik. “Hij daagt me uit,” riep Graanstra, “maar pas op, want ik ben in vorm!” Wat ik niet helemaal verstond, zodat mijn geliefde toelichtte dat ik een beetje doof ben. “Ik hoop voor jou,” zei Wil, “dat zijn oren het enige lichaamsdeel is dat niet goed functioneert.” In vorm dus, ijsmuts en al.

Toen we uitgelachen waren, vroeg ik of de Graanstra’s hier echt al sinds 1956 zaten, zoals op de kar staat. “Gek,” zei ik, nadat Graanstra dat bevestigd had, “ik heb hier een paar jaar op school gezeten, maar ik kan me geen patat herinneren.”

“En is er nog wat van je geworden na die paar jaar school?” vroeg Wil. “Nee,” zei ik, “nou ja, ik schrijf iedere dag een stukje in de krant.”

“Geeft niks,” zei hij, “zolang je maar niet over mij schrijft.”

Bij zo’n oranje brievenbus kregen een stuk of acht peuters in parmantige jasjes brievenbusles van hun juf. De juf was niet ouder dan zesentwintig schatte ik. Het mocht dus haast een wonder heten dat zij nog wist wat een brief was en dat je hem om hem ergens heen te sturen in een brievenbus moest doen.

Zou ze weten dat er een postzegel op moet, bedacht ik, zorgelijk als ik nu eenmaal ben. En waar je zo’n postzegel kopen kan? En kregen de kinderen wel een cijfer?

Lang geleden las ik over een meisje dat een 8 voor sperziebonen had. Ook heb ik iemand gekend die op de Joodse school een onvoldoende had voor zegeningen, en in een interview dat ik kort geleden las, zei de 9-jarige Nena Verdonk: “Sinds dit schooljaar zit ik op dwarsfluit.”

Nadat de laatste peuter opgetild was om in de gleuf van de brievenbus te kijken vervolgde het groepje huppelend en kwetterend zijn weg. Wanneer houden kinderen op moet huppelen? vroeg ik me af. Op het moment, denk ik, dat ik ophoud me zorgen over hen te maken.

Moeders die hun fiets op de standaard zetten terwijl hun kind in een mandje achterop zit, kinderen die achter hun bal aan dreigen te rennen als die van de stoep afrolt, moeders die op hun telefoon kijken terwijl hun kinderen in een pierenbadje spelen, overal zie ik gevaar.

In de tram had het meisje zich aan de greep van haar moeder ontworsteld en drong langs mij naar de uitgang. Waar de man die naar buiten stapte zojuist het klaphekje had losgelaten. Ik wist er nog net een hand tussen te krijgen en zag haar vrolijk weg huppelen, nieuwe gevaren tegemoet.

Aan de Distelweg, vlak voor je bij de Aster­dwarsweg komt, kun je achter een hek de Food Coop Noord zien liggen.

Ik zag kleine zelfgebouwde huisjes, waarvan een met een boot op het dak en een ander met een tafel voor de deur waarop een grote ­globe stond. Een eindje terug was een deur die gesigneerd was door ‘R.Mutt ’17’ en een eindje verderop was een grote kringloopwinkel.

Binnen was het de vertrouwde treurigheid van oude banken en stoelen, serviesgoed en uit hout gesneden siervoorwerpen, maar in een glazen kast die op slot zat, zag ik een stuk van een boek dat mijn begeerte opwekte, omdat er ‘Tour de France’ opstond.

De moslima van dienst die zei dat ze de sleutel ging halen, bleef een hele tijd weg en toen ze kast wilde ontsluiten, bleek hij al open, zodat we allebei een lachbui kregen.

Op het boek dat dus niet achter slot en grendel bleek te zitten, stond ‘Met de Maasbode naar de Tour de France’ en bleek geen boek maar een wegenkaart van Frankrijk, uit 1957. Prijs 1 euro.

Bij de betaalbalie legde ik mijn euro neer. “Gepast?” zei de dame achter de kassa. “Gepast,” zei ik. “Bonnetje?” “Ja,” zei ik, “met btw graag.” “Dan is het zo goed,” zei ze.

Bij café De Pont gingen we aan het raam zitten om over het IJ te kijken en naar de schepen die met grote snelheid langzaam voorbijvoeren. Als je bij De Pont een plasje wil doen, moet je een heel steile trap op die je daarna ook weer af moet.

“Is er wel eens iemand die niet meer naar beneden durft?” zei ik tegen de vriendelijke dienster. “Nee,” zei ze, “u bent de eerste.”

Omdat we wilden zien hoe het Van der Pekplein er tegenwoordig bij ligt, namen we het pontje naar de Buiksloterweg. Het was een mooie frisse dag en het IJ strekte zich aan beide kanten uit zover je kijken kon. De Zuiderzee ligt achter een dijk en daardoor is het licht veranderd, maar op het IJ ligt het er volgens mij nog net zo bij als in de zeventiende eeuw.

Vanaf de pont zag ik zelfs de drie masten van een driemaster. Dichterbij gekomen zag ik een vrouw bezig de was op te hangen. Een wasje in de wind is altijd al een feest, maar als het wasje ook nog op een zeilschip wappert, raakt het aan geluk, dat slechts wordt overtroffen door een wasje op een schip dat hoog aan de wind het water klieft.

Het Van der Pekplein had een verfje gekregen, maar leek verder sprekend op het Van der Pekplein van weleer, net als de Van der Pekstraat trouwens. In de bloemenstraten aan weerskanten staan scooters en canta’s in de betegelde voortuintjes en een bordje aan een deur zei dreigend ‘Kloppen/Geen verk./Geen J.H.’

Maar de Ranonkelkade was prachtig. En vindt zijn bekroning in de Wasknijper, een brug van formaat over het Buiksloterkanaal. Op een gebouw aan de andere kant van het water stond met grote letters ‘LICHT AAN.’.Een ­geheimzinnige tekst die dromen doet en me onweerstaanbaar denken deed aan de tekst die ik eens zag op een groot gebouw in Berlijn. ‘ZWEIFEL’ stond daar op het dak, en sinds ik dat las, doe ik dat ook.

Waar we liepen lag eens Asterdorp, in 1927 gebouwd als schoremstad, tijdens de bezetting ­verworden tot Joods getto, inmiddels spoorloos verdwenen.

In de tram stond een oude vrouw met een rollator. Toen ik uitgestapt was, zag ik dat er vlak voor de tram een vel bladmuziek tussen de rails lag. Oprapen? Oprapen, maar pas na oogcontact met de bestuurder, want o wee als de tram ineens ­begint te rijden.

De oude vrouw met de rollator was ook uitgestapt, zag ik, maar zonder rollator en voordat ik iets had kunnen ondernemen, was ze al in de volgende tram gestapt die knarsend het stoplicht haalde en in razende vaart over de brug verdween.

Duivelseiland lag gevangen in een volle regenboog met al zijn kleuren. Duivelseiland, waar de jonge mensen wonen, ligt aan de andere kant van de straat. Frikkendorp, voor de oudjes, aan de onze.

Duivelseiland, Frikkendorp, het Blauwe Zand, Bolo, Rosse Buurt en Vinkenbuurt, Asterdorp, Floradorp, Rode Dorp, Jeruzalem, Dubbeltjesbuurt en Pijp, die namen had ik al. Maar Moord en Brandbuurt was me tot voor kort ontgaan.

Ze zullen het ernaar gemaakt hebben in de Spaarndammerbuurt, dat voorbeeld van verheffende architectuur, met zijn ramen die niet helemaal open kunnen om over de vensterbank hangend kletsen te voorkomen, zijn aan de vloer vastgeschroefde tafels en zijn schuurtjes met moestuingereedschap.

Niets van dat al in de Indische Buurt, waar toch ook arbeiders woonden. Er staat daar een school die genoemd is naar Jan Pietersz. Coen. Dat kan zo niet langer. Eens. Maar waar je niemand over hoort, is dat ‘Indische Buurt’, terwijl ­Indië toch al lang bevrijd is van het koloniale juk, en Celebes en Ambon weer heten zoals ze heetten. Behalve in de Indische Buurt dan.

Met u hoop ik dat die oude mevrouw haar rollator teruggevonden heeft. En de gevonden muziek bleek fijne marsmuziek, soms weet je niet waaraan je het verdient.

Wie een boek schrijft, zal het ook corrigeren. Corrigeren is als spinazie wassen, er blijft zand uitkomen, en zo volgt na iedere correctieronde een nieuwe correctieronde, tot het boek naar de drukker moet en het wassen, zand of geen zand stopt.

In mijn boek sterft de Rapenburgerstraat met zijn bewoners die huis na huis, trap na trap uit hun woningen worden gehaald om via Centraal Station en Westerbork naar Polen worden gedeporteerd om daar vermoord te worden.

Toen iedereen weer dood was, borg ik het manuscript op en maakte me klaar om de deur uit te gaan voor boodschappen. De herinnering is het brood der doden, dacht ik terwijl ik de deur achter me dichttrok.

Bij de opgezette dieren winkel stond de etalage vol flamingo’s, maar er was ook een giraffe bij.

Vlak voor de Ceintuurbrug, zag ik, liep een smal in het gras uitgesleten pad in de richting van het benzinestation, hoe was het mogelijk dat ik het nooit eerder had gezien, het pad meen ik.

De meisjes van de Ruijsdaelkade waren gesloten en in de Rustenburgerstraat vond ik in zo’n kastje Les Perles de la poésie française, een bloemlezing voor scholieren die mij lang geleden Spleen van Baudelaire schonk, plus al die avonden met urenlange discussies over de vraag wat het precies betekende, ‘spleen’.

In het café stonden de vaste klanten iets te vieren. Mij was het iets te gezellig.

Nadat ik het ­rumoer had binnen gesloten keek ik de lange straat af die aan beide zijden tot het water reikt. ‘Straten hebben ogen,’ zegt Meyer Sluyser in Er groeit gras in de Weesperstraat. Tijd voor de maan om boven de daken uit te komen.

Een paar jongens uit de ­Esmoreitstraat, inmiddels allemaal oude ­mannen, zijn bezig een straatreünie te organiseren. Ze stuurden me een lijst met namen die ze hadden achterhaald.

Zo kwam het dat ik terugdacht aan het eerste en ­tevens laatste kinderfeestje dat mijn moeder voor mijn verjaardag heeft gegeven. Meteen aan het begin van het feestje was het misgegaan, want buurjongen Bartje wilde zijn jas niet uittrekken, terwijl ik juist wilde dat hij dat wel deed. Waar een negenjarige zich al niet over opwindt.

We liepen door de Haarlemmer­straat of op de Haarlemmerdijk, toen ik het verhaal aan mijn geliefde vertelde. Ze reageerde meteen met een verhaal waarin een deftige tante op een receptie tegen de man die haar deftige jas wilde aanpakken op hoge toon “Ik houd mijn jas altijd aan,” had gezegd.

Ze was natuurlijk bang dat ie gestolen werd. “Gek,” voegde mijn geliefde er aan toe, “hoe het ene verhaal altijd het andere uithaalt.”

Inderdaad, associëren gaat vanzelf, maar de weg terug is een stuk moeilijker. Laatst kwamen een vriend en ik via associatie op Franz Reichelt, de kleermaker die op 4 februari 1912 vanaf de Eiffeltoren weg zou vliegen om vervolgens als een baksteen naar beneden te vallen.

Er schijnt een parachuteclub naar hem te zijn genoemd, maar dat terzijde. Waar het om gaat, is dat mijn vriend een verhaal vertelde dat ons op Reichelt bracht en dat we allebei vergeten zijn welk verhaal dat was.

Het verhaal dat weer aan dat verhaal vooraf ging, herinner ik me wel. Dat ging over Bulletje en Bonestaak die op Manhattan wachten op de in rubberbanden verpakte man die na dertien dagen, zeven uur en tweeëntwintig minuten weer contact zal maken met de aarde om daarna nog hoger de ruimte in geslingerd te worden.

Het bruggetje dat de overzijden van de twee verhalen tot buren maakte, lijkt voor altijd kwijt.

De krantenwinkel naast de kaas bleek gesloten. Er was geen brood in huis, maar door tijdgebrek moest er gekozen worden, tussen brood van een eind verderop of een krant van een eind terug. Brood of krant, krant of brood. Het werd de krant.

Bij de zebra op weg naar Martyrium meende ik aan de overkant een dame te ontwaren met net zulk grijs haar als ik, met dat verschil dat haar haar vroeger platina was geweest en het mijne melkboerenhonden. Terwijl ik me iets voorover boog en een oog sloot om beter te kunnen zien, zag ik dat zij hetzelfde deed.

Halverwege omhelsden we elkaar en zong ik ‘Nee, niet zoenen op het zebrapad’ voor ons, wat ze wel leuk leek te vinden. Het ging haar goed, maar oud worden, vond ze niet echt een feest. “Al die mensen die maar dood gaan.” Ik wist wat ze bedoelde.

Even later betrad ik Martyrium, waar een grote Lucebertposter in de etalage hing. “Gisteren,” zei het meisje van de winkel, “waren er allemaal mensen die dachten dat we een feestelijke presentatie hadden.”

“Ik was op een feestje,” zei ik, “waar iedereen Menno Wigman had gekend. Als drummer. En nu bleek hij plotseling de beste dichter van Nederland te zijn geweest.

Toen ik iets over Lucebert zei, zie iemand ‘Lucewie’ en vroeg iemand anders of er iets met hem was.” “Ik heb het nog nooit meegemaakt,” zei het meisje, “dat een held uit mijn jeugd zo onderuit ging.” “Ik kan je verzekeren,” zei een al wat oudere dame die meeluisterde, “dat het niet mee valt.”

“Het komt hard aan,” zei ik. “Het is niet zo dat ik zijn boeken uit de kast heb gehaald, maar er zit er een luchtje aan en bij ieder gedicht dat ik herlees, wordt die lucht sterker.”

‘Eigenlijk heb je nog best veel haar,” zei mijn kleindochter laatst tegen mij. Ik moest er aan denken toen ik bij de kapper binnenstapte waar Alies uit Akersloot die tijdens het knippen vaak zo gezellig met mij praat al op me stond te wachten.

Tijdens mijn vorige knipbeurt had ze me verteld dat ze met het woord ­‘museumpoetser’ een gooi deed naar een plaatsje in de Van Dale, maar deze reis opteerde ze voor ‘truitje’. “Een truitje,” zei ze, “is ­gewoon een geitenwollen sok, maar dan de vrouwelijke variant. Truitje, klinkt goed, vindt u niet?”

Ik heb een schaap gekend dat Truitje heette, maar dat weerhield me er niet van het eens te zijn met Alies die inmiddels alweer ergens anders was aangeland. Bij twee nichtjes die naar België waren verhuisd en op school zoveel plezier hadden omdat ze er op de poep ­zaten.

“Poep is hier gewoon nummer 2,” zei Alies, “maar in België zitten ze er op,” waarna ze een verhaal begon over een Belgisch echtpaar waarmee ze het in de tram over het woord ‘patat’ had gehad. “Dat is friet,” had Alies gezegd. Maar de Belgen zeiden dat het een aardappel was. Als je naar het frietkot gaat en je vraagt om een patat, dan krijg je een aardappel.

“Mijn nichtjes wonen zo vlakbij,” zei Alies, “maar toch is alles ­anders. Hebt u eigenlijk kleinkinderen?” “Jazeker,” zei ik. “Een kleindochter, van 13. We gaan straks naar haar toe.” “En wil ze nog met u te maken hebben? Mag u haar op straat nog een knuffel geven?” “Jazeker,” zei ik.

Nadat ik mijn kleindochter begroet had, streek ze met haar hand over mijn gemillimeterde hoofd en zei: “Je hebt eigenlijk nog best veel haar, opa.”

Wie tramt zit met zijn neus in de tramrails, wie loopt of fietst is zo vrij als een vogeltje. Ook als de bestemming vast ligt zijn er duizend ­manieren om er te komen. Neem ik de toeristische route? Een ­omweg?

Zelfs als je de kortste weg neemt, zijn er vele mogelijkheden. Als een straat opgebroken is of ­afgesloten wegens weet ik veel is er altijd een sluipweg, meestal vlak langs de huizen. Er staan borden die met boetes dreigen en mannen met hesjes die driftig gebaren, maar het is geen Amsterdammer die zich daar wat van aantrekt.

Bij de werkzaamheden rond het Weteringcircuit hebben ze het daarom anders aangepakt. Wat er gebeurt als je naar links gaat, heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar ga je rechtsaf dan zit je gevangen tussen twee ijzeren tangen en heb je maar te gaan zoals de pijlen wijzen.

Zo kwam ik terecht in de Den Texstraat waar ik heel lang niet geweest was en meteen een hoogst interessant poortje zag, waarvoor ik helaas geen tijd had.
Via de ­Nicolaas Witsenstraat hervond ik de vrijheid.

Ik stak over richting Reguliersgracht en zo schuin tegenover de Alhambra moest ik denken aan de nachten dat hier nog druk getippeld werd. Ik stond hier toen eens met een dame die daar geen weet van had.

We wilden een taxi en toen ze een auto zag naderen, ontsnapte ze naar de trottoirband en stak haar hand op, waarna de auto prompt tot stilstand kwam en het portier openzwaaide. Ze boog voorover voor overleg en riep toen: “Kom, het is geen taxi maar deze vriendelijke meneer wil ons graag naar huis brengen.”

Laatst zag ik dat er bij het Golden Tulip Hotel in Sloterdijk weer ouderwets getippeld wordt.

Wie bij een Chinees eet, heeft het vaak een tijdje over eten bij de Chinees. We kwamen uit de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade en we wilden ergens een hapje gaan eten. Maar waar, was de vraag. Totdat iemand opmerkte dat er vlak voor onze neus een enorm Chinees restaurant in het water dreef. Gauw naar de loopplank dus en aan boord.

Zonder dat we er om hadden gezeurd, werden we naar de mooiste tafel van het restaurant geleid, uitzicht op het water en de bootjes en op de huizen en de torens die ­boven de huizen uitstaken aan de overkant. “Wien, Wien, ja du allein,” zong ik met Nescio.

Intussen waren de drankjes gebracht en was het verplichte uitwisselen van herinneringen aan Chinese restaurants begonnen. Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten. Ik vertelde over mijn Tweeduizend Loempia’s bij de Mandarijn, in de loop van de jaren genuttigd tijdens evenzovele redactievergaderingen.

We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond. Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje. “Het is eigenlijk een na-biertje,” zei ik. “Wij hebben alleen nu-biertjes,” zei hij. Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel.

Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. “Kunt u mij zeggen,” vroeg Henriëtte aan de Chinese dame die de deur in de gaten hield, “van wat voor hout hij is gemaakt?” “Boom,” zei de dame.

In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen. Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken. Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken.

Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. “Wat een prachtig schip,” zei ik tegen de man met de kapiteins­pet die in de stuurhut stond. “Weet je van wie het was?” zei hij. Ik wist het niet. “Van Freddy Heineken.”

“En die heeft het vernoemd naar Stan Huygens van het Freddy Heineken Journaal?” De kapitein lachte. “Klopt,” zei hij, “en nu is het een rondvaartboot.” Van luxe jacht tot rondvaartboot, wat een teloorgang, dacht ik terwijl we onze weg vervolgden.

Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje. Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen. “Je kan de glazen ook aan tafel volschenken,” zei ik, “is misschien makkelijker.” Het leek haar een goed idee.

“Weet je waarom dit een roomse borrel heet?” zei ik. “Jazeker,” zei ze, “dat hebt u me verteld.” Oei! Oude man valt in herhalingen. “Maar,” zei ik, “weet je hoe het ook genoemd wordt? Een overhetij­kijkertje.” Had ik van een lezer, maar dat zei ik er niet bij.

Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer. Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken.

Leo van der Noort, fotograaf van Amsterdam en de Amsterdammers, vertelde me dat hij de Admiraal de Ruijterweg zo’n saaie straat vindt. ”Dan sta ik op de Krommert en om thuis te komen moet ik dan die eindeloze straat uit. Niks te zien en er gebeurt nooit wat.”

Zijn het mijn herinneringen die de Admiraal de Ruijterweg tot zo’n opwindende straat maken? Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen. Ik volg het met argusogen.

In de vroege morgen van zaterdag 5 juni 1956 liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. Het was luilak. We hadden Hanepen geplaagd, we hadden luilakbollen gegeten en nu liepen we hier zo’n beetje, toen als uit het niets een man verscheen die ons bij de lurven greep.

“Daar heb ik jullie, schoftentuig!” riep hij en hij sleurde ons mee naar het politiebureau, waar we werden opgesloten, ieder in een cel. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis.

Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden. Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor.

Het werd stil op straat. Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren.

“De jongens is tien,” zei mijn moeder even later tegen de rechercheur van dienst, “schamen jullie je niet om zo’n kind op te sluiten en te verhoren.” “Uw zoon heeft al meerdere malen op het bureau moeten komen,” zei de rechercheur.

“Die jongen houdt van voetballen,” zei mijn moeder.

“Het mocht wat.”

In januari 1963 ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart. Dat wilde Gerard wel. Later verklaarde Donkers: “Ze zeggen dat het een flikker is, maar ik heb zo mijn twijfels.”

Als officiële oprichtingsdatum van Baart staat 8 februari 1963 te boek en vandaar dat we vorige week donderdag ons elfde lustrum vierden. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren.

Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging.

Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: “ Volgens mij is het een blessure.” Het bleken gevleugelde woorden.

Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen. Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed.

Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk. Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde.

Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook.

Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin.

Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn. Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst.

Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette. De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast.

Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: “Hoe heet het ook alweer?” “Haring,” zei het meisje van de vis. “Haring,” herhaalde vrouw. Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed.

Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken. De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis.

Aan de andere kant van de ­Admiraal de Ruijterweg staken we op bij café ’t Binnenkomertje dat achteraf niet ’t Binnenkomertje maar ’t Binnepretje bleek te heten. Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje.

De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje. Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee.

Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was. Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg. Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen.

Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt.

Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast. Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi.

Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West. Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen. Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg.

Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn. Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen.

De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter. Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier. Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert.

De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks. Human Alert heb ik nooit zien spelen.

In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder. Naar aanleiding van zo’n stuk kreeg ik een tijdschriftje opgestuurd, Nachtschade heette het, volgeschreven door Menno Wigman.

Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter. Zoiets schept een band.

In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede.

De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de 12. Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon. Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest.

Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om. Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief. In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen. Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie.

De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen. Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien.

Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap. Dat komt, ik ben Emma van Jane Austen aan het herlezen, maar deze keer in vertaling, van Annelies Roeleveld en Margret Stevens. Zo kwam ik er achter dat de ‘gruel’, waarop ­meneer Woodhouse, Emma’s ­vader, zo gesteld is geen watergruwel is zoals ik altijd heb gedacht, maar lammetjespap.

De lammetjespap is ‘aanleiding tot veel commentaar’. Zo blijkt dat men er zeer stellig over was ‘hoe gezond lammetjespap was voor ieder gestel’ en dat het nog best moeilijk is ‘een kom mooie, gladde, dunne lammetjespap, dun, maar niet te dun’ te fabrieken.

“At jij wel eens lammetjespap?” vroeg ik aan de vrouw des huizes. Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden. “Ik wel,” zei ik. “Maar ik kreeg het alleen als de havermout op was.” De havermout was van Quaker, wat je uitsprak als Kwaker, en op het pak stond een man met lang haar die een zwart pak droeg.

Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder. De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Heerlijk. Als er maar geen klontjes in zaten.

En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse 202 jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar. Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen.

Nadat ik afscheid had ­genomen van mijn ­afspraak fietste ik de Rapenburgerstraat uit, stak ik de Weesperstraat over, dook ik de Nieuwe Amstelstraat in en draaide een paar tellen later aan de andere kant van de Blauwbrug de Amstel op. Boven de ­Hermitage hing de maan. Vol en groot, wit met een zweem van blauw.

Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. “De maan loopt altijd met je mee,” zei mijn grootmoeder toen we samen over de Joos Banckersweg liepen in de richting van de Jan van Galenstraat. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee. Ik zal een jaar of vijf geweest zijn.

De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf. Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen.

Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken. Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd.

Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen. “Het is een strontbombardement,” zei een jonge vrouw.

“Ik dacht dat jullie de maan fotografeerden,” zei ik. “De maan?” Ik wees. “Verrek,” zei ze, “de maan,” waarna ze haar mobieltje ten hemel hief om een foto te maken. En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen.

In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem. Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden.

Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid.

De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig. Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken.

Ze zaten iets te dicht bij elkaar aan een tafeltje in de kleine serre waar je zo’n prachtig uitzicht op de ­Amstel had, of liever nog in een nis. Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto.

Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben. Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle.

De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan. Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden.

Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit 2011 was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: ‘Ze waren uitgekomen bij de avenue Trudaine, een straat waarvan wordt gezegd dat hij nergens begint en nergens eindigt.’

Over een Amsterdamse straat heb ik dit nooit horen zeggen, maar als er een straat is zonder begin of eind is dat volgens mij de Rustenburgerstraat. De Rustenburgerstraat is zo’n straat die in partjes uiteen valt, zoals de grachten bij Theo Thijssen, bij wie de Prinsengracht niet een gracht is, maar uit meerdere grachten bestaat die van brug tot brug lopen.

Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen. Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch.

Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging. “Blijf jij maar thuis,” had ik bijna gezegd, maar ik deed het niet natuurlijk, want zo’n expeditie naar de bronnen van de Nijl onderneem je niet in je eentje.

Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks. Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier.

Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken. Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden. Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen.

Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet. Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen.

Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan. Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet.

Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn. Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was. “Hij is maar een keer kwaad op me geweest,” zei ze vaak, “dat was toen ik het fornuis in de keuken had laten uitgaan.”

Mijn grootvader ging regelmatig dood, meestal aan astma. Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde.

Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek. “Voel je het krachtveld?” zei hij tegen mij als hij een demonstratie gaf. “Als ik goed bezig ben, vliegen de vonken er van af.”

Als hij niets om handen had, schreef hij in sierlijke letters zijn naam en adres op een blocnotevel, vouwde hij de kranten op of kamde hij de franje van het kleed.

Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer. “Hoe kan dat nou?” zei mijn geliefde toen ze hoorde dat Marja Habraken dood was, “gisteren zag ik haar nog, op de zebra bij de Overtoom.”

Regen en wind zwiepten over het Troostpleintje dat de haringkar er van stond te schudden. In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. “Meneer,” zei ze, “mag ik u iets vragen.” “Natuurlijk,” zei ik. “Mag ik uw arm tot de stoplichten? Het waait zo en ik ben bang dat ik val.”

Ik bood de dame mijn arm en ­samen stapten we met kleine stapjes in de richting van de Ceintuurbaan. “Ik ben bang dat ik mijn been breek,” zei ze, “en dat zou dan voor de tweede keer wezen. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft.”

“Woont u op de Ceintuurbaan?” zei ik “Moet ik u dan niet even naar huis brengen?” Maar nee, dat hoefde niet. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen. En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen.

Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen. Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam. “Maar wij staan ver achter,” zei ze. “Dat komt,” zei ik, “omdat ik vaker kaas nodig heb dan oude postzegels.”

In mijn brievenbus lag een briefje van Mr. Mustafa. “Ik ben voor jullie,” schreef hij, “geen leven zonder problemen, liefde, sterkte, erge ziekten, alcohol, geluk in alles. Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst.”

Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen. Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer.

De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand.

Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren.
Maar er kwam van alles voor in de plaats.

Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat. Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek.

Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden.

Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen. En wij gingen naar Parijs, waar we in de rue de la Tour d’Auvergne in een hotel logeerden waar Louis Armstrong ook gelogeerd had.

Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus 1934 vanuit het hotel geschreven heeft: ‘Dear Mr. Jacques. I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days. All the best to all the ‘Hot Fans’. From yours truly, Louis Satchmo Armstrong.’

Armstrongs favoriete Wonderolie is te koop in het Louis Armstrong House Museum in Queens, New York.

We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan. Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen. Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water.

Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen. Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad.

Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond.

Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen. Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen.

Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden. De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken.

We zaten aan het raam met de slinger (‘1. Waarschuw de klanten. 2. Takel het raam omhoog. 3. Vergrendel het raam met de ketting.’) en keken naar de komende en gaande tram. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen. Wij ook toen ons moment gekomen was.

Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. In ­café’s hoor ik vaak een Amsterdammertje bestellen en zie dan dat de besteller een grote pils krijgt toegeschoven.

Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd. Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen.

Dat kreeg je. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje. Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben.

En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde. Oude jenever dus. En die ging in de pils.

Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken. Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje. Ook lekker, meen ik me te herinneren.

Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever. ­Onlangs overkwam het mij dat de barkeeper die mijn kelkje heel voorzichtig aan het volschenken was vlak onder de rand ophield met schenken.

"Doorschenken," zei ik, maar hij was bang dat de ­jenever erover heen zou gaan. Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. "Sorry," zei de barkeeper van Gambrinus in de Ferdinand Bol, "maar alle jeneverglazen zijn in gebruik."

Dat waren er dus twee.

Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij.

Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde.

Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. Terwijl ik van het broodje at, dacht ik aan mijn moeder, die mij lang, lang geleden leerde dat je nooit ‘honger’ zeggen mocht. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek.

Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: “je-oh-oh-de” las hij op de ster die zijn moeder droeg. Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. Alle naambordjes van de straten waar we langs kwamen als we met de Kikker van de halte Erasmusgracht naar de Rozengracht tramden, Rijpstraat, Jan van Galenstraat, Maarten Harpertszoon Trompstraat, Van Speykstraat, Chasséstraat, Reinier Claeszenstraat, Slatunèn­weg.

“Slatunènweg? ” zei mijn moeder, “waar heb je dat vandaan?” “Het staat op het bordje,” zei ik. “Er staat Slatuinenweg,” zei mijn moeder. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had. Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd.

Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg.

Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben.

Kwam ze thuis en vroeg ze: “Wat eten we?” dan zei ik: “Andijvie.” En zij zei dan: “Andijvie, andijvie, is het je in de bol geslagen? Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten.”

Waarop ik zei dat het maar een grapje was en dat we spaghetti aten, waarna ze pas echt woedend werd en er met tafels werd gesmeten en je het geluid van brekend glas kon horen.

Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens.

Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken. Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens.

Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op. Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop.

Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken. De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Zo’n fijne ruzie had ze in nachten niet gezien.

Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën.

Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten. “Ik ben Allende niet,” heb ik geantwoord.

Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Er waren laag overvliegende trampolines, in de binnentuin van de redactrice van mijn uitgever was een enorme boom ontworteld en een van haar collega’s bleek in het huis van Netty Rosenfeld te wonen.

Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb.

Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: “Hé Pipo! Mammaloe voor je!” Zo’n vrouw dus.

Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link. Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: “Ik heb ze vandaag maar binnen gehouden.”

In het najaar van 1960 of daaromtrent was er ook een storm. Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving. Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen.

Bij wijze van werving bezorgde ik z’n honderd kranten bij niet-abonnees. Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht.

Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers.

“Toen mijn moeder was overleden,” zei Peet, “kwam me er toch een zeikerd binnen, niet te geloven, met zo’n uitgestreken smoel, maar zo ruig als een kokosmat en het eerste wat hij zei was dat de ­rekening voor maandag betaald moest zijn. Want hij had nogal eens last van wanbetalers.”

Toen we uitgelachen waren, vertelde hij over zijn grootvader van moeders kant, Piet, een boom van een kerel. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam.

“Hij lag opgebaard op de keukentafel, en hij had maat 48 schoen, dus het enige wat je zag, waren de twee voeten die omhoog staken.” De begrafenisondernemer had zonder iets te zeggen vier plankjes neergelegd, iepen, vuren, grenen, eiken.

“Mijn moeder,” zei ik, “is de nacht van zaterdag op zondag overleden in een heel gereformeerd dorp. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van. Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten.”

Maar Peet, die als keurige jongen uit een rood gezin van de blauwe knoop is, wilde het wel weten en dus vertelde ik van de Grote Kerst Kater Die Vijf Dagen Duurde, verschrikkelijk. “Het gekke is,” besloot ik, “op het moment dat de kater wijkt, ben je hem vergeten en denk je, ik zou best een lekker biertje lusten.”

In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. De kool- en pimpelmezen hingen aan de pinda’s, de papegaaien vlogen krijsend van boom naar boom en de grote bonte specht die zich niet zien liet, hamerde er stevig op los.

Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van 1959. De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden.

Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven.

Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen. Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip.

In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit 1959 te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat 15.

De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks.

Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten.

“Opsteken? ” zei de man van de sigarenwinkel. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan.

“Iedereen wil het kopen,” zegt mevrouw Eichholtz, die Karin heet en hier 36 jaar werkt. “Maar het kost 1000 gulden, en we ver­kopen het niet hoor.” Een hele gerust­stelling.

Eichholtz verkoopt alles in verpakking, de 69 varianten van Heinz, allerlei soorten tabasco, garlic pepper, pepper, green pepper, habanero, sweet & spicy, maar ook Marmite en knoflookkaas. “Gvina shum,” zegt Karin, in het Hebreeuws, want ze spreekt alle talen, wat haar klanten duidelijk leuk vinden.

Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets. Helemaal boven stond voor een ijswinkel een bord met de woorden ‘Wij spreken alle spraken’.

Altijd onthouden.

Ik zette mijn fiets in de fietsennis van het Stadsarchief en zag dat er aan de andere kant van de ruit zo’n vijftig kinderen zaten die al mijn bewegingen nauwkeurig volgden. Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug.

Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was.

Ik meldde me dus bij de balie. “Wat is je geboortedatum?” zei de altijd vriendelijke en behulpzame dame die daar zetelt. “Weet je die niet?” zei ik. “Je denkt toch niet dat ik iedereen zijn geboortedatum kan onthouden?” zei ze. “Nee,” zei ik, “maar de mijne toch wel?”

In de derde klas van de lagere school, de Erasmusschool, had ik mevrouw Besier, ‘de schrik van de school en door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière’, zoals ik eerder schreef.

Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan.

Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg. “Ben jij van de week niet­ jarig, Guusje?” zei ze. “Dat u dat nog weet,” zei ik. “Van sommige kinderen onthoud je meer dan van anderen,” zei ze.

Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb.

Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: ‘Fogg liet Passepartout twee kaartjes eerste klas naar Parijs nemen.’

Een acute aanval van heimwee maakte zich van me meester, want ja, zo ging dat vroeger. Iemand zei, “Zullen we naar Parijs?” en op het station kocht je dan een kaartje, liet je je nog even scheren door de stationskapper en een uurtje later zat je comfortabel in de eerste klas op het gerammel van het wagentje van de restauratie te wachten.

Heimwee. Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste.

Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt.

Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal. “De mensen liepen allemaal naast hun fiets,” zei hij, wegens glad, maar volgens hem was dat nergens voor nodig, met als gevolg een gebroken ribbetje (‘hup met dat kribbetje!’). Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller.

“Ik viel laatst ook van mijn fiets,” zei ik. “In het Bosplan.” Tim begon te lachen, en vertelde toen dat hij het nog altijd over ‘de Nieuwe RAI’ had als hij de RAI bedoelde.

We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? “En de Krommert,” zei ik, “altijd gedacht dat de Krommert zo heette omdat ie zo krom is, maar er is een meneer Krommert.” “Zoals het Vliegenbos niks met vliegen te maken heeft.” “En het Grote Gartmanplantsoen niet bestaat.”

Waarop twee uitbundig lachende mannen bij een vermakelijk meisje nog een kopje thee bestelden.

‘Wat het huis verliest, brengt het huis terug,” zei mijn moeder graag. Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. “Sint Antonius,” psalmodiërde ze dan, “goede vriend, maak dat ik mijn vingerhoedje vindt.”

Waar mijn moeder, keurig opgevoed in een rood gezin en nooit een kerk van binnen gezien, Sint Antonius vandaan had, mag onze Lieve Heer weten. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde.

Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet. Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had.

Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in 1982 geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. Een achterneef van hem ging daar wel uit wandelen met zijn ‘ome Levie’ die omdat zijn familie naar Engeland was vertrokken ‘Sir Lewis’ werd genoemd.

Sir Lewis was een man ‘met een bolhoed op zijn doodshoofd en een dikke sigaar met zware kauwfranje’ tussen zijn lippen. ‘Een echte Mager Hein,’ schrijft Van Praag, ‘maar toch…’

Want tijdens zo’n wandeling vroeg oom zijn neefje vaak even te wachten. ‘Hij ging zo’n bordeeltje binnen en, na zijn sexuele besogne verricht te hebben, kwam hij weer naar buiten en nam vaderlijk de hand van het neefje om gemoedelijk verder te kuieren.’ Goede schrijver, de schrijver van Jeruzalem van het Westen, jammer dat hij zo vergeten is.

In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan. Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen.

Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op.

Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was. Het was een plezierig wandelingetje naar bus 80.

Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren. Bleek dat er in de De Genestetstraat een
geboortecentrum was neergestreken.

Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen.

Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot? Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien.

Inmiddels ben ik er achter. Lachgas. Middelbare school in de buurt.

Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit. Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand. Uit 1963 meen ik.

Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet. “Geluk,” zei buurtgenoot Frits Heffelaar laatst in ons buurtblad, “is een herinnering.”

Langs het Bordello A Parigi waar Mathilde Karrèr exposeert (featuring Fred Ventura ‘Love is my answer’ en Model Man ‘Hidden waves’, tot 28 januari) liep ik de Zeedijk op en langs café Verhoeff met het borstbeeld van Fernandel en het bordje ‘Wegens succes is er weer bier!’ naar de Oudezijds Voor met zijn kroegen en zijn Ons’ Lieve Heer op Solder.

Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde.

Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen. En daarna dus hup naar de dolle begijnen.

Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis. Haar dichtbundels die allemaal van voor 1971 zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag.

Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. “Dat komt omdat Verst verleden nog nieuw is,” zei Marcel. "Dat doen mensen nog niet weg.” “Het is uit 2002,” zei ik, “noem jij dat nieuw?”

Op het moment dat Marcel antwoord zou geven, kwam er een vrouw binnen. “Meteen zeggen,” zei ze, “zit je bel links op het stuur of rechts? Meteen zeggen.” “Rechts,” zei Marcel. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. “Weet jij het verschil tussen links en rechts niet?” zei ik. “Jazeker wel,” zei Marcel, “maar zij komt hier iedere dag en ik neem haar graag een beetje in de maling.”

“Mijn geliefde,” vervolgde ik, “weet het echt niet, het verschil tussen links en rechts. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien. Dus door ‘rechts’ te zeggen als je linksaf moet. Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf. Merkwaardig, toch?”

“Ik denk,” zei Marcel, “dat ze aan je stem hoort dat er iets niet klopt.” “Maar dan zou ze toch juist linksaf moeten gaan?” zei ik.

Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland.

Na een mooie wandeling over de eilanden streken we neer in café ­’t Blaauwhooft op het Hendrik Jonkerplein, waar we, ­zoals we bij binnenkomst vaststelden, zo’n dertien jaar niet waren geweest.

Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat. Als het goed is, is de bal nog ergens.

Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons. Het is een ouderwetse cafételefoon. Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen?

Toen onze kleindochter een jaar of drie was, waren er nog telefooncellen in de stad. Als ze op de Elandsgracht de cel tegenover het hoofdbureau van politie in de ­gaten kreeg, moest ze altijd nodig met oma in Parijs bellen.

Wat na het inwerpen van de denkbeeldige muntjes altijd prima lukte. Na haar gesprek liepen we de Oude Kinkerbrug over de Singelgracht op waar we inmiddels verzamelde takken in het water gooiden om te kijken of ze aan de andere kant van de brug weer tevoorschijn kwamen. Tien jaar geleden ­alweer?

Toen onze portie calamares zich bij het bier en de wijn had ­gevoegd, kwam er een zwarte poes op de bar zitten die de pose aannam van de zwarte poes op het beroemde affiche van cabaret Le Chat Noir. De poes zat voor een pinda-automaat, overblijfsel uit de tijd dat je in het café alleen een handje pinda’s of een beefie krijgen kon, en ook wel eens een ei.

Op het Leidseplein reed de 5 net voor onze neus weg. Een goede reden, leek ons, om een kijkje te nemen bij het opgefriste Américain.

We gingen de heerlijke draaideur door, stapten het café binnen en werden prompt tot staan gebracht door een vrouw die er geen misverstand over liet bestaan dat we in het gedeelte waar je iets kon drinken, niets te drinken zouden krijgen. Dat de bar open was, hebben we voor kennisgeving aan genomen.

Weer thuis zette ik de televisie aan, en meteen weer uit, want daar had je hem weer, De Stem, de geheimzinnige stem die in televisieland de boel aan het overnemen is.

Wij kijken altijd naar Het Journaal, maar dat is verleden tijd, want enkele weken geleden was daar plotseling De Stem. De Stem komt erin als iemand iets zegt in een andere taal dan het Nederlands.

Als president Trump bijvoorbeeld ‘Grab them by the pussy’ zegt, dan zegt president Trump niet langer ‘Grab them by the pussy’ maar hoor je De Stem die van de ondertitels ‘Grijp ze bij hun poesjes’ voorleest.

De Stem is geen Nederlander en vaak heb ik het idee dat hij geen idee heeft wat hij voorleest, maar waar je zeker van kan zijn, is dat hij alle klemtónen verkeerd legt en dat hij een naam als ‘Puigdemont’ uitspreekt als rijmend op ‘vuigdehond’.

Eerst was de stem er alleen in Het Journaal, maar inmiddels doet hij ook series. Helemaal in zijn eentje leest hij alle stemmen voor. Je wilt naar Homeland kijken met de hysterische Carrie Matthison, de vermoeide Saul Berenson en de onbetrouwbare Dar Adal, maar wat je krijgt is De Stem die zegt: “Maar Sa-Ul, wat doe jij nu?” ”Vraag dat maar aan Daradal, Sarrie.”

Als je bij het Centraal Station uit de 24 stapt, of uit de 4 of de 26, maakt niet uit, en je loopt in de richting van de hoofdingang dan zie je in de uitbouw van de eerste toren een deur zo groot als een staldeur.

Tot voor kort kon je hier vaak een groep Oost-Europese straatmuzikanten treffen die hem vooral op de klarinet stevig wisten te raken. De mannen op de brug over de Zwanenburgwal naar het Waterlooplein speelden misschien beter, maar het Centraal Station Ensemble had meer pit.

Beide groepen zijn verdwenen, de Peruviaanse panfluiters achterna, denk ik.

Voor de staldeur stond vandaag een busje met daarop de woorden ‘Venema-Restauratie’. Ik dacht meteen aan kroketten, maar toen ik dichterbij kwam, bleek het om een restauratiebedrijf te gaan. Er werd weer eens wat hersteld aan het station, een mens kijkt er van op.

Maar toen we de hoek om ­waren en door de enorme ruit die achter de staldeuren blijkt schuil te gaan naar binnen keken, bleef ik in stille verbazing staan. Wat ik zag was een prachtig houten plafond, dat was afgezet met vrolijke schilderijen van engeltjes of cherubijnen, het verschil is me nooit helemaal duidelijk geworden.

Boven de glazen wand aan de ­andere kant van het vertrek stond ‘WELKOM’ en er was een statige trap, waar je je van kon afvragen, waarheen hij ging. “Naar de Koninklijke Wachtkamer misschien?” zei ik tegen de enige persoon die ik ken die daar wel eens binnen is geweest, zo’n veertig jaar geleden.

Het was daar alles goud, heeft ze me toen verteld, kopjes en schoteltjes, glazen, spiegels, asbakken, ja, zelfs de wc’s en hun brillen. Iets wat ik graag eens zien zou willen.

Bij banketbakker Arnold Cornelis in de Van Baerlestraat stond om te proeven een lekkernij op de toonbank waarvan ik me de naam niet herinnerde, maar die ik herkende en waarvan ik me de smaak meende te herinneren. Toen ik een hapje had genomen, wist ik dat ik me niet vergistte.

“Hoe heten deze koekjes?” zei ik tegen mevrouw Cornelis die Lenie heet en twee kroketjes voor me in de pan gegooid had. “Kaasvlinders,” zei ze. “Ze smaken naar mijn moeder,” zei ik.

Waar mijn moeder kaasvlinders kocht, weet ik niet meer, maar ze kocht ze op de zaterdagse expeditie die begon bij het Hammenhuis in de Sint ­Luciensteeg en die mijn vader en haar vervolgens naar een slager in de Jordaan voerde voor leverworst, naar een taartjeswinkel in de Maasstraat voor een bepaald soort droge gebakjes en dan nog ergens heen voor rauwe Gelderse.

De gedachte dat je bij een winkel meer dan een lekkernij zou kunnen kopen, hield mijn moeder voor ketterij.

“We hadden een Volkswagen en daarin reed mijn vader haar rond,” zei ik. “Een kever?” zei mevrouw Cornelis, waarop ze vertelde dat haar vader bij het Amsterdams ­Lyceum werkte en tijdens het veertig jarig bestaan van de school vijf kevers had uitgezaagd en die had opgetuigd als witte politieauto’s.

“Vijf maal acht,” voegde ze er aan toe. Op de nummerborden stond ‘Fietsen van Jan/ daar heb je wat aan.’ Ze hadden een fietsenstalling op het Stadionplein en haar vader maakte fietsen.

Als meisje zat ze ’s avonds in de gang spaken te rijgen. Die moesten door de velg gestoken worden en vastgeschroefd. “Fietsen van Jan,” zei ik, “en spaken van Lenie.” “Zo is het,” zei mevrouw Cornelis terwijl ze me mijn kroketjes overhandigde. “Smakelijk eten.”

De schemering is nog niet begonnen, maar er hangt een haast ­onzichtbare nevel ­boven de Zoutkeetsgracht die de schemering lijkt aan te kondigen. De gracht ligt er prachtig bij, stil en onaangedaan, het IJ nabij maar veraf tegelijk.

Achter een groot raam staat een vrouw iets aan de lade uit een ladenkast te poetsen. Haar werkplaats is in­gericht als een timmerbedrijf, maar ik denk dat ze zich meer met restauratie bezighoudt dan met timmeren.

In haar vensterbank staat een houten vrachtwagentje, zo hartverscheurend mooi dat ik mijn neus tegen het venster druk als was ik Kruimeltje voor de etalage van de banketbakker.

Als de timmervrouw opkijkt, zwaai ik naar haar, waarop ze ­terugzwaait, mensen die ge-zwaaid worden, zwaaien altijd ­terug. Bij de Nymphaea, het honderd jaar oude motorjacht dat hier al jaren ligt te stralen, maken we een paar foto’s en draaien dan de Bickersgracht op.

“Dit was mijn vaders favoriete straat,” zeg ik als we de Kleine ­Bickersstraat af kijken naar Galgenstraat en Bickerswerf. “Hij nam me vaak mee hiernaartoe.”

“Weet je ook waarom?” zegt mijn geliefde. Maar nee, dat weet ik niet.

“Had je vader weleens van die Kees de jongenverhalen?” zegt ze. “Nee,” zeg ik. “Nooit.” Mijn vader hield niet van zijn jeugd.

Aan de overkant van het water ligt een zeilschip, waarvan mast en fokkenstag met lichtjes zijn versierd. In de huizen branden kaarsendakjes en kerstbomen, in het donker is overal licht.

We gaan ­onder het spoor door, steken de Haarlemmerstraat over en lopen richting Noordermarkt als we bij café Papeneiland langs een grote kerststal komen. Jezus en Maria, os en ezel, de Wijzen uit het Oosten, het hele spul, achter glas, aan de Prinsengracht, met de Westertoren in de verte.

Hoewel het dooide, was het spiegelglad op straat. Je kon het zien, want niemand liep ­gewoon door de bagger die even eerder nog sneeuw was geweest, iedereen tilde zijn voeten op. “Je kan beter het fietspad nemen,” zei het meisje van de bloemenstal, “dat is schoon.” Ik deed wat ze zei, wat voor de eerste fietser de beste die me achterop kwam aanleiding was voor een stevige scheldpartij.

Ondanks de dooi was het koud. Niet zo koud dat de stratenmakers hun werk mee naar huis namen, maar de verhuizer die op het ­Museumplein in zijn verhuis­wagen tussen de meubelen stond, liet weten dat hij met dit weer toch liever op het strand zat.

Het Passage Kwartet in de passage onder het Rijks speelde, zoals gewoonlijk, de Lente van Vivaldi en behalve een accordeon klonk nu ook de schuiftrompet. In het Concertgebouw zouden ze deze bezetting ook eens moeten proberen.

Achter de ruit die de hal van het museum toont, stonden vijftien kinderen met kwasten gewapend achter een schildersezel in een halve cirkel om een model heen, dat op een stoel op een ­verhoginkje zat. Ze zag er uit als Jacoba van Beieren (lustte geen ­eieren).

Tussen de andere toeschouwers ontwaarde ik de man die zich indertijd bezig hield met het bestuderen van het bazenprobleem. Wat wilde zeggen, dat hij in ieder café vroeg wie hier de baas was, waarna er in vele gevallen verschrikkelijke vechtpartijen losbarstten met vliegende barkrukken en veel brekend glaswerk. Een en ander uiteraard tot grote vreugde van de aanwezigen.

Nadat ik hem in café de Ster had voorgesteld aan Karel van het Reve, vroeg Karel mij wat hij deed. Waarop ik zei dat hij het bazen­probleem bestudeerde. “Aha,” zei Karel, “chemicus.”

Alies uit Roelofsarendsveen die het onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat, blijkt ­helemaal niet uit Roelofsarendveen te komen, maar uit Boekelo.

Of was het Dwingeloo, daar wil ik van af wezen, maar in ieder geval vertelde ze mij hoe een week eerder een bejaard echtpaar zomaar twee fietsen die voor de winkelruit stonden omver had gelopen.

“En dacht u dat ze die fietsen even overeind zetten? Mooi niet. Ze stonden ernaar te kijken alsof ze bij Madame Tussauds stonden, echt van die museumpoetsers.”

“Museumpoetsers?” zei ik. “Ja,” zei Alies, “museumpoetsers. Mooi woord hè, het schoot er zo maar uit. Dat heb ik wel vaker, dat ik ineens een nieuw woord verzin. En dat woord blijf ik dan gebruiken, want ik wil in de Dikke Van Dale. Dat is het enige wat ik op mijn bucketlist heb staan.”

“Ik heb een postbode gekend,” zei ik, “die de Van Dale uit zijn hoofd aan het leren was. Hij deed iedere dag een bladzij.”

Dat was bij Marie op de Oudezijds. Bucketlijsten bestonden toen nog niet, maar de postbode wilde in Tel uit je winst van Theo Eerdmans, een quiz waar je duizend gulden winnen kon.

Om de zaak te vergemakkelijken had hij de vragen die hem gesteld moesten worden, alsmede de antwoorden, alvast aan Eerdmans opgestuurd. “Heb je al antwoord?” vroeg Marie als hij binnenkwam.

De postbode kwam vaak op kicksen naar de kroeg, want dat was zijn tweede grote ambitie, profvoetballer worden bij Santos. Maar dan moest hij wel trainen, vond Marie die hem daarom regelmatig veertig rondjes om het biljart liet rennen.

Als ik mijn ogen sluit, hoor ik nog het geluid van zijn noppen op de granieten vloer.

Tien dagen voor kerstmis kocht mijn moeder op de Bos en Lommer een piepklein kerstboompje dat ze thuis optuigde met echte kaarsje die iedere avond even branden mochten.

Echte kaarsjes was veel mooier, maar toch ging ik altijd naar de kerstboom van tante Corrie kijken met zijn gekleurde lichtjes, zijn engelenhaar en zijn kerstballen in alle kleuren. Bovendien brandde bij tante Corrie de kachel.

Als ons boompje stond, gingen we naar de bloemenmarkt op het Singel voor de jaarlijkse kerstbomenmarkt. Mijn ouders waren unaniem van mening dat de ­bomen daar veel te groot waren, maar dat ze mooi waren en heerlijk roken, daarover waren we het eens.

Het ritueel duurde totdat ik ik liever de kerstbomenversiering in het café ging inspecteren, waarbij de versiering bij Emmelot op de hoek van Lange Niezel en Oudezijds Voor altijd als winnaar uit de bus kwam. Piet had twee hele dagen nodig om de takken op te hangen, en weghalen was zoveel werk dat het vaak tot Pasen duurde.

Op de bloemenmarkt verkopen ze houten tulpen en in cafés kom ik niet meer, om deze tijd van het jaar ga ik naar de binnentuin tussen de Roelof Hart en Gerard Terborgh. ‘Verboden toegang voor onbevoegden’ zegt het bordje als je het poortje aan de Roelof Hartstraat binnengaat, maar het volgende bordje zegt ‘Honden aan de lijn’ dus met de verboden toegang valt het mee.

De helleborus staat in bloei, maar ik kom voor de grote magnolia en zijn knoppen die opzwellen aan de kale takken. Terug op straat, zo ter hoogte van de kerstbomenverkoper op het plein, kwam me een vrouw tegemoet die een grote tak magnolia bij zich had en zo voorjaar en toekomst met zich mee voerde.

Ik was het café al voorbij toen ik zachtjes neuriënd op mijn schreden terugkeerde en alsnog naar binnen ging. De jongeman en de jonge vrouw die achter de tap stonden, droegen ­allebei een hagelwit overhemd en aan de bar zat een piepklein meisje voorover op haar ellenbogen ­geleund.

Nadat ik een kruk had bezet, keek ik nog eens goed, maar het was inderdaad een meisje. Een jaar of 5 zo te zien. Ze had een tekenschrift binnen handbereik en naast haar stond een van roze ballonnen gevouwen hondje.

Ik bestelde een jonkie, waarna de jongeman in het witte overhemd een kelkje voor me neerzette en dat vol schonk, maar zonder kop erop, zoals ik merkte toen ik me voorover boog om het de Roomse borrel behandeling te geven. “Hoeveel dacht je van mij te krijgen,” zei ik. “Dan moet ik even spieken,” zei hij.

Zijn collega was inmiddels aan de bar gaan zitten met een kom erwtensoep die begeleid werd door twee plakken roggebrood met spek. “Lust je roggebrood,” zei ze tegen het meisje. “Nee,” zei het meisje, “maar wel spek.” De vrouw gaf haar een grote plak katenspek met het advies ‘goed kauwen.’

Inmiddels was er een vader verschenen. “Ik ga op zaterdag wel eens met haar lunchen,” zei hij, “en dan neemt ze altijd buikspek, met van die grote stukken vet erin, vindt ze heerlijk.”

“Lust jij roggebrood?” zei de vrouw tegen mij. “Morgen weer,” zei ik. Ze lachte.

“Die van mij,” zei ze, “eet alleen maar groenten. Aardappelen lust ze niet, maar ze is gek op broccoli, bloemkool, boerenkool, dat soort dingen.”

“Een bijzonder kind,” zei een man die verderop aan de bar had zitten zwijgen. "Volgens mij kun je daar geld mee verdienen.”

‘Er zijn,” zei ik terwijl we over het Rokin ­liepen, “winkels waar je minstens een keer geweest moet zijn.” We gingen naar Tuschinksi maar we hadden nog wat tijd over, en vandaar.

“Over welke winkel heb je het?” zei mijn geliefde. “Niet over Saul Groen,” zei ik, “en ook niet over Broekmans & Van Poppel. Jij bent er wel vaker geweest, maar zij niet.”

Het is nog niet zo lang geleden dat we met onze kleindochter de Munt overstaken van Rokin naar Amstel, maar voor haar is het voor Broekmans & Van Poppel en Saul Groen inmiddels te laat. Mooie winkels verdwijnen sneller dan de koeien kalveren.

Maar Vlieger zit er nog. Ik word duizelig van geluk als ik binnenkom. Al die laadjes met al dat ­papier met al die namen, awagami ogura, byakka kinsunago, grafica 2,95, ingres 1.35, zaans bord wit, de namen zijn soms nog mooier dan het papier. En die heerlijke enveloppen in alle kleuren.

Bij het trappetje naar de bovenverdieping waar ze in verf doen, bekijk ik de vitrine met lang geleden door Vlieger uitgegeven boeken en prenten, A is een aapje, De kleine wees, Het kat en muisspel, maar dan moet ik er vandoor. Van Vlieger naar café l’Opera waar iets gevierd gaat worden is het maar een steeg, maar wat voor steeg.
­­
De Bakkerstraat was zo smal dat de 4 er maar net in paste. Geen groter genoegen dan op de smalle stoep te staan terwijl de tram door de straat reed. In de tram was het ritje door de Bakkerstraat al even spectaculair, vooral als het ­moment kwam dat je bocht om ging, want dat kon eigenlijk niet, zodat het ­altijd leek of je zo de Amstel in zou duiken.

In het vliegtuig dat ons van Tel Aviv terug naar Amsterdam bracht, vertelde Freddy Hollander dat zijn vader een ‘sauger’ was.

Uit een koffer verkocht hij kostuums aan boeren en buitenlui en daarbij deed hij het voorkomen dat er een pak bij was, dat hij eigenlijk niet verkopen wilde. Omdat het anders en beter was dan de andere pakken die hij in zijn koffer had, terwijl ze alle vier precies hetzelfde waren.

In de oorlog waren zijn ouders ondergedoken, in Driebergen. Ze werden verraden, maar ontsnapten uit het politiebureau. De rest van de oorlog zaten ze in een gat in de grond in een bos in de omgeving.

Ik vraag me vaak af wie die verraders waren. Geen NSB’ers. Die hadden het, zoals we in de boeken van hun kinderen kunnen lezen, juist druk met het redden van ­Joden. Maar wie dan wel? Ik geloof niet dat ik ooit een interview heb gelezen met iemand die vertelt hoe in de oorlog bij de ­buren ondergedoken Joden heeft aangegeven.

Als Freddy’s ouders na de oorlog naar Italië op vakantie gingen, ­reden ze door Duitsland, maar koffiedrinken onderweg was uit den boze. Daarom hadden ze een primus, koffie en een doos suikerklontjes bij zich. Onderweg kwam altijd het moment dat Freddy’s ­vader een rammeltje meende te horen in zijn Mercedes. Dat waren dan de suikerklontjes.

“Op zondag gingen we naar Ajax,” zei Freddy, “maar eerst gingen we naar de Laat, een café op de hoek van de Vrijheidslaan en de Rijnstraat. Daar stonden drie biljarts. Ik biljartte met een kinderkeu. Meneer de Laat gaf me een Heineken kistje. Anders kon ik er niet bij.”

Als Ajax won, aten ze buiten de deur. Als Ajax verloor, werd het Hotel de Houten Lepel.

Op het strand van Tel Aviv staan vier groen geverfde houten fietsen in vier maten. Het zijn geen echte fietsen, maar je kan er wel op fietsen.

Een eindje verderop stond een meisje met haar rug naar de hoge zee een selfie te maken. De golf die haar schoenen zouden overstromen, zag ze daarom niet aankomen. Ze schrok, maar ze moest ook lachen. Sommige dingen zijn overal en altijd gelijk.

Gisteren gingen we met de trein van Tel Aviv naar Akko. Zee en strand reisden mee. Geen mens te zien en af en toe wolken bougainville in vele kleuren. In het Lohamei HaGeta’ot, het Ghetto Fighters’ Museum op zijn heuvel in Nahariya proefde ik het weerzien met de kinderen van de In Memoriam tentoonstelling in het Stadsarchief van vijf jaar geleden. Ze waren geen dag ouder geworden.

Tijdens de officiële opening lazerde de directrice van het ­museum van een trapje, sprak Freddy Hollander die alles geregeld had mooie woorden en keek Eberhard van der Laan vanaf een foto toe. In mijn eigen toespraakje bleek ik zonder dat ik het in de gaten had van het Engels in het ­Nederlands te zijn verdwaald, maar de zaal leek dat niet te deren.

Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden. Freddy Hollander vertelde dat hij in de Jordaan geboren was, maar dat zijn ouders toen het beter ging ‘op stand’ waren gaan wonen. Ze gingen toen wel eens uit eten bij l’Europe, waar zijn moeder deftig ‘hetzelfde’ bestelde en zijn vader, om te laten zien dat hij heel gewoon gebleven was, biefstuk met spruiten

Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd. Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben. ¿En geen geklaag en ­gezeur,¿ zei mijn geliefde, ¿anders ga je maar alleen.¿ ¿Ik zei niks,¿ zei ik, maar God hoorde me brommen.

Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen. Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap. De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen.

Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer. Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect. De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje.

Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd. ¿O,¿ zei ze, ¿ik zag niet dat u bij elkaar hoorde. U keek zo kwaad naar ­elkaar.¿ ¿Ik kijk helemaal niet kwaad, ik kan alleen niet zo goed tegen de muziek,¿ zei ik met enig gevoel voor understatement.

¿Het is inderdaad vaak verschrikkelijk,¿ zei de vrouw,¿ maar vandaag valt het wel mee.¿ Waarop ze liet weten dat ik een paar ­extra baleinen bij mijn overhemd kreeg. ¿Ik dacht dat die allang niet meer bestonden,¿ zei ik. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me. ¿En daarom,¿ zei de vriendelijke verkoopster, ¿krijgt u er van mij een paar extra mee.¿

Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest. Opmerkelijk vaak is dat niet het geval. In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes.

Als wij op zaterdagavond nergens een feest hadden, fietsten we zo’n buurt in en keken of we een huis zagen met veel fietsen voor de deur. Eenmaal binnen stelden we ons mompelend voor als ‘Coca-Cola’ en als er om nadere informatie werd gevraagd, zeiden we hakkelend dat we een kennis waren van ‘Seven-Up.’

In de herrie was er geen mens die je verstond en een fles meegebrachte drank deed wonderen.

Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien. Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen.

Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen. Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer.

Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt.

Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt. Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven.

De wereld van ons jongens werd begrensd door Bos en Lommer, Hoofdweg, Jan van ­Galenstraat en Admiraal de Ruijterweg. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste.

Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood. Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort. De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker.

We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was. Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij.

Zo’n trein kon je makkelijk laten ontsporen, wist een van ons, en dus namen we de volgende keer uit onze spaarpot koperen centen mee. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn.

De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren. De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg. Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein.

“Toch niet over de Admiraal de Ruijterweg heen geweest, hè?” “Nee mam.” “Goed zo jongen.”

Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad. In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis.

Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij. Toen wij ons onlangs bij de Vleminckx/ Havelaar Combinatie vervoegden, stond er voor de deur een orgel te dreunen. “Ga jij maar vast naar binnen,” zei mijn geliefde die mijn verhouding tot draaiorgels kent.

In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. “Doe maar een biertje,” zei ik. ”Gewoon bier,” voegde ik eraan toe. “Een gewoon biertje,” zei de kastelein, “dat hoor je niet vaak meer.” “En in een gewoon glas,” zei ik. “Want de glazen worden steeds groter.” “Dat kunnen wij niet helpen, dat doen de brouwerijen,” zei de kastelein.

Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. “Kan ik je bij DWDD hebben gezien?” “Man,” zei ik, “dat is vijf jaar geleden, dat je dat nog weet.” “Het is mijn vak,” zei hij.

Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen. Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook.

Waarna de koopman hem zo’n blik schonk van ‘waar bemoei je je mee’ en een half pond paté afsneed. “Altijd leuk,” zei ik, “als je iets weet waarvan je weet dat de ander het niet weet.”

Hetzelfde verveelt nooit: vrijdag schol met ­kroten, het geluid van een dynamo tegen een fietsband, de geur van een vers ­afgestreken lucifer, uitzicht op de Singelgracht vanaf de Kinkerbrug, de tweede dag draadjesvlees, het begin van Woutertje Pieterse. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert.

‘Ik heet Trijntje Fop/ en heb een muts op mijn kop’, een meesterwerkje toch, verandert Pennewip zonder blikken of blozen in ‘Ik heet Trijntje Fop/ en heb een muts op’, ook niet slecht. Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: ‘Mijn vader heeft menige os de doodsteek gegeven,/ maar meester Pennewip is nog in leven./ Soms waren zij mager, en somtijds vet./ En hij heeft zijn pruik opzij gezet.’

Ik herlees de versjes nooit op volgorde en eindig altijd met Lysje Webelaars onvolprezen ‘De kat viel van de trappe,/ mijn vader verkoopt aardappe-/ len en uien.’

In de tram kwamen er niet veel later een vrouw en haar dochtertje tegenover me zitten. Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk. “Waar moet ik eruit voor het Spui?” vroeg de vrouw. Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster.

“Ik ben altijd nieuwsgierig naar waar mensen heengaan,” biechtte ik op. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging. “De volgende halte,” zei ik, “is het Spui,” waarop het meisje zei: “Het Spui/ we gaan er ui.”
Wat ze toen ook deden.

Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad.

De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

Er zijn geen auto’s, dat is goed, er is overal water, dat is nog beter en er zijn hekken om overheen te klimmen, struiken om je in en achter te verstoppen en geheimzinnige tuinen die er om smeken in kaart gebracht te worden.

Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Als je zo’n kogel in je hand hield, glinsterde hij in de zon, je kon hem in een bankschroef klemmen en er dan met een hamer op slaan en als je hem maar hard genoeg tegen een muur gooide, kon hij zomaar met een knal ontploffen.

Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet.

Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag. Tijdens zo’n rit viel van alles te beleven. Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: “Zullen we bij de Chinees gaan eten? Ik trakteer.”

Mijn oom Piet was timmerman in de rosse buurt en heeft daar heel wat Chinezen verbouwd, waar hij dan een etentje te goed hield. Als we zo’n restaurant betraden, maakte zich grote opwinding van me meester, want groter feest dan eten bij de Chinees was er niet, maar tegelijkertijd voelde ik al de schaamte die zich zo dadelijk aan mij zou mededelen.

Want ik wist wat er komen ging. Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: “Jij, Chinees, jij lekker eten maken, ja! Wij lekker eten op, ja?!” Ik kon wel onder tafel kruipen.

Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen. En toen las ik uit zo’n kastje Tai-Pan van James Clavell, een vuistdikke roman over de begindagen van Hong Kong. In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: “Cow chillo out! Plenty quick-quick, savvy?” of “Plenty easy. Why for you say no can. Can?”

De Engelsen spraken geen Chinees, de Chinezen spraken geen Engels. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren. Hij sprak een taal.

Bakkerij Le Fournil de ­Sébastian op het Olympiaplein is niet ‘open’, maar ‘ouvert’ en binnen blijk je een ‘tradition’ te kunnen kopen, net als bij de bakker in ­Parijs. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt. Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt.

Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte. Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden.

Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort. We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden.

Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan. Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood. Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen.

Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen. “Wat was dat?” zei mijn vader nadat hij ons een keer zo in gesprek had aangetroffen. “Dat was Lonneke,” zei ik. “Fraai gezelschap,” zei hij.

Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. En in tegenstelling tot wat je zou verwachten, smaakte de ‘tradition’ van Le Fournil naar Parijs.

Iemand vertelde me dat op het adres Schilderskade 66 een gedenktekentje was aangebracht met de tekst ‘66 Van Egters’. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet. Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven.

‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van ­deze geschiedenis, Frits van ­Egters, ontwaakte,’ schreef Gerard en uit deze zin komt dan het hele wonderbaarlijke boek tevoorschijn, dat wij van de club ieder jaar in tien sessies, te beginnen op 22 december herlezen.

Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet. Dat bleek het geval, maar blij werd ik er niet van, want in plaats van mooie letters op de brugleuning hadden ze er zo’n blauw straatnamenbordje aan gehangen. Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd.

Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken. Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen. Hoe dit verklaren?

En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten.

We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter.

Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had. Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik.

We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen.

Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart.

De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel. We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort.

Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit. “Is dit wel de weg naar de roem?” hoorde ik naast mij verzuchten, waarop we op ­onze schreden terugkeerden en plotseling voor de etalage stonden van Chocolaterie Stam.

Er werd ‘heerlijk zachte roomboterborstplaat’ aangeprezen en in de etalage lagen enorme marsepeinen bloedworsten, roze biggetjes en pikzwarte mannetjes met malle mutsen op.

Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? “Ik ga het even vragen,” zei ik.

Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas.

Het schemert in de Spiegelstraat. Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister. Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels. Mooie schemering, fijne stad.

Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten.

De jeugdige kastelein schenkt een borrel in. De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht. Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet.

Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen. Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken.

Op de brug over de Singelgracht kijk ik naar het woord HEINEKEN dat in de verte in neon boven het water zweeft, terwijl uit een andere verte Vivaldi’s Lente naar me toe komt drijven. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is. Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes.

Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen. Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt.

Dat er op zaterdag niet warm gegeten werd, maar brood, een ­Amsterdamse gewoonte waarvan ik niet weet of die nog bestaat, was een van de dingen die de zaterdag tot de mooiste dag van de week maakte.

Op zaterdag ging de school om twaalf uur uit en het laatste uur werd er niet gewerkt, maar was er een wedstrijd hoofdrekenen of werd ons voorgelezen. Een saai verhaal vaak, maar dat maakte niet uit, want bij saaie verhalen kon je heerlijk wegdromen, wat bij een spannend verhaal een stuk moeilijker is.

Dan kwam het heerlijke ogenblik van de bel. Twaalf uur en vrij, de hele dag nog voor je. Als mijn ­vader uit zijn werk kwam, stond mijn moeder hem voor de deur op te wachten en terwijl hij de laatste trap beklom, zei ze: “Ben je krakas?”

Waar mijn vader altijd om moest lachen om vervolgens het doorzichtige loonzakje uit de binnenzak van zijn jas te halen en aan mijn moeder te overhandigen, die het zakje tussen haar vingers zachtjes kraken liet.

Om een uur kwam de leesmap. Heerlijk ogenblik dat je languit op je buik gelegen de nieuwe Robbedoes opensloeg om te kijken hoe het verder ging met Lucky Luke, de Baard en de Kale, Buck Danny en de cowboy van wie ik de naam vergeten ben.

‘s Avonds waren er twee soorten brood en allerlei beleg, van rookvlees tot beenham, de boter met een mesje erin gestoken op een schaaltje. Soms bakte mijn moeder zelfgemaakte kroketten die een heerlijke geur verspreidden in huis.

En om acht uur hoefde ik niet naar bed, maar mocht ik ­samen met mijn vader en moeder naar de radio luisteren, naar De Veilingmeester en Cees de Lange met zijn koe en alles wat daarna kwam.

Omdat we iets te vieren hadden, zaten we in restaurant Amsterdam aan de haring, de oesters, de kroketjes, de krab en de kreeft en de Bourgueil. De drukte was als vanouds en de verhalen aan tafel mochten er zijn, zo zeer hadden we het naar onze zin dat we vast voor Kerstmis reserveerden.

“Hebben jullie een kerst­menu?” wilde een van ons weten. Dat niet, zei de vriendelijke serveerster, alles was eigenlijk hetzelfde, alleen veel drukker en met een heel grote kerstboom.

Neuriënd vertrok ik voor een plasje, waarvan ik zingend terugkeerde. Op weg van de wc’s naar de tochtdeuren waarachter je het restaurant kon horen roezemoezen, werd ik ingehaald door ander gezang. “Wat zingen we mooi,” zei de dame die naast me kwam ­lopen. “Samen wordt het nog wat,” zei ik.

“Wat zong jij?” zei ze. Ik zong Marina, zoals Rocco Granata het zingt als hij het samen met Arno zingt, tenminste dat verbeeldde ik me. Zij zong Favourite Things, dat zong ze vaak, ook op straat, met als gevolg dat mensen haar vaak voor gek versleten. Waarin ik wel iets herkende.

Eenmaal voorbij de tochtdeuren keerden we terug naar onze tafeltjes. Maar toen zij vertrok kwam ze nog even buurten. “Toen onze dochter 10 werd,” zei ik, “zijn we met tien kinderen naar de Sound Of Music geweest. Toen Fräulein Maria terugkwam van weggeweest en Favourite Things begon te zingen, je weet wel, keek ik de rij kinderen af, en verdomd, ik was de enige die zat te huilen.”

“Sound Of Music,” zei Angela, “was de eerste film die wij in Zimbabwe zien mochten. Toen we buiten kwamen, werd er een meisje doodgereden. Omdat ze op de stoep liep. Want op de stoep lopen, mochten we niet.”

Ik fietste langs het Sarphatipark toen me om de een of andere reden het Kronkelpad te binnen schoot. Meteen wendde ik de steven en ging het richting Weteringschans.

Ik had het pad op de kaart gezien en was benieuwd of het kronkelde. Het was niet gemakkelijk te vinden, maar uiteindelijk kreeg ik het in het vizier. Het ligt in het Weteringplantsoen langs de Singelgracht en kronkeltechnisch stelt het niet veel voor.

Eigenlijk is het vrijwel recht, zodat je je kunt afvragen waarom het Kronkelpad heet.

En op dat moment zag ik het borstbeeld van Simon Carmiggelt staan. Mooi beeld, vooral Simons bril staat er prachtig op, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat Carmiggelt hier vroeger woonde, aan het Eerste Weteringplantsoen, en dat hij daar zijn dagelijkse Kronkel schreef, en vandaar dus Kronkelpad, je moet er maar opkomen.

Die Kronkel stopte hij ’s avonds in een busje dat aan de gevel hing en dat op ­zeker moment geleegd werd door iemand van de krant die er vervolgens voor zorgde dat de Kronkel eerst op de redactie en daarna in de krant kwam.

Ik herinner me dat Tim Krabbé lang plannen heeft gesmeed om de Kronkel in dat busje een keer te vervangen door een Kronkel van eigen hand. Het was een fijn plan, maar er waren enige complicaties. Ik keek om me heen en spotte toen vlak bij het borstbeeld van Carmiggelt de bosjes waarin Annie M.G. Schmidt en Renate Rubinstein zich verscholen hielden toen het beeld onthuld werd.

Tiny, de weduwe van Carmiggelt leefde nog en had Renate die zo lang een verhouding met haar man had niet uitgenodigd. Daarom ging Renate toen maar in de bosjes zitten.

Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat De Vervalsers van Theo Kars verscheen. Om het te vieren verschijnt vandaag een herdruk van de roman, waarin Kars de oplichterspraktijken ­beschrijft die er toe leidden dat hij twee jaar gevangenisstraf kreeg. Plus de tijd om zijn boek te schrijven.

Voor de gelegenheid heb ik het herlezen en het beviel me zoals het me vijftig jaar geleden beviel. Kort na het verschijnen had ik een afspraak met Theo die toen op een kamer in de Reguliersdwarsstraat woonde. Niet zonder trots liet hij me zijn boekenkast zien die erg klein was. “Meer dan veertig boeken heb je niet nodig,” zei hij.

Nadat we Montherlant, Vailland, Graham Greene besproken hadden, gingen we naar het Rembrandtplein waar hij me op het terras van Monico uitlegde hoe je het moest aanleggen een vrouw te verleiden.

Hij had daar een tot in details uitgewerkt scenario voor, zo bleek. Ik hoorde zijn uiteenzetting met een enige verbazing aan. Ik had altijd gedacht dat het allemaal van zelf ging. Je zag een leuk meisje, zij zag jou, je lachte eens naar elkaar en voor je het wist, was je waar je wezen wou.

Maar zo was het niet, zei Theo. Het ging er om de juiste dingen te zeggen en te doen. Zo moest je­ ­tegen meisjes zeggen dat je een hekel aan voetbal had.

Dat vond zo’n meisje dan zo bijzonder dat ze jou ook bijzonder vond. Ik vroeg meiden vaak of ze zin hadden om zondag mee te gaan naar voetballen en daar zeiden ze zelden nee tegen, maar volgens Kars was dat dus fout.

Hoe meiden reageerden op de bokswedstrijden die ik met ze ­bezocht, heb ik hem nooit verteld.

Wegens kaastrek ging ik de Kaaswaag binnen waar Theo die van de kaas is achter de toonbank iets onduidelijks stond te rommelen. “Goedemorgen,” zei ik. “Volgens mij is het middag,” zei hij.

“Mijn oom,” zei ik, “zei in dit soort gevallen altijd: ‘Goedemorgen? Ik heb vandaag al twee keer een natte rug gehaald.” “Had van mij kunnen zijn,” zei Theo.

Mijn oom, vertelde ik, was timmerman. Hij verbouwde Chinezen en peeskamers, in de Bloedstraat, de Monnikenstraat, de Barnde­steeg. “Had je toen al peeskamers?” zei Theo. Goede vraag voor iemand die altijd tussen de meisjes heeft gewoond. Theo’s vader had een melkwinkel op de hoek van Spuistraat en de Lijnbaanssteeg.

Hun huis had een achteringang aan de Oude Nieuwstraat, zo’n straatje waar je als man nooit zomaar loopt. “Ik kwam er een keer een leraar van mijn school tegen,” zei Theo. ‘Theo! zei hij, ‘wat doe jij hier?” Waarna Theo zijn sleutels had gepakt en ze in het slot had gestoken met de woorden, “ik woon hier.” Nooit meer wat van gehoord op school. Hij was toen een jaar of 17.

Op zijn zevende of achtste had zijn vader hem een keer naar tante Gré gestuurd om haar haar boodschappen te brengen. Gré zat op twee hoog in de Oude Nieuwstraat. “Aardige vrouw,” zei Theo. “Ze vroeg altijd hoe het met me ging op school, en ondertussen was ze dan geld aan het zoeken om me te betalen.”

Maar die keer kon ze het geld niet erg vinden. Na een tijdje was Theo’s vader in de straat verschenen. “Theo!” riep hij, “waar blijf je?” Waarop de zevenjarige zijn hoofd naar buiten had gestoken en terug had geroepen dat hij er aankwam: “Nog even afrekenen.”

De stad is inmiddels weer zo’n beetje van ons. Er lopen nog wel groepen, maar ze zijn niet meer zo groot en her en der signaleerde ik zelfs een toerist die het avontuur Amsterdam in gezinsverband had aangedurfd.

Fietsen blijft ­gevaarlijk, maar de rijen bij de ­attracties zijn tot hanteerbare proporties geslonken, Japanse meisjes zijn met zijn tweeën en het ­immer boos kijkende rugzakmeisje is weer alleen. We zijn er nog niet maar het gaat de goede kant op.

Laatst was ik in de Javastraat die me na de Eerste Van Swinden een beetje tegenviel. Ik was toen op de fiets. Nu waren we weer in de ­Javastraat, maar te voet. Dat maakt verschil. De Java Bookshop bijvoorbeeld, toch een sieraad van de straat, was me geheel ontgaan. Om over de diverse viswinkels nog maar te zwijgen.

Nergens zie je meer een visboer en hier zitten er drie naast elkaar, de Volendammer Viswinkel Schilder, Ras El Ma en El Pescado. Bij El Pescado meen ik achterin de zaak zelfs ­tafeltjes te zien, tafeltjes die tot een zekerheid uitgroeien als ­iemand die in die streken vis staat schoon te maken ons wenkt om binnen te komen. Andere keer, ­besluiten we.

Als we bij Bedford-Stuyvesant zijn neergestreken, waar de dienster haar debuut maakt, en dat doet ze goed, denk ik aan de illegale tafeltjes achterin de viswinkel van Jan op de hoek van de Damstraat en de Oudezijds Voor. Jan serveerde daar illegale oesters en schonk daarbij nog veel illegalere witte wijn, wat smaakte zoals ­alleen verboden vruchten smaken kunnen.

De Javastraat neemt zijn einde bij het spoorviaduct. Daar staat Snackkar de Kale Man, een beter slot voor een straat laat zich niet denken.

Het was druk voor de etalage van de fossielenwinkel op de hoek van de Eerste Jacob van Campenstraat en de Ruysdaelkade. Er stonden maar liefst drie mensen met hun neus tegen de ruit en met mij erbij werden dat er vier.

Nadat twee liefhebbers ­waren opgekrast, bleef ik achter in het gezelschap van een dame die haar fiets aan haar hand hield. “Wat mij altijd weer verbaast,” zei ik, “is dat fossielen zo goedkoop zijn. Zo’n zeeëgel is 100 miljoen jaar oud en hij kost maar twee tientjes.”

“Maar skeletten zijn hartstikke duur,” zei de vrouw. “Ik heb eens een waterhoentje gekocht, nou, dat wil je niet weten.

Maar laatst is er een merel tegen mijn raam gevlogen en die kost dus niks. Hij ligt nog op het balkon, maar hij is hele­maal schoon. Nu moet ik ­alleen nog het koppie van het lijf scheiden.”

“Succes,” zei ik toen ze op haar fiets stapte. Ik liep de Jacob van Campenstraat in, waar me een man tegemoet kwam die drie lege lijsten over zijn schouder had hangen.

Op de door Christo ingepakte Pont Neuf in Parijs heb ik een man zien lopen die een ingepakt schilderij onder zijn arm had. Dat is 32 jaar geleden, maar zoiets vergeet je niet.

Vanuit de Frans Halsstraat kwam een wit busje aanrijden. Ik hield mijn pas in om het te laten passeren, maar het busje stopte voor me. De man achter het stuur rookte een shagje en gebaarde dat ik door kon lopen. Ik lachte en gebaarde iets vriendelijks terug.

Zo’n dag was het, een dag voor Chet Baker en Art Pepper, een dansje van Anna Karina in een oude film van Godard, regen op een pleintje in De Pijp.

‘Poker?” zei Pat Poker graag, “is dat niet dat spel met vijf kaarten?” Het kan ook met zeven kaarten, maar als ik poker, poker ik als Pat. Ik poker graag, zolang het maar niet om geld gaat. Wie wil weten wat er mis kan gaan, kan te raden bij de ­Sopranos, waar ze als ze iemand te gronde willen richten vaak de ­pokertafel neerzetten.

Opmerkelijk dat mensen als ze winnen, willen doorspelen omdat ze aan het winnen zijn, en als ze verliezen, willen doorspelen om het verloren geld terug te winnen.

Beide mogelijkheden leiden tot verlies.

In een eindeloze pokernacht heb ik eens twee vrienden geheel maar dan ook geheel uitgeschud. Toen we weer bij zinnen waren, heb ik ze alles teruggeven en het plechtige besluit genomen nooit meer om geld te spelen. En daar heb ik me aan gehouden. Maar zolang het om lucifers, schelpen of fiches gaat, poker ik graag.

Op een dag viel er een uitnodiging in de bus van het Holland Casino Amsterdam. Of ik mee wilde doen aan hun pokertoernooi voor journalisten. Dat wilde ik, en ik was niet de enige zo bleek toen ik op een herfstige middag voor het eerst van mijn leven het Casino betrad.

Een uurtje later waanden al die keurige journalisten zich Steve McQeen en de Cincinnati Kid. Je zag het aan de manier waarop we onze kaarten vasthielden, naar de dealer keken of de fiches over de groene tafel schoven. Net echt allemaal.

Met een paartje zevens blufte ik een hele tafel af om vervolgens door te gaan naar de finale. Waarin ik genadeloos onderuit werd gehaald door de correspondent van het Schager Sufferdje. Het einde van een mooie droom.

Sinds 1971 rij ik met enige regelmaat de stad in of uit met de trein die me afhankelijk van in of uit richting Centraal Station voert of richting Zaanstreek.

Ik heb het altijd een leuk ritje gevonden. Als ik in de stad inkom, zit ik bij voorkeur rechts in de coupé en verheug ik me op het moment dat ik de toren van de Westerkerk zal zien. Ook de prachtige dubbele rij bomen op het Westergasterrein mag zich in alle seizoenen op mijn belangstelling verheugen.

Als ik de stad uit rij, zit ook aan de rechterkant. Vroeger keek ik dan vooral uit naar het welhaast ondeelbaar korte ogenblik dat je in een bocht de Hembrug zag liggen. Dat kan niet meer, maar ‘gesuikerde citroenrasp’ is er nog.

Ter hoogte van het Prinseneiland schreeuwt van alles om aandacht, het elegante ophaalbruggetje over de Prinseneilandsgracht, de pakhuizen, de scheepswerfjes, de smalle straten, maar ik kijk uit naar de achterkant van een gebouw, waarvan ik de voorkant nooit gevonden heb, al was maar omdat ik er nooit naar heb ­gezocht.

Op die achterkant, vlak onder de daklijst, staat met zwarte letters op een gele achtergrond: ‘GESUIKERDE CITROENRASP’.

Van sommige woorden krijg je een smaak in je mond. ‘Citroenrasp’ is zo’n woord. Het smaakt zuur, naar citroen, maar er is meer, ‘rasp’ voegt er iets aan toe, maakt het zuurder op de een of andere manier.

Maar terwijl de mond zich al in verrukking samentrekt, wordt alles bedorven door het ‘gesuikerde’ dat aan de ‘citroenrasp’ vooraf gaat.

Als ik me goed herinner, stond er na ‘gesuikerde citroenrasp’ nog ‘citroensap’, maar dat kan je niet meer lezen, zoals ook ‘gesuikerde citroenrasp’ langzaam maar zeker aan het verdwijnen is.

Het eerste wat me opviel op de expositie Kijk Amsterdam 1700-1800 in het Stadsarchief was dat het Amsterdam van 1700-1800 zoals hier te zien veel meer op het Amsterdam van nu lijkt dan het Amsterdam van mijn jonge jaren.

Ga met Reinier Vinkeles op de Geldersekade staan en kijk in de richting van de Schreierstoren en je ziet dat je ziet wat hij zag. Hij zag het in 1762, tweehonderdvijfenvijftig jaar geleden.

Vijfenveertig jaar geleden kwam ik vaak op de Geldersekade. Als de café’s dicht waren, bezochten we er klopcafés, cafés waar je alleen binnen kwam als je wist welk signaal je op de deur moest kloppen.

Overdag bestonden die kroegen niet, maar ’s nachts was het er des te drukker. En buiten was het een zooitje, heel anders dan op de lieflijke prent van Vinkeles. Toch is er een ding dat de prent met de Geldersekade van de jaren zeventig verbindt.

De man die tegen een boom staat te wateren. Er wordt veel wild geplast op deze schitterende expositie, in sloppen en stegen, tegen muurtjes en bomen, vrij openlijk, het was toen kennelijk niet zo’n schanddaad als nu.

Opmerkelijk zijn ook de vele begrafenisstoeten die voorbij trekken, en als je er eenmaal een gezien hebt, zie je ook overal honden ronddartelen. Of er inderdaad ­zoveel honden in de stad rondliepen, waag ik overigens te betwijfelen. Ze lijken vaak aanwezig om wat vaart in de boel te brengen, want de mensen staan nogal eens stil.

De poes komt er bekaaid af. Ik telde er maar een. Op een huiselijk tafereeltje van Jacob Cats ligt hij op een kussentje op een stoel naast het haardvuur heerlijk poes te wezen. En straks weer muizenvangen.

Lang geleden zat ik eens met Tom Egbers bij Wildschut. Het zal in 1995 zijn geweest, want we hadden het over De zwarte meteoor, het boek dat Egbers had geschreven over Steve Mokone, de uit Zuid-Afrika afkomstige voetballer met wie Heracles in 1959 kampioen werd. Van de tweede divisie, dat wel. De zwarte meteoor is het enige boek over een voetballer dat ik gelezen heb.

Arie Rekelbast ken ik uit Arie Rekelbast: de mens, de Haarlemmer, de voetballer van Godfried Bomans, maar ondanks het feit dat Arie de 80 meter horden met horden sneller liep dan zonder, nog steeds een uitzonderlijke prestatie voor een voetballer, telt hij geloof ik niet mee, omdat hij naar het schijnt niet echt bestond, maar door Bomans is verzonnen. Piet Keizer is niet verzonnen en ik zou graag een boek over hem lezen, maar ik geloof niet dat het bestaat.

In Wildschut zat ik met Egbers te praten over dat wonderbaarlijke Almelose seizoen van Mokone toen er voor het raam een nog veel wonderbaarlijker gestalte opdook. Een man van middelbare leeftijd had zich vlak voor de ruit op zijn hurken laten zakken en sprong stuiterend op en neer, terwijl hij met een uitgestrekte arm naar ­Egbers wees. “Tom!” brulde hij, “Tommetje! Studio Sport! Voeballen!”
“Tja,” zei Egbers en hij nam nog een slokje van zijn koffie.

Van de week zag ik Tom Egbers zitten bij Wildschut. Ik overwoog actie, maar zag er van af wegens oude knieën. Ik vervolgde mijn weg en dacht met groot plezier ­terug aan de talloze keren dat de uit Almelo afkomstige Egbers tijdens evenzovele uitzendingen van Studio Sport op haast achteloze wijze het woord ‘Heraclieden’ in zijn verslag heeft weten te verwerken.

In zijn boek Amsterdam bij gaslicht, met illustraties van Fiep Westendorp, beschrijft Maurits Dekker (1896-1962) de spelletjes uit zijn jeugd en stelt anno 1950 vast dat ze allemaal verdwenen zijn.

Het gekke is dat ik die spelletjes anno 1950 allemaal gespeeld heb. Of heb zien spelen. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen. Kaatsebal ik vang je al bijvoorbeeld (‘in mijn ene hand/ in mijn andere hand/ van je klipperdeklap/ van je voetjesgetrap/ van rommeldebom/ van keer je maar om’), ja, kom een beetje, er zijn grenzen.

Maar voor de rest herkende ik ­alles, van Schipper mag ik overvaren tot hoepelen, oorlogverklaren, landjepik, diefie-met-verlos en Spanjolen, een spel dat door Dekker overigens niet genoemd wordt.

Als ik door een stille straat loop, neem ik nog wel eens de stoep-rand. Met gespreide armen als was ik een koorddanser zet ik mijn ene voet voor de andere op het blauwe steen. Haal ik de hoek, dan komt het goed. En als ik van de stoeprand val, dan telt het niet.

Tegels zijn, zoals iedereen weet, voor dit spel, dat nog altijd druk gespeeld wordt, ook heel geschikt. Een naam heeft het niet bij mijn ­weten, maar het is kindermagie.

Net als de putdeksel die ik ­onlangs aandeed en die nog steeds de putdeksel is die als doel diende als wij op het autoloze pleintje na het poten een potje putten. Met een niet al te grote, maar ook weer niet te kleine rubberen bal. Blauw-Wit tegen Ajax speelden we. Of Engeland tegen Hongarije. En wie er ook won, we wonnen altijd.

En ineens ben je op weg naar huis. De hele middag lag de stad wijd open en kon je alle kanten op, naar de Diemerdijk of Jongensland, naar het Victorieplein, naar de oude Sloterweg of de Ringdijk, maar toen ik de Utrechtsestraat uit kwam en het Frederiksplein bereikte, wist ik dat het einde van de rit in zicht was.

Door mezelf af te vragen waar de Galerij ook alweer stond, probeerde ik nog wat uitstel te kopen, maar erg lukken wou het niet. Ik heb geen scherpe herinneringen aan de Galerij.

Ik ken de foto’s van Gerard Kornelis van het Reve en Willem Frederik Hermans die samen langs de gietijzeren hekken onder de gietijzeren overkapping lopen, ik weet dat Reve er met Hanny Michaelis heeft gewoond, maar mijn eigen wandelingen door de Galerij zijn in de mist verdwenen.

Je zag er wel eens een kind op een grote bal lopen of op een eenwieler balanceren, maar het was er vooral stil, meen ik. Mijn herinneringen lijken met de Galerij verdwenen.

Ik ben al bij de Govert Flinckstraat als ik voor de zoveelste keer bedenk dat ik eens moet kijken hoe het nou precies ziet met Van Woustraat 28, waar Hoyer woonde over wie Bavink tegen de journalist die hem, in Mene Tekel, komt interviewen zegt: ‘Gaat u maar naar meneer Hoyer die kan U alles kan vertellen wat U weten wil en die spreekt als een tijdschrift.’

Eenmaal thuis had ik het, op de trap, met mijn bovenbuurman over Reve’s The Acrobat and other stories door Hanny Michaelis vertaald als Vier wintervertellingen.

Zo slecht en onreviaans als de verhalen in The acrobat zijn, zo goed zijn dezelfde verhalen als Vier wintervertellingen. Haar Reve was toen beter dan Reve’s Reve, was de conclusie.

Alies uit Hengelo die als ze mijn haren knipt vaak zo gezellig met mij praat, had een oudere heer onder de kapmantel met wie ze meteen een gezellig gesprek ­begon.

Hoe oud hij was, wilde ze weten. Een indiscrete vraag , maar als Alies hem stelt, ben je maar al te graag bereid haar te antwoorden. “Negentig,” zei de al wat oudere heer. “Negentig!” riep Alies. Dat had ze niet gedacht, ze had eerder gedacht dat hij tachtig was, begin tachtig, vierentachtig op zijn hoogst.

“Lijkt me best moeilijk,” zei Alies, “om zo oud te worden.Iedereen om je heen gaat dood, je broers, je zusters, iedereen.” Maar de oudere heer vond dat niet zo’n probleem. Het hoorde erbij, vond hij.

“Woont u nog op zichzelf?” wilde Alies weten. Dat deed de al wat oudere heer. Hij deed ook nog ­alles zelf, behalve koken. Zijn eten liet hij komen. “Negentig,” zei Alies enigszins bezorgd.

“Nou ja,” zei de wat oudere heer, “ik zeg negentig, maar ik ben negenentachtig. Zondag word ik negentig.” “Hoe viert u het?” vroeg Alies. De oudere heer zei dat hij naar zijn zoons ging, en dan zag hij wel zag wat zij bekokstoofd hadden.

“Leest u Het Parool?” vroeg Alies ineens. Ze vindt het best leuk dat ik met enige regelmaat over haar bericht, dus ik had een vaag vermoeden van wat komen ging. “Ik ben een Amsterdammer,” zei de oudere heer. “En leest u Klein geluk?” zei Alies.

“Als je Het Parool leest,” zei de wat oudere heer, “lees je Klein geluk.” “De meneer die dat schrijft,” zei Alies, “zit daar.” “Dan ga ik hem meteen een hand brengen,” zei de heer die gisteren zijn negentigste verjaardag vierde.

Nogmaals, van harte!

Het lijkt onvoorstelbaar, maar er zijn in de stad hele pleinen die zich een leven lang verborgen weten te houden. Ik was op zoek naar een beroemde zuurwinkel in de Vechtstraat en toen ik die niet vinden kon, reed ik een tijdje doelloos in de rondte, heerlijk.

In de Lekstraat viel het me op dat hier overal GVB’ers liepen. Even later werd me duidelijk waarom. Want daar lag ineens de remise met zijn indrukwekkende uitruksporen, prachtig woord, in al zijn majesteit.

Als kind ben ik eens in de remise geweest waar nu de Hallen zitten. Het rook er naar lak en oud ijzer. Een opa die nooit echt een opa worden wou, schilderde daar de tram. Blauw. Dat deed hij goed. Hij droeg, meen ik me te herinneren, een witte overall.

Douwe was de derde man van mijn vaders moeder. Hij las de Waarheid en mijn vader had van kinds af aan een ­hekel aan hem gehad. Hij stierf aan keelkanker. Veel drinken was hem verboden, maar op een middag vroeg hij me of ik bij de kruidenier op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan een paar flesjes bier voor hem wilde halen.

“Koud,” zei hij erbij. Hij kon bijna niet meer praten. Het was een ­zomerse dag en door de hitte liep ik langzaam langs het Rijpgrachtje, de centen in mijn hand. Een paar dagen later was hij dood.

Ik volgde de Kromme Mijdrechtstraat, stak de Vrijheidslaan over, keek even naar de Wolkenkrabber en belandde vervolgens op het Meerhuizenplein. En vandaar op het al even grote plein dat tussen Reggestraat, Berkelstraat en IJsselstraat zit ingeklemd.

Twee in één klap, nog vijf en ik kon me ­meten met het snijdertje uit het sprookje.

Zoals iedere wereldstad kent New York een paar plaatsen waar je geweest moet zijn. Zo moet je het Empire State Building op, met de ferry naar Staten Island, naar de vijver van Central Park. Er zijn mensen die vinden dat je dit soort toeristische attracties dient te mijden, maar die mensen hebben het niet begrepen, want zo’n attractie is niet voor niets een attractie geworden.

Als je als toerist in Amsterdam bent, pak je op Muiderpoort de 3 naar de Zoutkeetsgracht. Daarna eet je op het Haarlemmerplein een haring van Dok, want zo hoort het, en wat hoort, valt nooit tegen. Wie in New York is, gaat naar Katz’ Delicatessen op de hoek van East Houston en Ludlow in de Lower East Side van Manhattan.

Toen onze taxi voorreed, stond er een ontmoedigend lange rij, maar sneller dan gedacht bereikten we de ingang, waar de rij zich in drie nieuwe rijen splitste, een voor afhalers, een voor zelfbedieners en een voor mensen zoals wij die een tafeltje met bediening wilden.

Het spektakel was overweldigend, overal tafeltjes, overal mensen en overal voedsel. Een jongeman riep de namen af van de mensen die aan de beurt waren voor een tafel. “Lily!” riep hij, en toen Lily niet verscheen, klonk het “Lily once, Lily twice, next!” waarna het onze beurt bleek.

De wanden zijn van boven tot onder bedekt met foto’s van ­beroemdheden die hier ooit aten, een bordje geeft aan waar Sally en Harry zaten, toen Sally haar fake orgasme ten gehore bracht. We ­bestellen de pastrami sandwich, zoals iedereen dat doet en als het broodje, wat eigenlijk geen broodje heten mag, voor me staat, weet ik dat ik met een gerust hart naar Amsterdam terug kan keren.

Met mijn strohoed, mijn wandelstok en mijn drollenvanger was ik op Knickerbocker Avenue al snel een geziene figuur. Heerlijke straat, waar van alles te beleven valt.

Op de hoek met Bleecker, onder de bovengrondse ondergrondse, waar mijn dagelijkse wandeling begon, verkopen ze voortreffelijk geroosterde kippen, goed om te weten, zou ik zeggen en als je de hoek om slaat, strekt de Avenue zich in al zijn charme voor je uit.

Als je maar lang genoeg doorloopt, kom je vanzelf aan de Pacific.

Maar eerst is het tijd voor mijn praatje met de kleine Peruaan aan zijn karretje die ervoor zorgen kan dat het tamelijk onpersoonlijke armbandje dat je ooit hebt laten vlechten helemaal het jouwe wordt.

Er is nog niet veel te doen, laat hij weten, maar vanavond wordt dat anders, let maar op! “Daar houd ik je aan,” zeg ik, waarna ik me tussen de mensen begeef die de brede trottoirs bevolken.

Toen ik klein was, was ik heel groot, maar naarmate ik groter werd, werd ik kleiner. Vandaag de dag waan ik me in Amsterdam vaak tussen reuzen. Hier toren ik ineens boven iedereen uit, wat het uitzicht ingrijpend verandert.

Over de mensen heen kijk ik naar binnen bij beddenpaleis en bazaar, zie ik het ijscokarretje op de hoek met Hartman en de tacoverkoper een blok verderop.

In Stanhope Street leg ik aan bij Las Lunitas, Restaurant, Diner & Bakery, voor een Brooklyn Lager op het tweetafeltjesterras. Af en toe loopt er iemand voorbij met een skelet onder zijn arm en de boom waar ik op uitkijk zit vol heksen en spinnenwebben.

Het was bijna Halloween en dat wilden ze weten.

‘En hoe was het op de pont?” vroeg ik ­gewoontegetrouw aan mijn kleindochter. We zaten op de pont te wachten, niet aan het IJ deze keer, maar aan de East River in Brooklyn. We zaten met zijn vieren op een bankje, onder drie paraplu’s, want het regende.

Terwijl mijn kleindochter over haar pontje vertelde, stonden de wolkenkrabbers aan de overkant van het water de skyline van Manhattan te wezen.

Een vriendin, vertelde kleindochter, zei dat ze heel goed een kip kon nadoen en dat had ze toen ook gedaan, waarna iemand anders een goed schaap in huis bleek te hebben en weer iemand anders een haan, zodat het op de pont een hele boerderij was geworden, wat uiteraard voor de nodige hilariteit had gezorgd.

Onze ferry was inmiddels in aantocht. Door de stromende regen ging het onder de bruggen door, Williamsburg Bridge, Manhattan Bridge, Brooklyn Bridge, het kon niet op. Ter hoogte van de Brooklyn Bridge kwamen we aan dek. Onder hun paraplu’s waren de ­dames net de tweeling uit Les Demoiselles de Rochefort, maar dan met zijn drieën.

En niet voor lang, want de kapitein liet weten dat de paraplu’s dicht moesten. In verband met zijn achteruitzicht, concluderen we na enig nadenken.

Bij Pier 11 meerden we af. Door smalle straten met hoge huizen liepen we richting Ground Zero. Wie van het Centrum naar ­Amsterdam Noord gaat, komt in een andere wereld, en zo is het ook hier.

Alles is anders in Manhattan. Het lied dat de twee meisjes van een jaar of dertien met vlechten op West Street te zingen liepen bijvoorbeeld, zou je bij ons in Brooklyn niet gauw horen. “My neck,” zongen ze, de schatjes, “my back, lick my pussy and my crack (bis).”

Het stond in alle kranten. Johnny Kraaykamp had een platenzaak geopend, op de Parnassusweg. Dat was vlak bij het Spinoza Lyceum waar wij school gingen dus allicht dat we tussen de middag een kijkje namen. Johnny Kraaykamp tussen de ­singletjes en de lp’s, Johnny Kraaykamp achter de kassa, dat werd lachen.

Maar in plaats van Johnny Kraaykamp stond er een jongeman in een driedelig kostuum achter de toonbank. Mag je niet zeggen, ‘kostuum’, zoals je ook geen ‘stropdas’ mag zeggen, of ‘toilet’, maar in dit geval was er toch echt sprake van een kostuum. “Waar is Johnny Kraaykamp?” zei mijn vriend. “Hoe bedoel je?” zei de winkelbediende. “Dit is toch de platenzaak van Johnny Kraaykamp?” zei ik. “Dus waar is ie?” zei mijn vriend.

Hoe vaak we terug zijn gegaan om naar Johnny Kraaykamp te vragen, weet ik niet, maar vaak.

‘In 1970,’ las ik, ‘liep Stanley Brouwn honderd stappen op de Amsterdamse Kinkerstraat, tussen de Nassaukade en de Bilderdijkstraat, en daarmee liep hij precies in de richting van La Paz, de hoofdstad van Bolivia.’

Ik heb die honderd stappen ook vaak gelopen, maar in plaats van richting La Paz ging ik richting Ria Valk die in de Kinkerstraat een schoenenwinkel dreef en daar volgens de berichten heel vaak was. Ik wou haar zo graag eens tussen de schoenen zien, dat ik vaak ben wezen kijken. Misschien stond ze wel te zingen van het fabriekje met leverpastei, maar nee, het mocht niet zo zijn. Willeke Alberti op het August Allebéplein was er ook nooit.

Nee, dan Frits Flinkevleugel, de genadeloze rechtsback van DWS die in de Kinkerstraat een sigarenwinkel had. Iedere maandagmorgen was hij op zijn post. “Klote wedstrijd gisteren, Fritsie.” “Je wordt bedankt, gozer.”

Op het busstation staat een moslima te bellen, de telefoon op onnavolgbare wijze in haar hoofddoek gestoken, zoals alleen moslima’s dat kunnen, al was het maar omdat niet-moslima’s meestal geen hoofddoek dragen. Bus 22 komt over 5 minuten zegt het informatiescherm, maar ‘daar is ie al,’ roept mijn geliefde.

We gaan er eens goed voor zitten, op de mooiste plaats in de bus, met een heel raam en vrij uitzicht. Bus 22 naar de Indische Buurt, zolang al was ik deze reis van plan, dat ik vreesde dat het er niet van zou ­komen. Je kunt een heel leven op weg zijn naar een schilderij, een opera, een boom in een tuin, zonder ooit aan te komen, maar onze bus had het station verlaten en het avontuur was begonnen.

Het eerste wat ik zag, was het ­rode vuurtorentje dat je vanuit de trein ziet en waarvan ik maar niet begrijpen kon waar het stond. Nou, hier dus, vlak voor Station Sloterdijk. ‘Work Hard Stay Coen’ laat een groot gebouw weten, aan de Transformatorweg waarschijnlijk, waar zich ook Ruuds Haring bevindt. Een haringkar in de middle of nowhere, ik weet waar ik naartoe moet binnenkort.

Na café Westpoort is het weer tijd voor een vuurtorentje, deze keer op het dak van Shurgard ­Opslag, waarna we zowaar langs de velden van SDZ (Samenzang Doet Zonnebaden) komen, waar onze kleindochter afgelopen ­zaterdag nog drie doelpunten scoorde.

Met de Spaarndammerstraat ­bereiken we bewoonde wereld en gebaande paden, maar het is een prachtige rit naar Oost die echt de hele stad laat zien. Op het Javaplein stappen we uit. “Waar is de Javastraat?” vraag ik een voorbijgangster. “Waar je staat,” luidt het antwoord.

Toen wij in de Czaar Peterstraat woonden, woonden wij in het krot van een vriend die naar Frankrijk was om daar tweede te worden in de Ronde van de Mont ­Aigoual. Af en toe kwam er uit ­Siberië en omstreken post voor hem die geadresseerd was aan Czaar Krappe.

In het krot dat regelmatig ­bewees een krot te zijn, bijvoorbeeld door een stuk plafond naar beneden te laten komen of door de bodem uit de douche te laten zakken, stond een tv die het soms wel en soms niet deed. Als ik op zondag Sport in Beeld wilde zien, deed hij het meestal niet, hoe hard ik hem ook sloeg.

Overdag maakten wij, kersverse geliefden, lange wandelingen door de Rietlanden en ’s avonds, als zij naar haar werk ging en ik haar bracht, op haar fiets, met haar achterop, reden we langs ­Witteburg waar een automaat stond die na inworp van een gulden een plastic bol teruggaf met daarin een verrassing, een hangertje voor aan een ketting, oorbellen, een gouden ring.

Wij woonden boven een sigarenboer, en aan de overkant zaten naast elkaar een slager en een visboer. Bij die visboer kocht onze vriend nadat hij terug was van het tweede worden in de Ronde van de Mont Aigoual een keer een haring.

Die hij net op een bord had gelegd toen de telefoon ging en Nico Scheepmaker hem vroeg om als de bliksem naar Pinjum te komen, waar Nico woonde.

Waarop mijn vriend ogenblikkelijk in zijn Lelijke Eend met paddenstoelenbodem stapte en koers zette richting Afsluitdijk. Toen hij twee dagen later thuis kwam, lag daar op dat bord die haring.

Weggooien was wegens in de oorlog geboren geen optie. Opeten dus. “Maar,” zei Tim later, “toen ik hem op had, moest ik wel even liggen.”

Na mijn wekelijkse ­bezoek aan slagerij Robert Zikking op de hoek van het Hygieaplein en de Marathonweg, dat plakje worst is weer verdiend, sloeg ik de richting in van het Haarlemmermeerstation.

Ik liep aan de kant van de Sint Agneskerk en verheugde me op het zicht in de Lomanstraat dat zich nu ieder moment zou aandienen. De platanen aan weerskanten van de straat staan hier zo schuin, dat ze een driehoekige doorkijk vormen die mij altijd weer verbaast.

Een hoek verder, waar nu een Italiaan zit, zat vroeger een Melksalon. Op de Eerste Vijf aan de Keizersgracht wees meneer Smit, mijn leraar Nederlands, ons op Noenzaal de Zon aan het begin van de Galerij in de Raadhuisstraat. “Ga kijken,” zei hij, “want dit is je kans om het woord ‘noenzaal’ te zien.

Over een tijdje is het een lunchroom geworden.” Het woord ‘lunchroom’ is inmiddels ook verdwenen, net als ‘melksalon,’‘cafetaria’ of ‘snelbuffet’. ‘Johnny was stapelverliefd op Georgette/ die hij ontmoette aan ’t snelbuffet,’ zong Eddie Christiani.

Ik zing het nog wel eens.

Bij de zebra stak ik over naar de Zeilstraat. Het pleintje hier heeft geen eigen naam, maar zou het wel verdienen. Hier was de slijter met het emaillen bord waarop Bols iedere dag een glaasje aanbeval, daar was Clerkx Vondel Boekhandel, waar ik in 1963 het Verzameld Werk van Gerard-Kornelis van het Reve kocht, en waar nog heel lang De God Denkbaar Denkbaar de God heeft gestaan, dat ik niet heb gekocht.

De tramhalte richting stad doet het hier nog ­altijd zonder vluchtheuvel, stelde ik vast. Ik wachtte tot ik in de verte de 2 de brug over hoorde komen en besloot toen lijn twee te nemen.

Als het om Engels voetbal gaat, ben ik altijd voor Arsenal, behalve als ze tegen Sunderland spelen. Dan ben ik voor Sunderland. Dat komt door de wedstrijd die ik Sunderland in 1953 of daaromtrent heb zien spelen tegen een vertegenwoordigend elftal uit de regio Amsterdam, de Zwaluwen of zoiets.

Ik was toen bijna 10 en ­opgegroeid met een Nederlands elftal dat altijd verloor. Van België en Noorwegen, van Oostenrijk, van Finland, zelfs van Saarland.

Als we 2-2 speelden tegen Luxemburg haalde je opgelucht adem. En dat terwijl we met Faas Wilkes, Abe Lenstra en Kees Rijvers over een gouden binnentrio beschikten en we Kick Smit nog achter de hand hadden.

De wedstrijd tussen de Zwaluwen en Sunderland vond plaats in het Olympisch Stadion. Op een ­zomeravond, want lichtmasten waren er toen nog niet geloof ik.

Hoewel het niet druk was, stonden wij op een jongensstaanplaats in een hoog vak, zo hoog dat de dappersten onder ons voor de wedstrijd begon een tijdje heen en weer konden rennen over de ­bovenste rand van het stadion.

De wedstrijd begon gewoon, dat wil zeggen dat de voetballers de bal naar voren schoten en er dan allemaal achteraan renden. Maar op een gegeven ogenblik gebeurde er iets wonderbaarlijks.

Een van de Sunderlandspelers in zijn rood-wit gestreepte shirt met rugnummer schopte de bal precies voor de voeten van een medespeler.

“Zag je dat?” zei Hans van Bronkhorst. “Toeval,” zei Nollie Visser. Maar even later was er nog een Sunderlandspeler die het kunststukje uithaalde. De Zwaluwen verloren, maar voetballen was van een soort schaken met dobbelstenen in voetbal veranderd.

Voor de Eddy Bar in de Gerard Doustraat stond een vrouw een filtersigaret te roken. Ze had lang blond haar dat ze voor een deel had opgestoken en droeg een legging met hoge hakken, de barjuffrouw, dat kon niet missen.

De Eddy Bar leek me een café van het soort waar ik vroeger maar moeilijk voorbij kon. Twee zwijgende mannen aan de bar en een derde die het hoogste woord voert. Hun bier drinken ze uit een pijpje, want de glazen zijn niet te hachelen. En als je even bent wezen pissen, drijft er bij wijze van grap een peuk in je flesje. “Eentje van mij jongens?” zegt de barjuffrouw, zo komt de dag wel om.

Op het Gerard Doupleintje aangeland, denk ik even terug aan Koekenbier, het prachtige café een paar straten verderop, waar het altijd zo heerlijk stil was en dat al weer jaar geleden definitief ­gesloten is. Alles verandert, maar blijft toch hetzelfde, want een eindje verder in de straat zweeft nog altijd de geur van vis.

Als we de dag verdronken hadden, gebeurde het soms dat er plotseling taxi’s werden besteld waarmee we naar de Albert Cuyp reden, waar drie hoog achter de roulette draaide en de dobbelstenen rolden.

In de vorm van fiches werden enorme bedragen op een groen kleed met nummers gelegd, waarna de croupier het wiel liet spinnen om als het balletje gevallen was het geld naar zich toe te harken. Er werden horloges ingezet, een Chevrolet cabriolet, hele winkelpanden, maar geen inzet zo hoog of hij ging verloren.

Als we in het eerste ochtendlicht in de wachtende taxi’s stapten terug naar het café, reed de geur van vis met ons mee.

Het is herfst en ik pel garnalen, want garnalen pel je in de herfst. Vond ik het als kind vooral een leuk werkje, inmiddels is het een vorm van topsport geworden. Al pellend krijg ik last van mijn vingers, van mijn schouder, van mijn rug.

Toen Annie Schilder nog niet van de BZN was, maar garnalenpelster te Volendam, mengde haar moeder om de gang erin te houden een paar koperen stuivertjes in de garnalenberg. Zoals mijn ­geliefde halverwege ter aanmoediging vaak ‘een borreltje erbij?’ laat horen.

Het is herfst en in het schemerduister rijdt de mosselkar de straat in. De carbidlamp schijnt zijn fel wit licht. De mosselman op de bok laat zijn roep horen en even later komen de vrouwen met hun emmers naar buiten. De mosselman schept de emmers vol, een heerlijk geluid.

Mijn moeder hield niet van mosselen. Maar ze was dol op garnalen. Ze haalde ze in een vergiet meen ik me te herinneren. Van de mosselkar? Ik weet het niet meer. Bij de visboer dan?

Als de visboer in de straat stond en ome Goof die bij de bakkers in de stad roggebrood bezorgde uit zijn bestelwagen stapte, verzamelden wij jongens ons in een eerbiedig zwijgen rond de kar. Want zo dadelijk zou het wonder weer ­geschieden.

Ome Goof gaat een rauwe schol bestellen om er vervolgens tot grote hilariteit van de vrouwen de tanden in te zetten.

Mijn moeder heeft een kilo garnalen gekocht en samen zitten we aan de grote tafel te pellen. Er liggen kranten over het tafelkleed en de garnalen gaan in een witte kom. Af en toe mogen we een handje, maar niet te vaak.

Het is herfst en lang geleden.

Met je voeten in een teiltje begin je niet veel. De krant lezen, een beetje om je heenkijken, dat is het zo’n beetje. Ik zat met mijn blote voeten in een teiltje, de pijpen van mijn broek opgestroopt, geheel zoals het hoort, en keek een beetje om me heen.

Overal zag ik boeken, boeken in kasten, boeken die tegen die kasten aan geleund stonden, boeken op stapels op de vloer, op stapels op tafeltjes, boeken in alle maten, net als eens de hoedendozen.

Laatst sprak ik iemand die een hele kast vol niet gekochte boeken bezat. Van ieder boek wist hij precies waar en wanneer hij het niet had gekocht. En waarom hij daar nu spijt van had.

Ik zou graag zo’n kast inrichten, maar ik heb er geen plaats voor, alles zit vol, tot aan de ruimte onder de vensterbanken toe. Toen ik de rij boeken onder de vensterbank vlak naast me ­bekeek, viel me ineens iets op.

Er gleed water over de vloer, vrijwel onzichtbaar, zoals de zee doorzichtig over een zandplaat kan schuiven, een mooi gezicht. Maar water! Mijn teiltje! Het lekte! Met een kreet van ontzetting kwam ik overeind, maar het was al te laat, de hele bliksemse boel had natte voeten.

Het aardige van zo’n ramp is dat je tijdens het redderen de boeken die daar al jaren staan te staan een voor een ter hand moet nemen.

Zo kwam ik een boek tegen van E.M. Forster dat De echo van de Marabar heette, maar zijn Passage to India bleek te zijn, een wereldberoemd boek dat ik nooit gelezen had. Inmiddels heb ik het bijna uit, en dank ik het lekkende teiltje dat mij Forster schonk.

In het museum in het voormalige Burgerweeshuis was een tentoonstelling waar een aantal brieven van Anne Frank werden getoond. Toen ik dat hoorde, was mijn opwinding groot.

“Zullen we er volgende week heen gaan?” stelde ik voor, maar dat kon niet, want het bleek dat ik de hele week had dichtgemetseld met afspraken die van geen wijken wisten. Maar erg was dat niet, want de tentoonstelling was tot eind september, en het was half januari, tijd zat dus.

Op de middelbare school had ik een leraar Frans die zijn eerste les in het nieuwe jaar altijd begon met de woorden: “Boeken voor, vlug, vlug, vlug, want het is al bijna ­Pasen.” Indertijd dacht ik dat de goede man aan kleppende kopkolder leed, maar inmiddels weet ik beter. Toen ik me eindelijke bij het museum meldde, zei de balie­medewerker: “U bent net te laat. De tentoonstelling is gisteren ontmanteld.”

De tentoonstelling ‘Tussen Artis en Nieuwe Ooster, het Amsterdam-Oost van Theo Thijssen’ in het Theo Thijssen Museum ging in januari van dit jaar van start en duurt tot 3 november, tijd zat dus. Maar ineens is het eind oktober en ik ben nog niet geweest. Het zal me toch niet gebeuren.

Over kapper Lefeber in de Laing’s Nekstraat bijvoorbeeld, waar Thijssen, volgens het boekje bij de tentoonstelling, toen hij op het Pretoriaplein woonde ‘zijn monumentale walrussnor liet fatsoeneren’, zou ik graag alles ­weten.

In het boekje zegt voormalig buurjongen Bert Stoer: ‘Ik heb naast hem gezeten, wachtend op mijn knipbeurt (met de tondeuse). Thijssen had veel ruimte nodig; ik ging maar een beetje op één bil zitten.” Dat maakt nieuwsgierig.

Er resteren nog zes kansen om onze nieuwsgierigheid te bevredigen: morgen, vrijdag 27, zaterdag 28 en zondag 29 oktober en donderdag 2 en vrijdag 3 november, van 12 tot 5, Eerste Leliedwarsstraat 16.

De gang van de Hoog­kamergang op de Oudezijds Achterburgwal is maar kort. Al snel ­bereik je de binnenplaats waar ­tegenwoordig restaurant Blauw aan de Wal zetelt. Vroeger zat hier een café, maar hoe het heette, ben ik vergeten. Het restaurant is dicht, het is middag, maar de ­tafels en stoeltjes staan er zo uitnodigend bij dat ik plaats neem.

Alles is mooi hier, van de gebouwen met hun gietijzeren brandtrappen tot de vijg en de rozen. Maar het mooist is de kattentrap die naar een raam op een eerste verdieping leidt. Eerst is er opspringplankje dat aan een regenpijp bevestigd zit en dan is er de niet al te steile kattentrap met om de zoveel centimeter een bescheiden richeltje om de kat het klimmen en dalen gemakkelijker te maken.

Poes zelf, een lapjeskat, zit in de adembenemende stilte boven aan haar trap op mij neer te kijken. Tot ik wegga en zij haar blik afwendt.

Lang geleden had ik een ­afspraak met fotograaf Paul Blanca, die scherp in het pak Luxembourg betrad, met een koffertje in zijn hand. Toen hij na een eerste slok zijn glas neerzette, kwam de wijn in een golf omhoog, die zich vervolgens in duizend druppels deelde en Blanca bloedrood onder spetterde.

“Niks aan de hand,” zei Blanca, en hij verdween met zijn koffertje in het toilet, waaruit hij even later in een vers pak gestoken weer even scherp tevoorschijn kwam. “Altijd zorgen dat je een extra pak bij je hebt,” zei hij.

Later op de dag moest hij in verband met verdovende drugs even langs Roxykunstenaar Peter Giele, die in de Hoogkamersgang woonde. Giele is in 1999 gestorven, maar zijn naam, zag ik, staat nog op de deur.

Alles wat begint, zal ook een einde nemen. Zelfs het badseizoen, zoals dat vroeger zo mooi heette. In de weken die komen, wordt ons ­favoriete strandpaviljoen afgebroken en zullen slechts enkele palen herinneren aan de heerlijke middagen hier door­gebracht.

Voorbij, voorbij en dat uitgerekend op de mooiste dag van het jaar. Alle terrassen in het dorp zitten vol, het pannenkoekenterras, het visterras, het ijs­terras, het patatterras, ja zelfs het drankterras zit vol.

Tussen de vakantiebungalows door gaan wij richting strand­opgang. De huizen hier heten Wakkerloos, De Mossel, El Mare, Da Capo, Te Warskip, en zijn allemaal te huur. Het laatste huis is het huis van Reddingsbrigade. Daar gaat de trap omhoog naar de strandslag.

We passeren een klein meisje met een roze zonnebril en een blauw schepje in haar hand. Haar vader draagt het emmertje. Voor ons loopt een nog kleiner jongetje met zijn opa. “Hier gaan we de bocht in,” zegt het jongetje. “En wat zien we dan?” zegt zijn opa. “Het zwembad,” zegt het jongetje.

Wij zien zeven zeiltjes. Op ons strandpaviljoen staat sinds deze zomer een gedicht. Het is van Jelles Pieter en het begint zo: ‘Het is een kustplaats als zovelen, een gat achter een duinenrij,’ niet slecht, en op het terras is nog een plaatsje vrij.

We bestellen wat we altijd ­bestellen, en terwijl we van ons biertje en ons frietje genieten, kijk ik naar de roodharige kinderen aan het tafeltje naast ons die allebei een boterham met hagelslag eten. Mooier wordt het niet.

In de woorden van de dichter: ‘Maar de mooiste weidse blikken/ zijn van helmgras, licht en strand./ Daar verwaaien mijn gedachten,/ daar bestaat geluk uit zand.’ Het moet nog even december worden, maar dan staat het nieuwe seizoen weer voor de deur.

Op de foto zit Karel Appel aan een tafeltje dat met drie borden gedekt is. Geen messen en vorken. Wat op zijn bord ligt kan ik niet ontcijferen. Zijn het taartjes? Broodjes misschien?

Er staat een stevige potkachel in de kamer en boven de schouw is een magistrale wandschildering met kinderen en vogels, onmiskenbaar van de hand van Karel Appel zelf. Langs het raam staat een bed. In de vensterbank boven het bed zit een meisje met vlechten wijdbeens in de vensterbank, een voet op bed, een voet in de vensterbank.

Op de achtergrond zie je een rij pakhuizen. Het zijn de pakhuizen Januari, Februari en Maart. De foto is gemaakt in het huis Achtergracht 39.

Toen ik er voor stond om de boel eens goed te bekijken, kwam toevallig de bewoner aangelopen. “Weet u wie hier gewoond hebben?” zei ik. Dat wist hij. Ed van der Elsken had hier gewoond. “Klopt,” zei ik, en daarna Eddy Posthuma de Boer en zijn Henriëtte en toen zij vertrokken in 1963 kwam Johan van der Keuken hier te wonen.

“Drie beroemde fotografen op rij, het is haast niet te geloven. En dan was er ook nog een wandschildering van Karel ­Appel.”

“Die is er niet meer,” zei de bewoner, die Ralph Pilleri bleek te heten, “maar op internet heb je zo een foto gevonden.”

“Kan je de Amstel zien?” vroeg ik.
“Nee” zei hij, “alleen de pakhuizen.”

“Nee, vanuit uw huis bedoel ik,” zei ik. Dat kon je. Toen ik afscheid nam, trok ik aan de trekbel. Die rinkelde. Op de grachten trek ik aan iedere trekbel die ik zie, maar ze zitten altijd vast. Maar ­deze niet en die van de buren deed het ook nog, waarschuwde hij, de gelukkige bewoner van 39.

Afgelopen dinsdag had ik ineens het gevoel in een zonsverduistering te ­lopen. Het licht was anders, de schaduwen vielen anders, zelfs geluiden leken anders te zijn.

Toen ik naar de hemel keek, zag ik een zon die ik nooit eerder zag. De zon is een vuurbal die licht uitstraalt. Wie in dat vuur kijkt, wordt meteen gestraft. Maar nu stond er een geeloranje schijf aan de hemel die nog het meeste leek op een volle maan. En die zich als de maan straffeloos bekijken liet.

Het vreemde was dat de hemel achter de zon donker was. Normaal gesproken zie je de zon ­alleen aan een blauwe hemel. Vreemde zon of was het toch de maan?

Omdat Marthe onlangs een zusje had gekregen, ging ik even bij haar op bezoek. Ze plakte wat uitgeknipte bladeren, pardon, veren op een A4’tje en deed alsof ze mij niet zag.

Ze is bijna 4 en was vandaag voor het eerst naar school. “Heb je de zon nog gezien?” vroeg ik, “die had zich als de maan verkleed.” Marthe gaf geen antwoord, maar haar moeder vertelde dat de kinderen in de klas hadden mogen kiezen of het de zon was of de maan die ze aan de hemel zagen staan.

Alle kinderen hadden het goed, het was de zon, alleen een heel erg domme moeder had het fout gehad.

Terwijl ze het terras van Café Schiller installeerde, vertelde ­mevrouw Schiller me dat het kwam van het Saharazand en van de bosbranden in Portugal. Had ze op de radio gehoord.

Toen ik naar huis fietste zag ik aan het einde van de Lutmastraat de maanzon nog een keer hangen, groot en rond en rood als de voorbode van een Egyptische duisternis.

Na een meanderende wandeling door de voormalige Jodenhoek stak ik aan het einde van de Nieuwe Uilenburgerstraat de brug over de Houtkopersburgwal over en belandde zo voor het Rembrandthuis waar het zuiltje staat met het gedicht van Jacob ­Israël de Haan:

‘Die te Amsterdam vaak zei: “Jeruzalem”/ En naar ­Jeruzalem gedreven kwam,/ Hij zegt met een mijmerende stem:/ “Amsterdam. Amsterdam.” Een tamelijk onnozel gedicht eigenlijk, maar tegelijkertijd zo aangrijpend, dat je het als je het een keer gehoord of gelezen hebt nooit zult vergeten.

Terwijl ik de trap naar het Waterlooplein afdaalde, vroeg ik me af of ik nog meer van zulke versjes wist, maar dat schoot niet erg op. Op het plein stond ik wat in een bak te rommelen toen ik werd aangesproken door een man die vroeg of ik was wie ik was.

Nadat ik dat bevestigd had, vertelde hij me dat het huis met de bloedvlekken aan de Amstel, waarvan ik twee jaar geleden berichtte dat ik het niet vinden kon, wel degelijk bestond. “Je weet niet wat je ziet,” zei een andere man. “Al dat bloed en dat na driehonderd jaar.”

“Ik ga meteen kijken,” zei ik, waarop ik mijn fiets pakte die ik hier een paar uur eerder had neergezet. Een paar minuten later stond ik voor Amstel 216, waar ik mijn ogen uitkeek, geheimzinnige tekens, namen, een zinkende driemaster, alles rood als ossenbloed.

Op weg naar huis besloot ik nog even in de Oudemanhuispoort te kijken voor je weet maar nooit. De man van zo-even stond er zijn boekenstal open te maken. “Ik ben blij dat het me van het hart is,” zei hij. “Want het heeft me al die tijd zwaar op de maag gelegen.”

Ontbeten met een ­haring, geluncht met een kroket en een biertje toe. Zo’n dag leek het te worden, maar toen ik buiten kwam, lag er een omgewaaide lantaarnpaal voor de deur die een ­hele andere kant op wees.

Nooit geweten dat lantaarnpalen konden omwaaien. Fietsen, dat wist ik, maar hoe fietsen tegenwoordig vallen, is niet meer van deze tijd. Toen ik klein was, deed je dat met dominostenen en later hoorde ik dat het daarom het domino-effect genoemd werd.

Er valt een fiets, op het Roelof Hartplein laten we zeggen, en drie tellen later liggen er tot aan de Ferdinand Bolstraat fietsen op de straat. Niemand die ze opraapt, maar toch staan ze volgende dag weer in het gelid en overeind.

Inmiddels liep ik in afwachting van wat voor dag het dan wel worden zou door de Van Baerlestraat, toen een jongen in zijn remmen kneep en van zijn fiets stapte om een telefoon op te rapen. Zijn telefoon natuurlijk, maar ik zei: “Telefoon gevonden?”

Daarmee was het pleit beslecht, het werd zo’n dag van even hinderlijke als bemoeizuchtige geestigheden waar niemand om gevraagd heeft, zo’n dag die ik me vooral herinner van de katers van weleer. Wie meer wil weten kan het opzoeken in Brief uit Amsterdam van Gerard Reve.

Het is onwaarschijnlijk hoe je de hele dag flauwiteiten aan elkaar kunt rijgen zonder op je nummer te worden gezet.

Het beste deden het de meisjes in de leeftijd van 9 tot 11 die bij Par Hazard op de Ceintuurbaan met kattenoren op eensgezind op hun eten zaten te wachten. “Zijn jullie een club?” vroeg ik. “Jazeker,” antwoordde een moeder, “de Dierendagclub.”

“Wat hebben jullie ­besteld?” vroeg ik, “kattenbrokjes?” “Bijna goed,” zei een tienjarige, “maar we krijgen vissticks.”

Van het Zonneplein naar het KNSM-pontje loopt een muizentrap, links, rechts, een eindje rechtdoor en dan weer links, rechts, door de verbazingwekkende Nieuwe Zonnestraat, langs de Kometensingel waar in de voortuinen de appels aan kleine appelbomen hangen, en zo hup een industrieterrein op. Vanaf een bankje kan je de schepen in de haven bekijken, bescheiden motorbootjes, heuse jachten, een ijsbreker.

Als we het pontje in het zicht krijgen, passeren we een café waar een bord hangt met de tekst ‘Kom hier zitten aan de waterkant/ met een lekkere cocktail in je hand’, poëzie zo blijkt maar weer is overal.

“Lag hier niet een onderzeeër?” zegt mijn geliefde. De roestbak ligt vlak voor haar neus, maar om de een of andere reden ziet ze hem niet. “Misschien is hij onder?” zeg ik. Terwijl zij het water afspeurt, laat ik mijn aandacht treken door een reusachtige muurschildering van een zwartharig meisje dat me vaag bekend voorkomt. Ineens weet ik: Anne Frank, dit moet ­Anne Frank verbeelden.

Van alle lelijke muurschilderingen in de stad, denk ik, is dit wel de lelijkste. Hoewel, de afbeelding van Marilyn Monroe met opwaaiende ­zomerjurk in het portiek van Devils & Angels, naast café Le Patron in de Vijzelstraat mag er ook zijn. Iedere keer als ik er langs fiets schrik ik even. Toch ben ik er aan gehecht, net als aan de prachtige Amy Winehouse op de hoek met de Fokke Simonszstraat iets verder op.

En als je doorloopt, doorfietst, doortramt kom je vanzelf bij de Reguliersbreestraat. Op de hoek aan de Amstelkant vind je daar het door graffiti aangetaste maar onverwoestbare portret van Dizzy Gillespie die hier al jaren sterren aan de hemel blaast.

Heel lang waren IJ en wij van elkaar gescheiden, maar wie het busstation achter het Centraal betreedt, weet: die tijd is voorbij. Wat een uitzicht van deze hoogte, zo weids heb ik het IJ niet eerder gezien.

We gingen op expeditie naar Tuindorp Oostzaan, naar het Zonneplein, en om daar te komen ­namen we bus 35, uitstappen op de halte Maanstraat was ons verteld.

Maanstraat, Zonneplein, Zonnestraat, het zijn namen die doen dromen en deze keer viel de werkelijkheid niet tegen.

Van de Maanstraat liepen we de Orionstraat in, in 2010 nog uitgeroepen tot de mooiste straat van Noord, waar we genoten van de sierlijke voortuintjes en de versieringen aan de gevels. Aan het huis op de hoek met Polluxstraat hing een opengewerkte gitaar met daarin een pandabeertje en paar miniboeddha’s.

Toen we een foto maakten, kwam de bewoonster naar buiten. “Mooi hè?” zei ze. Dat beaamden we en ik vroeg of ze wist hoe hoog het water was gekomen. In 1960. Tijdens de Grote Overstroming. Maar dat wist ze niet. Ze had nog wel een foto waarop je de kogel­gaten in de muren kon zien van vlak na het bombardement in juli 1940.

Even later liepen we door de poort van de Zonneweg het Zonneplein op. Het mooiste plein van heel Amsterdam, zag ik in een oogopslag. Ruim met mooie ­bomen en gaanderijen die het plein tot het place des Vosges van de Amsterdamse School maken.

Toen we op het terras van Lokaal Spaanders van de lekkerste tosti ooit genoten, zei de uitbaatster dat we niet met de bus terug hoefde, want de pont was vlakbij, vijf minuten lopen, nou ja tien misschien, maar in geen geval meer dan een kwartier.

Jarenlang begroette ik mijn kleindochter bij iedere ontmoeting met de woorden: “En, hoe is het met de tafel van 8?” Nu ze op de middelbare school zit, kan dat niet meer, maar gelukkig is ze uitverkoren door een school in Noord zodat ik kan zeggen: “En, hoe was het op de pont?” De reactie is ongeveer hetzelfde.

“Wat zou er op de pont gebeuren?” voegde ze er de laatste keer aan toe. “Dat zal ik je vertellen,” zei ik.

In het verhaal dat ik recent van een voormalige Noordbewoner te horen kreeg, staat er als de pont achter het IJ is afgemeerd al een stevige menigte klaar om aan boord te gaan.

Midden voor de pont, wat het verlaten van de pont niet eenvoudiger maakt.

De schipper die het vanachter zijn panorama venster ziet gebeuren, pakt zijn microfoon en zegt: “Mensen, als u nu allemaal een stapje opzij gaat dan kan iedereen er door en bent u sneller aan boord.” Geen ­reactie, iedereen blijft staan waar ie stond.

Waarop de schipper ­opnieuw de microfoon pakt. “Mensen,” zegt hij, “als u…ach krijg ook allemaal de kolere.”

In de auto van de Groot Moefti van Noord vertel ik het verhaal nog een keer. Als we uitgegrinnikt zijn, wijst de Moefti en zegt: “Jaap van Heerden?” En inderdaad, Jaap van Heerden, de schrijver, de filosoof in zijn regenjas, staat bij de zebra op de hoek van de Olympiaweg en de Stadionweg heel erg Jaap van Heerden te wezen.

Sommige mensen worden als ze ouder worden onherkenbaar. Anderen dragen hun jongere ik nog in zich mee. Mensen als Jaap van Heerden gaan steeds meer op zichzelf lijken, alsof ze nu pas worden wie ze altijd al waren.

In de tram zit ik schuin tegenover een onopvallende jongeman. Witte oordopjes in, telefoon in de hand, niets aan te zien, en groot is dan ook mijn verbazing als zich plotseling twee opgewonden meisjes bij hem melden. Allebei een jaar of veertien, allebei een beugel. Ze duwen en trekken elkaar voort zoals meisjes doen als ze iets ondernemen wat ze eigenlijk niet durven.

Of ze met de jongeman op de foto mogen, willen ze weten. “Ja hoor,” zegt hij vriendelijk. Na de selfie-ceremonie gaan de meisjes giechelend af.

“Wie ben je,” zeg ik tegen de jongen. Normaal zou ik dat nooit durven vragen, maar in functie ben ik onverschrokken. Hij zegt dat hij Kelvin heet, maar zich Kalvijn noemt, “Kalvijn met een K,” waarop ik hem vraag waar de meisjes hem van kennen. “Ik maak filmpjes,” zegt hij, “op internet. Kent u dat, internet?” Daar heb ik inderdaad weleens van gehoord. “Op YouTube?” zeg ik. Op YouTube.

“U zult het wel hele flauwe filmpjes vinden, maar er zijn ook mensen die het leuk vinden.”

’s Avonds kijk ik een filmpje waarin de 21-jarige Kalvijn (600.000 abonnees) de generatiekloof bespreekt met Bibi van negen. Van de generatiegebonden begrippen waarmee ze elkaar bestoken ken ik alleen de Scoubidou. Die was uit 1959, en hoe ie bij Kalvijn en Bibi is beland, is me een raadsel. Maar leuk is het wel.

Dezelfde dag nog werd ik ook herkend in de tram. Door de kapper van een vriend uit Amstelveen. Hij had de dag tevoren een tweeling in de zaak gehad. Een met een enorme bos haar en de andere kaal. Als kalentroost zei hij toen: “God schiep de volmaakte mens, de anderen gaf hij haar.”

Als ik met mijn dochter en kleindochter door hun buurtje loop, voel ik me na een tijdje net de ­Koningin van Lombardije. Iedereen kent iedereen hier, lijkt het wel. Wat dat betreft was het vroeger wel anders. Op straat zei je ­elkaar niet gedag, niet in West in ieder geval, en praatjes maken met elkaar was er al helemaal niet bij.

Maar als ik nu op het terras van Radijs zit, op de hoek van de Jan Eef en de gracht van Admiralen, is het een komen en gaan van bekenden, gezwaai van fietsers en getoeter van auto’s.

Als we hebben afgerekend en ik mijn fiets van het slot haal, steken dochter en kleindochter vast over richting Albert Heijn. Ze zijn nog op de brug als ik ze in druk gesprek zie raken met een man op een fiets met een petje op. Als ik dichterbij kom, zie ik dat hij van top tot teen getatoeëerd is.

“Ken je hem nog?” zegt mijn dochter. “Micky!” Micky is een van de kinderen uit Studio Paradiso van Max Natkiel, waarin foto’s van punkers uit de jaren tachtig zijn verzameld. Elf jaar was hij toen Natkiel hem fotografeerde, achterdochtig, in volle botsing met de wereld. Toen wij hem kenden, zal hij een jaar of zestien zijn geweest.

Op de verjaardag van mijn dochter gaf hij haar een cadeau dat ze altijd bewaard heeft. Hij gaf het in het geheim – “Want,” zei hij erbij, “ik denk niet dat je ouders dit leuk vinden.”

Nu stond hij op het punt om af te reizen naar Thailand. Voorgoed. Bij het afscheid stootten we onze vuisten tegen elkaar. “Tot over een jaar of twintig,” zei hij. We lachten.

Krant gelezen, koffie ­gedronken, geschoren, douche genomen, aangekleed, boterham ­gegeten, tijd om de deur uit te gaan. Maar eerst mijn schoenen aan. ‘Om eens te proberen,’ schreef iemand eens, ik meen dat het Tom Steen was, ‘eerst je schoenen en dan je sokken aan.’ Mooi regel, net als: ‘Andere man? Nee, schone sokken aan.’

Mijn sokken had ik al aan en ik boog me voorover om mijn veters te strikken toen mijn geliefde voor me opdook, zich op een knie liet zakken en de veter van mijn ­rechterschoen voor me strikte, een ­verbijsterende ervaring. Hoe lang, dacht ik, is het geleden dat ­iemand mijn veter strikte?

Die ­iemand zal mijn moeder zijn geweest. Zij strikte mijn veters zolang ik dat zelf nog niet kon, tot mijn vijfde, tot mijn zesde? Altijd in de keuken, ik op een blank gelakte keukenstoel, zij met een knie op het zeil. In Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust welt het verleden op uit een in lindebloesemthee gedoopte madeleine.

Ik wil mijn veter niet met deze madeleine vergelijken, maar ineens herinner ik me wel dat het zeil zwart-wit geblokt was en dat er stoom uit de fluitketel kwam die niet floot omdat mijn moeder een hekel had aan dat gefluit en daarom van iedere nieuwe ketel die zijn droog gekookte voorganger opvolgde de stoomfluit weggegooide.

In de loop van de dag vertelde ik verschillende mensen over de ­veter. Marion vertelde me daarop dat haar vriend als jongen onder de tafel gezeten eens de veters van zijn vader en zijn ooms schoenen aan elkaar geknoopt had. Wat ze niet gemerkt hadden, zodat ze na het opstaan struikelend over ­elkaar heen vielen. Lieve vader, leuke ooms.

Woensdag waren we in de FilmHallen voor de opening van het tweede Parool Film Fest. Er was een Rode Loper, een première in negen zalen en na afloop een woest feest dat duurde tot in de kleine uurtjes.

De premièrefilm heette Borg/McEnroe en ging over hun legendarische Wimbledon­finale uit 1980. Waarin als je deze film geloven moet geen bal ge­slagen werd, maar omdat Borg/ McEnroe een goede film is, was het toch spannend.

In de aanloop naar de Wimbledonfinale zag je de tienjarige Borg zijn backhand oefenen tegen een garagedeur. “Speel je de Davis Cup, of sta je op Wimbledon?” informeerde zijn moeder.

Toen ik tien jaar voor Borg tien jaar was, had ik ook zo’n muurtje. Het bevond zich in mijn jongenskamer, een kamer en-suite die door glazen schuifdeuren ­gescheiden werd van onze huis-kamer met zijn stoelen met bal-poten, massieve dressoirs, gezellige kleedjes en koperen kannetjes. Tegen de lange muur stond mijn opklapbed en opgeklapt was dat ongeveer zo hoog als het net op de tennisbaan.

Met toestemming van tante Corrie van beneden speelde ik tegen dat muurtje mijn partijen die in verband met haar algemeen welzijn niet langer dan een half uur mochten duren. Meestal Wimbledonfinales, waarin ik in de vijfde set tegen Tony Trabert of Pancho Gonzales met 5-2 achter kwam. Hoe dat afliep, laat zich raden.

In de jaren die volgden, bleek de werkelijkheid minder glorieus. Op de schoorsteenmantel staat het bekertje waarop te lezen valt dat ik in 1955 en 1956 clubkampoen werd bij de jeugd. Op zolder heb ik nog een paar asbakken die hetzelfde vertellen over 1957 en 1958, maar de Wimbledondroom was toen al lang vervlogen.

Als het einde van het tennisseizoen nadert, ­beginnen de blaadjes van de bomen te vallen, heel opmerkelijk. We waren er klaar voor, maar vandaag zou er niet getennist worden, want het stille herfstweer was binnen een minuut in storm en regen veranderd.

Toen de banen definitief blank stonden, gingen we op huis aan.

De kennis met wie ik op fietste vertelde dat hij op de Nieuwe Keizersgracht woonde. Was ik daar wel eens wezen kijken, naar het Schaduwkade Monument aan de zonnige kant van de gracht? Nee, maar dezelfde middag nog ben ik gegaan.

Eenmaal op de Nieuwe Keizersgracht kon ik de stalen plaatjes met de namen van de vermoorde Joden die het monument uitmaken niet vinden. Maar wat een prachtig grachtje met zijn Vulcaan, zijn Mars, Curacao en Portorico.

Tussen Curacao en Portorico zat op het stoepje voor haar huis een vrouw aan wie ik vroeg of ze wist waar het monument zich bevond. “Aan de andere kant van de Weesperstraat, op het stuk naar de Amstel,” zei ze. Ik bedankte haar en fietste verder. “Je gaat de verkeerde kant op,” riep ze me na. Dat klopte, maar ik wou het hele grachtje zien.

Het andere stuk van de Nieuwe Keizersgracht ligt langs de Hermitage. Er staan geen auto’s langs het water en om de paar meter vind je een plaatje met de namen van mensen die aan de overkant, de schaduwkant hebben gewoond.

Genna Groen woonde op nummer 70, ze was 1 jaar toen ze in Auschwitz werd vermoord. Nathan Samuel Englander die op 64 woonde, was 11. Vermoord in Sobibor. Twee van de meer dan 200 doden langs de gracht. Vlak bij de brug van de Weesperstraat ligt de doolhofput merk Stora die erbij was.

Als je het naamloze bruggetje over het naamloze eindje water bij de Markthallen oversteekt, beland je al snel in de Vissering-straat die na een korte aarzeling overgaat in het Van Bossepad.

Langs het Van Bossepad, dat smal en stil is, liggen woonschepen. Voor het eerste woonschip staan zeven wilgen, ik heb ze geteld, die meteen het gedicht van Adama van Scheltema in gedachten roepen: ‘Daar waren eens zeven wilgen/ in ene boerenwei,/ Die droegen grote pruiken op/ Hun oude harde houten kop/ En stonden op een rij.’

De wilgen moesten naar de kapper. Hoe vaak zal mijn moeder het lied voor me gezongen hebben? Een van de zeven wilgen bij de woonboot was dood, zag ik, dus misschien zijn het er nu nog maar zes, wat het hele effect zou bederven.

Een rooie kat zwierde over het pad, een man met en rugzakje op zijn rug liep zonder op of om te kijken aan mij voorbij. Op de daken van de straat evenwijdig aan het pad ontwaarde ik een wonderlijk koepeltje, een koepeltje als van een tuinprieel, maar dan boven op een dak.

Het is gebouwd op het dak van de Van Bossestraat 30-32, waar een plaquette aan de gevel memoreert dat op 3 mei 1943 op deze huizen een Engelse bommenwerper is neergestort. ‘Drie bemanningsleden en zeven burgers kwamen hierbij om het ­leven.’

Het was doodstil in de Van Bossestraat. Er speelden geen kinderen, geen wandelaar liet zich zien, geen fietser, geen scooter, geen auto. Niets bewoog totdat uit dat niets een sliert staartmezen opdook en als een school kleine dolfijnen de straat overstak. Toen pas hoorde ik heel in de verte het geluid als van een kermis.

In Heinz van Windig en De Jong komt een aflevering voor waarin Heinz zich op de voorpoten laat zakken en een zacht ‘miauw’ laat horen. “Soms moet het even,” zegt hij als hij in het volgende plaatje weer op de achterbenen staat.

Soms moet het even. Citeren uit de krant bijvoorbeeld. Zoals iedereen boven de 36 lees ik iedere dag de rouwadvertenties, waarbij de geciteerde versjes zich in mijn bijzondere aandacht mogen verheugen.

Ha Vasalis, ha Ida Gerhard, ha Nel Benschop! Een dezer dagen werd een advertentie door het volgende versje opgesierd: ‘Het leven is geen lolletje/ paraplu, paraplu, parasolletje’. Was getekend K. Schippers. Het was een rouwadvertentie en dus past gepaste rouw, maar desondanks schoot ik in een daverende lach.

Wat was hier aan de hand? Er ­bestaat een anoniem rijmpje en dat gaat zo: ‘Paraplu, paraplu, parasolletje/ het leven is geen lolletje.’ In de jaren zestig bedacht K. Schippers een variant waarin ­verwezen wordt naar de toenmalige chef kunst van het Handelsblad: ‘Kunst is nooit een lolletje/ voor meester K.L. Polletje.’

Een klassieker. om met Heinz te spreken. Slechts te vergelijken met ‘Sybren Polet/ draagt een­ ­pinopet’ of ‘O mijn lieve Gortzak/ in zijn Sowjet-sportpak’.

En nu is het oorspronkelijke versje, in omgekeerde volgorde, en met dank aan mr. K.L. Poll, dus van K. Schippers geworden.

De wegen van de poëzie zijn vaak ondoorgrondelijk. In Rotterdam rijden vuilniswagens met daarop de regel ‘Meneer Dinges weet niet wat swing is’, die wordt toegeschreven aan Cornelis Bastiaan Vaandrager. Terwijl het een regel is van Johnny & Jones.

Vaan heeft de regel ‘ontleend’ of ‘geïsoleerd’ lees je dan. Maar volgens mij blijft hij van Johnny & Jones, zoals ‘Het leven is geen lolletje’ nu van Schippers is.

Vorige week zijn wij een paar dagen niet naar België geweest. Hadden we gewoon zin in.

Niet naar De Panne om daar niet met het trammetje langs de kust te rijden, niet naar Oostende om daar geen bezoek aan Ensor te brengen, geen oesters ook in Oostende en op de terugweg niet naar de Zuid-Pier te Antwerpen om te ­hopen op een accordeonist die hartverscheurend Marina speelt zoals eigenlijk alleen Rocco
Granata dat kan.

Heel verfrissend zo’n niet ­gemaakte uitstap, je bent lekker weg en toch thuis. Toen we nog in S. woonden, zijn we voor een ­reportage eens drie dagen gaan ­logeren in Pension ’t Raadsel te Callantsoog, op drie kilometer van ons­ eigen huis. In de gezellige eetzaal zei een Duitser toen het eten werd opgediend: “Schon wieder Blumenkohl” en tegen bedtijd wou mijn geliefde naar huis, maar dat kon natuurlijk niet, vanwege die reportage.

Maar als je niet naar België gaat om geen reportage te schrijven, heb je die problemen niet.

’s Morgens haalde ik een verse krant en een paar fijntjes bij Simon Meijssen. Daarna naar de Kaaswaag voor een onsje oude kaas, een ossenworstje en een praatje met de baas, naar de sigarenboer voor een verse krant en vervolgens door de binnentuin en langs de boekenstalletjes in de poort terug naar de Gerard Terborgstraat.

“Een sombere buurt,” zei­ ­iemand laatst over het dorp dat wij bewonen, maar dat vind ik helemaal niet. Ik ken de katten die zich aaien laten en ik loop graag langs het water om naar de bootjes en de ganzen te kijken. In de voortuintjes staan grote vijgen en op de bankjes wordt gevreeën. Ik sla de hoek om en ben weer thuis.

Heerlijk dat België.

Af en toe zie je dingen die je niet eerder zag. Zo zag ik in de Spaarndammerstraat een moslima met een grote blauwe zonnebril en een kind in een kinderzitje voorbij fietsen. Ik stond ervan te kijken. Eerder op dag werd ik op de Ceintuurbaan ingehaald door een auto met een karretje waar een roze olifant in stond. Het was geen echte olifant, maar toch.

En voor het terras van Papeneiland stopte die middag een Fiatje, waaruit niet ­alleen een heleboel kinderen ­tevoorschijn kwamen, maar ook een reusachtige vierkante doos in oranje feestverpakking. In het café begon prompt een accordeon te spelen.

Het echtpaar dat op een vluchtheuvel voor het Centraal Station aan de verkeerde kant van de tram probeerde in te stappen, deed ook iets wat ik niet eerder had gezien. Toen het gelukt was binnen te ­komen, ging de vrouw naast mij zitten. “U komt zeker niet uit de stad,” zei ik. De vrouw begon te ­lachen, en nee, ze kwamen uit Leeuwarden en dit was de eerste keer sinds 2003 dat ze Amsterdam weer aandeden.

“Wordt het Museumplein omgeroepen?” zei ze. “Maakt u zich geen zorgen,” zei ik, “ik zit naast u.”

Ze gingen naar het Rijks, naar het Van Gogh en naar Nemo, een ambitieus programma leek me. Het deed me denken aan de dame uit mijn vriendenkring die voor een middagje uit met een vriendin eerst het Bijbels Museum, toen het Stadsarchief en vervolgens de Hermitage had overwogen, om ten slotte voor het vers geopende Hudson’s Bay te kiezen.

Dat viel niet mee. “Het enige waar ik echt hebberig van werd,” liet ze later weten, “was een pleeborstel met een mooi, strak design, maar die borstel kostte wel 42 euro.”

Toen ik op de Plantage Middenlaan de brug over de Nieuwe Herengracht overstak, zag ik in de verte op de Nieuwe Herengracht twee bereden polities richting Anne Frankstraat gaan.

Eenmaal over de brug bleek de Nieuwe Herengracht herdoopt tot Nieuwe Vrouwengracht. Wie zouden dat gedaan hebben, dacht ik. De dames van Dolle Mina misschien?

Er scheen een waterig zonnetje en het Wertheimpark aan de andere kant van het water lag er prachtig bij. Bij de Anne Frankstraat gekomen, draaide ik de Rapenburgerstraat in. Gasse ohne garote, heette de straat in het Jiddisch, straat zonder spijt, want zijstraten waren er niet.

Meyer Sluyser, schrijver van al die aangrijpende boeken over de Jodenhoek, noemde de straat om die reden Gebed zonder end, maar in de volksmond was het gewoonde de Vinkenbuurt. De straat is ongeveer twee keer zo breed als vroeger en nog steeds heel smal. En stil.

Bij café Waterloo zijn filmopnames aan de gang waar ik stil aan voorbij ga. Ik steek het Markenplein over naar de Valkenburgerstraat en loop naar het Nieuwegrachtje, waar ingeklemd tussen de huizen een mooie speelplaats ligt.

Er staan een huis te koop en een huis dat helemaal verkrot is. In de Uilenburgergracht ligt een groot beurtschip afgemeerd. Ik kijk over het water en zie over de brug van de Pepestraat twee bereden polities gaan.

In de Nieuwe Uilenburgstraat kijk ik van de grote bakstenen schoorsteen van Gassan naar de kleine bakstenen schoorsteen achter het gebouwtje op de hoek met de Houtkopersburgwal.

Lang geleden zat hier een badhuis. En in het badhuis, vertelt Ruben Potts in zijn Herinneringen aan de Rapenburgerstraat, zoals te vinden op joodsamsterdam.nl, hing een bord waarop stond te lezen: ‘HEB ELKE WEEK EEN BAD’.

Bij ons thuis werd een homo die als homo herkenbaar was een ‘woeps’ genoemd. Dat kwam door de Familie Doorsnee.

Zoals heel Nederland zaten wij elke maandag om de twee weken voor de radio ademloos te wachten tot het In Holland staat een huis weerklonk, waarna de gevoileerde stem van Wim Ibo ons meenam naar de gezellige huiskamer ‘waar mevrouw Doorsnee aan tafel de krant zit te lezen als Sjaan binnenkomt met de thee.’ Waarna Sjaan iets zei in de trant van: “Nou mevrouw Doorsnee, wat ik nou heb meegemaakt…”

Hun van Doorsnee hadden een boekenwinkel en in die boekenwinkel kwam op een gegeven ogenblik iemand werken van wie ik de naam vergeten ben, maar die te pas en te onpas ‘woeps’ zei:

“Woeps, meneer Doorsnee…” “Die is van de klatsklats,” zei mijn moeder, en hoewel ik nog altijd geen idee heb wat dat betekent, wist ik als tienjarige meteen wat mijn moeder bedoelde, woeps!

Veel later hoorde ik in dit verband een moeder over haar zoon zeggen, dat er bij hem ‘geen vrouwenvlees’ aan zat. Dat zal zo’n vijfendertig jaar geleden zijn.

Een paar weken geleden kwam ik de uitdrukking voor de tweede keer tegen, uitgerekend op de dag dat Peet Bennink me in zijn verentooien winkel aan de Roelof Hartstraat vertelde dat zijn moeder altijd zulk lekker ‘oude mannen-vlees’ maakte. Op het oliestelletje. In het schuurtje. Achter hun huis in Zaandam.

Mandarijnen zo sappig dat oude vrouwen ze kunnen zuigen, herinner ik me van de markt, maar oude mannenvlees had ik nog nooit gehoord. “Bij ons thuis heetten sudderlapjes gewoon draadjesvlees,” zei ik tegen mijn geliefde. “En bij ons thuis gebakken schoenzool,” was haar riposte.

Ik las dat in 1928 zo in de buurt van de kruising ­Amstelveenseweg en IJsbaanpad vijf boomcirkels waren geplant die tezamen de olympische ringen vormden. Land art avant la lettre. Van die vijf ringen zouden er nog drie staan.

Ik kom vaak op die kruising en zou graag zeggen dat ik de boomcirkels altijd met veel plezier bekeek, maar ze waren me nooit opgevallen. Toch staan ze er, zag ik nu, twee van de vijf in elk geval, nummer drie kon ik niet vinden.

Nadat ik een tijdje naar de vallende bladeren had staan kijken, reed ik naar de tennisbaan.

Tijdens de nazit vertelde Leo dat hij in Amstelveen Ruud Gullit uit een kreukelig autootje had zien stappen. “Het kwam zo van Marktplaats, dat autootje,” zei hij. “Eerst kwam Gullit eruit en toen zijn vriendin, een leuk meisje zo te zien.”

Vanaf dat moment ging het over de assistent-bondscoach. Of Ruud nou dom was of hartstikke slim, we kwamen er niet uit. “Ik weet nog een leuk verhaal over Gullit,” zei ik, “dat heb ik uit de biografie van zijn eerste vrouw. Op een nacht wordt ze wakker en…”

“Ho, ho, ho,” zei Hans, “wie was die vrouw?”

“De vrouw van Gullit,” zei ik.

“Estelle?”

“Wie is dat, Estelle?” zei ik.

“Estelle,” zei Leo, “is de dochter van de broer van Johan Cruijff.”

Jan had inmiddels een leeg koffiemelkcupje op zijn neus gezet waardoor hij terwijl hij helemaal niet op Bassie lijkt ineens op Bassie van Adriaan leek. “En die was getrouwd met Gullit.”

“Maar die bedoel ik niet,” zei ik.

“Wie bedoel je dan?” zei Jan.

Leo had nu ook een leeg koffiemelkcupje op zijn neus, zag ik. Ik ben wel dom, maar niet slim, en ik wist dat dit niet meer goed ging komen.

‘Als jongen,” zei de man in het rode trainingsjack, “gingen we in onze zwembroek gewoon tussen de mensen staan, en als het pontje dan halverwege was, doken we in het IJ.” Hij had het over het pontje van Snip, dat naar de Superfosfaat fabrieken voer. “Het was een kelere kereltje, Snippie. Als ie je pakken kreeg, was je nog niet jarig.”

Mannen en treintjes, mannen en vliegtuigen, mannen en pontjes, drie vormen van een en hetzelfde geluk. We waren op de tentoonstelling over de Gemeente Veren in het Zonnehuis op het Zonneplein in Tuindorp Oostzaan, waar honderden foto’s hangen uit de verzameling van Marten Wijbenga. Zijn vader was pontschipper en dat schept een band.

Mijn band met de pont loop via de andere kant. Mijn vader moest iedere morgen met de pont om op zijn werk te komen, maar waar het altijd over ging was het missen van de pont, want als hij de pont miste, kwam hij te laat en via de prikklok merkte mijn moeder dat aan het eind van de week in zijn loonzakje.

Er hangen verbazingwekkende foto’s op de tentoonstelling, maar het mooiste blijven de verhalen. “Wist je,” zegt een man, “dat het pontje van Snippie later is verkocht aan iemand in Harlingen? Die voer ermee naar Terschelling. Met dat piepkleine pontje, moet je je voorstellen.”

Marten Wijbenga laat mij en een lange kale man een foto zien, waarop zijn vader en dekknecht Kees de Boorder staan afgebeeld. “Hij werd Boerenkees genoemd,” zegt Marten. “Er waren drie dekknechten, een uit Friesland, een uit Drente en Kees. Kees kwam uit de Jordaan, vandaar, Boerenkees.”

“Zoals ik altijd ‘krullenkop’ heette,” zegt de kale man.

De tentoonstelling in het Zonnehuis is tot en met 1 oktober; op donderdag gesloten.

Toen Thomas Rap in 1966 zijn uitgeverij ­begon, was dat in de ­Reguliersdwarsstraat, op 79 boven de kapper waar ze ­inmiddels in tatoeaties doen. Het was daar zoals je je een uitgeverij voorstelt. Overal boeken, de joviale uitgever in houthakkershemd achter zijn bureau, de sigaar vaak in het hoofd, en veel schrijvers.

De schrijvers kwamen om de boeken die ze schrijven gingen aan de uitgever te brengen, om met elkaar en met Thomas te oude hoeren en voor de lunch.

De lunch werd ­verzorgd door Joosje Noordhoek, tegenwoordig eindredacteur bij deze krant. De door haar klaargemaakte broodjes hebben geschiedenis gemaakt.

Geen broodje smaakte ooit zo lekker als het door Joosje gemaakte broodje oude kaas met een beker karnemelk erbij. Misschien hielp het dat we allemaal arm waren en dat de broodjes gratis waren, maar evenzogoed.

‘There is no such thing as a free lunch,’ luidt het ­gezegde en dat ging ook hier op, want als de vrachtwagen van het Centraal Boekhuis voor de deur stond, werd je geacht mee te helpen de boeken naar boven te sjouwen, wat op die smalle steile trap geen sinecure was.

Ik ben, als ik het CB voor de deur zag staan wel eens doorgelopen. Dan maar geen broodje vandaag.

Schuin tegenover Thomas Rap, ongeveer waar nu Indiaas restaurant Shiva zit, zat toen Ognibeni. Ognibeni was een Italiaanse wijnwinkel, maar, zo vertelden mijn ­ouders er altijd bij, je kon er ook een glas wijn drinken en bij je glas wijn kreeg je dan een schaaltje met een paar olijven. Een winkel waar je iets kon drinken.

Mijn verstand stond er bij stil. Later ben ik vaak van plan geweest om eens bij ­Ognibeni aan te lopen. Het is er niet van gekomen.

Waaraan je tijdens een val allemaal niet denken zal. Een driehoek, dacht ik, is een meetkundige ­figuur die ontstaat door drie punten die niet op een rechte lijn liggen met elkaar te verbinden.

Ook dacht ik aan de man die op een bankje bij de Snoge op een tuba had zitten blazen en aan de torenvalk die tussen station Sloterdijk en Centraal een heel eind met de trein was meegevlogen.

De driehoek waaraan ik dacht wordt gevormd door de Helena Mercierstraat, waar ik woonde, Imstenrade, waar mijn vriend woonde en de Kruislaan, waar Casper woonde. Om elkaar te bereiken, legden we heroïsche afstanden af.

Op Caspers kamer in het huis op de hoek van Kruislaan en Middenweg hoorden we voor het eerst ­Billie Holiday.

Met zijn drieën hadden we een elpee van Ella Fitzgerald gekocht, elpees waren niet te betalen in die dagen, en de achterkant bleek geen Fitzgerald te bieden, maar een ons onbekende zangeres. Ik herinner me dat we de plaat omdraaiden en hoe we elkaar even later aankeken, Billie Holiday. Die heeft me niet meer verlaten.

Op de Kruislaan kom ik tegenwoordig alleen als er begraven wordt. Een vriend meestal. Vandaag was het een dispuutgenoot.

Zoals gewoonlijk maakte het ­begrafenisritueel me half krankzinnig. De weeë geur in de aula, de door het ontbreken van een deugdelijke geluidsinstallatie onverstaanbare toespraken, de als kraai vermomde studenten die de kist dragen.

Tijdens de geheelonthoudersnazit hield ik het niet meer en nam ik de wijk. En gleed uit in een plas op het marmeren bordes om me vervolgens, de kop vol gedachten, rechtstandig voorover in het grint te storten. Mijn vingers zijn blauw van het capucijners doppen, dacht ik nog.

In het bushokje stond ik ­samen met een vrouw van gevorderde middelbare leeftijd op de bus te wachten toen een voorbijrijdende vrachtwagen zijn toeter liet horen, een ouderwets geluid. “Wat denkt zo’n gozer wel,” zei de vrouw. “Dat ik bij hem instap? Ik heb een goede man en twee kinderen, ik heb hem nergens voor nodig.”

Er meldde zich een tweede vrouw die de eerste bleek te kennen. “Alles goed?” informeerde nummer een, nadat de begroeting achter de rug was. “Ja hoor,” zei nummer twee. “Zijn gangetje?” zei nummer een. “Ja-a,” zei twee enigszins nadenkend. “Alleen, mijn dochter is dood.”

‘Zodra we op weg zijn,’ schreef een beroemde Franse schrijver, ‘is het of we al zijn aangekomen.’ Geen opwekkende gedachte, maar als de bus eenmaal rijdt en ik naar buiten kijk, vergeet ik ‘dat de landing al geruime tijd is ingezet’, ­zoals een vriend het eens formuleerde, en denk aan aangenamer zaken.

Op een pleintje zie ik een vrouw met een hondje aan de lijn. Ze staat te bellen en draagt gouden instapschoenen met extreem ­hoge hakken die tegelijk doorzichtig zijn. Aan haar voeten ligt een voetbal. Gaat ze de bal een trap ­geven? Ik zal het nooit weten, want de bus is de hoek al om.

Op het eindpunt staan vier ­geüniformeerde GVB’ers, twee mannen en twee vrouwen, door elkaar heen te praten. “Een echte Surinamer…” zegt een van de mannen, maar niemand luistert. “Een echte Surinamer…” herhaalt hij, maar niemand luistert. Bij zijn vierde poging bemoei ik me ermee. “Een echte Surinamer,” zegt hij nu terwijl we allemaal luisteren, “geeft op zijn verjaardag altijd het feest van zijn leven. Wist u dat?” “Nee,” zeg ik, “maar ik zal er zijn.”

Wat me in de verbazingwekkende serie over kunstwerken in de stad die de krant deze zomer publiceerde het meest opviel, was hoe goed kunstwerken zich vaak weten te verstoppen.

Bloem op de Maurits­kade, Abramovic in de Beethovenstraat, Van Elk voor het Stedelijk, ze waren alle drie aan mijn aandacht ontsnapt.

First things first en dus begaf ik mij naar het Stedelijk om daar op zoek te gaan naar Replacement Piece, een foto van een paar verwijderde tegels die de verwijderde tegels in kwestie vervangt. Langzaam fietsend volgde ik onder de rand van de Badkuip de rand waar de ene tegelsoort van het voorplein overgaat in een andere.

De langzame fietser trok het nodige bekijks, maar dat was niets vergeleken met wat er gebeurde toen ik de tegel had gevonden en afgestapt was om hem van nabij te bestuderen. Wie kijkt naar iets wat niet te zien is, moet wel van Lotje zijn. Buiten het museum wel te verstaan.

Want toen wij een paar jaar terug in het Stedelijk op zoek gingen naar De goed gewreven vloersculptuur, ook van Van Elk, keek niemand daar raar van op. Mijn kleindochter die toen nog klein was, vond de driehoek als eerste en markeerde hem met een paar uitbundige danspassen die in de vorm van een foto op mijn werktafel staan.

De goed gewreven vloersculptuur is weer weg geloof ik. Net als de Mars door Amsterdam van Wim T. Schippers die op vrijdag 6 december 1963 zes mannen vanaf het Centraal Station via Martelaarsgracht, Nieuwendijk, Dam, Kalverstraat en Reguliersbreestraat naar het Rembrandtplein voerde. De wandeling duurde zeventien minuten. Er is een filmpje van, maar dat is niet hetzelfde.

Op het Haarlemmerplein stond een krul die er eerder niet was. Of vergiste ik me, en was ie er wel, maar had ik hem niet opgemerkt. Of was ik hem vergeten. Een krul niet opmerken, lijkt me goed mogelijk, maar een krul vergeten? Ik weet het niet.

Het was woensdag en dus hield de gezondheidsindustrie markt met biologische worst van vergeten diersoorten, ambachtelijke karnkaasjes en baarden achter de kramen.

Ik liep de Haarlemmer­straat in en probeerde me te herinneren hoe het was toen hier de tram reed. De Haarlemmerstraat hoorde toen nog bij de Jordaan en was vervallen, maar gezellig. De ellende kwam pas later.

De drugs en verkrotting uit de dagen van ellende hebben ze eens proberen tegen te gaan door de buurt uit te roepen tot Zeevaart Kwartier. Vandaar dat je op de straathoeken nog altijd scheepsschroeven, ankers, brulboeien, schoorstenen en hele reddings­boten kunt aantreffen van wie geen mens meer weet wat ze hier doen.

Je hoort dat het ten gevolge van de toeristen met hun rolkoffertjes niet goed gaat met de Haarlemmerstraat, maar ik loop er graag.

Toen ik binnenkwam bij Jan van Egidius, of is het Egidius van Jan, zag ik tussen de kunst en de kunstboeken tot mijn verbazing een dienblad met potjes honing staan. “Gaat het wel goed met je?” zei ik.

Jan grinnikte. “Het is wel Haarlemmerstraathoning,” zei hij, “en dat niet alleen, het is de laatste Haarlemmerstraathoning. We hadden altijd honing van de kastanjes op de Herenmarkt. Toen werd het honing van de linden op de Noordermarkt en nu is het ­afgelopen. De imker moest zijn huis uit en hij heeft zijn bijen meegenomen.”

Toen ik wegging kreeg een potje honing mee. Lekker met een bijsmaak.

Met het treinbaantje mee fietste ik in de richting van het Haarlemmermeerstation. De tuintjes langs de Schinkel lagen er paradijselijk bij. De appelen aan de appelbomen kleurden en de helianten stonden roerloos in het zonnetje. Een klein bootje tufte door het water.

Als mijn vader en moeder en ik met het treintje naar Aalsmeer gingen, kwamen wij van de andere kant. Hun fietsen zetten mijn ­ouders dan in de stalling tegenover de Gé van Génis.

Op een dag zag ik achter de tralies de schim van een man. Plotseling drong het tot me door dat hij daar gevangen zat, dat hij niet weg kon.

De ­gedachte maakte mij ernstig van streek. Mijn moeder probeerde me gerust te stellen door te zeggen dat het niet kon, dat ik een man ­gezien had. Maar toch was het zo.

De gevangenis is geen gevangenis meer, maar van de gedachte aan iemand die opgesloten zit, raak ik nog altijd overstuur.

Omdat ik het volmaakte eierrekje waarover ik enige tijd geleden berichtte nog een keer wou zien, streek ik neer op het terras van ­café Bos op de hoek van de Vaartstraat.

Voor de deur ligt een klein stukje rails. zag ik, en de klok van de Sint Agneskerk staat nog steeds op kwart voor drie. Toen ik naar binnenging om het eierrekje te bekijken, bleken de eieren in een rieten mandje te liggen.

Na mijn Klein gelukje waren de klanten plotseling aandacht aan het rekje gaan schenken. Ze tilden het op en bekeken de onderkant. En op een dag was het weg, pleite, verdwenen, kwijt.

Maar zo zijn we niet getrouwd. Breng dat eierrekje terug, eierrekjesdief, en wel nu, want anders ben je er gloeiend bij en ga je naar de Gé van Génis.

Als de grote pauze kwam, gingen wij niet zoals de andere leerlingen van het Spinoza naar de kantine, maar liepen we naar het ­water waar we onze boterhammen aan de meeuwen voerden.

Als dat karwei geklaard was, staken we het betonnen bruggetje over en liepen de Achillesstraat in tot de Tuyll van Serooskerkenweg. Daar, op de hoek met de Agamemnonstraat, zat de sigarenwinkel waar we ons halve pakje Golden Fiction kochten.

De sigarenboer vertelde iedere dag een mop. In ons portiek een eindje verderop staken we op en begonnen aan ons eindeloze gesprek over niets.

We waren altijd met zijn drieën, mijn vriend en ik en Hannie die er eigenlijk niet bij hoorde, maar er wel bij was. Af en toe zei een van ons: “Hannie, vertel nog eens de mop van het potje vaseline,” en dat deed hij dan.

Het wonderlijke is dat ik me precies herinner hoe Hannie die ik me nauwelijks herinner de mop vertelde. Zoals ik me ook herinner hoe Eva die al zo lang dood is de mop van de drie saxofonisten vertelde.

Dat was in een al lang verdwenen pijpenla van een café aan het Damrak, waar zij, toen al, bekend stond als ‘colaatje pils’. Ik meen dat het café Andries heette en ­tevens slijterij was.

Vreemd hoe een mop het verleden terug kan brengen. In hetzelfde café vertelde Eva, die als gids op een rondvaartboot werkte, hoe ze aan het einde van de reis de toeristen de fooi uit de zak klopte.

“If you’re ­satisfied,” zei ze, terwijl ze en gulden liet zien, “you give a guilder.” Waarna ze een rijksdaalder toonde met de woorden: “And if you’re very satisfied, you give a big guilder.”

Terwijl ik over de Ruysdaelkade langs de meisjes liep, moest ik denken aan de vriend die hier lang geleden met zijn zevenjarige kleindochter voorbij fietste. “Hé,” zei zij ineens, “daar staat een blote mevrouw.”

Mijn vriend probeerde nog mooi weer, maar kleindochter liet zich niet in het riet sturen en wilde van haar grootvader weten wat die blote mevrouw daar deed.

Zijn antwoord verdient een hoge notering op de daden-van- goed-grootouderschap top tien. “Er zijn mannen,” zei hij, “die geen vrouw hebben. Maar mannen die alleen zijn willen ook wel eens geknuffeld worden. En dan gaan ze naar zo’n mevrouw, om zich te laten knuffelen.” Iedereen blij, ik ook.

Bij de kapper had Alies uit Emmeloord die onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat een hooggeleerde kennis onder haar blauwe lakentje. Ze was bezig hem een verhaal te vertellen over een Surinamer die op nieuwe schoenen in vijf dagen de Vierdaagse had gelopen, waarbij ze regelmatig een imitatie van de Surinamer in kwestie ten gehore bracht.

Oei, dacht ik. Ze had kennelijk gehoord wat ik dacht, want ik zat nog niet in de stoel of ze vertelde dat haar vader Surinamer was en dat ze het zich daarom kon veroorloven Surinamers te imiteren.

Vervolgens begon ze over een verhaal over de kippen van de buren. Haar vader had vaak aangeboden de kippen te kortwieken, maar dat wilde de buurvrouw niet. Met als gevolg dat de kippen voortdurend in hun tuin zaten, en daar ook eieren legden.

Eieren die de buurvrouw bij de moeder van Alies kwam opeisen. “Als ze door mijn tuin vliegen en in mijn tuin schijten, mag ik hun eieren in mijn pan gooien,” zei haar moeder dan.

Ik had eens een keer een ­afspraak met Maarten ­Asscher van de Athenaeum Boekhandel. Toen ik op de hoek van de Brouwersgracht op hem stond te wachten, zag ik hem al van verre de Keizersgracht afkomen. “Ik herkende je aan je tasje,” zei ik na onze begroeting. En zo was het.

De man die geheel in zichzelf besloten voor mij uit over de Prinsengracht liep, had O-benen die maar aan een persoon konden toebehoren. “Ik herkende je aan je O-benen,” zei ik terwijl ik in mijn remmen kneep.

De BN’er in de man probeerde nog even achter zijn zonnebril te verdwijnen, maar veranderde toen hij me herkende in zichzelf, een opmerkelijke transformatie. We namen plaats op het dichtstbijzijnde terras en hadden het over de dingen waarover je het zoal hebt als je elkaar een tijd niet hebt gesproken.

Een paar jaar terug ben ik een paar keer te gast geweest in DWDD, maar daar moet Matthijs op de foto met zijn fans en heeft hij geen tijd voor praatjes.

We haalden herinneringen op aan de aan de avond in Zaal Tamboer waar ik De Glazen School had voorgelezen, een lang gedicht over de kinderen met wie ik in de zesde klas van de lagere school heb gezeten, en aan het bezoek aan mijn geboortehuis in de ­Esmoreitstraat dat erop gevolgd was.

Daarna ging het gewoon over de dood. Over Martin Bril die de laatste keer dat Matthijs hem zag een witte baard had gehad. “Dat was drie dagen voor zijn dood,” zei Matthijs.

Die drie laatste dagen stonden Brils stukjes op de voorpagina van de Volkskrant. Als de koortsdromen van een stervende. Even ­ondoorgrondelijk als betekenisvol.

Overal in de stad zie ik weer grote samenscholingen van kinderen, vooral bij schoolgebouwen, bij het Amsterdams, bij het Spinoza, het Montessori, het Fons Vitae, Gerrit van der Veen. De kinderen zien er allemaal fris gewassen en gestreken uit en ze kwetteren er vrolijk op los.

“Waar ga je heen vandaag?” zei mijn geliefde toen ik de deur uitging. “Waar mijn fiets mij brengen zal,” had ik plechtig geantwoord en nu stond ik op een fietspad bij de Johannes Vermeerstraat te kijken naar de eindeloze stoet scholieren die voorbij kwam. Het waren er zoveel dat het ganse raderwerk ontwricht leek te worden.

Zal ik ze achterna fietsen, dacht ik, maar bij de Jan Luijken besloot ik toch rechtsaf te gaan. Over de Prinsengracht ging het naar de Magere Brug en de Nieuwe Kerkstraat in. En zo bracht mijn fiets me naar het Roeterseiland, waar het overal Nieuwe Achtergracht bleek te heten. Moest je daar vroeger niet heen om doorgelicht te worden?

Het was een drukte van belang op het eiland. Overal fietsen en scooters en studenten. Geen volwassene te zien. Het is het eiland van de jeugd. Bij het Crea Café stond een jongen in een hesje het verkeer te regelen, het terras aan het water zat vol, een meisje viel van haar fiets en ik zweefde van brug naar brug over het water, tot ik ineens op de Plantage Muidergracht stond.

Het geroezemoes dat van het eiland kwam, dreef door de straat, maar verder was het doodstil. De dichter Adriaan Morriën woonde hier indertijd. Mijn eerste stukjes voor de krant moest ik bij hem thuis inleveren. Zou ik het huis nog herkennen, vroeg ik me af? Langzaam fietste ik richting Hortus.

In de stad gebeurt altijd van alles, behalve als er niks ­gebeurt. Is het erg als er niks gebeurt? Nee, dat is niet erg. Het was een lome zomerse dag en het zonlicht trok al strepen.

In het Oosterpark zaten de jongelui in kringen in het gras met elkaar te praten en kwam mij over een van de paden een piepklein meisje tegemoet dat een piepklein gazen rokje droeg en met haar kleine voetjes reuzenstappen maakte.

Twee donkere jongens zaten op een bankje bier te drinken uit een fles. Verder gebeurde er niets.

Ik liet het park achter me, stak de Linnaeusstraat over en reed de Eerste van Swindenstraat in. Lekker roezige straat. Door de overloop van de Dappermarkt, denk ik. In de Javastraat is het meteen een stuk rustiger.

Wegens honger en dorst streek ik neer op het terras van Bar Basquiat, schuin tegenover Lale Kasabi, een slager met een groentenwinkel voor de deur. Basquiat beloofde ‘Vietnamese streetfoot’ en ‘Pho’, maar daarvoor was ik een half uur te vroeg en dus werden het vega loempiaatjes, ook lekker.

Na de loempiaatjes fietste ik over de J.M. van der Meijlaan waar te midden van niets een grote gele snackkar stond. Aan een tafeltje onder een parasol at een man een ijsje.

Op de Zeeburgerkade reed ik langs het haventje aan de ene kant en langs de gietijzeren overkapping, waarvan de delen de namen van de dagen van de week dragen aan de andere.

Het blauwe pontje aan het Azartplein was net weg. Voor Loods 6 lieten twee meisjes zich langs een laddertje in het IJ zakken. Af en toe kwamen ze het water uit om op hun telefoon te kijken, maar verder gebeurde er niets.

Een van de mooiste wandelpaden van de stad loopt over de Nassau­kade langs de Singelgracht. Ik zie er zelden iemand lopen en toch is het pad door mensenvoeten gemaakt.

Als ik met mijn grootmoeder die op de Rozengracht boven de brandweer woonde naar oom Cees en tante Fietje ging die tegenover een jachthaventje op de Marnixkade woonden, gingen we bij de Nassaukade rechtsaf. Het pad was daar maar een paar decimeter breed, en dat is nog steeds zo.

Je loopt vlak langs het water en onder de bomen. Door het water gaan bootjes, eenden, zwanen. In de verte staat de Westertoren. Het pad loopt helemaal tot aan de Willemsbrug, maar wij verlieten het ter hoogte van het Marnixplein.

Daar aangekomen, zei mijn grootmoeder: “Hier hebben we voor de oorlog nog gewoond, in een huis met centrale verwarming, maar je grootvader ging er dood. Hij moest terug naar de Rozengracht.”

De vader van mijn grootvader was 97 toen hij in verband met een verbouwinkje een week zijn huis aan de Ringvaart uit moest. “Dan ga ik dood,” zei hij, en dat deed hij ook. Het is wonderlijk hoe mensen kunnen vergroeien met het huis waarin ze wonen.

Voor mijn grootvader was zijn woning aan de ­Rozengracht de beste plaats op aarde. Hij kon hele blocnotes vullen met zijn zwierig geschreven naam en zijn adres daaronder: C.J. Wesselius/ Rozengracht 432’’’/ Amsterdam (C).

Maar toen hij het huis moest verlaten omdat hij de trap niet meer op kon, ging hij niet dood, maar verhuisden mijn oma en hij naar een huisje in de Louis Bouwmeesterstraat in Nieuw-West, waar hij het nog jaren druk had met het scherp opvouwen van de kranten.

Geluk is als je een tientje vindt, maar spijt? Als ik de Ferdinand Bolstraat uit fiets en dat kan weer sinds kort, komt onvermijdelijk het ogenblik dat ik de Singelgracht in beeld krijg.

Daar, zo ter hoogte van de Heineken Brouwerij lag toen de Heineken nog een Brouwerij was het bootje naar ’t Kalfje. Het was een rank scheepje, met een dakterras als ik me goed herinner.“

Zo’n leuk tochtje,” zei mijn moeder vaak, “moet je eens doen.” Maar ik deed het niet, zoals ook nooit het bootje naar Schellingwou heb genomen, of het schip naar Avifauna.

In de tijd van de nachtconcerten in Amsterdam, zo eind jaren vijftig, begin jaren zestig, kwamen ­alle jazzgrootheden naar de stad, Louis Armstrong, Count Basie, Duke Ellington, Dizzy Gillespie, Ella Fitzgerald, maar ik heb ze niet gezien en niet gehoord. Niet ­omdat ik geen kaartje had kunnen kopen, maar omdat ik niet wou.

Ik was zo verschrikkelijk recht in de leer dat ik Dizzy Gillespie niet wilde zien omdat hij samen met Louis Armstrong speelde, en die zong, o gruwel, wel eens liedjes in een zangfilm. Met types als Bing Crosby, om het nog erger te maken.

Als we naar, ik noem maar wat, Sonny Rollins gingen en Teddy Wilson en Gene Krupa zaten in het voorprogramma, dan zaten wij het voorprogramma uit in de foyer. Ik denk vaak, en met groot plezier terug aan de concerten die ik heb bijgewoond, maar als ik denk aan wie ik allemaal had kunnen zien, voel ik schaamte en spijt.

Ja, in zijn jonge jaren haalde Guus vele stomme streken uit.

Ik had een stuk De Witten­kade genomen, was toen de Tweede Nassaustraat in gegaan en kreeg zo ter hoogte van Checkpoint Charlie de Kattensloot in het vizier.

De Kattensloot is een ongehoorde bak water met aan weerskanten een Jacob Catskade. Mooie kade, de Jacob Catskade. Vernoemd zoals wij allen weten naar de dichter van ‘kind-eren zijn hinderen, zei Vader Cats’.

Langs de Kattensloot staan op zes glazen platen zes gedichten, maar Vader Cats is er gek genoeg niet bij. De gedichten zijn tien jaar geleden geplaatst, op 23 september 2007 om precies te zijn. Ik was erbij, en ik was niet weinig trots, want een van de gedichten is van mijn hand.

In die tien jaar was ik niet meer wezen kijken, maar nu was ik eens op inspectie gegaan. De andere vijf versjes langs de Kattensloot zag ik in een oogopslag, Nijhoff, Van Deel, Van der Zee, Gerhardt en Campert sr. stonden er keurig bij, maar waar was ik? Geheel overwoekerd door een vlinderstruik, zo bleek en dat beviel me wel.

Twintig minuten later stond ik in de Jan van Galenstraat voor de Beltbrug naar de passerende ­jachten te kijken. “Die hebben ze niet met werken verdiend,” dacht ik, mijn vader citerend.

“Die hebben ze niet met werken verdiend,” zei de man die naast me stond. Ik schoot in de lach. “Dat zei mijn vader altijd,” zei hij. “De mijne ook,” zei ik.

“U bent geen Amsterdammer?” zei ik op grond van zijn accent. “Ik kom uit Apeldoorn,” zei de man. “Ik ben,” declameerde ik, “geboren in Apeldoorn, en mijn zuster in Zierikzee.” “Dat is ook toevallig,” zei de man. “Nee, nee,” zei ik, ”het is een versje.” Maar dat was hem een brug te ver.

Waar je ook bent in de stad, overal zie je de reusachtige Waterpoort voorbij ­komen die in de Houthavens aan het verrijzen is. Als je de zaak echt goed wilt bekijken, kan ik het terras van het Volkskoffiehuis op de hoek van Spaarndammerstraat en Spaarndammerdijk aanraden. Komt u ook nog eens in een volkskoffiehuis, wat niet vaak meer zal gebeuren, want het is een uitstervend genre.

De Waterpoort is hoog, maar wordt nog twee keer zo hoog, is me verteld. Ik probeerde het me voor te stellen, maar het wou niet erg lukken. Zoals het me ook niet lukken wou de ingang van Zonnehoek te vinden. Ik fietste met de sloten mee die het volkstuinencomplex omringen en belandde tenslotte in een zanderige berm langs een onbestemde snelweg, die ik op moest om bij de ingang te komen.

Eenmaal binnen de poort bleek ik op de kruising te staan van Iris- en Dahlialaan. Bij de beukenhaag stond een bordje waarop ‘haagbeuk’ stond. Op het bordje bij de treurwilg stond ‘treurwilg’. Ik voelde me meteen thuis.

In de prachtige tuinen vol leverkruid en zonnehoeden, koeienogen, rubeckia en hier daar een dahlia, stonden piepkleine huisjes. Een vrouw die bij zo’n piepklein huisje hoorde, vertelde me in geuren en kleuren over de muizen, mollen, ratten en woelmuizen die haar en haar planten het leven zuur maakten, precies het soort verhalen dat ik graag hoor.

Een vrouw die even verderop het onkruid uit het grint van het pad stond te schoffelen, vertelde dat je in de huisjes niet mocht slapen. Om 8 uur moet iedereen weg zijn. “Maar,” zei ze erbij, “Zonnehoek mag niet meer op slot, want iedere Amsterdammer moet hier dag en nacht kunnen wandelen.”

Alles wordt steeds eenvoudiger en ­ingewikkelder tegelijk. De pinpas had ik inmiddels redelijk onder controle, maar nu hebben ze weer iets nieuws bedacht. Contactloos ­betalen heet het, en het vriendelijke meisje van het Vlaamsch Broodhuys op de Elandsgracht had het me uitgelegd. Ik moest mijn pinpas op haar masjientje leggen en ‘brrrr’ dan had ik betaald.

Van het Broodhuys begaf ik me naar Lindeman, waar ik het ­zojuist geleerde kunstje voor de tweede keer opvoerde. “Nee, nee, nee,” zei het vriendelijke meisje achter de kassa, “U moet uw pinpas tegen de zijkant leggen, kijk zo!” en verdomd, ‘brrrr’ en ik had betaald.

Nog enigszins beduusd stond ik even later in de felle zon naar de prachtige standbeelden te kijken die onze zangers van het levenslied eren, alsmede de weergaloze accordeon van Johnny Meijer. Ik hield van tante Leen, vooral als ze vergat dat ze van de Jordaan was en heel jazzy begon te klinken. Tante Leen had een café op de Nieuwendijk en als je maar lang genoeg bleef zitten, kwam soms het moment dat ze de microfoon pakte om te zingen.

Heerlijk ogenblik, al zong ze nooit wat jij wilde ­horen. Ik vroeg om ‘Harinkie, rolmopsie, spierinkie, bokkingkie’(‘Hij was een fijne knul/ en maakte altijd flauwekul/ in die mooie lentetijd/ had ik hem maar/ nu ben ik hem kwijt’, verder weet ik het niet, helaas), maar daar kon ze niet aan beginnen. Waarom eigenlijk niet, vraag ik me zoveel jaren later af.

Bij boekhandel Premsela wil ik het boek over Prévert dat ik gekocht heb contactloos betalen. Maar nee, zegt de vriendelijke man aan de kassa, dat gaat niet, daarvoor is het bedrag te hoog.

Georges Perec is van plan geweest een boek te schrijven waarin alle woorden van de Franse taal voorkomen. Het is er niet van gekomen. Mijn eigen niet ­gerealiseerde boeken zijn minder ambitieus: een boek over vergeten gebaren, een boek over pontjes, een boek over alle doden die ik heb gekend toen ze nog leefden, een boek over de papegaai in het algemeen en de papegaai in de letteren in het bijzonder.

Van deze projecten zitten hier en daar aantekeningen in schriftjes en computer, maar de papegaai houdt me nog steeds bezig. Zou het zijn omdat je hun gekrijs overal in de stad kunt horen? De eerste keer dat ik in het Vondelpark een papegaai zag, viel ik bijna van mijn fiets van verbazing. Toen ik erover schreef in de krant zei­ ­iedereen dat ik uit mijn nek lulde, maar inmiddels hebben de papegaaien mijn gelijk wel bewezen.

Een dezer dagen kreeg ik van ­iemand het boekje Mijn eigen ­dierentuin van Théophile Gautier cadeau, een uitgave van De Wilde Tomaat. In een van de verhalen vertelt Gautier dat hij de papegaai van een vriend te logeren krijgt. De kat des huizes kijkt een en ander een tijdje aan en besluit dan een aanval te ondernemen. Ze springt op de kooi en op dat moment roept de papegaai met zware stem: “Heb je al ontbeten, Jacques?”

Kat in de war en de papegaai vervolgt: “Met wat dan wel? Gebraad van vorst’lijk vel.” Waarop ie uitbarst in gezang: “Quand j’ai bu du vin clairet/ Tout tourne, tout tourne au cabaret.” Een papegaai naar mijn hart, zo een waarvoor je een boek over papegaaien zou gaan schrijven.

Het rinkelen van de bel kondigt aan dat de Wiegbrug opengaat en meteen zie je alle verkeer inhouden. De bomen komen al omlaag, maar een jongen op zo’n moderne doortrapper flitst er nog net onderdoor en trapt in ­razende vaart richting overkant, waar de bomen ook aan het dalen zijn.

Zal hij het halen of gaat zijn kop eraf? Al breiend volgen we het spektakel en er gaat een golf van opluchting door het snel aangezwollen publiek als hij het redt, dat was in de hoogtijdagen van de guillotine wel anders.

Iemand vertelt dat er laatst een fietser was die tegen de opengaande brug opreed en toen over het water naar de andere brughelft sprong. Zou het waar zijn, denk ik.

Inmiddels is om mij heen de grote verbroedering begonnen. De boten varen voorbij en iedereen praat met iedereen. “Waarom kijk je altijd zo saggerijnig,” zegt een man tegen een hoogblonde vrouw die inderdaad heel saggerijnig kijkt. “Zo kijk ik nu eenmaal,” zegt ze, “maar ik heb een hart van goud.”

Vroeger stond hier vaak een autobus in de vorm van een schip geparkeerd, herinner ik me te midden van het geroezemoes, de Flying Dutchman, of was het de Flying Enterprise.

De bel die aankondigde dat de brug weer dichtging maakte een einde aan het feest. Er klonk een applausje en na twintig minuten wachten ging een ieder tevreden zijns weegs.

Hoe anders was het in de tram die dezelfde dag op de halte bij de Heineken Experience tot stilstand kwam en daar twintig minuten bleef staan omdat zich almaar nieuwe toeristen meldden die een kaartje wilden dat ze een voor een met een tientje betaalden.

Tramoproer dreigde, helaas bleef het bij gemor.

Bij het stoplicht dat maar niet op groen wilde springen, stond ik lekker te zingen. La Jeanne zong ik, een lied van George Brassens, de druipsnor van wie er altijd bij werd gezegd dat zijn chansons heuse gedichten waren. “Chez Jeanne, la Jeanne…” zong ik. Waarom zing ik niet gewoon De vlieger, denk ik wel eens, of Pappie loop toch niet zo snel, is het om te laten horen dat ik niet van de straat ben?

Naast mij, voor hetzelfde stoplicht, stond een oude Indische dame. “U bent vrolijk,” zei ze. “Ik zing,” zei ik. “U kunt mooi zingen,” zei ze. “Dank u wel,” zei ik. “Een bariton.”

“Op school mocht ik tijdens de zangles niet meezingen, vanwege die bariton,” zei ik. “Zo gaat het altijd,” zei zij. “Maar nu haal ik de schade in,” zei ik, waarop het mannetje groen werd en we konden oversteken. “Blijven zingen,” zei ze nog.

Twee straten verder stond ik in een etalage naar een uitstalling van kleurpotloden te kijken toen een stofgrijze man de sleutel in een deur stak die me eerder niet was opgevallen.

“Nee,” zei hij ­nadat hij de deur had open ­gemaakt, “het belangrijkste eerst, eerst sigaretten, of nee, toch maar eerst douchen.” “Je lijkt Zwarte Piet wel,” zei ik. “We zijn verderop aan het slopen,” zei hij.

“We zijn met de plafonds bezig en dat is het altijd het ergste. Niks als tengel, en riet en stof. Ik kwam een keer uit mijn werk en ik had een afspraak met de kapper hier aan de overkant, maar toen hij me zag, zei hij: ‘Zullen we het maar verzetten?’ Nou ja, je moet wat doen voor de kost. En je spoelt het er zo weer af.”

De Chinese meisjes bij ons op school zagen er leuk uit en ze hadden mooie namen als Ki Ki en Mei Mei, maar ze zeiden nooit niks.

Omdat mijn vriend verliefd was op Shu Anni, een schoonheid uit een parallelklas, kenden we haar rooster uit ons hoofd, zodat we precies wisten uit welk lokaal ze tevoorschijn zou komen om zich naar de volgende les te begeven. In het voorbijgaan schonk ze mijn vriend weleens een giecheltje, maar daar bleef het bij.

Toen verzamelde hij al zijn moed en nodigden we haar uit voor een feest bij mij thuis. Ze zou komen, zei ze. Maar op de avond van het feest belde ze af. Het regende dus kon ze op de fiets niet komen. Dan neem je toch de tram, zeiden wij, maar dat kon niet, want ze wist niet hoe dat moest, ze had nog nooit in de tram gezeten.

Shu Anni woonde in een de reusachtige villa op de hoek van de Stadionweg en de Diepenbrockstraat. In de tuin staat een grote magnolia. Tot onze verbazing werden we op een dag uitgenodigd voor een feest in de villa. Terwijl mijn vriend een gesprek met Shu Anni uitprobeerde, gingen mijn vriendin en ik op zoek naar de ­afzondering waar we op dat ­moment zo ernstig behoefte aan hadden.

We openden een deur en betraden een kaal vertrek, waar op een matje een Chinees naar een kleuren-tv zat te kijken. En welke deur we daarna ook openden, erachter zat op een matje een Chinees naar een kleuren-tv te kijken. Tenslotte staken we daarom over naar het Beatrixpark en streken neer op het bankje vlak voorbij de ingang.

Als het er nog staat, loop ik er zo naartoe.

Het appartement in Ventimiglia waar wij onze vakantie doorbrachten, lag boven een schoenenwinkel. De weg naar buiten voerde door de schoenenwinkel, waar een jonge vrouw werkte die door mijn moeder meteen ­Gina was gedoopt. En niet zonder reden. Gina leek sprekend op Lollobrigida, dezelfde haren, dezelfde mond, dezelfde rondborstige vormen, maar dan niet op film, maar in het echt.

Een vervelende bijkomstigheid was dat Gina mij een leuk jongetje vond en dat liet blijken door me te zoenen. Jongens van elf willen niet gezoend, dus deed ik er alles aan om haar te ontlopen, maar merkwaardig genoeg lukte het haar iedere keer mij in haar armen te vangen, waarna ik haar, heftig tegenspartelend, een afdruk van haar roodgeverfde lippen op mijn wang liet drukken.

Gina van de schoenenwinkel aan de via Roma, hoe zou ik haar kunnen vergeten. In Ventimiglia scheen de zon en in het parkje bij het strand stond een kiosk waar ze ijs verkochten in bleke kleuren die van pistachegroen via chocoladebruin naar biggetjesroze liepen: cassata. We zaten onder een parasol aan een rond tafeltje en mijn vader en moeder dronken koffie uit kleine kopjes.

De politie in Ventimiglia droeg witte uniformen en de zwarthandelaren die op de benzinebonnen van de toeristen uit ­waren, droegen slappe hoeden en hadden altijd een opgerolde krant bij zich.

De laatste drie dagen van de vakantie waren we met ons drieën. In de schemering zaten we op het balkon en luisterden naar de langs-schichtende gierzwaluwen. Als het karretje dat asti spumante verkocht zijn roep liet ­horen, ging mijn vader naar beneden en haalde een fles die we met zijn drieën opdronken; mijn vader en moeder een glas, ik een heel klein glaasje.

Op de derde ochtend van onze zo avontuurlijke reis naar Ventimiglia beloofde mijn moeder de zee die ik alleen van de ansichtkaarten kende die mijn ouders me tijdens hun eerdere vakanties hadden opgestuurd. Of de zee net zo blauw was als op hun ansichtkaarten, wilde ik weten. Dat was ie, zei mijn moeder, ik zou het zo wel zien.

Ter hoogte van Grasse, waar de ‘neuzen’ woonden, zag ik de Middellandse zee voor het eerst, een streep azuur die twee bergkammen verbond en die niet alleen blauw maar ook groen was, het groen in het blauw verzonken.

Yves Klein zag dezelfde zee in die dagen en signeerde hem als zijn eerste blauwe monochroom.

In Nice reden we over de promenade des Anglais langs Negresco, waar ik later eens slapen zou, ­zoals ik mezelf beloofde en in Monte Carlo vertelde mijn moeder over de roulettetafels en het ‘rien ne va plus’ dat daar weerklonk, terwijl ik sprakeloos naar de smetteloze verkeersagenten onder hun witte tropenhelmen keek.

Toen we Ventimiglia binnen ­reden, zag ik overal kogelgaten in de muren van de huizen. Ik kon mijn ogen niet geloven, zoals ik ze ook wantrouwde toen we onze ­bagage naar het appartement brachten dat we gehuurd bleken te hebben. Het was groot met donkere schilderijen aan de wanden en overal wonderbaarlijke meubelen. Een balkon keek uit over de via Roma.

“Denk je dat het je hier zal bevallen?” zei mijn moeder. Ik knikte. En toen liepen we door een park naar zee waar tante Mies en haar gevolg al onder hun parasol zaten. Maar wat kon mij het bommen. Ik dook in de diepblauwe golven en zwom. Ik keek naar het blauw van de hemel en genoot.

In de middag van de tweede dag van onze reis van ­Amsterdam naar Ventimiglia waar we met vakantie gingen, bereikten we Lyon.

“Kijk,” zei mijn vader die de kaart opengevouwen voor zich had liggen, “je kan hier dus rechtdoor naar ­Valence, Orange en dan zo langs Aix-en-Provence naar Nice, maar we kunnen ook over Grenoble, Gap en Digne. Dat is een stuk korter. Zie je wel.”

Met de ruimte tussen duim en wijsvinger mat hij de afstanden van de beide routes op, en, inderdaad, er viel geen speld tussen te krijgen, de route via Gap was zeker de helft korter. En zo kwam het dat wij niet veel later op de Route Nationale 85 beter bekend als de Route Napoléon belandden.

De Route Napoléon bleek geheel ­opgetrokken uit haarspeldbochten die klommen dan wel daalden en opmerkelijk vaak langs ravijnen voerden van het type waar Wim van Est een paar jaar eerder met gele trui en al was ingevallen, waarna zijn hart stilstond maar zijn Pontiac nog liep.

“Ik ben misselijk, Jo,” zei mijn moeder. “Ik moet spugen.”

“Ik kan hier echt niet stoppen,” zei mijn vader. “Het is trouwens nog maar 42 kilometer naar Gap en dan zijn we al bijna op de helft.”

Maar achter elke berg bleek een nieuwe berg te liggen. Het was tien uur en al aardig donker toen mijn vader de handdoek in de ring gooide en na smeekbeden van mijn moeder terugreed naar het hotel waar we een half uur eerder langs waren gekomen.

Tweeënzestig jaar later vraag ik me nog altijd af of mijn vader echt dacht dat de Route Napoléon de kortste weg was. Ik heb zo mijn vermoedens.

Het was vier uur in de morgen toen wij, uitgezwaaid door buren die speciaal waren opgestaan om ons te zien vertrekken, in onze Volkswagen de straat uitreden.

Ik zat achterin naast de enorme tas die mijn moeder in de week die aan ons vertrek voorafging had gevuld met eindjes worst, gebraden kippenpoten, stukken kaas en kaas in plakjes, hardgekookte eieren, thermoskannen, een met thee en een met water, plakken chocola, zuurtjes, brood en broodjes, een broodplank, een broodmes en servetjes niet te vergeten. Ons kon niets gebeuren.

Over de verlaten wegen reden we met honderd kilometer in het uur naar het zuiden.

“Als we honderd rijden,” zei mijn vader, “rijden we gemiddeld zestig in het uur. Dat twaalf uur per dag maakt zevenhonderd kilometer. Morgenavond zijn we in Ventimielja.” Wij waren van Ventimielja, tante Mies zei Ventimieglia.

Vlak voor de Belgische grens maakte zich een euforische opwinding van mij meester, zo meteen was ik in het buitenland, het buitenland, wie kon me dat nazeggen, Loekie niet, Rob niet, en Fred en Hendrik-Jan al helemaal niet. Een stempel in mijn paspoort en er kwamen er meer. En vanavond sliepen we in een hotel!

Bij Longwy reden we Frankrijk binnen, waar ze Frans spraken, van ‘bonjour’ en ‘au revoir’, van ‘Pierre a un fusil’ en ‘la poupée est sage’, ik zat niet voor niks op Franse les. Mijn eerste hotel had bloemetjesbehang, prachtig, een waskom en een lampetkan, nog beter en natuurlijk zo’n heerlijke kuil in het matras.

“Ik ben gebroken,” zei mijn moeder toen we de volgende morgen aan de croissants en de café au lait zaten. “Niet zeuren, maar inpakken,” zei mijn vader. “Ventimielja is nog ver.”

Drie jaar achter elkaar ging ik naar de vakantiekolonie van de speeltuinvereniging Amsterdam-Zuid in Valkeveen, maar de derde keer was de rek eruit.

Op 23 juli 1954 stuurde ik een briefkaart naar mijn vader en moeder die in de Cercle Hollandais in Antibes verbleven.

‘Het weer,’ schreef ik, ‘is hier niet al te best maar vandaag ging het nog wel. De stemming is hier niet al te best, dus heb ik geen erge pretttige vacantie, en dus nooit meer, volgend jaar ga ik maar liever mee Uw weet zeker wel dat Wagtmans zins Dinsdag de trui kwijt is en 5de staat. En Nolten staat 7de. Het is wel jammer maar de postzegel heb ik al. De groeten van Guus.’

Wout Wagtmans had vier dagen in het geel gereden toen hij in de 12de etappe van Pau naar Luchon de doodsteek kreeg. Hij verloor twintig minuten en zou later opgeven. Louison Bobet won de Tour, Jan Nolte werd 14de. Tot zover de statistieken.

Ik ging weer naar school, naar de vijfde klas, waar ik vanaf dag een verwikkeld raakte in een loopgraven oorlog met de nieuwe onderwijzer. Thuis wachtte ik de berichten af van het vakantiefront.

“Je wilt echt niet meer naar Valkeveen?” zei mijn moeder hoopvol. Nee, en ook niet naar mijn opa en oma, ik wilde met mijn vader en moeder op vakantie, punt uit.

Ergens in het voorjaar kwam het goede nieuws, we gingen naar Italië, met de auto. Het slechte nieuws was, dat de verschrikkelijke tante Mies en haar man en hun slome zoontje en zijn oppas ook meegingen, maar evenzogoed, we gingen naar Italië, waar ze ook een Rivièra hadden, we gingen naar Ventimiglia.

Wat is de Jan Luijkenstraat toch een heerlijke straat. Een langgerekte oase van stilte die de altijd drukke Stadhouderskade met de Van Baerlestraat verbindt. Een oase met kinderstemmen bovendien, en dat is nog beter, want mooier dan kinderstemmen in de stilte is er niet.

Ik loop door de straat en geniet van zijn prachtige acacia’s aan weerszijden. Wie mij hier ziet gaan, zal allicht denken dat ik ­zomaar wat aan het flaneren ben en dat is ook zo, maar niet helemaal. Voor de Rijkspostspaarbank pak ik een tram die ik twee haltes later weer verlaat. Even later sta ik in de kar van Jan de Haringman, waar ik bij mevrouw Jan vier ­haringen bestel die Jan dan voor me gaat schoonmaken.

Voor de toonbank zit een al wat oudere man met een plastic vorkje iets te eten uit een plastic bakje. “Dit is toch gezond wat ik nu eet,” zegt hij op licht verongelijkte toon. “Vis is gezond, want vis is licht verteerbaar.”

Er komt een vrouw binnen die een broodje haring bestelt. Ze kijkt in de vitrine en zegt: “Maar jullie hebben wel gebakken vis. Ik dacht dat jullie dat niet verkochten. Ik zal het straks in de flat meteen vertellen.” “Woont u in een nieuwe flat?” zeg ik. “Nee,” zegt ze, “maar ik kom hier pas sinds onze visboer ermee opgehouden is.”

“Zwarthoed?” zeg ik. “Zwarthoed,” bevestigt de vrouw.

“Er blijft geen visboer meer over,” zegt de verongelijkte man, “terwijl vis hartstikke gezond is.”

Als mijn haringen schoon en ­ingepakt zijn, vervolg ik mijn weg die me ten slotte in een straat brengt met aan weerskanten acacia’s, net als in de Jan Luijkenstraat. Zo worden twee straten tot een lange allee.

Het terras van de Cotton Club is als het terras van alle cafés rond de Nieuwmarkt. Je zit lekker in de ruimte, je kijkt uit op Waag en Geldersekade, op de drukte van het plein en het leuke Brederodebeeld, waarop zijn Spaanschen Brabander een dame van lichte zeden probeert te kussen. Een lekker biertje erbij en mij kan niks gebeuren.

Maar na dat biertje wil ik toch naar binnen, naar de Cotton Club zoals hij was en nog altijd is, met een bar die geen einde lijkt te ­nemen, de spiegels en tafeltjes langs de wand, de pooltafel ­achterin en de plafondschilde-ringen niet te vergeten. Ik heb ­altijd gedacht dat ze uit de Cobratijd stammen en dat denk ik nog steeds.

Als ik omhoog kijk naar de bloedrode zon die daar schijnt, glip ik het verleden binnen en zie ik aan het einde van de bar Ome Frits zitten die alles in de gaten houdt. Er wordt gegokt en gerookt en uit de jukebox komt pikzwarte soul.

Het loopt tegen tienen als de sterke man binnenkomt. Hij is blind en wordt geleid door zijn zoontje, dat een jaar of dertien is. Hij heeft het bovenlijf ontbloot en laat zien wat sterke mannen zoal kunnen met een spanveer.

Nadat de jongen met de pet is rond ­gegaan, wordt aan de bar uitbundig muziek gemaakt met allerlei ­raspen en trommels. En Annie brengt me nog een biertje.

Juffrouw Annie, zoals ik haar noemde, was voor mij de Cotton Club, vijftig jaar lang. Ze overleed op haar tachtigste. Op de avond voor de begrafenis lag Annie opgebaard in een zaaltje achter het ­café. Ik zat aan de bar en wist ­nergens van.

Af en toe riep mijn moeder uit de keuken: “Dato katoffato atos klator!” Maar vaker zei ze: ­“Gatosjato gatot nator batodjato tato.”

Het schoot me te binnen toen ik Dik Trom en zijn dorpsgenoten las. Dik Trom en zijn dorpsgenoten las ik omdat ik eerder op de dag Uit het leven van Dik Trom had gelezen. Wat me ernstig ­tegenviel, terwijl ik me Dik Trom en zijn dorpsgenoten herinnerde als een meesterwerk.

Misschien heeft u het niet ­paraat, maar in Dorpsgenoten draait het om Nelly, Diks buurmeisje dat blind is en daarom niet kan zien. Al in het tweede hoofdstuk raakt Dik ons in de ziel door ongezien zijn worst, waar hij zo dol op is, op het bord van het arme meisje te schuiven.

Later zorgt hij ervoor dat ze mee mag op schoolreisje naar Wijk aan Zee. Aldaar wordt Dik gewezen op professor Donders uit Utrecht van wie Dik weet dat hij blinden vaak weer ziende maken kan. Dik neemt Nelly bij de hand en mee naar de beroemde geleerde tot wie hij de volgende woorden richt: “M’sr’r-profester, dit meisje is blind. Wilt u haar ook beter maken?”

Huilen!

Maar daar gaat het nu niet om, het gaat om de keer dat Dik de straat opgaat en dan ‘het eigenaardige geschreeuw (hoort) dat jongens soms met een hoge stem doen horen, als zij alleen over straat lopen’.

“Halloïo!” hoort Dik, “Diktrommio! Gajeméïo.” Het is zijn vriend Pitio van Drillio die hem roept. Dorpsgenoten is uit 1920, maar als Tim en ik elkaar zien, klinkt het “Timmio”!” en “Guussio!”

Mijn moeder sprak niet alleen dieventaal, maar ook een aardig woordje Omkeer. Als meisje geleerd, zoals alle jongens en meisjes vroeger dat deden.

Voor je het weet, kan het niet meer, ik doe het dus voor het te laat is. Maar eerst de nodige voorbereidingen, want deze expeditie kan even duren. Flesje water? Check. Boterham? Check. Potje met goede humeur? Check. Flesje met spraakwater, ja, ja, ja, nou, goede prijs dan!

Te voet begeef ik mij door het Vondelpark naar het beginpunt van de reis, de halte van lijn 1 richting stad op de hoek van Overtoom en Jan Pieter Heije. De tram moet van heel ver komen, het einde van de wereld zo ongeveer, dus dat ik een tijdje op de halte sta, verbaast me niet. Maar daar is ie, lijn 1 naar het Leidseplein, met die lekkere bocht bij het Leidse Bosje.

Op het Leideseplein stap ik over op lijn 2 richting Nieuw Sloten. Op naar het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk waar ik, niet vergeten uit te checken, uitstap en naar de halte van de 3 loop. Die er meteen aankomt. Ik heb dit altijd al eens willen doen, en ik moet zeggen, het valt niet tegen. Waar het plezier precies in zit, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval rij ik heel anders door de stad dan ik ooit gedaan heb.

Bij de Van Wou, u raadt het, is het weer overstappen geblazen, voor een lekker lang ritje met de 4, helemaal naar het Centraal Station. Ik ben nu twee uur onderweg en ik zou, overweeg ik als ik op de halte van de 5 sta, er snel een kunnen kopen, bij de Ster bijvoorbeeld, of de Flying Dutchman aan de overkant, waar ik nog nooit geweest ben. Maar gelukkig, daar is de 5 en ik weet waar die mij brengen zal.

Ik fietste door de Gerrit van der Veenstraatstraat toen ik werd ingehaald door een zwarte auto die zo’n 150 kilometer per uur leek te rijden. Hij was me nog niet voorbij of hij maakte voor het torentje van het Gerrit van der Veen College een draai naar de linker weghelft en stoof toen plankgas achteruit om in te parkeren. De jongen die de auto bestuurde, deed dat door met de palm van zijn hand in een cirkelbeweging over het hart van het stuur te draaien. Jongens van een zekere leeftijd kunnen dat.

Een paar auto’s verderop stond een bankje met drie meisjes, van wie er een opgestoken haar droeg en een gelukzalige glimlach had. De jongen in de auto is haar vriendje, dacht ik en omdat ik wilde weten of dat inderdaad zo was, stapte ik af en wendde voor de rozen in het perkje te bewonderen.

De jongen in de auto was haar vriendje. Alles bij het oude dus, al kwamen wij indertijd op de fiets om onze vriendinnen op te halen. Tien jaar eerder, in het begin van de jaren vijftig, stonden er geen jongens voor school en als er een feestje was en het was de bedoeling dat er gedanst werd, werden de jongens van Zeevaartschool in Den Helder uitgenodigd. “Want daar hadden ze weer geen meisjes,”schreef Esther Huisman me onlangs, “en dansen konden ze ook niet.”

Dat was voor mijn tijd, maar ik heb nog wel meegemaakt dat je om met een meisje naar een feest van de Breitner MMS te kunnen eerst een soort fatsoensexamen afleggen moest bij de directrice van de school. Ik slaagde, maar had na die ondervraging geen zin meer in het feestje, wat me door Elsbeth zeer kwalijk werd genomen.

Op het Azartplein, waar zoals iedereen weet Amphitrite op haar hippocampus uit een ­vijver oprijst terwijl zoonlief niet onverdienstelijk de hoorn bespeelt, keek ik naar het Lloyd Hotel.

Onlangs werd café Helmers in de Bilderdijkstraat gesloten en het aardige is dat het heropend weer café Helmers heet, met dezelfde letters op de ruit, maar anders van binnen. Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel.

Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer. Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken. De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt. Bij Ode Uitvaart staat een mobile in de zaak waaraan duizend vaantje hangen met de namen van 1000 mensen ‘waarvan Ode de uitvaart heeft begeleid,’ Harm, Jet. Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven.

Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden. “Ik zit hier met Guus in het café,” zegt hij tegen zijn telefoon, “Hij drinkt bier en ik drink thee.” Dan laat hij me het scherm zien en ja hoor, daar staat het: ‘Ik zit hier met Guus in het café, hij drinkt bier en ik 3D.’

‘Ik wou dat ik een stoel was in een dameskapsalon,” zingt Gwanazanger Amazigh Kateb. Desgevraagd zei Joséphine Baker toen haar schip vanuit New York vertrok, dat ze naar Europa ging in de hoop daar de ‘volmaakte pik’ te vinden. Sidney Bechet die ook aan boord was, zei later: “La nuit est une sorcière”, wat zich niet gemakkelijk vertalen laat.

Ik had eens een leuke vriendin met wie ik graag Lollipop zong, bij voorkeur op de fiets: “Lollipop, lollipop/ O lolli, lolli, lolli, lollipop,/ lollipop, o lolli, lolli, lolli, lollipop,” heerlijk lied waar we die zomer tussen het zoenen door maar geen genoeg van konden krijgen.

In de herfst van dat jaar, 1958 denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen. ­Bespottelijk, Sidney Bechet, van dat weeë Petite fleur, kon het ­erger?

Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten? in ieder geval was ze blij met een mooie herinnering aan haar moeder. En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman.

Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen.

Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water.

Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen. Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging.

Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet. Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen. Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren.

Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd.

Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot. Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde.

Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal. Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee. Tot helemaal benee.

Aan het pleintje dat ­Coöperatiehof heet, staat een elegant ­gebouw met aan de ­gevel een bord met de woorden ‘Welcome to Selmore, from a proud past to a promising future.’

In de tufstenen gevelversiering lees ik van ­boven naar beneden ‘leeszaal’.

De tijden veranderen. Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol. Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: ‘Van Buuren/ Amsterd. pionier volkshuisvesting/ Voorz. Verbouwmij Eigen woningen/ aangeboden door de leden Dec. 1936.’

De ­Amsterdamse School heerst in ­deze buurt met harde hand, de stenen golven als de golven van de zee van rimpelingen naar machtige brekers, je zou er duizelig van worden.

Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Ze zijn alle vier net zo scherp ­geschoren en geknipt als de vijfde jongen die naast mij plaatsneemt met de woorden ‘Ik kom naast u zitten’, een prima plan.

Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen.

De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd. Deze keer lach ik mee.

Vlak voorbij de ingang van de Markthallen ligt langs de Jan van Galenstraat een naamloos stukje water. Er liggen een paar mooie woonschepen en er staat een groot billboard waarop wordt beloofd dat ze binnenkort alles gaan verpesten met nieuwbouw.

Een elegant ijzeren bruggetje voor fietsers en wandelaars verbindt de twee oevers. Toen dat bruggetje er nog niet was, was er heel lang niks en daarvoor een pontje.

Alles bestaat. Zo sprak ik ­onlangs iemand wiens vader een handel in hondentrimartikelen dreef. Ook zijn er fabriekjes in ­leverpastei, maar het Groot ­Amsterdams Pontjes Boek bestaat niet, geloof ik.

Het pontje aan de Jan van Galen kan ik me nauwelijks herinneren. Dat zal komen doordat de oversteek nog geen minuut geduurd kan hebben. Het pontje waarmee je de Amstel overstak naar de ­Omval met zijn watertoren en zijn gashouder was van een andere ­categorie. In de bocht van de rivier waande je je op volle zee, wat ik leuk vond, met name omdat ik wist dat de oever nooit ver weg was.

Er was een pontje over de Schinkel, en verderop een pontje over de Nieuwe Meer en nog verderop een pontje over de Ringvaart. Over het Merwedekanaal bij Diemen ging het pontje aller pontjes, dat luisterde naar de naam Vadertje Langbeen.

Ik ben er eens wezen kijken met mijn vader. Vadertje Langbeen was een veerwagen of railpont en voer niet, maar reed, over rails op de bodem van het ­kanaal. De pont gleed over het ­water of hij met het water niet van doen had. En dan had je nog de pont transbordeur, een pontje dat over het water zweeft.

Alles bestaat. De hoogste tijd voor een boek over pontjes.

Zonder dat ik het in de ­gaten had, is er aan de schaduwzijde van het Rokin een lange eet- en drinkboulevard ontstaan met enorme eenheidsparasollen die zich slechts van elkaar onderscheiden door de naam van de zaak die ze drooghouden, Metropolitain, Tinner, café de Paris, het Groene Paleis. Het Groene Paleis? Was dat niet een bordeel? Ja, maar dat is lang geleden.

Een eindje verderop nadert Hudson’s Bay zijn voltooiing en Scheltema viert de zomer en zijn zomer­sellers door rijen strandstoelen neer te zetten. Wat me iedere keer verbaast, is dat het overal druk is. Aan de tafels onder de parasollen op het Rokin, bij de strandstoelen, bij Madama Tussaud, op de Dam.

Ik stak de Dam over en bereikte, behendig tussen de toeristen door manoeuvrerend, de Zoutsteeg. ­Iedere keer als ik de Zoutsteeg ­inloop voor een broodje haring, vraag ik me af of hij er nog wel zou zitten, de winkel die broodjes vis verkoopt. Maar gelukkig, daar zag ik de haringvlag al wapperen.

“Dat is lang geleden,” zei de man achter de toonbank. Hoe hij heet, weet ik niet en hij weet niet hoe ik heet, maar wij kennen elkaar zo’n veertig jaar. Hij kwam eens een middagje invallen voor een zieke maat en is toen gebleven, zoals die dingen gaan.

“Druk als een bejaarde,” zei ik bij wijze van excuus. “Ja, druk,” zei hij, “door al die toeristen. Ben jij antitoerist?” “Ik niet,” zei ik. “Ik ook niet,” zei hij. “Je moet gewoon geen haast hebben, en haast heb ik niet, nooit gehad. Bij mijn ­geboorte had ik al geen haast.” “Vandaar zeker dat je niks bent opgeschoten,” zei ik.

We waren het weer helemaal eens met elkaar.

We herinneren ons meer dan we ons denken te herinneren. Toen ik de herinneringen aan mijn eerste zes ­levensjaren in kaart bracht, bleek dat keer op keer. Het is een kwestie van geduld, ontdekte ik, maar heb je eenmaal een spoor dan zal de herinnering vroeg of laat boven komen drijven.

Deze keer ging het om autootjes. Ze moesten opgewonden met een sleuteltje, herinnerde ik me, maar er was meer. Reden ze op rails? Ik probeerde me de verpakking voor de geest te halen, het specifieke geluid dat ze maakten, maar het lukte niet.

Geduldig tuurde ik naar mijn dobber en ja hoor, uit de krochten van mijn geheugen kwam het woord naar boven, ‘Schuco’.

Petertje, het goedaardige zoontje van mijn verschrikkelijke tante Mies, had een speelkamer vol spullen. Hij had een tafelvoetbal en pingpongbatjes, bouwdozen die ik me herinner als een voorloper van playmobiel en een heuse Schucobaan.

Schuco’s reden over een kabel die je uit kon leggen in een landschap vol snelwegen, benzinepompen, spoorwegovergangen en wegrestaurants.

Op bezoek bij Petertje mocht ik helpen de baan uit te zetten, maar de Schuco’s met het sleuteltje opwinden en laten rijden mocht ik niet, van tante Mies, die mij daar veel te dom en onhandig voor vond.

Niet erg, want liever las ik Petertjes’ Kuifjes. Mijn favoriet was De Blauwe Lotus, waarin Kuifje Sjang Hai aandoet . Op mijn favoriete plaatje zat Kuifje in een riksja die getrokken werd door een Chinees.

Als ik in de Runstraat in een file ­terecht kom, sta ik plotseling ­ tegenover een fietstaxi waarin drie Chinezen zitten. Ik schiet in de lach, niet om de Chinezen, maar om het Kuifje dat de riksja trekt.

Waar ik heen ging, zeg ik niet, maar op de heenweg fietste ik langs de nieuwe gemeenteklok op de hoek van ­Stadionweg en Beethovenstraat. Ik dacht dat de gemeenteklok aan het verdwijnen was, maar hij is aan een glorieuze comeback­ ­begonnen.

Nooit eerder zag ik zo’n mooie gemeenteklok, of het moeten de klokken zijn geweest die Wim T. Schippers eens op het Rembrandtplein liet plaatsen en die allemaal een foute tijd aanwezen. Waar zijn ze gebleven trouwens, die klokken, en waar is de reusachtige blauwe stoel die hij in het Vondelpark neerzette?

De nieuwe gemeenteklok is elegant, slank, met een diep rood randje rondom en drie al even ­rode andreaskruisjes op de wijzerplaat. Ik kan niet wachten tot hij ook op andere plaatsen in de stad zijn gezicht laat zien.

Meestal zit het tegen, maar soms zit het mee. Zo blijkt dat het V&D gebouw aan het Rokin in het geheel niet gesloopt wordt, maar zich net als de gemeenteklok voorbereidt op een stralende terugkeer.

Tot zover de heenweg en nu ­terug. Langs de Internationale Beelden Route van ArtZuid. Ik rijd regelmatig langs de route en wat me opviel, is dat de bezoekers die met een routebeschrijving in de hand langs de beelden lopen het monument voor de gefusilleerde verzetsstrijders van Jan Havermans zonder uitzondering negeren.

Ze lopen er langs of het er niet staat. Dat maakt nieuwsgierig naar de routebeschrijving, en ­inderdaad, het beeld van Havermans staat niet op de kaart en is er dus ook niet.

Maar bij het Conservatorium Hotel, op de hoek van de Van Baerle en de Paulus Potterstraat, staat, ook in het kader van ArtZuid, een beeld van Cristóbal ­Gabarrón de stad flink op te ­fleuren.

De man stond op de hoek van de Frans Hals en de Quellijnstraat. Hij droeg een zwart pak en gele schoenen, er stak een witte bloem uit een knoopsgat en zijn overhemd was roze. Hij was bruin. Hij leek een beetje op Sammy ­Davis Jr., maar misschien kwam dat omdat hij aan het dansen was.

Hij verplaatste zijn voeten en draaide met zijn heupen, een tegel was hem genoeg. “We zijn hier niet in Turkije,” zong hij, “wij ­mogen homo zijn, wij mogen lesbisch zijn, we mogen zijn wie we zijn, want wij zijn niet in Turkije, wij zijn hier.” Toen was het uit en beende hij met driftige passen de Quellijnstraat in, richting Ferdinand Bol.

De avond tevoren had ik een lang vergeten boek over Eduard Jacobs in de boekenkast gevonden. Met stijgende verbazing had ik zijn liedjes gelezen over de Ruysdaelkade, de Ceintuurbaan, buurt YY: ‘Nu was ze zestien, wist genoeg,/ Haar moeder sloeg, als zij iets vroeg,/ Verkocht zichzelve, frank en vrij,/ In buurt YY.//Als zij dan thuis kwam met het geld,/ Sprak moeder, als ze ‘t had geteld:/ “Vroeger deed ik het en nou jij,/ In buurt YY”.’

Jacobs’ hoogtijdagen lagen aan het einde van de negentiende eeuw, in De Kuil, een souterrain op Quellijnstraat 64. Er was me nooit iets bijzonders opgevallen aan het adres en dus ging ik eens kijken. De nummers 60 tot en met 66 bleken in beslag genomen door een keurig schooltje.

Eens klonk hier ‘Wie zijn op weelde zo gesteld/dat niets te vuns is geeft het geld?/ De lellen./ Wie staan voor elke ontucht klaar,/ met mannen, vrouwen, altegaer?/ De lellen.’

Dat is lang geleden, maar er wordt nog gezongen in de Quellijnstraat.

Het was het weer van ‘hier en daar een bui’, waarover mijn vader dan opmerkte dat de bui altijd hier viel en nooit daar, waarna er iemand kwam die zei dat mijn vader zo leuk uit de hoek kon komen, zodat het stukje kon worden afgerond met ‘en je zou hem er zo weer intrappen.’ Helemaal gek werd ik ervan, en het gekke is dat ik het nu wel aardig vind.

Ik was de Rosmarijnsteeg ingelopen om eens te kijken hoe de ­zaken staan. Antiquariaat De Friedesche Molen bleek in de Haarbarbaar veranderd, waar een ­‘beard trim’ 15 euro bleek te kosten, een ‘cut’ 45, een ‘shave’ 30, terwijl de ‘combination’ 70 euro deed. Antiquariaat Straat heet nu Wind en ze verkopen horloges en jurken.

Maar Van Dishoeck in de Raamsteeg zit er nog, net als Brinkman op de hoek met het Singel. Het was droog en ik maakte van de gelegenheid gebruik om neer te strijken op het terras van Broodje Bert. Ik bestelde een broodje oude kaas en een koffie verkeerd die eenmaal op mijn tafeltje in een latte en een sandwich old cheese veranderd bleken. Een en ander smaakte er niet minder om.

Op de fiets naar huis begon het weer te motten. Zo’n regentje waarvoor fietsers hun paraplu ­opsteken, wat ze bij een stevige bui niet zullen doen. In der Vijzelstraat reed ik achter een moslima die een mij onbekend type hoofddoek droeg.

De Turkse doek herken ik, net als de Marokkaanse, de Indonesische en de Afrikaanse, maar deze had ik nog niet. Bij de Weteringschans hield het op met regenen. Het meisje zette haar ­capuchon af, en veranderde zo van een moslima in een ongelovige.

In het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis kwam de Kattenbak Centrale langs. Meteen klapte er een kattenluikje open waardoor het bijbehorende lied naar binnen glipte. Een paar dagen later zaten we in het Westerpark op een picknicklaken tussen de hapjes en de drankjes en maakte ik me op om het lied voor de aanwezigen ten gehore te brengen.

Ik hief de stemvork en daar ging ie: “Wij zijn de Kattenbak Centrale/ Wij komen vieze kattenbakken halen/ En schone kattenbakken brengen/ O, wat stinken ze die krengen!” Het gaat ook met ‘dan kunnen ze weer schijten die krengen’, maar mijn moeder had het altijd op ‘stinken’ gehouden en dat deed ik ook.

Toen ik uitgezongen was, nam een vriendin het over en zij zong: “Als nachtegalen zingen wij/steeds voor de tbc…” “Pardon?” zei ik. Bleek dat de Nachtegalen een koor was dat geld inzamelde om te helpen tbc de wereld uit te krijgen, vandaar dat wonderlijke ‘voor de tbc’.

“Wat zongen jullie nog meer?” vroeg ik, en meteen kwam de jukebox in werking. “Wij kinderen van Tromp en de Ruyter,” zong onze vriendin, “Wij jongens van Jan de Wit/ Wij eren voorwaar ook de snuiter/ Die hoog in de wolken zit/ Wij zijn trots op hem/ Onze KLM/ Die zijn vogels stuurt van Oost naar West.”

Vanaf de picknicklakens om ons heen klonk applaus, reden om nog een lied aan te heffen, dat echter na een regel stokte. Maar de moderne techniek bracht uitkomst en even later zong Gonda, met haar zusje op de speaker: “Ik maak een reuze fijne rit/ Op mijn vaders duo-zit, hadiejé, hadiejé, hadiejo/ Alles stuift verschrikt ­opzij/ Als wij vrolijk gaan voorbij, hadiejé, hadiejé, hadiejo!”

Nachtegalen.

Twee jaar geleden kocht mijn geliefde een ­ansichtkaart met de ­afbeelding van een eierrekje, zoals je die wel vindt op de bar van café’s waar de tijd iets langzamer gaat.

Zoutvaatje in het midden en aan weerskanten een ei, hardgekookt, hoewel je dat op de foto niet zien kunt natuurlijk. ‘Oeuf’ staat er op het kartonnetje dat aan het rekje hangt en daaronder ‘5 fr’.

Eddy Posthuma de Boer vertelde me eens over een Nederlander in zijn kennissenkring die al jaren in Frankrijk kampeert zonder ooit een woord Frans te hebben ­geleerd. Als hij eieren nodig heeft, gaat hij naar de boer en zegt: “siks oefs”.

“En wat gebeurt er dan?” wilde ik weten, want Fransen verstaan nooit niks. “Dan krijgt hij zes eieren,” zei Eddy. Ik was paf.

Sinds die foto wil mijn geliefde ook zo’n eierrekje, maar dat valt niet mee, want eierrekjes zijn schaars en als ze er al een vindt, voldoet het nooit aan de norm. Maar het perfecte eierrekje bleek wel degelijk te bestaan. Het stond op de bar van café Bos aan de Amstelveense weg.

Na enkele inleidende manoeuvres zei de barjuffrouw: “nou, doe maar een bod”, maar voor ik mijn prijs had kunnen noemen, trok ze haar aanbod in. “Ik denk toch dat je het met de baas moet bespreken,” zei ze.

Een paar weken later zaten we bij Sarphaat en dronk ik met uitzicht op het park een borrel uit het volmaakte borrelglaasje. “En hoeveel is het met dit glas erbij?” vroeg ik het vriendelijke meisje dat kwam afrekenen. “U bedoelt dat u het glas wilt kopen?” zei ze. Ik knikte.

“Ik denk niet dat het kan,” zei ze. “En zo,” sprak ik, “worden wij het pad der misdaad op gejaagd.”

Als mijn grootmoeder voor de volgende dag een afspraak met mijn moeder wilde maken, stuurde ze ’s morgens een briefkaart. Die werd ’s middags ­bezorgd en als mijn moeder meteen terugschreef had mijn grootmoeder haar antwoord met de avondpost. De volgende dag troffen ze elkaar dan zeg om half elf bij de Vami in de Kalverstraat, waar de dienstertjes een schortje droegen en een kapje in hun haar.

Vandaag de dag is een afspraak maken een stuk ingewikkelder, maar soms lukt het en zo kon het gebeuren dat mijn vriend en ik ­elkaar op een zonnige zaterdagmiddag troffen op het eindpunt van lijn 3 in Oost.

“Zullen we naar het Hoyerpad,” had hij een paar weken eerder geseind, en nu liepen we door de Indische buurt naar de Kramatweg, waar we net de ingang misten van het Jodenmanussie. Nou ja, dat kwam volgende keer dan wel. Langs de ­begraafplaats liepen we over de Zuiderzeeweg en de Zuider IJdijk naar de Oranjesluizen.

Ik heb deze wandeling vaak ­gemaakt, maar altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger die onbekend gebied betreedt. Alles lijkt nieuw iedere keer. Het smalle voetpad met uitzicht op IJ en Buiten-IJ, de skyline van de stad en de heerlijke sluizen, waar je zomaar over de sluisdeuren heen mag ­lopen en als er geschut wordt het water stromen ziet.

Als jongen van tien kwam ik hier voor het eerst. Er lijkt weinig veranderd. Maar het Hoyerpad was er toen nog niet en Hoyer leefde nog, in Nescio, die toen, meen ik, op de Linnaeushof woonde en er vaak op uit trok. Op 30 december 1953 noteerde hij: ‘Woensdag. Schitterende zon. Het schitterende ­Amsterdam.’

Op een dag vond ik in een bak van een antiquariaat dat ik met enige ­regelmaat bezoek een groot aantal dichtbundels, allemaal, zo ontdekte ik al snel, ­afkomstig uit de nalatenschap van de eens alom gevreesde poëziecriticus Rein Bloem, die zelf ook versjes schreef, maar dat, die dingen gebeuren, stelde niet veel voor.

Zo wist Rudy Kousbroek precies hoe je een roman moest schrijven. Hij heeft het Gerard Reve nog eens haarfijn uitgelegd, maar zelf kon hij het niet. Hij heeft zelfs nooit een boek geschreven, een boek ­bedoel ik, dat niet bestond uit eerder in de krant verschenen stukjes.

Hugo Brandt Corstius was wat dat betreft van hetzelfde laken een pak, maar dit alles geheel terzijde.

In de bak met nalatenschap van Rein Bloem trof ik onder meer Klein Voorspel, de debuutbundel van Hanny Michaelis, en Slechts de namen der grote drinkers leven voort van Riekus Waskowsky.

Van beide dichters heb ik het verzameld werk al jaren in de kast, die bundels hoefde ik dus niet te ­kopen, maar ik deed het lekker toch.

Toen ik weer thuis de bundels ­inkeek, gebeurde er iets merkwaardigs. Het was of de gedichten die ik las andere gedichten waren dan dezelfde gedichten in het verzameld werk. De verzen leken bevrijd, ze hadden zichzelf afgestoft en toonden zich vers als een fonkelende atalanta net uit zijn pop.

Sindsdien weet ik wat ik zoek in de boekenbakken van de stad, de bundels van Nijhoff, van Lucebert, van Van Ostaijen en in die bundels zoek ik de verzen die zich tot dan toe schuil hielden:

‘Zijn alle ­steden zo/ zijn zij alle zo/ zo zijn alle// Overal/ overal en nergens/ overal is nergens/overal’ (Paul van Ostaijen).

De kortste weg naar Theater Bellevue voert door de P.C. Hooft, waar we achter een groep toeristen terecht kwamen die zwalkend achter hun aanvoerder aan fietsten. “Sjanel!” wees de leider, “Koekkie! Armani!” Heel verfrissend.

Bij Bellevue zag het zwart van de familie van de kinderen van groep 8 van Montessorischool De Jordaan die voor ons hun afscheidsmusical gingen ­opvoeren.

Waar het hart van vol is… Laat me volstaan te zeggen dat het prachtig was. Er werd vol overgave gedanst, gezongen, geplaybackt en de grappen waren niet van de lucht, waarbij ik het hardst moest lachen om het jongetje dat in zijn rol van wiskundeleraar kwam zeggen dat Pythagoras was overleden.

Dat Anne Frank werd herdacht met een prachtig gezongen lied konden we ook zeer waarderen. Onze eigen kleindochter was een succès fou zoals u zult begrijpen, zoals u het ook niet zal verbazen dat de ontroerde grootouders het nauwelijks droog hielden.

“Je deed het geweldig,” zei ik toen ik haar na afloop omhelsde. “En jij ook,” zei ik tegen haar vriendin Silke. “Dank je wel,” zei Silke, “alleen deed ik niet mee. Ik zit nog in groep 7.”

Tijdens de nabespreking op het terras van het café van de Stadsschouwburg vertelde het nichtje van ons kleinkind dat zij tien jaar geleden in een toneelbewerking van Max Havelaar was beland en nooit had begrepen waaraan ze meedeed.

De grootmoeder van de andere kant bewaarde geen enkele herinnering aan een voorstelling en op de school van mijn vrouw deden ze niet aan dat soort frivoliteiten, een hand van de meester, dat was het. Zelf had ik in ons­ ­toneelstukje de rol van Pukkel gespeeld.

Na het afrekenen ging ik plassen. Het viel niet mee om het te vinden, maar voor het eerst heb ik transgender gepist.

Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje. Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo. Wat het wel zijn, weet ik niet.

Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw. En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken.

Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van 1959, na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen.

De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken.

Op mooie dagen in voorjaar en zomer kwamen wij met onze paraplu’s, in onze afgeknipte regenjassen en onder onze naar voren gekamde haren naar de Haarlemmerweg om naar Zandvoort te liften.

Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg.

Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden. Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg. Maar meegemaakt heb ik dat niet.

Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven. Wat vroeger God was, is nu de telefoon. Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter.

Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband. ­Onzichtbare krachten zijn het, heel duister allemaal, net als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.

Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit? Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje.

Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was. Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten.

Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: “U doet me aan iemand denken. U komt me bekend voor.” “Ik ben Gerard Cox,” zei Gerard Cox.

Waarop de man antwoordde: “Dat kan wel zijn, maar toch doet u me aan iemand denken.”

Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit. Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen.

Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar.

Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien. Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast. Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is.

En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen. Een theelepeltje, dacht ik. Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben.

Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan.

In oktober 1975 gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen.

Het werd Pride and Prejudice van Jane Austen in een Penguin uitgave met Henry Raeburns portret van Lady Colville op de cover. In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: ‘It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of good fortune, must be in want of a wife.’

Na deze bliksem­inslag van een eerste zin wist ik dat ik alles maar dan ook alles van Jane Austen lezen zou, romans, brieven, dagboeken, jeugdwerk, versjes, de hele mikmak. En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt. Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver.

Op 16 december 1975 werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver. Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli 1817, vandaag tweehonderd jaar geleden.

Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen.

Toen ik in 1976 enig misbaar maakte ­omdat ik het portret voor de tweede keer niet trof, zei de suppoost ‘een ogenblikje’, om tien minuten het portret in mijn ontroerde handen te drukken. “Mag ik haar meenemen?” zei ik nog, maar dat mocht niet.

Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt. In de tram laten staan.

Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald. Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk.

Maar zie, toen ik ’s avonds de 13 terug nam, stond op het achterbalkon mijn bonbonnetje op me te wachten.

Alle reden dus om thuis onder het motto ‘aan een boom zo vol geladen’ een glaasje in te tappen. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was.

Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten.

“Je proeft het verschil,” zei Dikke Willem opgetogen, terwijl hij nog eens bijschonk.

Maar die Keith Haring was weg en bleef weg. Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel. Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat.

Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg. Verdwenen onder een betimmering.

Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. “Laat me eruit,” zucht hij, “laat me eruit.”

‘En toen,’ schreef Presser in Ondergang, ‘was het ogenblik daar, waarop de eersten moesten vertrekken. De ­Engelsen zouden het Centraal Station in elkaar gooien. Zij kwamen niet. De spoorwegarbeiders zouden staken. Zij staakten niet. De invasie zou net op het laatste moment plaats hebben. Zij had niet plaats. De communisten zouden iedereen ontvoeren, die toch opkwam. Zij ontvoerden niemand.’

Het eerste ‘Jodentransport’ naar Westerbork vertrok, 75 jaar geleden, in de vroege morgen van woensdag 15 juli 1942 vanuit het Centraal Station naar Hooghalen. ‘We moesten lopen naar Westerbork,’ verklaarde Jozef Hony na de oorlog.

‘In Westerbork zijn wij maar een uur gebleven. We zijn wel geregistreerd en zijn toen doorgegaan met bestemming Auschwitz. Ons transport was zeer groot.’ Er werden die ochtend 1135 mensen naar Auschwitz gedeporteerd, van wie 217 kinderen.

Na de oorlog werden acht overlevenden geregistreerd. Je zou denken dat de hele stad in rep en roer was door de gebeurtenissen, maar niets is minder waar. Het leven ging zijn gang alsof er niets aan de hand was.

Heel opmerkelijk in dit verband is wat Hanny Michaelis schrijft in De Wereld Waar Ik Buiten Sta, het tweede deel van haar oorlogsdagboek: ‘Woensdagavond toen ik thuiskwam, vroegen pappie en mammie me direct of ik erg in angst had gezeten. Ik begreep niet wat ze bedoelden, en toen bleek, dat er een begin was gemaakt met het deporteren van Hollandse en Duitse Joden tussen 16 en 40 jaar.’

Een week later, op donderdag 23 juli 1942 werd Hanny Michaelis opgeroepen zich te melden voor transport naar Polen. Wie iets wil begrijpen van de gang van zaken rond oproep, deportatie, onderduik en de emoties die dit met zich meebracht, leze haar dagboek.

Ik ken iemand die al meer dan dertig jaar ieder oneven jaar een paar weken naar ­Venetië gaat. De laatste keer dat zijn vliegtuig vlak voor de landing over de stad vloog, keek de man de naast hem zat enige tijd naar beneden en formuleerde het toen zo: “Dat is in twee dagen wel bekeken.”

Zelf ging ik enige jaren geleden naar Tassos, een eiland dat je bereikt door in Kavalla de ferry te nemen. Ik herinner me dat ik op de voorplecht stond en de hoofdstad van het eiland snel dichterbij zag komen. Het leek of het stadje steeds kleiner werd. Acht dagen in zo’n dorp was misschien wat lang, bedacht ik, maar eenmaal ter plekke begon het stadje snel uit te dijen.

Een wandeling hier, een baaitje daar, een opgraving, aardbeien en kersen van de kar, het ­archeologisch museum, een pleintje met een restaurant waar ze de heerlijkste aubergie kroketjes verkochten, het kon niet op. Waar we allemaal niet geweest ­waren toen we weggingen.

Hoe beter je een stad kent, hoe groter hij wordt en hoe meer er te doen en te zien is. Voor ons ­Amsterdammers is Amsterdam de grootste stad van de wereld, de stad waar we nooit uitgekeken zullen raken. Al geschommeld op het dak van de A’DAM Toren? De Nieuwegang wel eens in gelopen? Biertje gedronken in de Wacht-­kamer 3e klasse in het Centraal Station? Zo’n elektrisch bootje ­gepakt om de Amstel af te varen? King Kong bekeken? Ik niet.

Wel was ik nog niet zo lang geleden voor het eerst van mijn leven in de Sint Nicolaaskerk. Vlak naast de basiliek bleek zich café Batavia te bevinden.

Het was een zomerse dag, zo’n stralende dag van zon, van wolken en een windje. Ik stond voor de Stadsboekhandel en wilde naar l’Affiche, café op de hoek van Jacob van Lennepstraat en Da Costakade, maar welke route ik moest nemen, stond me niet ­helder voor de geest.

Welke kant ik op moest was duidelijk en dus reed ik de Keizersgracht op en de Nieuwe Spiegelstraat uit tot de Spiegelgracht. Daar begon ik er zin aan te krijgen, want de Spiegelgracht heeft een heerlijke stille kant (met een leuke speelgoedwinkel) die bovendien uitkomt op een van mijn favoriete grachtjes, de Zieseniskade.

Er is een liedje over bomen die dromen hoog boven verkeer en bootjes die over het water gaan, net als weleer, volgens mij is dat hier. Overal om je heen heerst ­hedendaagse chaos, maar op de Zieseniskade is geen mens te bekennen.

Het is of we niet weten dat de kade bestaat.

Vlak voor de City blijk ik ineens op een voetgangerspad te rijden, maar bij de kruising met de Leidsestraat ben ik weer waar ik hoor te zijn.

In de Marnixstraat draai ik langs het huis met Emily Dickinsons To Make a Prairie (it takes a clover and one bee,/ One clover and a bee,/ And revery./ The revery alone will do,/If bees are few.) de Leidsekade op, L’Affiche heb ik nu in het vizier en ik weet dat ik bezig ben een prachtig nieuw ritje op de kaart te zetten.

Koekjesbrug over, stukje Nassaukade en dan de Jacob van Lennepkade op. Om de hoek wacht het terras van l’Affiche met zijn brug voor de deur en al dat water en in de verte, een brug verderop, als ­extraatje, de heerlijke schoorsteen van Tetterode.

Drummend kunstenaar Han Bennink (het is omgekeerd, maar dat gaat niet) vertelde me eens dat zijn broer en hij de ­zomers van hun jeugd altijd doorbrachten in de badplaats waar wij zo graag komen, omdat alles er is als vanouds alsmede mooi van ­lelijkheid.

Toen hun moeder was overleden besloten de broers haar as vanaf een van de strekdammen in zee te verstrooien. “Toen ik de urn omkeerde,” zei Bennink, “was er net een windvlaag en alle as woei over mijn schoenen. Nou, je weet hoe ik met mijn schoenen ben. Ik poets ze vaker dan mijn tanden.”

Bij de opening van ons seizoen, op het terras van ons favoriete strandpaviljoen, zei ik: “Er gaat zoveel water in de zee, zei de chimpansee,” zoals ik dat altijd doe bij de opening van het seizoen. Waarop de uitbaatster van het paviljoen aan ons tafeltje verscheen om te vertellen hoe blij ze was dat we er weer waren. Ze bleef nog even dralen. Om haar verhaal te vertellen, bleek.

Over een middelbaar echtpaar dat haar had verteld dat ze waren gekomen om de as van zijn moeder in zee te verstrooien. “Toen ze weg waren, zag ik dat ze een plastic tas hadden laten staan. Ik keek wat er in zat en ja hoor, moeder. Maar het verhaal is nog niet af, want twintig minuten later kwam iemand een kruisje brengen dat hij op het strand gevonden had. Een kruisje met twee jaartallen er op, verder niks. Ik heb het in de keuken gehangen.”

“Dan weet je,” zei ik, “waar je als het zover is mijn kruisje hangen mag.”

Helemaal aan het begin van de Schilderskade, daar waar de Amstel de stad in stroomt, staan op de brug twee huisjes. Ze zien eruit als de Turkse badhuisjes die je bij Turkse dorpen wel aantreft. Op het huisje aan de kant van de Jozef Israëlskade stond dat er hoogspanning in zat, op het andere huisje stond niets.

Ik had mijn weg al vervolgd toen ik nieuwsgierig werd. Terug dus. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten. Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas.

“Wat leuk,” zei ik.

Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop. “Hebben jullie een winkeltje?” zei ik. “Ze hebben een tattooshop,” zei hun vader.

Bleek dat Aike (6) en Anne (4) die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten. “Hoeveel kost het?” zei ik.

“Twintig cent,” zei Aike, “maar geen briefjes.” Ik koos een wereldbol in blauw.

“Het is een spannende dag vandaag,” zei de vader van de tattoo-shophouders. “Er staat al de hele dag een blote man op de kade, hij hangt als een hagedis tegen de muur. En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet.”

De buurman en zijn zoontje stapten van de fiets. “Stempels?” zei de buurman toen hij het deurwinkeltje zag. “Nee, nee,” zei ik, “een tattooshop.”

In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, was ik al een tijd niet geweest. Dat kwam doordat Rina zich niet meer achter de bar liet zien. Waarmee meteen de vraag rijst of je een café bezoekt voor het café of voor de barjuffrouw.

Staat er een man achter de bar, dan is de zaak wat mij betreft duidelijk. In café de Ster kwam ik voor het café, net als in de Schouw en de Broadway Bar. Maar als het om de Cotton Club gaat, wordt het al ingewikkelder.

Geweldig café, de Cotton Club, maar juffrouw Annie was ook niet mis. En ik denk niet dat ik zeven jaar in Emmelot was blijven hangen als Jossie en Marie er niet de scepter hadden gezwaaid.

Rina bleek weg geweest om van een kleinkind te bevallen. Maar nu was ze er weer en om het te vieren bood ik haar een colaatje pils aan. Twee pilsjes later raakte ik aan de praat met een Amsterdammer die vertelde dat hij vorig jaar in Kusadasi was geweest.

“Nou meneer,” zei hij, “het was verschrikkelijk. Het was er 45 graden in de schaduw, zodat we meteen de eerste dag al van top tot teen verbrand waren, als kreeften ­waren we, en het enige wat we toen nog konden doen, was op die kamer blijven, waar het ijskoud was, van de airco, zodat je de hele dag onder een dun dekentje op bed lag, terwijl er een enorme zandstorm stond, van dat dunne gemene zand dat in je eten gaat zitten, dat trouwens niet te eten was, ­Kusadasi, praat me er niet van. Nee, dit jaar ga ik lekker vissen. In Djémèn.”

Op de hoek van de ­Amstelveenseweg en de Laan der Hesperiden die vroeger Stadionplein heette als ik me niet vergis, zat een groot café waar het op de zondag heel druk was.

Het zal café Het Stadion of iets dergelijks hebben geheten. In het café werkte een oude ober die als je hem bij het afrekenen een fooitje gaf iets zei dat klonk als ‘ah-ag- tepiep-ah!’ Volgens insiders betekende het ‘dank u wel.’

De ober werd de chocolategrinder genoemd en we gingen er iets drinken om hem een fooi te kunnen geven en zijn ‘ah-ag-tepiep-ah! te kunnen horen. Nu zit er Mr. Sam met een leeuw voor de deur.

Het was een zomerse dag en een eindje verderop zat in de vensterbank die ze tot bank had omgetoverd een jonge vrouw half liggend een bord soep te lepelen. Ik keek naar het Olympisch Stadion en bedacht dat er inmiddels alweer een hele generatie is opgegroeid die denkt dat het stadion er altijd zo heeft uitgezien.

Een deel van de generatie stond op een veldje naast het stadion ­fanatiek een onduidelijke sport te beoefenen. Op de Jan Wilsbrug keken twee vrouwen vertederd naar een meerkoetennest vol jonge meerkoeten en vanaf de eilanden in de Schinkel woeien de zwemgeluiden me reeds tegemoet.

Tot voor kort loste je op als in zoutzuur als je in de Schinkel viel, maar nu is het weer zwemwater en op mooie dagen worden de eilandjes uitbundig bezet door kinderen tot een jaar of zestien die lachen, flirten, duwen, duiken, zonnen, zwemmen. Vorig jaar zag ik zes meisjes uit groep zeven hand in hand van de steiger springen. Nu zijn ze, nog even, van groep acht.

Ik liep over de kermis die net bezig was open te gaan. Langzaam schoven de rolluiken van de ­attracties omhoog en tevoorschijn kwam de kraam die er precies zo uitzag als toen hij gisteren dichtging.

De slager of de visboer moet zijn uitstalling elke morgen in de vitrines leggen, maar de kermisklant laat de pluchen beren en tijgers en grote roze honden ­gewoon hangen of op de toonbank staan en gaat de volgende middag verder waar hij gisteravond was gebleven.

Hoewel er nog geen muziek was, zaten de twee verveelde meisjes van de popcorn al op hun eerste klant te wachten. De griezelige slingermachine die naar de naam Booster luistert, draaide driftig oefenrondjes.

Alles ziet er anders uit op de kermis van tegenwoordig, maar veel is toch hetzelfde gebleven. De bordjes ‘kinderen altijd prijs’ en touwtje trekken, blikjes gooien, de happers niet te vergeten die er maar nooit in slagen het namaak doublé polshorloge te verschalken.

Een schiettent zag ik niet, maar er werden zuurstokken verkocht en nougat verkocht en er was een Oud Hollandse Oliebollenkraam. In het beginnersachtbaantje klonk het eerste gegil, en daar had je de muziek, kermismuziek!

De zweef is verdwenen, maar in de moderne variant zat een moeder met haar zoontje in een lichtblauwe olifant net zo opgetogen te kijken als wij dat deden met onze dochter in de draaimolen.

Toen ze zes was zou ze met alle geweld naar het Spookhuis. Wij in de rij, kaartje gekocht, in het wagentje gestapt en het Spookhuis binnen gereden, waar ze van het eerste de beste skelet zo verschrikkelijk schrok, dat ze nog maar een ding wou, weg van hier, naar huis.

Ze is als de Venus van Botticelli met dat verschil dat ze niet bloot op een schelp staat, maar op een bankje zit en schuine ogen heeft. Ik probeer een boek te ­lezen, een boek over het jongensgevoel en het eten van sinaasappels. Ik vind het boek veel beter dan ik het tweeënvijftig jaar geleden vond, maar toch kan ik mijn gedachten er niet bij houden.

Ze gaat gekleed in een soort vest dat bij elkaar wordt gehouden door een ceintuur en is een en al been. Als ze op haar telefoon kijkt, laat ze een besmuikte glimlach zien die soms overgaat in een brede glimlach, in een binnenpretje of een ingehouden lach.

Regelmatig doet ze haar haar achter oor of schikt ze haar pony. In haar linkeroorlel zit een zilveren oorbel waar ze af en toe aan draait, terwijl ze met haar tong iets tussen twee tanden vandaan probeert te krijgen. Ze is 23, besluit ik, en natuurlijk heeft ze allang gezien dat ik doe alsof ik lees, maar dat ik in werkelijkheid naar haar zit te kijken.

Ze slaat haar benen over elkaar en bekijkt haar ogen in de spiegel van haar telefoon. Met de buitenkant van haar gebogen wijsvinger veegt ze langs haar neusvleugels en dan haalt ze een wenkbrauwpotlood tevoorschijn. Als ze daarmee klaar is, volgt zo’n slakkenhuisjestang waarmee vrouwen iets aan hun wimpers sleutelen en dan een kwastje waarmee ze ­vederlicht haar wangen kwast.

Als ze haar lippen in de lippengloss gezet heeft, bergt ze alle spullen op en schudt haar pony.

‘Ze trok een pruillip,’ lees ik, ‘mulomeisjesogen, was een model van zichzelf, in de spiegel.’

Als ik opkijk, is ze verdwenen.

Wat ik al vreesde, blijkt waar. Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij. De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen. De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras.

Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen. Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik. Haar leuke zusje heette Vivian.

Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren. Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind. Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer.

Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen. Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was. Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan. En Prikkebeen.

Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: Frederik Hendrikplantsoen, Frederik Hendrikstraat, Hugo de Grootplein, Frederik Hendrikstraat, Bilderdijkstraat, Eerste Constantijn Huygensstraat, Van Baerlestraat, Roelof Hartplein, Roelof Hartstraat, Ceintuurbaan, Sarphatipark, Ceintuurbaan, een mooi ­rijtje.

We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet. Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de 24.

“Toen ik net de krant kocht,” zei mijn geliefde, “zei de krantenman dat ik zo’n mooie bloes aan had. ‘Wat heb jij een mooie bloes aan,’ zei hij, ‘die had je gisteren ook aan, of vergis ik me?’”

Naast ons zaten een jongeman en zijn hoogzwangere vriendin een lekkerbekje te eten. Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden. Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles.

In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen. “Er is nog een visje over,” zei haar vriend, “we zijn er niet aan geweest.” “Nou, dank je wel,” zei ik.

Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark. Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de 24. “Mooie bloes,” zei de vrouw die ons tegemoet kwam in het voorbijgaan.

Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger. In de zomers van mijn jonge jaren bewoonde mijn moeders hartsvriendin zo’n huisje. Wij gingen daar regelmatig op bezoek.

Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten. Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan. Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten.

Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw. “Ben je verdwaald?” zei ze. Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam. “Dat is zo lang geleden,” zei ik, “die heeft u niet gekend.”

Ik kom hier al 69 jaar,” zei de vrouw, “Ik ben hier geboren.” “Bos,” zei ik, “ze heette Ans Bos en ze was getrouwd met een politieman.”

“Er woonde hier wel een agent,” zei de vrouw, “maar die heette Vos.” Ans Vos, en de dochters heette Marian en Yvonne.

Omdat paviljoen Bosch aan de Nieuwe Meer op slot zat ging ik wat drinken bij café Bos, ‘sinds 1912’, op de hoek van Vaartstraat en Amstelveenseweg.

Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden. Tegen de kinderen zei ze altijd: “Ik ben de enige juf die ook meester is.”

Ik heb een vriend met een ­auto. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: “Als je denkt dat je mij in de ­maling kunt nemen, moet je toch vroeger opstaan, luilenbal!”

Ik verminder dan wat vaart, tot we op gelijke hoogte rijden, en trakteer hem op mijn riposte: “Heb ik wat je van aan, zakkenwasser die je bent.” “Je solliciteert,” roept hij dan. “O ja, en waarnaar dan wel?” ”Naar een pak op je flikkerij!” ”En wie dacht jij daar voor mee te brengen,” etcetera. Plezier verzekerd.

Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen. Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden.

“Het was een grapje,” riep ik, “een grapje, dat mag toch wel,” maar het was maar goed dat mijn vriend een auto had om zich uit de voeten te maken.

In de tram gaat het ook. “Ik vind dat je dat niet kan maken,” zegt mijn geliefde met iets te luide stem, waarop ze prompt ieders aandacht heeft. “Ach mens,” zeg ik, “hou toch je kop.” “Ja, schelden, dat kan je,” zegt ze, “nou je bekijkt het maar, ik stap uit.”

Terwijl mijn geliefde naar de uitgang beent, zegt de Afro-Nederlandse vrouw van Surinaamse afkomst met een kleurtje die alles met schrikogen heeft gevolgd: “Ik denk dat zij jou gaat zwaaien, zij gaat jou zwaaien, zal je zien.”

Als mijn geliefde vanaf de halte naar me zwaait, schenkt de vrouw mij een glunderende glimlach: “Zie je wel,” zegt ze. “Ik wist het. Ik wist dat zij jou zwaaien ging.”

Op brug 404 over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center.

In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen. Het tweede huisje op deze kant van de brug staat leeg, en aan de overkant, Amstelkade 148 A bevindt zich Pizzeria San Marco, ‘uw vertrouwde adres in Amsterdam’.

Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon.

Het geld voor zo’n bespanning heb ik nooit bij elkaar gekregen. Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al.

Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven.

Volgens de menukaart is de pizzabakker goed voor 23 verschillende pizza’s. Daar gaan we: Margherita, Capriosa, Napoli, Romana, Boromea, Americana, Cipolla, Paprika, Siciliana, Ananas, Calabresse, Vegetariana, 4 Stagioni, Tonno, Marinara, San Marco, Calzone, Amsterdam, Tropicana, Gorgonzola, 3 soorten kaas, Mozzerella, Hawai, hasta la vista.

Het was zo’n dag dat je het liefst in het halfduister van het café met een vriend een steentje gooien zou. Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen.

Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: “Elvis voor je,” niet tegen mij, maar tegen mijn vriend.

Ik denk dat we cola met jenever dronken, de cola in zo’n kannetje, naast het hoge glas waarin diepgevroren ijsblokjes tinkelende rondjes dreven. Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever.

Uit de juk box kwamen Be my ­baby van de Ronettes of Where did our love go van de Supremes, Dancing in the streets misschien van Martha & The Vandellas. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden.

“Dat is 18 min 9 plus 3, maakt een setje en uit,” zei hij af en toe, waarna ik een streepje zette op het bierviltje. Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen.

“We moeten straks even langs Cramm,” zei mijn vriend. Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn.

De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf. Plus dat geluk dus.

“Ik zal je uitleggen hoe het zit met het geluk,” zei mevrouw Parnassus. “De Surinamers zeggen: ‘Met zo’n halve cent heb je altijd iets van je voorouders bij je,’ en de Antillianen zeggen: ‘Met zo’n halve cent heb je altijd geld in je zak. Je kunt er niks voor kopen, maar het is toch geld’ – mooi hè?”

“Prachtig,” beaamde ik. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. “Zie je waar het is?” zei de Parnassusmevrouw. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds.

Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. “Maar er was ook een hoop narigheid,” zei de Parnassiaanse. Het viel niet te ontkennen.

Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. “Zorro!” riep ik geschrokken. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: “Die opa praat met me!”
Guus Luijters

Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend. Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Ik hield van Boer Biet en de Bietenbouwers, van Gait Jan Kruutmoes en van Bertus Bolknak, zoals anderen van de Beatles hielden of Bob Dylan.

Ter hoogte van Pampus zongen Lubbert en Drika hun grote hits, Bie mien op de boerderieje , waarin imitator Bertus Bolknak schapen, koeien, kippen en vrouwen imiteert, Zeg weet je dat ik trouwen ga en natuurlijk het onvergankelijke Lieve Frans ik schrijf je hier (‘op mijn paarse postpapier’) met de regels ‘Het is vanavond volle maan/ Ik heb mijn mooiste jurkje aan/ Ik zit hier bij mijn pa en moe/ Kom toch naar me toe!’

Onlangs zei een of andere wijsneus “Als ik zeg ‘Lubbert van Gortel’, wat zeg jij dan?” Dit dus. En ik zeg: “Als ik zeg ‘Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Rusland, Nederland, Engeland’, wat zegt u dan?”

Het gebouw van Vroom & Dreesman aan het Rokin heb ik altijd een van de mooiste gebouwen van de stad gevonden. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan.

Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt (de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan).

Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat.

Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner.

Dat zal schrikken zijn voor al die kunstbaarden (‘De artistieke Staalkaart wordt gepresenteerd door Wim Ibo met zijn artistieke staalbaard’) die daar al sinds mensenheugenis onder elkaar waren voor bier en biljart. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen.

Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij. Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt.

Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.

Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft. Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: ‘O wat een mooi pad!’

Dat pad heeft het wel erg getroffen met zichzelf, zou je kunnen denken, maar als je over het glinsterende water van de Schinkel kijkt en de trams in de remise aan de Vaartstraat aan de overkant met huilende geluiden heen en weer ziet rijden, is het duidelijk dat het pad recht van spreken heeft.

Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak. Aan de stadskant van het pad staan kamperfoelies, boterbloemen, vingerhoedskruiden en op een paal zo’n boekenhuisje.

De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg. Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. “Maar ik mag hier helemaal niet fietsen,” zei ik verontschuldigend. “Van mij wel,” zei hij.

“Het is hier mooi,” zei ik, ”woont u hier?” De man schudde zijn hoofd. “Ik werk hier,” zei hij. “En het is hier prachtig, maar het is niet alleen maar geluk. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig.”

Het volmaakte geluk bleek aan dit zo paradijselijk ogende pad inderdaad niet te vinden, want de snelweg kwam met razende vaart dichterbij. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname.

Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: “Hij is thuis, want, kijk, zijn fiets staat voor de deur.” Daar werd altijd om gelachen. Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren.

Maar afstappen? Dat nooit! en dus begin ik aan de klim en wacht op het ‘hup opa!’ of ‘zet hem op ouwe!’ maar het blijken lieve Italiaanse kinderen die mij stuk voor stuk bemoedigend toelachen. Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal.

In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt.

Bij de Tokoman (‘Tokoman/ meester van/ wok en pan’) op het Waterlooplein haal ik zo’n overheerlijk broodje heet rundvlees met zuur en saus, waarmee ik vervolgens op de Blauwbrug op een bankje ga zitten.

Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. ­Iemand zit te zonnen, een stel zit te zoenen, een man leest de krant, er worden sjieke broodjes gegeten en boterhammen met kaas uit een trommeltje, Amsterdammers en toeristen, samen aan de Amstel.

Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. “Een beetje Latijn misschien?” zei ik als voorbereiding op een opmerking over Constantijn Huygens die op zijn tweede Vergilius vertaalde, of was het Ovidius.

“Geen Latijn,” zei Job, “maar wel Grieks.” Mijn mond viel open van verbazing. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was.

Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat.

De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

Bij antiquariaat Metamorphose op de hoek met de Hendrik ­Jacobszstraat nam ik de bakken door en kocht voor een euro Karavaanreis door Zuid-Perzië van Maurits Wagenfoort uit 1926, een met prachtige foto’s geïllustreerd boek over een reis door het Perzië van het begin van de twintigste eeuw.

Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: ‘Bij afwezigheid kunt u het geld door de brievenbus doen of later komen afrekenen.’ Met veel plezier heb ik mijn euro door de brievenbus gegooid.

Als ik het goed heb begrepen, is het verschil dat een gang doodloopt en
een steeg niet (‘een naaimachine naait en een nietmachine niet’). De laatste keer dat ik zo’n doodlopende steeg betrad, had ik geen weet van gangen. Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht.

Het is uit 1933, toen het 20 cent kostte. De 25ste herziene en bijgewerkte druk is gedrukt door Drukkerij ‘Velox’ Quellijnstraat 80 b, telefoon 24207 en kostte nu een euro.

Fascinerende lectuur. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in 1933, maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat.

Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen.

Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht. Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen. De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op.

De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg. Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was.

Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten. De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën.

De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen. Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen.

Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte. Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend.

Bij de boekhandel kocht ik vijf cd’s, dit in verband met een verjaardag. “Zal ik ze apart inpakken?” zei de winkelmevrouw. “Als het niet te veel werk is,” zei ik. “Nee hoor,” zei ze en hup, daar ging ze aan de slag.

“U ziet,” zei ze, “ik heb dit meer gedaan.” Terwijl ik vol ontzag naar het inpakwerkzaamheden keek, vertelde ik haar over de man met de dozen. “Zo zie je nog eens wat ” zei ze. Hetgeen ik beaamde.

“Woensdag komt de nieuwe haring,” zei de visboer. “Volgens mij,” zei ik, “is het iedere dag nieuwe haring.” Maar dat was de visboer niet helemaal met mij mee eens.

Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte.

Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje.

Ik heb een vriend in Smilde. ‘Onze Man in Smilde’, noemen we hem. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: “Het is opmerkelijk dat het van Smilde naar Amsterdam maar een heel klein stukje is, terwijl het van Amsterdam naar Smilde een reis naar het einde van de wereld lijkt te zijn.” Of: “Als er twee Amsterdammers bij elkaar zitten, nou, berg je dan maar.”

Dit alles met het accent van de streek. Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. “We binne ghien Drenthen en we binne ghien Grunningers, we binne Zuudlaarders,” zeiden ze in Zuid-Laren. Of woorden van gelijke strekking.

Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen.

Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief.

Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor. Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn.

Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken.

Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad. Toen ik er voor het eerst kwam, zo’n vijfenveertig jaar geleden, was het een wildernis. De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er.

Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds 1962 is gesloten.

De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar. De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar.

Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit.

Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen.

Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. “Ons lukt het ook nooit,” zeg ik. “Mijn grootvader knipte ze gewoon af en zette ze op zolder, en in het voorjaar gingen ze weer bloeien.” “Ik denk,” zegt de tuinvrouw, “dat je vroeger betere geraniums had. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt.”

Over aangeharkte paden loop ik tussen de graven. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag.

Toen ik nog werkte – ’s morgens om 9 uur met busje 80 naar een buitenwijk van Haarlem, een mooi ritje dat me via de violist op het Bolwerk naar de Jan van Galen bracht, waar ik alle winkels scherp in de gaten hield, want ­iemand moest het doen, en dan fijn de Burgemeester De Vlugtlaan af totdat de bus plotseling de stad uitreed om mij twintig minuten later op een van God verlaten berm achter te laten, waarvandaan je in de verte het ­gebouw waar onze redactie zetelde al zien kon – ging ik na mijn werk altijd iets drinken.

Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam.

“Oude Cees gaat onder de krullen,” zei hij dan om de volgende ochtend om vijf uur wakker te worden en eerst de melkkoker leeg te drinken en vervolgens alle fijne vleeswaren soldaat te maken. Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café.

Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Bij de Schouw waren ze van de kleine misdaad, bij Westers werkte zo’n veel te schoon geboende barkeeper in een te wit overhemd en bij de Muizenval hadden ze een opgezette snoek achter de ruit en een bord ‘Hier geen rotzooi uit de fles/ maar echte sju de rans’.

Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken. Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar. “Gaan we zo goed voor het Amstelstation?” zei de man.

“Het Amstelstation is een eind weg,” zei ik. “Als u hier de hoek omgaat en oversteekt heb je daar de tramhalte. Met de 12 bent u er zo.”

“Nee, nee,” zei de vrouw, “we willen alleen maar weten of we de goede kant op gaan.”

Dat kon ik bevestigen. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. “Aan het einde van de straat rechtsaf, naar de Apollolaan, de brug over en dan helemaal rechtdoor,” zei ik.

Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd.

Stanley Brouwn, die in mei overleed, werd wereldberoemd door mensen aan wie hij de weg vroeg zo’n tekeningetje te laten maken, This way Brouwn heette zijn project. ‘Wie vraagt er nog ooit de weg?’ vroeg Sacha Bronwasser in haar necrologie van Brouwn.

Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden.

Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert. Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was. Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen.

Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht.

Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus. En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven.

Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus. Of een deur die altijd aan staat. Of niet op slot zit. Geen deur.

Ik wist dat er wc’s bestaan zonder deur. Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken.

In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten. Niemand lijkt er van op te kijken.

Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat.

Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten.

In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend. Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na.

In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd. ‘Ralstonnen’, heette dat.

Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd. Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat. Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Tijdelijk, werd er bij gezegd, maar dat is zo’n woord waarvan iedereen weet dat het precies het omgekeerde betekent.

Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route. Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier! Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust.

Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt. Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: ‘KWIJT!!!’ las ik, ­‘Jean Pierre!’ Van Herengracht 515. Gezien? Bel restaurant P. King.’

Dat de kat kwijt was, stemde me droevig, maar dat P. King hem terug wilde hebben, maakte me blij. Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant.

Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer. Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. Bij P.King ga ik binnenkort eens eten.

Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde. In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte. Als hij al roept, want ik schat dat hij zich zo’n jaar of vijftien niet meer had laten horen.

De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf. Maar vandaag niet.

Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Doodstil stond ik in de Pilotenstraat, vlakbij de Vliegtuigstraat dus en de Valscherm-kade en luisterde ik naar ’s koekoeks eenzang die zoals altijd een oeverloze weemoed vertolkte.

Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde.

Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. “Hoor,” zei mijn moeder. Niet ‘luister’, maar ‘hoor’. En ik hoorde, ‘Groen is ’t gras/ groen is ’t gras/ Onder mijne voeten// Heb verloren mijn beste vriend/ Zal hem zoeken moeten// Hé daar, plaatsgemaakt/ Voor de jonge dame// En de koekoek op het dak/ Zingt zijn lied op zijn gemak// O mijn lieve Augustijn/ Deze dame zal het zijn!’

Een melancholieker lied dan dit kinderliedje bestaat niet. Wat er in deze regels precies gebeurt, is mij nooit duidelijk geworden, maar dood en verderf zijn alom tegenwoordig en de koekoek op zijn dak die het allemaal zo’n beetje aankijkt, lijkt weinig goeds te beloven.

Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen. Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets.

Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen. Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik.

Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen. Raadsel opgelost. Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn.

Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen. Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse.

Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan. Wat is dit, dacht ik. Een trend, een nieuwe rage, een club?

Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest.

Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil. Je hoort wel eens een kind op een blokfluit spelen en ’s morgens vroeg en ’s avonds laat hoor je de tram, maar dat is het dan.

Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst. Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat? Een bank? Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer?

Zelf produceer ik ’s morgens ­altijd een geluid, waarvan ik hoop dat onze buren zich al jaren afvragen wat het precies kan zijn. Wij hebben zo’n ouderwetse espressopot, waarvan je als je koffie wilt gaan zetten de filter eerst van de koffieprut van de vorige dag moet ontdoen.

Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan. Beng! “Daar heb je dat geluid weer,” zegt de buurman tegen zijn vrouw. “Wat zou dat toch zijn?” Tenminste, dat hoop ik. Ik heb het haar nog nooit gevraagd.

Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen. Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens.

Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen. Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen. Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt.

Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R.J. Gorré Mooses in zijn geruchtmakende ­interview met de schrijver, nam hij op met ‘Vereniging tot Grafbescherming en Herstel der Dodenkultus’. Als ik bij hem aanbelde, schoof hij het raam open en riep ‘Aan de deur wordt niet gekocht’ of ‘Oprotten!’, waarna hij de sleutels naar beneden gooide zodat je jezelf kon binnenlaten.

Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden.

Wat begint met ‘het zieke aapje N.’ leidt welhaast onafwendbaar naar het tafereel,waarin de schrijver zich voorstelt dat God zelf bij hem aanbelt ‘in de gedaante van een éénjarige muisgrijze Ezel’ die hij na ‘een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen (…) drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening (zou) ­bezitten.’

Boze christelijken en een proces wegens godslastering waren het gevolg. Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve (die in 1973 zijn voor- en achternaam veranderde), schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Nee, maar in mijn oeverloze ­archieven bevindt zich wel een in 1975 door Benno Premsela, Mies Bouhuys, Hans Baay en Mary Zeldenrust ondertekende kettingbrief naar aanleiding van vermeend racistische uitlatingen van Reve, waarin ‘kranten, radio en tv’ wordt aangespoord om als zij aandacht schenken aan de ‘milieu verontreinigende uitingen’ van Reve daarop ook duidelijk commentaar te geven. ‘Hoe meer van deze brieven naar de media worden gestuurd, hoe liever. Een ketting kan lang zijn.’

Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: “Kan jij je herinneren dat we vroeger op het plein altijd achter de meiden aan zaten?” zegt de ene man tegen de andere.

“Welzeker kan ik me dat herinneren,” zegt de andere man, “maar wat wilden we ook alweer van ze?”

Toen we uitgelachen waren, haalde ik de uit 1964 daterende ­catalogus van Lucebert-tekeningen op die ik een tijdje geleden bij Premsela gekocht had en fietste door de Van Baerlestraat naar huis.

Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus 172 bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in. Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden.

Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten. Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit 1958.

Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was. In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had. “Geschilderd.” “En?” zei de oude man. “Je hield van reizen. En van goede wijn.”

De oude man was even stil geweest en toen zei hij: “En van mooie vrouwen.”

Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik.

Met je vriendin schoenen kopen is geen pretje, maar met haar deed ik het graag en wel omdat het zo’n heerlijk voorspelbaar ritueel was. “Welke maat heb je?” zei de ­schoenenverkoopster, waarop de schoenenkoopster antwoordde met: “37 1/2.” “Heb je niet 38?” zei ik. “Ik zal toch zeker weten welke maat ik heb?” zei zij dan met een stem waarin irritatie doorklonk.

“Ze passen precies,” zei ze als ze een paar schoenen had gevonden die haar bevielen. “Precies mijn maat. 37 1/2. Net wat ik zei.”

“Zou je toch niet een half maatje groter proberen,” treiterde ik nog, maar nee, dat was niet nodig, waarop we tevreden huiswaarts gingen, zij het dat zij het om een andere ­reden was dan ik.

En ­­’s avonds de kroeg in, zij op haar nieuwe schoenen. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. ­­Als het echt niet meer ging, ­deden we pispotje en droegen mijn vriend en ik haar naar het volgende café. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter.

Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: het onmogelijke huwelijk van Gerard Reve en Hanny Michaelis van Ad Fransen, en dat wilde ik hebben. Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis. Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur. “Ze hebben ­geeneens uitverkoop gehouden,” klaagde mijn geliefde.

Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste.

De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt.

Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is. “Van mij mag het Centraal Station blijven,” verklaarde hij onlangs.

Een hele opluchting.

Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: “En die huizen in pasteltinten daar zijn van Rem Koolhaas.”

Verbijstering alom. Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker?

Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is.

Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Daarbij komt dat ik onder de ogen van zo’n gebouw niet durf te verliezen, dus ik win altijd.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht.

Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden. Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte.

Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte.

Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: ‘Zo, nu gaan we eerst een stukje eten.’ Ik geloof niet dat er nog ­iemand is die dat zegt. Een glaasje drinken, hoor je nog wel.

Ik zeg af en toe ‘boekje tonen’. Ik doe dat als eerbetoon aan de in 1969 overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet.

Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in 1964 meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: ‘Boekje tonen.’

‘Wake me up when I’m famous,’ staat op de gevel van een huis in de Frans Halsstraat. Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken.

Laatst zag ik een man die een selfie maakte voor een affiche van Carré met de woorden ‘Paul in Carré’. Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het. Hij heette Paul.

Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan.

Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat. Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond.

“Het is wel kort,” zei Alies, “maar het staat je goed. En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Als je niks zegt, kan je net zo goed ‘Knip maar kaal’ zeggen. Maar het staat je goed.”

Nadat de vrouw met haar zoon was vertrokken, keek Alies me nog een keer via de spiegel aan en zei toen dat ik sprekend leek op de man die wel eens een stukje over haar in de krant schreef. “Ik heb hem een keer gegoogled en u lijkt sprekend op hem.” “Ik beken,” zei ik.

Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde. “Mensen zeggen vaak tegen me dat ik sprekend op Hanneke Groenteman lijk,” zei ze. “En dan zeg ik: ‘Ja, dat hoor ik wel vaker.’”

De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn.

De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet. Of je in een parallel universum terecht bent gekomen.

Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger.

Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd.

De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte.

De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven.

Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien. “Wat is dat voor ding?” zei ik.

“Een spinner,” zei
de ene jongen. “Alstublieft,” zei de andere, terwijl hij mij zijn ­ma­sjientje overhandigde, “die is voor u.”

Even later liep ik spinnend door de nacht.

Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen.

Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is.

De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto. Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik.

Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos?

De straat die je van de J.M. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is.

Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit.

Mijn derde recent begonnen verzameling betreft foto’s die je aantreft op de plaats die op de foto te zien is. De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld.

De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade 105, waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld. Hij hangt op 8b in de etalage.

Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam.

Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht.

In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden.

De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram.

Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte.

Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen. Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom.

De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: ‘Gierzwaluw met te grote vleugels, die zijn vreugde/ zwenkt en krijst rondom het huis, zo is het hart.’

Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren.

Het is iedere dag ‘zo druk als de Kalverstraat op Koninginnedag’, zoals de uitdrukking eens luidde.

Als de uitdrukking werd gebruikt, volgde altijd het verhaal over het zogenaamde ‘burgemeesteren’, een geheimzinnig ritueel, waarbij een grote groep meiden een jongeman insloot die een paar tellen ­later poedelnaakt op straat stond: koninginnedag, dat je hossen mag!

Ik had een vriendin die geen ­‘koninginnedag’ kon zeggen. ­“Jelka, zeg eens koning.” ­“Koning,” zei Jelka. “Jelka, zeg eens ‘koningin’. “Koninging,” zei Jelka en zo werd koninginnedag tot koningingedag.

Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Niet bij de Steekneuzen, “ben je mal”, maar gewoon bij AMVJ, in het Bosplan.

Jelka had altijd een groepje aanbidders om zich heen en tegen mij zei ze vaak dat ik nodig eens iets aan mijn ­‘vocabulère’ moest doen.

Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel.

Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. “Jelka,” zei ik, “zeg eens ‘koningin’.” “Koninging,” zei ­Jelka.

Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal.

Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

De moeder van Manuel (11) vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon.

Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is.

De moeder van Nathan (6) vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York. Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg.

Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: “Kent iemand nog een goede mop.”

“Wat heb je,” zei Silke, ”als de je de r uit rookworst haalt?”

Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in 1999, op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken.

Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt.

Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër.

“Hij lijkt op de ­onderzeeër die in Noord ligt afgemeerd bij het KNSM-terrein,” zei ik. “Het is hem ook,” zei de schilderes. “Hij is gekocht door Maarten van Rossem.” “Goed nieuws,” zei ik, “want het gaat niet goed met die onderzeeër.”

Ik vertelde haar dat een ­inmiddels overleden columnist een tijdje terug een stuk had ­geschreven, waarin hij rijke mensen opriep geld te doneren ­zodat de onderzeeër opgeknapt kon worden.

Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair? Door zuinig te zijn.

En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar…

Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij.

Mijn Donald Duck-lach is anders dan mijn Dirk-Jan-gniffel en om Heinz lach ik ­anders dan om Hein de Kort.

Zelf ben ik me van die verschillen niet bewust, maar mijn geliefde onderscheidt ze zoals eskimo’s hun drieënzeventig soorten sneeuw uit elkaar houden en bedoeïnen verschil maken tussen kamelen die door een zandstorm lopen en kamelen in de regen.

“Wat lees je?” zei ze laatst toen ik tijdens mijn lectuur in een daverende lach schoot. “Bulletje en Bonestaak,” zei ik. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben.

Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. ­Opgestuurd door iemand die zijn zolder aan het opruimen was en mij eens over Bulletje en Bonestaak gehoord had.

Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A.M. de Jong en van de wonderbaarlijke tekeningen van George van Raemdonck.

Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen.

Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Ik wist zelfs nog wat ‘zullie vis’ in menseneters taal was: ‘vallimmekassie’.

Wat ik me afvraag: zag ik als kind dat Oude Hein een witte Dinsdag was en Dinsdag een zwarte Oude Hein?

Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten. Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds 1891.

In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan. Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden.

Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten. Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

‘Hologig zwerft hij door de stad/ de geest gespitst op kwartjes/ Hij wou dat hij een tientje had/ de flipperjunkie is op pad,’ schreven Henk Spaan en ik in die dagen. En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen.

Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen. Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had.

Tennisracket? Peddel? Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte. “Kom, schatje,” zei ze, “dan doen wij iets leuks met jouw peddel.”

Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje. Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok.

Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd. Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven.

Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen. Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes. De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal.

“Maar,” zei de man, “die heeft ie al zolang hij leeft, en ze is zes.”

“Hier heeft Tobi Rix nog gewoond,” zei Theo toen we door de Willem Beukelsstraat liepen. Zo kwam het dat even later in de Willem Beukelsstraat twee Amsterdamse mannen van zekere leeftijd ‘Malle vent ja, kom maar bij Rosa’ stonden te zingen.

“Jan Kal,” zei ik, “je weet wel, de dichter van duizend sonnetten, heeft nog een tijd verkering gehad met de dochter van Tobi Rix, die ook de dochter was van Tita Tovenaar, maar dat terzijde.”

Tobi Rix en zijn toeterix traden in die dagen veel op in Duitsland en Jan Kal heeft toen, op de wijs van ‘Ich bin von Kopf biss Fuss’ (auf Liebe eingestellt) van Marlene Dietrich deze tekst voor hem geschreven: ‘Das hier sind meine Huppen/das ist ja meine Welt/Ich bin von Kopf bis Fuss/auf Huppen eingestelt’.

Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend.

In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien. In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking.

Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien? Ik niet. Maar op foto’s waarop hij ons zijn rug laat zien, weet je het meteen, dat is Samuel Beckett. Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende.

Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen. Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Ik stak over en riep iets joligs als ‘Hé ouwe rukker!’ waarop hij zich omdraaide en in een nogal gepikeerde vreemdeling veranderde.

In Genootschap De Kikker van Edgar Wallace las ik vannacht over inspecteur Elk die ‘een wonderbaarlijk geheugen voor ruggen’ had.

"Sommige stegen zijn zo smal dat het lijkt of ze de stad in tweeën splijten,” schrijft Willem Zoetendaal in het nawoord bij het boekje Spleten in de stad, waarin door Breitner gemaakte foto’s en tekeningen van stegen staan afgebeeld.

Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren. Maar misschien ook niet.

Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken. In stegen valt altijd iets te beleven.

Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel.

Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé. Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons.

Ik zat bij ’t Monumentje tegenover café Nol, altijd lol, en naast café De Blaffende Vis, waar het ook goed toeven is. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer.

Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken. Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade.

“Hoe oud bent u?” vroeg de dochter met een accent dat een nog niet uitgesproken zachte g verraadde.

“Vijfentachtig,” zei de man.

De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. “Wat ziet u er jong uit!” riepen ze.
Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap.

“Wat drinkt u?” vroeg de moeder.

“Oude jenever,” zei de man.

“Heet dat dan een pikketanissie?” vroeg de dochter.

Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden.

Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde. “Die vrouwen denken geloof ik dat de hemel van Leidse kaas is,” zei hij tegen mij.

Ik schoot in de lach.

“Ik ben dronken,” vervolgde hij, “ik ben zo verschrikkelijk dronken. Maar nu ga ik naar huis.”

“Waar moet je naar toe?” vroeg ik.

“Naar Geuzenveld,” zei hij. “Daar woon ik al mijn hele leven. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes.”

“Hoe kom je daar?” vroeg ik.

“Met de bus,” zei hij.

“Waar gaat ie?” vroeg ik.

“Dat weet ik zo niet,” zei Willem, “maar het komt wel goed.”

Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van 1940 ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk. Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning (ze zitten er nog), een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer.

En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber. Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf 1958 werd geredigeerd door K. Schippers, J.¿Bernlef en G. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber.

Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: ‘Des morgens sta ik op/ des avond weer naar bed/ de wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’ Okkie Pepernoot plus versje bleken genoeg voor de onsterflijkheid.

Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg? Naast mij klonk het antwoord: “Koning, keizer, admiraal…”

In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen. Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken. Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om.

Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. “Maar ik heb ook blikjes bier,” zei de baas vanuit zijn keukentje.

Ik blij. “Ik zag het aan je ogen,” zei de baas terwijl hij het blikje vanonder de toonbank tevoorschijn haalde. “Aan mijn neus zal je bedoelen,” zei ik, waarop we alle drie moesten lachen, de baas, de kapsalon-eter en ik.

Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond.

Ik zat in de jury, samen met John Jansen van Galen en ­Thomas van Luyn. Dat jureren is een aangenaam karweitje.

Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. “Koren-wijn,” zei Geert nadrukkelijk, zodat zelfs ik het ­begreep.

Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon.

1 mei rokkentillerij. En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet.

1 mei was ook de Dag van de Arbeid. Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen.

Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker.
­­
1 mei vond ik een beetje eng en de AJC al helemaal. Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij!

Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten. Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën.

Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland.

In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen. Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: ‘Wambambelubambelambamboom!’

Maar de revolutie duurde maar enkele maten. Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: “D’r af met die rommel! Zijn jullie nou helemaal gek geworden.”

Later bleek dit het begin van het einde te zijn geweest.

De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht.

In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes. Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel.

Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. ‘Halve centen’, stond er op het kaartje. ‘2.50 per stuk, vier voor 10 euro.’ En tussen haakjes stond er bij: ‘(brengen geluk)’.

Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit 1921 daterende tekst van Van Looy: ‘Eens kwam ik hem tegen, jonkheerlijk als hij was, in de Utrechtsestraat en hij liep wat met mij op of ik met hem. En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: “Een nieuwe lente en een nieuw geluid, hoe vind je dat?”

'Wij wandelden en gingen om met Mei, het toen nog onbekend gedicht van zijn vriend en studiegenoot, Herman Gorter en als gevolg ervan kwam Gorter in mijn werkplaats het mij voorlezen, drie avonden lang.’

Wat ik al lezend ervoer, ervoer ik als plaatsvervangend geluk.

In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten. ‘This is not a gallery,’ staat er op The Public House of Art, een duidelijk gevalletje van ‘eigen mannen zeggen het’.

In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige.

De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet.

Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal.

In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. “En?” zeg ik tegen Sander die bij de kassa zit. “We gaan door,” zegt hij. “Ik was vanmorgen bij de curator om te ­tekenen. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag.” Zelden zal mijn blijdschap zo groot zijn geweest.

Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen.

Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen.

Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet. “Maar waarom niet? Lijken die kinderen je niet leuk?” Nee, die kinderen leken me niet leuk.

Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer.

Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld.

Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen. Als het ’s nachts had geregend of als er ’s morgens dauw had gelegen, rook je de stenige geur van het gravel, een geur zo rood als de banen, waarop vaak honderden kleine kikkertjes liepen.

Op weg naar hun boerensloot.

Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

Bij de flamingo’s hield ik mijn pas in en keek. Naast me zat een man op zijn fiets. Hij keek ook. Met gretigheid dronk hij iedere beweging van de flamingo’s in. ­Tegen zijn kijken kon het mijne niet op.

Ik liep door. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar. Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt.

Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars. Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg.

Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig.

Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon.

Ik boog me diep en las hun namen, Abraham Morpurgo, zijn vrouw Rachel en hun kinderen, Jacob, Vogelina en Carla.

Vermoord maar niet vergeten.

In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken.

Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op. “In een bloempot stoppen,” zei ik, “en volgend jaar hebt u een kastanjeboompje.” ‘De ­dame glom als de kastanje in haar hand,’ noteerde ik.

Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen.

Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen. Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk.

Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom.

Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken. Geen groen zo groen als jong kastanjegroen.

Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: “Wat bewaren de Romeinen in hun donkere wouden?” en prompt klinkt dan: “Het stilzwijgen,” waarna het meteen weer pret is.

Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K. Schippers:

‘Tea for two heeft voor de oorlog/ iets voor mijn vader gedaan./ En ook voor mij./ Hij liep langzaam/ om het langer uit een huis/ te kunnen horen/ en miste zo lijn 2./ In de volgende zat mijn moeder.’

De ouders van Yvonne Wassenaar, die ik nooit ontmoet heb, maar die me een brief heeft ­geschreven, waren dolverliefd toen ze op een middag door ­Amsterdam Zuid dwaalden en aangesproken werden door een voorbijganger die vroeg:

“Kunt Uumij wellicht vertellen waar de ­Berlasjeebrug is?”
“O wel zeker,” zei haar vader deftig, “dan volgt u hier de ­Amstelkade, dan rechts af en daar ziet u dan de Berlasjeebrug.”

Bij Yvonne Wassenaar thuis heet de brug in kwestie nog altijd de Berlasjeebrug. Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post.

Die kende ze. ‘En ook de Bwie Baloo,’ schreef ze, ‘en de verwarring bij de buschauffeur bij de vraag naar de Krehem Bellstraat. “O, Gra Ham Bel, dat is de volgende halte, dame.”’

Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig!

Achter de nieuwe RAI, vlakbij de plaats waar Rem Koolhaas het op de prominente reclamezuil ‘het Signaal’ geïnspireerde nowh ­Amsterdam RAI Hotel aan het bouwen is, trof ik een parkeergarage die net zo wervelt als die aan de Singelgracht, schitterend!

Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs.

“Kom je iets leren?” zei de man die voor de deur stond.
“Ik ben uitgeleerd,” zei ik.
“Rondom bevoegd,” zei hij.
“Dat niet,” zei ik, “maar vol.”
“Heb je een vrije dag?” zei hij.
“Ik heb iedere dag een vrije dag,” zei ik.
“Lekker,” zei hij, “ik moet nog drie jaar.”

Toen ik mijn weg vervolgde, bleek de straat die me op de Zuidelijke Wandelweg moest brengen dood te lopen op een bouwput. Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus.

Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad.

Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven.

Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht.

Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie? Als je door de Jan Maijenstraat loopt, loop je dan in de Jan Maijenstraat of in de Jan Mayenstraat?

Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet.

En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is?

En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen. Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: “Guusje, ga jij voor mama even naar de Bos en Lommer voor een onsje Droste flikken bij Stam?”

Niemand zegt dat hij gaat flaneren in de Leidse of winkelen in de Kalver, maar je eet wel een ijsje in de Jodenbree. En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds.

Het is heel raadselachtig allemaal. Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin. Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis.

De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond. Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger.

Trambestuurders zijn wel wat gewend. Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen.

Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden. De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij.

Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen. Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder.

Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat. “Jongeman,” zei een wat oudere vrouw, “kan je iets ­opzij gaan, dan kan ik inchecken.” “Jongeman?” zei hij, “zei u jongeman? Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben?”

“Die mevrouw denkt dat ik een jongeman ben,” zei hij tegen mij. “Maar ik ben geen jongeman, ik ben een man.”

De volgende halte stapte hij uit. Een boze jongeman.

In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei. Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang.

Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: ‘Het was halfvijf ’s morgens in april/ Ik liep en floot de St. Louis blues/ Maar ik floot die op mijn eigen wijze/ Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten gelijken/ op de zang van de grote lijster/ En waarlijk, na enige tijd geleek mijn/ fluiten van de St. Louis blues/ Op de zang van de grote lijster:/ turdus viscivorus.’

De battle van de merels ging voort, maar ik was in de Ode aan de Nieuwezijds-Voorburgwal van Hanny Michaelis beland die zo eindigt: ‘Auto’s en trams stoven elkaar luidruchtig/ en opgewekt voorbij. Ergens begon een vogel, die niet langer zwijgen kon,/ zijn lied. Ik voelde mij als schuim zo luchtig,// het leven woei mij als een zaadpluis mee,/ totdat het op een nieuw geluk mij entte,/ gevoed door het bestaan van deze twee: de Nieuwezijds-Voorburgwal en de Lente.’

Een groot dichter, Hanny Michaelis, als kind al, zo blijkt uit Verst verleden, haar door Nop Maas genoteerde jeugdherinneringen. Als kleuter dichtte ze ‘En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur.’ Dat is niet mis.

Haar oudst bewaard gebleven vers Zomerlied uit 1931, ze was toen 9, eindigt met de regels ‘Tintelende sterren/ Bleek zilvre maan/ Geurende bloemen/ Wapperende vaan.’ “Ik wist geen ander rijmwoord op ‘maan’,” zei ze zeventig jaar later.

In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: ‘Ze staarde in de verte/ En zag slechts zeven herten’.

Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen. Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten.

Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd. Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed.

Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie. Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte.

Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten.

In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten. De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal. Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon.

Hoe zouden ze ‘de bijl’, het slotwoord waar je de aap van de fooi uit de mouw laat komen, tegenwoordig aanpakken, vraag ik me af.

Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt. De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat.

Terug in Amsterdam denk ik terug aan Parijs en aan de jeugdige ober in café De Vos in de rue de la Verrerie die ten gerieve van twee Amerikanen eerst een varkenskarbonade nadeed om ze vervolgens op een volmaakte zwaardvis te trakteren.

“Je lijkt Louis de Funès wel,” zei ik, “in Oscar.” Dat ik zo moet lachen vond hij leuk, maar Louis de Funès leek hem niets te zeggen. Is de eens zo ­immens populaire komiek alweer vergeten?

Wie zal nog weten, denk ik, terug in Amsterdam, dat in de Paleisstraat waar nu een Tours en Tickets zit decennia lang een ­gewaagde lingeriezaak zat. Die lingeriezaak, in de Utrechtsestraat zat er ook een, was een van de verboden plekken van de stad.

Je wist dat de winkel er was, je wist dat er corseletten te zien waren, adembenemende beha’s, jarretels, slipjes en kousen, maar stil staan voor de winkel om een en ander op je gemak te bekijken, durfde je niet, ik niet in ieder geval.

Er waren meer van dat soort plekken in de stad. In de Spuistraat vlakbij het Rokin bijvoorbeeld zat een winkel waar een groen kruis aan de gevel hing. ‘Gummiwaren’ stond er op de ruit. Iedere jongen wist dat ze daar ­kapotjes verkochten. Je liep er naartoe om er dan zo snel mogelijk voorbij te lopen.

Aan het einde van de Amstelstraat, vlak voor de Amstel, hingen vieze boekjes in een etalage. Je kwam er langs als je naar het Waterlooplein ging. En iedere dag als ik naar de Eerste Vijf op de Keizersgracht fietste, kwam ik langs de tijdschriftenwinkel Univers op de Rozengracht. Wat daar allemaal niet te zien was, heb ik nooit gezien.

Ik had nog geen schilderij van hem gezien toen ik van Karel Appel al een hoge hoed op had. Als tienjarige of daaromtrent was ik een groot liefhebber van de knallende ruzies die losbarstten als op verjaardagen en dat soort bijeenkomsten zijn naam genoemd werd. Mijn tante Mies stikte er bijna in en dat was een goed teken.

In de tijd dat ik iedere dag naar de bioscoop ging en op donderdag vijf keer, heette de maat der ­dingen in filmland B.J. Bertina. B.J. Bertina schreef over film in de Volkskrant en als hij schreef dat een film ‘een politiek en artistiek hoogstandje van de actuele Bulgaarse cinematografie’ was, dan was het wegwezen, wist je.

Noemde hij een film daarentegen ‘een weerzinwekkend voorbeeld van commerciële exploitatie zoals die in Hollywood nog altijd hoogtij viert’ dan zaten wij al op de eerste rij.

Tot mijn dertiende was tante Mies mijn B.J. Bertina, met dat verschil dat ik over Bertina als mens geen mening had, terwijl ik tante Mies haatte als spruitjes op zondag. Als tante Mies iets leuk of mooi of spannend vond, moest het wel vervelend, lelijk of saai zijn. En dat was het ook.

Ik moest, heel even, aan haar denken toen wij in Parijs de tentoonstelling Karel Appel – L’art est une fête! bezochten. Het eerste schilderij dat je dat daar te zien krijgt, toont twee kopvoeters en vijf dieren uit de Cobradierentuin. “Mijn kleine zusje,” zou tante hebben geroepen, enzovoort.

En o, wat een prachtig schilderij is Kleine hiep hiep hoera, dat in het Frans heel leuk Petit hip hip houra heet. Na ‘Kleine hiep’ blijft het feest tot Appels laatste schilderij dat uit 2006 dateert. Feestje? heet het. Mijn toch al hoge hoed is alleen maar hoger geworden.

We waren even in ­Parijs en werden wakker met het klokgebeier van Notre Dame de la Croix die vanaf het einde van de straat de buurt overziet. “Ome Gerrit hangt in de touwen,” zei mijn bedgenoot.

Een uurtje later gingen we er op uit. Eerst met de bus, om er een beetje in te komen, dan naar een tentoonstelling omdat nu eenmaal hoort en daarna het echte werk. Een beetje rommelen en hier en daar aanleggen voor koekjes en geklets.

Deze keer liepen we de rue de Grenelle uit, een lange straat die langs de Invalides voert. Als we de gouden koepel zien, vertel ik altijd dat ik het graf van Napoleon een keer heb bezocht. Moest van mijn vader. Ik vond er niks aan, zoals ik nergens iets aan vond, qua oude gebouwen en lauwe thee dan, want meisjes bijvoorbeeld vond ik heel leuk.

Voorbij de kanonnen van het Musée de l’Armée streken we neer op een terras en bestelde twee kleintjes koffie, een van de zegeningen van dit leven. De koffie kwam met een cacaoboon die volgens mijn geliefde geen cacaoboon was, maar meer een soort snoepje.

Prompt kregen we het over de koffieboon waar mijn moeder me op trakteerde als ik de koffie had gemalen. O koffieritueel van lang geleden, alles was even heerlijk, van het met koffiebonen vullen van het koffiemolenreservoir tot het malen zelf en het tussen je tanden kraken van de koffieboon, waarvan de smaak al preludeerde op de geur van koffie die zo dadelijk het huis zou vullen.

Toen wij aan het einde van de middag thuis kwamen, beierden de klokken van Notre Dame de la Croix ten tweede male. “Ome ­Gerrit maakt overuren,” zei mijn geliefde.

We waren even naar Parijs. Om bij de Hallen de geur van uiensoep op te snuiven natuurlijk en in de ­Moulin Rouge de beentjes van de vloer te zien gaan, maar vooral toch om in de galerie in de rue de la Mare de kattenschilderijtjes te bekijken, en op de vide grenier in de rue des Pyrenées de Dinky Toy Concorde te kopen, waarvan zelfs de bewegende neus nog bewoog.

"Hij is stuk," zei mijn geliefde, maar stuk was in dit geval dus heel. Na een wandeling langs het ­canal Saint Martin en door de rue du Faubourg du Temple die door mij als de mooiste straat van de stad wordt gezien, pikten we in de rue de Tourtille nog de reclame mee van een écrivan public plus een stralende muurschildering waarop Kuifje en Bobbie onder water in de als haai vermomde ­onderzeeër uit de Schat van Scharlaken Rackham zitten.

Op de wandschildering luidde de titel van het album Nana et le trésor de Morad le Rouge. Aan het einde van de middag staken we de vermoeide voeten onder het terrastafeltje van een klein buurtrestaurant. We hadden net besteld toen de bazin een meisje kwam brengen. "Jullie spreken toch Engels?" zei ze.

Waarop het meisje in het Engels zei dat ze honger had en ergens iets wilde eten. Wat door mij werd uitgelegd als een verzoek om geld, maar dat was niet zo. Nadat ik haar uitgelegd dat ze bijvoorbeeld hier in dit restaurant kon eten, knikte ze tevreden en vervolgde haar weg.

Toen onze rekening onderweg was, maakten we een schatting. "24 euro 50," zei mijn geliefde, wat precies bleek te kloppen. "Dat hadden wij goed uitgerekend," zei ik. "Zij ook," zei zij.

Op weg naar mijn ­afspraak bij Sandwichshop Sal Meijer zag ik dat ze aan de Parnassusweg bezig waren het Paleis van Justitie te slopen. Grote delen van het gebouw lagen al in puin, dat werd nat gehouden door mannen met brandslangen, terwijl er door kwaadaardig ogende machines stevig op in werd gehakt. Een enorme kraan ging een van de nog staande torens te lijf en stroopte het beton van het ijzeren skelet.

Het was een overweldigend schouwspel en even voelde ik de neiging om me aan te sluiten bij het groepje mannen dat je bij een schouwspel als dit pleegt aan te treffen. Maar ik moest verder, want ik had een afspraak, bij Sal Meijer, waar mijn vriend bij de baas van het spul twee ‘opabroodjes’ ossenworst met knoflook ­bestelde en een schaaltje van dat heerlijke zuur.

We kregen het over de avondwinkel die lang geleden aan de Stadionweg zat, bij het eindpunt van lijn 24. “Daar heb ik nog eens een tram gestolen,” zei mijn vriend. Hij was een jaar of twaalf en het was Luilak toen hij met een paar vriendjes langs het eindpunt van de 24 was gekomen.

De bestuurders en de conducteurs zaten allemaal in hun huisje en de tram had er zo leeg bij gestaan, dat ze de verleiding niet konden weerstaan en ingestapt waren en de tram vervolgens op de een of andere ­manier aan het rijden hadden gekregen.

Zes straatjongens in een lege tram die over de Stadionweg rijdt, de opwinding was zoveel jaar na dato nog voelbaar. Op de hoek van de Beethovenstraat hadden ze de tram stilgezet en waren er vandoor gegaan. Net op tijd om uit de handen van de politie te blijven.

Ik ben, goddank, Amsterdammer. Hetgeen het des te erger maakt als je niet weet waar een bepaalde straat zich bevindt, en nog erger, als je niet weet hoe je er komen moet.

Ik wilde naar Rozenoord, aan het ­Ittmanpad. Ik wilde via de kortste weg en die ging achter de RAI langs, maar hoe kon ik uit de plattegrond niet opmaken, kaarttechnisch is het chaos achter de RAI.

De werkelijkheid bleek voor een keer een stuk eenvoudiger. Toen ik het Beatrixpark uitkwam, zag ik een viaductje, en toen ik er onderdoor ging, was er een pad waarvan ik vrijwel zeker wist dat het naar de Amstel voerde.

Aan de overkant van de sloot die met het pad meeliep, stond het beeld van een man die zijn eigen stoel was en aan een tafeltje zat. Het beeld stond op Zorgvlied, ­vertelden de grafstenen die even later opdoemden.

Ik had de ­Amstel al in zicht toen ik achter een bosschage een vlaggenmast zag staan. Rozenoord, een rond pleintje bestraat met kinderhoofdjes die uitwaaieren vanuit het middelpunt.

Tot eind 1944 schoten de Duitse bezetters hun gijzelaars bij voorkeur dood op plaatsen waar iedereen het zien kon en werden ­mensen vaak gedwongen toe te kijken. Maar in het nieuwe jaar verkozen ze hun moordenaarswerk uit het zicht te verrichten. In de laatste maanden van de bezetting werden op deze stille plek aan de Amstel tussen de 120 en 140 mensen doodgeschoten.

Na de bevrijding keerden de moordenaars terug naar Duitsland. Er werd hun geen strobreed in de weg gelegd, zoals ook de mannen die op 7 mei 1945 vanuit de Groote Club een slachting aanrichtten op de Dam een paar ­weken later weer lekker thuis ­zaten.

‘Binnenkort sneeuwt het sterren onder de clematis…’ Dat is van Colette. Ik reed de Haarlemmerstraat uit, keek nog een keer naar Silver Screen, de enige winkel in de stad waar je als filmfan nog terecht kon en stak het Haarlemmerplein over. Ik groette Domela en hij zwaaide ­terug.

Ik dacht aan de palingkar die hier vroeger stond en in de schemer een carbidlantaarn voerde. Eenmaal op het fietspad langs de Haarlemmervaart voelde het alsof ik de stad uitreed, wat zoals ik wist niet ging gebeuren.

Langs de vaart stonden lang geleden de gebouwen van de Boldoot waar mijn ­vader een blauwe maandag heeft gewerkt en van Drukkerij Van Munster, waar mijn kleine, kale grootvader de scepter zwaaide over de zetterij.

Als kind ben ik wel eens wezen kijken. Het rook er naar inkt en lood, papier en smeerolie en de machines veroorzaakten een aangenaam gedreun.

Over de gietijzeren ophaalbrug reed ik het terrein op van de Westergasfabriek. Daar, evenwijdig aan het spoor, staan een stuk of dertig bomen die elk voorjaar heel even hun witroze-witte bloesem laten zien.

De bomen zien eruit als evenzovele voorjaarsballonnen, gereed om op te stijgen. Er waren jongens aan het skaten, er werd gebarbecued, geflirt, gelachen. Een man in zijn eentje maakte van die van de Chinezen afgekeken gebaren, waarbij de gebarenmakers altijd heel zen kijken en toen stak er een klein koeltje op dat de bomen sterren sneeuwen liet.

In de Holbeinstraat aan de andere kant van de stad staan de magnolia’s in bloei, als tulpen en sterren, wit, roze, purper. Als de bloemen vallen binnenkort, leg ik ze op de schaal die op de tafel in de kamer staat, maar dat is binnenkort.

Veel mensen hebben een dag in hun leven waarvan ze meer weten dan van de andere dagen uit hun leven. Meestal heeft dit te maken met de liefde. Denk aan 16 juni 1904, een donderdag en de dag waarop Ulysses zich afspeelt omdat James Joyce op die dag zijn Nora Barnacle ontmoette.

Mijn Bloomsday viel op vrijdag 26 maart 1971. Het was zwaar ­bewolkt die dag, er stond een ­matige westenwind en het was 9 graden. In het Rembrandtplein Theater draaide De tanden van Dracula.

Op Nederland 2 werd het amusement die avond verzorgd door Harry & Lena, filmtijdschrift Skoop kondigde ‘een blad vol sex’ aan, een ‘gekrente’ Eddy Merkcx won de Omloop Het Volk en ­Carmiggelt vulde zijn Kronkel met een knipselstukje, zoals hij dat op vrijdag wel vaker deed.

Ik liep door de stad en deed of het lente was. In de UB bestelde ik twee boeken over Melville en de walvisjacht, waarna ik neerstreek op het terras van ‘de burgerlijke Hoppe’ om daar de drie kwartier vol te maken die het duurde voordat de boeken er zouden zijn.

Op het terras kwam ik een oude vriend tegen die ik jaren niet ­gezien had, zodat ik iets later naar huis terugkeerde dan ik van plan was geweest.

Weer iets later verliet ik het huis met een knallende deur en de mededeling dat ik nooit meer terugkwam.

In café de Pieter in de Pieterspoortsteeg kwam tegen tienen het geluk binnenlopen. Na een lange nacht bleken de meidoorns rood en wit in bloei te staan en keerde zij van een boodschap terug met een fles whisky die 46 jaar later zijn identiteit terugkreeg, Famous Grouse. Om de laatste vrijdag van maart te vieren.

Jonge vrouwen op de fiets, Amsterdamser kan het haast niet. De haren ­wapperend in de wind, de handen aan het stuur, de voeten op de pedalen, de benen in rappe beweging.

Zie ze gaan, de blik op de straat gericht, en op de zijstraat, op de tramrails, op de medefietsers, auto’s, trams, scooters en andere belangstellenden. Ze vliegen door het verkeer als waren zij de Vliegende Hollander.

En ­iedere liefhebber die het schouwspel in de gaten houdt, weet dat zijn ogenblik gaat komen. Ha, daar heb je het, de wind is onder haar rokken gekomen en ogenblikkelijk gaat de linkerhand van het stuur om de rok zijn plaats te wijzen en de benen te bedekken, zoals het hoort.

Bij bepaalde soorten tegenwind lieten de meisjes de rokken zelfs niet los, want hoe vrijgevochten ze ook waren, hoe kort de rokken ook die ze door de straten flanerend droegen, op de fiets je benen laten zien, dat was er mooi niet bij.

Toen kwam de mobiele telefoon. Plotseling bleken de meisjes hun telefoon belangrijker te vinden dan hun benen en in plaats van met hun linkerhand hun rokken op hun plaats te houden, sturen ze nu met links, terwijl ze met rechts hun telefoon vasthouden, om op te kijken, om te swipen, om iets te tikken, of om tegen hun oor­ ­gedrukt te houden en oeverloze gesprekken te voeren.

En zo rijden ze al dan niet over de stoep en al dan niet met een peuter achterop of een hele bakfiets vol, met wapperende haren en opwaaiende jurken in razende vaart door de stad. Een stille ­revolutie.

Iemand zei dat de Utrechtsestraat de mooiste winkelstraat van de stad is. Daar valt iets voor te zeggen, ­hoewel de Haarlemmerdijk wat mij betreft ook hoge ogen gooit. Opmerkelijk is dat beide straten lange tijd niet meer te redden ­leken.

In het begin van de jaren­ ­zeventig heb ik een tijdje in een ­erker gewoond op de hoek van Utrechtsestraat en Prinsengracht. De Utrechtsestraat was toen ­ernstig in verval. Overal in de straat stonden op instorten staande huizen in de stutten en de ­middenstand klaagde steen en been.

De haringkar op de brug hield dapper stand, net als Oosterling en Krom, maar verder was het kommer en kwel. Als je ’s morgens je huis uit kwam, brak je je nek over de gebruikte spuiten en ­condooms.

Als je ’s nachts thuiskwam, waren alle portieken bezet. In de schemer kwamen ze tevoorschijn, de verslaafde jonge mannen en vrouwen, de travestieten die in de Utrechtsestraat en op het Amstelveld de hoer speelden.

Als ik het zijraam van de erker openzette, kon ik ze horen ­ruzieën, want ze stonden elkaar allemaal naar het leven. Om iedere klant werd gevochten en de drugshandel die aan de prostitutie vooraf ging en er op volgde, ­verliep ook niet zonder problemen. Ik was ervan overtuigd dat het slecht zou aflopen, dat de verkrotting door zou zetten en dat de hele bliksemse boel tenslotte gesloopt zou worden.

Maar als een dood gewaande boom kwam de straat weer tot ­leven en werd tot wat hij nu is, een van de mooiste winkelstraten van de stad.

Als ik het allemaal goed heb uitgerekend, was Cissy van Marxveldt, die toen nog Setske de Haan heette, net achttien, en beeldschoon maar dat terzijde, toen ze op zaterdag 19 december 1908­ ‘s morgens om 8 uur vanuit Engeland aankwam op het Amsterdamse Centraal Station.

Ze heeft er dan vier niet bijster vrolijke maanden opzitten in Coventry en Bath, waar ze als kindermeisje werd gebruikt terwijl haar Franse en Engelse conversatie en het ­spelen van quatre-mains in het vooruitzicht waren gesteld.

Maar eenmaal terug in het ­vaderland heeft ze er weer zin in. In Lief dagboek, beste kameraad, haar onlangs gepubliceerde dagboek uit die dagen, vertelt ze hoe ze op het station de Engelse dame uithangt.

“Can I take the tram here to Rustenburgerstreet?” zegt ze ­tegen een oude man in een blauwe boezeroen die bij het tramhuisje staat. De man is meteen in alle ­staten. Een buitenlandse, en hij praat met d’r! Als ‘line five’ er aan komt, loodst hij haar naar binnen en zegt hij tegen de conducteur: “Engelse. Ik heb maar met haar gesproken jong.”

Setske komt prompt in een ‘jolige bui’, zoals ik altijd in een jolige bui geraak als ik haar Joop ter Heul herlees. “Als ik alleen maar denk aan de Jopopinoloukiecoclub,” zei ik tegen een dame met wie ik de boekwinkel over Cissy van Marxveldt stond te praten, “zijn alle muizenissen al vervlogen.”

“Mijn moeder las me voor uit Joop ter Heul,” zei de dame, “maar dan moest ze vaak zo vreselijk lachen dat ze niet meer verder kon. Voor mij was dat een reden om zo snel mogelijk lezen te leren, dan had in mijn moeder bij Joop ter Heul niet meer nodig.”

De stad kent vele fraaie kruispunten, denk aan de kruising van Admiraal de Ruyter en Bos en Lommer, van Ceintuurbaan en Van Wou, van Rijnstraat en Vrijheidslaan, prachtige kruispunten allemaal, maar het mooiste kruispunt is toch de Krommerdt, en dat terwijl de Krommerdt helemaal geen kruispunt is.

De voortreffelijke Witte de With ligt net verkeerd om de Krommerdt tot een echt kruispunt te maken, net als de Van Speijk. De Krommerdt is een ­gemankeerd kruispunt, denk ik.

Vanuit mijn geheime uitkijkpost zit ik vaak uren naar de Krommerdt te kijken. Ik houd auto’s in de gaten die in trage stroom oversteken naar de Jan Eef en tel de schaarse auto’s die hun weg vervolgen op de Admiraal de Ruyterweg. Ik zie de 12 en de 14 de hoek omkomen en de hoek omgaan.

Ik zie bus 18 stoppen op zijn haltes. Soms komen tram en bus tegelijk op de kruising aan, wat een spectaculair schouwspel geeft, want de bocht is te kort om ze tegelijk door te laten, dus een van de twee moet inbinden. Meestal is het de bus.

Terwijl ik zo zit te kijken, denk ik vaak aan de tijd dat ik me als jongentje op bezoek bij mijn grootouders die op de Rozengracht boven de brandweer woonden op dezelfde manier vermaakte. Hele middagen turfde ik de Blauwe Tram, de Kikker, de 13, plus een aantal automerken, waaronder Volkswagen, Ford en DKW.

Als mijn oma weleens weg was, pakte ik het tweede deel van ­Vivat’s kleine encyclopedie uit de kast en bekeek bij het lemma ­Nederlandsch-Indië de foto van het Preanger-meisje met een bos hout op haar hoofd dat met ontblote borsten voor een geschilderde palmboom stond.

Op de eerste echte voorjaarsdag zag ik hoe een citroenvlinder de ­Hacquartstraat uit kwam vliegen. “Tegen de regels,” zou Japie van Jan & Japie uit de onvergetelijke strip Heinz hebben gezegd, want zoals eerder opgemerkt, de eerste citroenvlinder zie je in de Bilderdijkstraat.

Gelukkig ging hij wel in razende vaart, want dat is voorwaarde twee voor het zien van de eerste citroenvlinder.

In het Vondelpark zag ik even ­later de eerste korte broek. Dat is ook zoiets, de korte broek. Ik had vroeger een vriend die mij in dit jaargetijde opbelde met de vraag of ik de korte broek al aan had. Hij wel, ik meestal nog niet.

Kortebroekendag zou net zo’n fenomeen kunnen zijn als bloezendag, ware het niet, dat je als fatsoenlijk man de korte broek in het openbaar niet draagt. Thuis, oké, in de tuin, alla, maar in de Leidsestraat?

Ik herinner me een vakantie-uitstapje met mijn ouders dat ons ­anno 1959 van Perpignan naar Barcelona voerde. Op de kaart kon je duidelijk te zien dat het tweeënhalf uur rijden was naar Barcelona. Maar toen we na zes uur rijden de stad binnenreden, gingen net de rolluiken omlaag.

Mijn vader vloekte en parkeerde langs de Ramblas, waar alle passerende mannen een pak bleken te dragen. Hij was in korte broek. Dat kwam niet meer goed die dag, want ter plekke een pak kopen ging hem te ver.

Via de Kinkerstraat ging ik op huis aan, maar voor ik mijn fiets in het rek zette, keek ik in de Boekenpoort of er nog iets te halen viel. De Penguin-uitgave van Anna Karenina. Met het boek in mijn hand betrad ik de binnentuin en keek naar de magnolia die op openbarsten staat. Wat een magnolia!

Ik stond een afwasje te doen en dus stond ik te zingen, want als ik afwas, zing ik.

“Op een bed met stalen ­veren,” zong ik, “lag een cowboy met zijn vrouw/ Hij wou het eens proberen, maar het gaatje was te nauw.” Toen moest ik zo onbedaarlijk lachen, dat ik niet verder kwam.

Een dag later had ik een afspraak met een vriend die vertelde over iemand die iets fout had gedaan en naar hem toegekomen was om te zeggen dat hij het fout had ­gedaan. “Eigen mannen zeggen het,” zei ik.

Mijn vriend keek me niet begrijpend aan. Als je op een landje voetbalde met twee hoopjes jassen als doelpalen waren er ­altijd oeverloze discussies of ie zat of dat de bal over was gegaan of ­tegen de niet bestaande lat, dat ie tegen de paal was of binnenkant paal, en soms was er dan iemand van de tegenpartij die zei dat ie zat: “Eigen mannen zeggen het!”

“Ken je Op een bed met stalen ­veren?” zei ik. Dat kende hij ook niet, waarop ik het voor hem ­gezongen heb, dat wil zeggen het eerste couplet, waarna we de ­resterende tijd vulden met een discussie over anonieme taalkunstenaars van lang geleden.

De volgende morgen bracht ik een bezoek aan mijn kaasleverancier, die ‘eigen mannen zeggen het’ wel, maar Op een bed met stalen veren niet bleek te kennen.

Zo kwam het dat ik voor de derde keer in drie dagen hetzelfde liedje zong: “Op een bed met stalen veren, lag een cowboy met zijn vrouw/ Hij wou het eens proberen, maar het gaatje was te nauw/ Na zeven keer proberen, zat hij er eindelijk in/ En negen maanden later, had hij een heel gezin.”

Zojuist Schoolidyllen van Top Naeff gelezen, een mooi meisjesboek uit 1900. Het is een roman over een vrolijk ‘span’ meiden , met als middelpunt Jet van Marle. Jet is wees, sinds haar vierde ondergebracht bij een tante en oom die ‘haar dulden om het voordeel, meer niet.’

Ze ambieert een carrière als zangeres, maar ze sterft op haar zeventiende verjaardag aan een onduidelijke ziekte. De andere meisjes uit de klas zijn er vier later nog niet overheen.

Ik weet nog dat Henk Vos en ik, toen we meneer Smit, onze zieke onderwijzer uit de vierde klas, een cake hadden gebracht en van de James Rosskade langs de Erasmusgracht terugliepen naar onze school in de Egidiusstraat, danig onder de indruk waren.

Meneer Smit moest wel heel erg ziek zijn als hij ons niet wilde zien. Maar daarna is meneer Smit geruisloos uit ons leven verdwenen.

Ik kan me niet herinneren dat er over zijn dood is gesproken, zijn begrafenis of crematie hebben wij niet bijgewoond. Wij hadden het druk met het ­plagen van de onafzienbare stoet kwekelingen die meneer Smit kwamen opvolgen.

De laatste in de rij heette Wijnands. Bij hem moest ik voorlezen uit De bloeiende perelaar, een leesboekje van Jan Mens. De kinderen uit dat boekje gingen een fietstochtje ­maken naar ’t Gooi.

‘Fietsen’ was bij ons in de klas een ander woord voor ‘neuken’ en iedere keer als het woord ‘fietsen’ viel, en dat was best vaak, lag de hele klas in een deuk. Na afloop van de les vroeg ­meneer Wijnands me wat er zo grappig was geweest. Ik heb geantwoord dat ik het niet wist.

Vannacht, in de ongehoorde stilte van de nacht, moest ik denken aan meneer Smit. ­Meneer Smit werd onze onderwijzer in de vierde klas, de huidige groep zes, met zijn wonderen als breuken, soortelijk gewicht en ­decimalen.

In de derde hadden we mevrouw Besier gehad, de schrik van de school.

Moeders namen hun kinderen van school als ze hoorden dat ze Besier kregen. Ze was diep in de tachtig toen ze me een keer opbelde en zei: “Ben jij vandaag niet jarig?” Dat was ik. Mevrouw Besier wordt door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière.

Meneer Smit was een kleine man met een kaal hoofd en krijt op zijn jasje, het prototype van de ouderwetse onderwijzer. Hij liet zich graag meeslepen door zijn eigen verhalen, over de Witte van Haemstede en de slag op het Manpad of de moord op de voltallige bevolking van de vesting Naarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Op zijn best was hij tijdens de zangles. Na het ritueel stemmen met de stemvork dirigeerde hij ons met de blokfluit, een instrument dat hij zelden bespeelde. Onze favoriet was In ‘t groene dal (‘In ’t stille dal/ waar kleine bloempjes bloeien/ daar ruist een blanke waterval/ en druppels spatten overal’).

Twee van ons mochten dan op de gang staan om de echo te vertolken: ‘Om alle bloempjes te besproeien/ ook ’t kleinste/’ (echo: ‘ook ’t kleinste’), prachtig!

En toen werd meneer Smit ziek. Wat hij had, wisten we niet, maar misschien kwam hij niet meer ­terug. Samen met Henk Vos mocht ik een cake brengen, naar de James Rosskade waar meneer Smit woonde. Zijn vrouw deed open en bedankte ons voor de cake. Meneer Smit kregen we niet te zien.

Als Theo op zaterdag naar voetballen ging, zijn kicksen hingen dan met de veters aan elkaar ­geknoopt om zijn nek, kwam hij in de Linnaeusstraat langs de Bio. Zijn ome Ko werkte daar als portier.

De portier was de als generaal uitgedoste man naast de kassa ­tegen wie je zei dat je twee parket wilde, waarna hij dat tegen de kassière zei die dan tegen de portier zei dat dat samen vier gulden zestig maakte, wat de portier weer ­tegen jou zei, waarna je vijf gulden neerlegde die de portier doorschoof naar de kassière die de kaartjes terugschoof plus een kwartje, een dubbeltje en een ­stuiver.

Als de portier je je kaartjes overhandigde, pakte jij je wisselgeld, waarbij je een van de drie muntjes liggen liet. Zo kwam het dat Theo’s ome Ko altijd een zak vol kleingeld had, waarvan hij, zeker op zaterdag, wel een dubbeltje voor zijn neefje missen kon.

Theo’s vader had drie broers die elk op hun eigen zondag bezocht werden. Wij maakten de wandeling die van Theo’s geboortehuis in de Andreas Bonnstraat voerde naar het huis van zijn ome Bennie die samen met zijn vader een steenhouwerij had gedreven.

Ome Bennie had er een stoflong aan overgehouden, en als hij op zondagmiddag met zijn broer naar het café op de hoek was geweest, moest hij daarna door de mannen de trap op worden gedragen om weer thuis te komen.

Theo’s vader had het steenhouwen er op een gegeven ogenblik aan gegeven en was tegelzetter ­geworden. Toen dat niet meer ging, werd hij portier bij de ingang van het Aquarium in Artis. Maar voor het zo ver was, had hij de grafsteen gehakt voor de twee broers die hem voorgingen in de dood.

Sommige buurten lijken wel verlaten, zo stil is het in de straten en op de pleintjes. Geen kinderstemmen, geen winkels, geen mannen aan het werk. Het buurtje achter de Haringvlietstraat is zo’n buurt.

Om de een of andere reden waan ik mij hier altijd in een ­roman van Willem Frederik ­Hermans. Komt het door de welhaast onheilspellende stilte of is het toch de lichtval?

Door de Grevelingenstraat ga ik, en door de Roompotstraat naar de Volkerakstraat en dan weer terug naar de Deurloostraat. In de ­Volkerakstraat staat een meidoorn van top tot teen in blad, terwijl de andere meidoorns in de straat het nog op knoppen houden.

Ik steek de Scheldestraat over en de Maasstraat. In de Waalstraat ga ik rechtsaf. Aan de andere kant van de Kennedylaan vervolg ik mijn weg op de Mirandalaan.

Langs de Joop ter Heul-villaatjes aan de Zuidelijke Wandelweg ­bereik in de Amstel, waar ik even stil houd om naar het sluisje ­achter de Wandelweg te kijken. ­

Op Zorgvlied wachten de doden. Hoe vaak zal ik met haar de Fluwelen hoofdlaan zijn afgelopen? Niet eens zo vaak denk ik. We gingen dan naar onze dode vriendin en later kwam haar dode vriendin Marina erbij.

Ze kijken op elkaar uit die twee, de ene vanonder een stenen drieluikje, de ander vanonder een glazen monumentje met de woorden ‘Naast de vogels slaapt mijn moeder’, wat de kleine Bastiaan zei toen zijn moeder naar haar dood gevlogen was.

Zo halverwege tussen de twee graven liggen de graven van Maria Catharina de Witte-Schouten en mevrouw C.H. Mulder-Gravemaker. Tussen die twee was nog een plekje vrij. Op het paaltje dat de plek markeert, staat: ‘Gereserveerd per 13/03/’17’. Daar wordt ze vrijdagmiddag begraven, Kitty Courbois.

Daartoe aangezet door mijn eigen recensie van De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van Colette had ik L’ingénue libertine uit de kast gepakt, de roman die ze in 1909 schreef in opdracht van haar toenmalige echtgenoot Willy. Literatuur in opdracht, maar een meesterwerkje, met een slap slot helaas.

In het boek zingt Minne, de nog jonge, maar al zeer wulpse hoofdpersoon, een liedje over een slak, ‘Escargot Manigot,/ Montre-moi tes cornes!’, waarin ik zoveel jaar later het ‘Slak, slak, slak, kom uit je huisje’ herkende, dat wij als ­kinderen zongen. Zo’n versje raak je makkelijk kwijt, maar als het ­terugkeert, komt het niet alleen.

De slakken die wij met ons ­gezang uit hun huisje probeerden te lokken, vonden we in het hoge gras langs de Erasmusgracht die toen nog geen gracht was, maar een kronkelige sloot met boerderijen aan de andere kant van het water. In dat gras begonnen in de zomer een soort aren te groeien, als van koren, maar dan groen.

De kunst was om zo’n are in iemands trui te stoppen, aan de achterkant en van onderen. Om de een of ­andere reden bleef de are niet waar hij was, maar werkte hij zich in de trui langzaam omhoog wat tot een vermakelijk soort jeuk leidde bij de nietsvermoedende truidrager.

‘Lepeldief, lepeldief,’ zongen we dan, waarom weet ik niet meer. Zoals ik ook niet meer weet hoe het versje precies ging dat mijn moeder ’s morgens zo vaak citeerde. Het was verbonden aan het moment van opstaan: ‘Toen Betje uit haar bedje kwam/ En fris ­gewassen en gekleed was/ Keek ze naar haar boterham/ Of die ­alreeds gereed was’.

Daar klopt iets niet, zoveel is duidelijk, maar wat, ik weet het niet. Ik weet niet veel.

Ik fietste langs de Reijnier Vinkeleskade. Ik keek naar de krokussen in het gras, naar de vrouw die haar hond uitliet en zo’n ding bij zich had waarmee je om je hond te plezieren een bal ver weg kunt gooien, waarna de hond erachteraan gaat om de bal weer terug te brengen en jij hem weer weggooien mag.

Ik keek naar de ganzen die voorbij peddelden, naar de man die op een bankje zat en gefilmd ging worden, een hele cameraploeg voor zichzelf, ik hoorde mezen slaan. Mag je niet zeggen, ‘ik hoorde mezen slaan’, want mezen ­bestaan niet, je hoort koolmezen, pimpelmezen, staartmezen.

Maar omdat ik het verschil niet kan ­horen, hoor ik mezen slaan, zoals ik ook ganzen voorbij zie peddelen, en nooit vlinders zie, maar een atalanta, een dagpauwoog, een ­citroenvlinder.

Mijn verlangen naar atalanta, dagpauwoog, citroenvlinder knaagt zijn voorjaarsknaag. Af en toe ga ik stiekem naar de Bilderdijkstraat in de hoop daar de ­triomfantelijke vlucht van de ­eerste citroenvlinder te aanschouwen, want de eerste citroenvlinder vliegt altijd in de Bilderdijkstraat, maar ik ben te vroeg, ik weet het, geduld, geduld, de lente komt eraan.

Aan de andere kant van de Reijnier Vinkeleskade liggen de tuinen van de villa’s aan de Apollolaan. Tijdens de bezetting woonde Willy Lages, hoofd van het kwaad, in een van de villa’s, welke weet ik niet, maar lekker dicht bij zijn werk.

Als ik de brug naar de Breitnerstraat ben overgestoken, kom ik langs de Montessorischool. Er staan twee meisjes aan het hek, allebei een jaar of tien. “Meneer, meneer,” roepen ze, terwijl ze naar de tas in mijn mandje wijzen, “mooie tas!”

“Albert Heijn,” zeg ik.

“Cool,” roepen ze en allebei steken ze hun duim op.

De man met wie ik te ­praten zat, stond. Ik had het over het kappersleed uit mijn jonge ­jaren en vroeg hem of hij oud ­genoeg was omdat ook te hebben meegemaakt. “Mijn vader was kapper,” zei hij, “dus ik ben nooit bij de kapper geweest.” Daar had ik niet van terug.

Hij kwam uit de Pijp, waar ze met zijn vijven een halve woning ­bewoonden, tot ze naar het Duivelseiland waren verhuist. Naar Zuid, waar de deftige mensen woonden.

“Dan mag ik mijn bek wel in de plooi gooien,” had zijn moeder gezegd, die uit de Jordaan kwam.

Ze waren katholiek thuis en hij had op de Stadhouderskade op een katholieke school gezeten. Naar de kerk gingen ze in de Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste op de hoek van de Ceintuurbaan en de Amsteldijk.

“Kan je je die kerk herinneren?” zei de man die stond terwijl ik zat. “Als een kathedraal zo groot. Al die kerken waren zo groot, op het Leidseplein, aan de Van Lennepkade, het Vondelpark, allemaal gesloopt.”

“Ken de Vredeskerk bij het Troostpleintje?” zei ik. Die kende hij, waarop ik hem het verhaal ­vertelde dat een andere man van ­katholieke huize me onlangs had verteld.

Op zijn zondagse schoenen had hij gevoetbald op het pleintje voor de kerk. Maar met vieze zondagse schoenen kon je niet thuis komen en daarom had hij ze toen in de kerk afgespoeld in de wijwaterbak.

Hij had ook de deur gevonden naar de ruimte van het klokkentouw. Hij was aan het touw gaan hangen, en toen er helemaal niks gebeurde was hij zijn broertjes en zusjes gaan halen. Het trosje ­kinderen aan het touw had de klok een klingeltje ontlokt.

In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, stond een jonge vrouw ­achter de bar die ik niet eerder gezien had. Nadat ze me een borrel had ingeschonken, keek ze een tijdje dromerig naar buiten.

“Kijk,” zei ze, “zij laat zich dragen.”

Aan de andere kant van de ­Admiraal de Ruyterweg liep een jongen die zijn meisje op zijn rug had genomen. “Dat is liefde,” zei ik. “Net als wanneer meisjes voorop op de fiets gaan zitten.”

“Op de stang,” zei de barjuffrouw. “Dat bedoel ik niet,” zei ik, “maar op de stang is ook liefde.”

“Ik zat vaak bij mijn vader op de stang,” zei ze. “En achterop met mijn voeten in de fietstassen vond ik ook fijn.”

“Had je vader nog fietstassen?” zei ik. “Hij was van de oude stempel,” zei ze.

Vanuit de serre werden twee wodka jus de rans besteld. Ze zocht de juiste glazen, deed er ijs in en pakte toen de wodkafles. “Ze bestelden toch wodka met ijs?” zei ze. “Wodka met jus,” zei ik.

Even later hoorde ik haar sinaasappels uitpersen. “Soms sta ik te dromen,” zei ze nadat ze de glazen naar de serre had gebracht. “Laatst,” vervolgde ze, “hadden we het erover dat jongens vroeger gebreide zwembroeken droegen en dat die zwembroek als ze in het zwembad doken dan op hun ­enkels hing.”

“Vreselijk,” zei ik, “maar waar ik zwom, in het Drollenbad, was het niet erg als het gebeurde, want jongens en meisjes waren daar ­gescheiden. Je zag elkaar alleen bij snoepkraam.”

Op dat moment kwam Jaap­ ­binnen. Mieke schonk hem zijn jonge met ijs in en een klant zei: “En Jaap, heb je nog iets slechts gedaan vandaag?”

Als ik met de 12 over de Admiraal de Ruyterweg raas, kijk ik bij de Boomkerk altijd of Maria er nog is. Ze staat afgebeeld op een tegeltableau dat niet aan de eigenlijk kerk hangt, maar aan een aanpalend gebouw, een oude school denk ik.

Er zijn steden waar je geen stap kunt zetten zonder dat de Maagd je vergezelt, Valencia, Florence, Brugge. Op iedere straathoek staat ze op de sikkel van haar maan, het kind vaak op de arm, van steen, van hout, geschilderd en altijd in het blauw.

Als het om Maria gaat verloochent Amsterdam zijn beeldenstormend verleden niet. In de resterende kerken is ze overal, op straat zal je haar niet vaak tegenkomen, maar soms is er een verrassing.

Op de Oudeschans, vlak voordat de Montelsbaansbrug het spektakel toont van het water tussen ­Oude Waal en Binnenkant, is een smalle sleuf die toegang geeft tot een groot speelterrein.

Vaders en moeders zitten er op bankjes naar hun voetballende kinderen te kijken en de kinderstemmen klinken op naar de achterzijde van de huizen van de Oude Waal, de Montelbaanstraat en de Recht Boomssloot.

Er staan lage loodsen langs de sleuf en lage huizen met voortuintjes en deuren waarvoor je een trappetje op moet. Helemaal aan het einde van de sleuf, aan de ­gevel van het laatste huis, trof ik een portaaltje met een Maria van verweerd steen, met een verweerd stenen kindje op haar arm.

Ze hing een beetje scheef, zag ik, maar ik heb haar recht gehangen. Na deze goede daad vervolgde ik mijn weg, naar het Oosterdok om te kijken of De Stoute Prins nog ­afgemeerd lag aan het einde van zijn strekdammetje. Het mocht niet zo zijn.

Als ik als zestienjarige ­tegen iemand zei dat ik bij de Johan Huizinga-laan woonde en die ­iemand zei dan: “In de Slotermeer?”, dan zei ik heel nadrukkelijk dat wij in de Slotervaart woonden. Dat was deftiger, geloof ik.

We woonden in de Helena ­Mercierstraat, wat we uitspraken als Helena Mersjee. Vorige week pas kwam ik tot de ontdekking dat je het ook kan uitspreken als Mersier.

Het heeft even geduurd, maar ik troost mezelf met de gedachte dat er mensen zijn die Berlage hun leven lang op stellage laten ­rijmen. Ik sta niet alleen waar het om uitspraakproblemen gaat.

De Helena Mercier was een doodgewone straat in een saaie buitenwijk, maar de straat kende toch enkele attracties. Zo woonden wij boven Heddy Lester en naast Max Woiski Jr. Ik geloof dat Max Woiski Jr. in die dagen vooral bekend was als ‘de zoon van B.B. met R.’, Rijst met kousenband moest nog ­komen.

Woiski was een flamboyante ­verschijning die op zijn balkonfeesten altijd door mooiste vrouwen werd omringd. Ik hoopte ­altijd dat ze zouden ­vragen of ik geen zin had om ook wat te komen drinken, nee dus.

Heddy Lester was een jaar of elf in die dagen en als haar vader en moeder gingen stappen, mocht ik op haar en haar broertje en zusje passen.

Vooral door het zonnige karakter van de goedlachse zangeres in spe was het een leuke klus, waar ik nog geld voor kreeg bovendien.

Onlangs was ik even in de Helena Mercierstraat. In ons huis woont nu de familie A. El Jeroudi, en waar Heddy woonde, wonen nu de Douga Bisai’tjes. Verder is er in de straat weinig veranderd.

Bij de jongen van de viskar op de markt bestelde ik drie ons pelgarnalen. Onzeker liet hij zijn blik dwalen over rog en heek, poon en griet, mul en tarbot om ten slotte bij de zak garnalen te belanden. “Zijn dit pelgarnalen?” zei hij ­tegen zijn baas. “Je moet ergens beginnen,” zei zijn baas tegen mij.

Bij de bloemenman aan de overkant lagen bosjes gemengde tulpen.

Omdat ik iemand ken die zeer op gemengde tulpen gesteld is, zocht ik een bosje uit. “Vier ­euro,” zei de bloemenman, “maar drie bos voor een tientje.” “De vaas wordt er niet groter door,” zei ik. “Je bent standvastig,” zei hij, terwijl hij me geld teruggaf en het bosje gemengde tulpen overhandigde.

Weer thuis kregen de tulpen hun vaas, een lage vaas met een wijde hals, lang geleden geërfd van een vriendin die niet langer wilde ­leven. “Guus regelt alles,” zei ze nadat ze de pil had ingeslikt die er een einde aan moest maken. De mannen die haar ’s avonds kwamen halen om haar naar het uitvaartcentrum te brengen, maakten nadat ze de achterdeuren van de Korthals hadden gesloten allebei een diepe buiging, had ik vanachter het venster gezien.

Inmiddels waren de tulpen, tien in getal, hun tulpendans begonnen, zoals de liefhebster van ­gemengde tulpen dat belieft te noemen. De steile stelen maken een naar buiten gerichte knik, ­zodat de afstanden tussen de ­bloemen groter worden en wisselend, waarna de tulpen in zes kleuren, enkel of dubbel, zich ontvouwen, een springerige affaire al met al.

De tulpen staan nu in volle ­glorie, de tulpendans in volle gang, maar het verval is al ingezet en over niet al te lange tijd zal het eerste bloemblad loslaten en vallen, tulpen.

Hoe het kan, weet ik niet, maar het Funenpark is me altijd ontgaan. Ik was even ­wezen kijken bij het Schelpen-­museum in de Czaar Peterstraat en toen dat gesloten bleek te zijn, was ik overgestoken naar de Blankenstraat die mooi uitkijkt op De Gooyer, waar ik achter een hek een heus park zag liggen. Dat er eerst niet was, of ben ik nou gek?

Er stonden reusachtige stalen sculpturen in het park en aan de randen lagen diverse scholen, ­ieder achter zijn eigen hek. Het was er lekker rustig, en daarom lekker fietsen, misschien wel, ­bedenk ik achteraf, omdat fietsen er verboden is.

Toen ik de uitgang naderde, werd mijn aandacht getrokken door een bakstenen schoorsteen als van een oude fabriek met daarop een beeld dat op het punt van wegvliegen leek te staan.

Is het een vogel, dacht ik, is het een vliegtuig? Nee, het is Bicycle Repairman! Waar ik natuurlijk niks mee opschoot. Nadat ik het beeld van alle kanten had bekeken, ­besloot ik dat ik er niet uitkwam.

Achter het hek van de tuin voor het gebouw met schoorsteen en beeld stond een jonge vrouw. “Mag ik iets vragen?” vroeg ik.

Dat mocht. “Weet jij misschien wat voor beeld dat is?”

De vrouw had Mickey Mouse-oren, zag ik ineens. “Een engel,” zei ze. “Zo heet het gebouw ook. De Engel. Het is een monumentaal pand en een kinderdagverblijf.”

“En weet je wat het vroeger was,” zei ik, terwijl ik vaststelde dat de vrouw een zwarte dopneus had. Dat wist ze niet.

“Nou ja,” zei ik, “ik weet in ieder geval meer, en dat dankzij een vrouw met Mickey Mouse-oren en een dopneus.”

“Tja,” zei ze, “carnaval.”

Op een middag laat in 1978 stond ik café de Pool toen ik een groenbesnorde tuinkabouter hoorde zeggen: “Die Reneman heeft altijd wat. Nou is ie weer dood.” De Reneman in kwestie was Max Reneman, een van de ­o­prichters van het Deskundologisch Laboratorium en de vervaardiger van het kunstgebit van Jasper Grootveld.

Maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat iedereen maar dood gaat. Eerst ging Reineke van der Linden dood. Ik memoreerde haar snoeiharde backhand. Toen Martha Bakker. Die al vier dood bleek te zijn. De moeder van een goede vriend ging dood. Letty Kosterman ging dood. Ik dacht aan haar vriendelijke stem.

Piet Keizer ging dood. Ik deed de schaar. Steye Raviez ging dood. Ik zag zijn grijze ogen. Henk Elsink ging dood. Ik zong ‘Wij streven in dit leven/ om het werken te beperken/ tot de minimale grens/ wij vechten voor de rechten van de mens’.

Loetje Klinkhamer viel van de trap. En toen ging Misha Mengelberg dood en was het even weer 1959 of daar omtrent. Hoe hij mijn leven toen is binnengeslopen, weet ik niet meer, maar ineens was hij er. Een sigaretten rokende zenuwlijer van een pianist die krom gebogen boven de toetsen zat.

Hij had een trio, maar de ­bassist kan ik me niet herinneren. Hetzelfde geldt voor de drummer. Harry Piller, zie ik na lang zoeken. Je hoorde ze overal, in jazzclubs en jazzcafé’s, in de AMVJ, zomaar ergens ik weet niet meer waar, op het Loosdrecht Jazz Festival dat ze wonnen in 1959, maar daar was ik niet bij.

Ze kwamen en gingen, en wij volgden. Geen tijd voor geouwehoer, Mengelberg was onbenaderbaar. Wat hij deed, de held van mijn jeugd, leek op Monk, maar dan anders.

In de tram op weg naar de Campertstraat vertelde Theo dat hij nog met Piet Keizer in de klas had gezeten. “Een moeilijke jongen,” zei Theo, “altijd dwars. Maar hij kon goed voetballen. Het gekke was, dat hij als iemand er eens in slaagde de bal van hem af te pakken, woedend werd.”

“Toch mooi,” zei ik toen we uitgestapt waren, “dat Remco zijn eigen
straatje heeft. Net als Hans Ree trouwens.”

“En Pim Fortuyn,” vulde Theo aan.

Langs de voormalige Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen liepen we in de richting van de voormalige (Letters weggevallen)wild & Hardenberg Gordijnen Fabriek.

“We woonden in de Andreas Bonnstraat,” zei Theo. “De kortste weg daarnaartoe is hier door de Tilanusstraat. Maar die nemen we niet.”
“Waarom niet?” zei ik.

“Omdat mijn vader ook nooit door de Tilanusstraat liep. Dat wilde hij niet.”

“Waarom wilde hij dat niet?” zei ik.

“Geen idee,” zei Theo.

Waarom zou iemand niet door de Tilanusstraat willen lopen, vroeg ik mij af. Mijn grootmoeder kwam liever niet op het stuk ­Nassaukade tussen de De Clercqstraat en de Da Costakade, zij had daar een dienstje gehad bij een dokter, maar Theo zijn vader, wat had die?

Andreas Bonnstraat 13, een hoog had een voorkamer, een tussenkamer, een achterkamer en een zijkamer. Daar hadden ze met zijn achten gewoond, vader en moeder, vijf kinderen en een opa.

“Mijn vader was nogal handig,” zei Theo, “en hij had van die bovenkooien getimmerd, met laddertjes.”

Samen keken we naar het verleden. “Aan de overkant,” zei Theo, “woonde een jongen met een grote verzameling Nederlandse Hitlerpostzegels. En schuin daaronder een jongen die graag meisjeskleren aantrok en dan bij ons thuis met mijn zusters poppen kwam spelen.”

Schrijvers die een boek in de boekwinkel hebben en een boekwinkel bezoeken, kijken altijd met een oog of ze hun boek zien liggen. Sommige schrijvers laten het niet bij dat ene oog, maar willen ook zien dat hun boek een keer verkocht wordt.

Na het verschijnen van Brief aan mijn moeder, zijn eersteling, had Ischa Meijer zich daartoe verdekt opgesteld op de boekenafdeling van De Bijenkorf. Een hele tijd ­gebeurde er niks, maar toen, Ischa vertelde het verhaal met verve, verscheen er een dame die bij zijn stapeltje halt had gehouden.

“Ze bekeek de cover,” zei Ischa, “pakte het boek van de stapel, draaide het om, bestudeerde het achterplat, las de eerste pagina, en legde het toen terug om zonder te kijken een boek van Peter van Straaten te pakken en het bij de kassa af te ­rekenen.”

Klein geluk, het boek, verscheen begin november van het vorig jaar. Toen ik een paar dagen later op het Centraal Station bij de AKO een krant kocht, zag mijn ene oog dat het een plaatsje had gekregen op de ‘Mooi Meegenomen’ tafel.

Kijk, dat was leuk. Niet dat ik me enige illusie maakte, plaatsjes bij de AKO zijn schaars, maar een weekje Mooi Meegenomen was mooi meegenomen. Maar zie, na drie weken lag Klein geluk er nog steeds, en negen weken later ook nog.

“Het is een AKO-seller,” grapten we, terwijl we filosofeerden over de vraag wat beter was, een lage stapel, want dan waren er veel ­verkocht, of een hoge want dan hadden ze hem moeten aanvullen enzovoort, enzovoort.

Vorige week was het voorbij. De laatste drie exemplaren stonden op hun kant tussen de nieuwe AKO sellers, het was mooi ­geweest.

De man die in de garderobe van het restaurant naast me stond te wachten om naar zijn tafel te worden gebracht, ging ­vergezeld van twee authentieke Kinkerstraatjes, allebei blond en heel veel goud. De man kwam me ­bekend voor, maar pas toen hij iets zei, herkende ik hem, Gerard ­Joling.

Nadat het trio in het ­restaurant was verdwenen, werd ik naar mijn tafeltje gebracht, waar ik de rest van het gezelschap afwachtte.

Het restaurant dat aan het ­Kleine-Gartmanplanstoen ligt, was Frans. De rode bistrobanken langs de wanden en de stem van Charles Aznavour uit de luidsprekers lieten daarover geen twijfel.

Alleen aan mijn tafeltje dacht ik terug aan de snackbar die hier vroeger zat op de hoek van de Ziesenis­kade. In de snackbar stond een plastic bol die als je hem een kwartje voedde een bekertje neerzette en het vulde met sinaasappelsap.

Maar de man die kwartjes in de machine gooide, haalde het bekertje iedere keer weg zodat de sinas klaterend over de toonbank stroomde. Toen hij door zijn kwartjes heen was, had ik hem mijn kwartjes gegeven.

Een ­melancholieke sinasrivier, half drie in de ochtend, in een lente van lang geleden.

“Hé, Gerard Joling,” zei de helft van de rest van het gezelschap toen hij naast me neerstreek. “In het Schager krantje,” zei ik, “stond een keer dat in Schagen in aanwezigheid van Gerard Joling een ­ ­Gerard Jolingroute werd geopend. Die voerde langs zijn geboortehuis naar de school waar hij op had ­gezeten en zo naar het café waar hij zijn debuut had gemaakt. ‘Zondagmorgen om elf uur verzamelen in de haven van Schagen’.”

De ochtend van 1 april had het er zwart van de mensen gezien.

Op het ’s Gravenhekje kwam ons een krantenbezorger achterop. ­Nadat hij ons vriendelijk had gegroet, stopte hij een krant in een bus en verdween om de hoek van het Rapenburg. Wij volgden, waarbij wij hem af en toe inhaalden en hij ons, maar steeds werden we vergezeld door het heerlijke geluid van een klepperende brievenbus.

Op de hoek met de Peperstraat probeerde ik me te herinneren hoe het Spaanse restaurant dat hier vroeger zat ook alweer heette. Het zat tegenover een van de eerste kraakpanden van de stad. Een goede vriendin, ze was toen zestien, maakte hier haar erfenis ­soldaat. Toen het geld op was, sprong haar Amerikaanse vriend van het dak. Dood. Met haar is het ook slecht afgelopen.

Aan het einder van dit stuk ­Rapenburg kwamen ons twee ­bereden polities tegemoet. De vriendelijke krantenjongen had zijn wijk erop zitten, hij keerde en het beste paard laat ook wel eens iets vallen, zo bleek. Nadat we de snelweg waren overgestoken, ­liepen we de Anne Frankstraat in.

Van alle trooste-­loze naar grote schrijvers genoemde straten van onze stad is de ­Anne Frankstraat wel de ergste. Deprimerend. Maar na ‘borreltje, balletje, Blauwe Druif’ voelden we ons weer het heertje.

Het schemerde toen we in ­verband met de bus terug het ­Kattenburgerplein bereikten. Het plein lag geheel verlaten en vandaar dat we ons een hoedje schrokken toen we ineens een stem hoorden. Ik keek om ons heen, niemand, toch was er de stem, die zo te horen uit het Gooi stamde, maar beweerde op ­Kattenburg geboren te zijn.

Uit een put kwam een blauwig schijnsel. Aliens op het Kattenburgerplein? Haastig kozen we het hazenpad.

De vrouw droeg een hoed met een bontrand, een halflang bontjasje en een grijze rok. Haar ­lippen waren gestift, haar nagels gelakt en over haar wangen lag een vleugje poeder. Ze deed me denken aan mijn moeder toen die tegen de tachtig liep.

De vrouw had een grote tas bij zich en in die tas was ze iets aan het zoeken. Eerst op de tast, maar toen dat geen resultaat opleverde, nam ze een kijkje in het binnenste, terwijl het zoeken onverdroten verder ging.

Er werd van alles verplaatst, zag ik.

Toen haalde ze uit de grote tas een tweede tas tevoorschijn, een handtas die ze openknipte en in razende vaart vakje voor vakje doornam, precies zoals mijn moeder dat deed.

Maar mijn moeder zocht niets, niet in haar tas in ieder geval. Als ze iets zocht was het haar moeder. “Ik ga naar mijn moeder,” zei ze als ze een uurtje bij ons was. “Ik weet niet of je moeder thuis is, mam,” zei ik dan, “maar ik zal even bellen.” Ik draaide een ­nummer, maar er werd niet ­opgenomen.

De laatste keer dat mijn moeder bij ons was, pakte ze mijn arm zei: “Kom Jo, we hoeven hier niet te blijven. We gaan.” Mijn moeder wilde naar huis, dat ze al lang geen huis meer had, wist ze niet meer, zoals ze ook niet meer wist dat haar man al jaren dood was.

Mijn moeder had een grote tas en daarin zat haar handtas. In die twee tassen zocht ze naar haar verleden, dat zich niet vinden liet. De vrouw in de bontjas had haar pinpas inmiddels gevonden. ­Nadat ze had betaald, stopte ze hem zorgvuldig terug in het vakje. Waar ze hem gemakkelijk vinden kon.

In een etalage in de Molsteeg stonden Droste cacaoblikken gestapeld, van heel erg groot naar pieppiepklein, waardoor het Droste effect plotseling een heel ander aanzien leek te krijgen. Niet langer inwaarts maar omhoog.

Een ogenblik dacht ik dat je de blikken ook als Matroesjka poppen in elkaar zou kunnen schuiven, maar dat gaat natuurlijk niet.

Aan de voorzijde van de Nieuwe Kerk waren een paar mannen bezig een reuzenposter op te hangen met daarop de aankondiging van een expositie rond El Greco.

Terwijl ik de Nieuwezijds overstak maakte ik een snel uitstapje naar Toledo, waar ik lang geleden eens een week heb rondgelopen en bij iedere kerk die ik betrad weer verbijsterd stond, want altijd hing er in het halfduister tussen de brandende kaarsen een El Greco.

Als je weer buitenkwam, schemerde het en hoorde je overal de klokjes van de kloosters die over de hele stad verspreid lagen. Langs de ­Matroesjkawinkel liep ik naar de Dam.

Het Paleis was open, zag ik. Zou ik? Als jongen ben ik eens met mijn vader in het Paleis geweest. Bij een beeldengroep in een nis heeft hij me toen het verhaal verteld van het Salomonsoordeel, wat diepe indruk op me maakte. Hij zal het van zondagschool hebben gehad.

Mijn moeder kende het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil, dat kwam doordat ze als meisje een rolletje had gespeeld in Vondels Jozef in Dothan. Daar kon ze mooi uit citeren.

Nadat ik het Paleis rechts had laten liggen, liep ik in de Kalverstraat De Papegaai binnen. Reve kwam hier graag en vaak stuurde hij Carmiggelt om een kaarsje voor hem te branden. Ik was ik de enige klant vandaag, maar op het ­Begijnhof bloeiden de sneeuwklokken.

Overal in de stad zie je Ed van der Elskens foto van de tweelingzusjes op de Nieuwmarkt anno 1956. Op dat malle gebouwtje voor de badkuip aan het Stedelijk hangt ie zelfs op groot formaat.

"Wat zagen we er ouderwets uit,” zei een van de zusjes onlangs in de krant, maar het wonder is dat ze er in het geheel niet ouderwets uitzien, maar juist van alle tijden, om niet te zeggen tijdloos.

Elke keer als ik de zusjes tegenkom, maak ik een buiging. En vraag ik me af hoe ze het zelf ­vinden overal te zien te zijn. Hoe zou ik het vinden als mijn 4711-avontuur uit het midden van de ­jaren zestig ineens in de bioscopen draaide?

4711 was het soort eau de cologne dat geassocieerd werd met oma’s zakdoek. Om iets aan dat imago te doen, hadden ze een reclamefilm bedacht, waarin twee vlotte jongelui elkaar met 4711 besprenkelden, Jos Brink en ik dus. Jos Brink was toen nog niet beroemd, maar wel leuk.

We hadden een mooie dag. Dat ik een week later nog naar 4711 rook, was minder, maar de film was ­vervelend. Een tijd lang was het of het overal waar ik kwam naar 4711 begon te ruiken. ­

Toen alles was overgewaaid, liep ik op een nacht in de Reguliersdwarsstraat langs de MacDonald, een homobar. Kom, dacht ik. “Ben jij homoseksueel?” wilde de portier weten. “Vanavond wel,” zei ik. Dat bleek het goede ­antwoord te zijn.

Binnen, aan de kop van de bar, stond Jos Brink. Toen hij me zag, plooide zijn gezicht zich tot een ­vileine glimlach. “Doe mij nog een keer hetzelfde,” zei hij tegen de barkeeper, “en voor hem een 4711."

We stonden aan de kassa van de City onze bioscoopkaartjes af te rekenen toen er met enigszins opgestoken veren vier dames de trap afkwamen. “Kunt u ons vertellen,” zei de dame die voorop liep tegen de caissière, “welke film wij hebben gezien?”

“Als u me zegt in welke zaal u zat, kan ik u dat vertellen,” zei de caissière. “In de verkeerde,” zei de vrouw. “We ­hadden stoel 7, 8, 9 en 10 op de vierde rij, maar er was geen stoel 10 en toen zijn we naar die andere zaal gegaan.”

“En daar was wel een stoel 10?” mengde ik me in het gesprek. Daar was wel een stoel 10. “Maar,” zei de vrouw, “toen zaten we in de verkeerde film en dus zijn we ­teruggegaan.”

“Hoe heette die film?” vroeg ik. “Personal shopper,” zei de vrouw. “Maar die ­wilden jullie niet zien?” “Nee, we wilden die andere film zien. Maar we weten niet hoe die heette, want we hebben het ­begin gemist.”

“En jullie weten ook niet in welke zaal jullie hebben gezeten,” zei de caissière.

De vrouw keek op haar kaartje en noemde een zaalnummer, welk ben ik vergeten. “Dan hebben ­jullie De ­Zevende Hemel gezien,” zei de caissière. Waarmee hun problemen waren opgelost en die van ons begonnen, want onze film bleek een bord zaagsel dat zich maar niet leeg liet eten.

Toen we eindelijke naar buiten mochten, stond er een verse rij klaar. Niet zo’n lange rij als in lang vervlogen tijden voor de tweede voorstelling van de Cineac Damrak, maar toch.

“Ik zou het niet doen,” zeiden mijn vriend en ik dan tegen de wachtenden. “Echt niet doen, want het is verschrikkelijk,” waarna we tevreden naar de kroeg ­togen.

De moeder van mijn vriend was onverwacht overleden. Het was hem droef te moede, maar als het hem te machtig werd en hij moest huilen, was er zijn zesjarige dochter van bijna zeven om hem met grapjes op te vrolijken en aan het lachen te maken.

“Toen we voor de eerste keer naar de tandarts gingen,” zei mijn vriend, “zat er een heel sombere man in de wachtkamer, echt met zo’n gezicht.

En toen deed ze dat ook. Maar de man was er niet van gediend. ‘Jij bent zeker de grapjas thuis,’ zei hij tegen haar.”

“Ik wou dat ik een tientje vond,” zei het elfjarige zusje van Bijna ­Zeven dat aan het spelen was met een speelgoedmuis en een ­namaak gatenkaas. “Houden ­muizen echt zo van kaas?” informeerde ze.

“Jazeker,” zei ik. “Heb je wel eens van Laurel en Hardy gehoord, de Dikke en de Dunne?” Dat had ze niet. ”Die hebben eens een film gemaakt,” vervolgde ik, “waarin ze een muizenval hebben uitgevonden. En dan gaan ze naar Zwitserland om die te verkopen, want in Zwitserland hebben ze heel veel kaas en moeten er dus ook veel muizen zijn.”

“Ik weet wel een mop over een dikke en een dunne,” zei de oudste dochter. “Een dikke man komt een dunne man tegen en die zegt… nee, wacht even, zo ging het niet.”

Toen ze de kamer had verlaten om haar moppenboekje te raadplegen, vroeg ik Bijna Zeven ­wanneer ze zeven werd. “In ­februari,” zei Bijna Zeven. ­“Wanneer in februari?” zei ik. Dat wist ze niet. “Maar als je dat niet weet,” zei ik, ”hoe moeten wij dan weten wanneer we je een cadeau-tje moeten geven.”

Als je bij de Nieuwezijds Kolk de Kolksteeg neemt en vervolgens de Oudebrugsteeg, de Lange Niezel en de Korte Niezel, loop je in een vrijwel rechte lijn naar de Zeedijk. Waar we de Nieuwendijk kruisten, was het zo druk als in de Kalverstraat op Koninginnedag maar dan met toeristen.

Damrak druk, Warmoestraat nog drukker, druk op de Oudezijds Voorburgwal, druk op de Oudezijds Achterburgwal, druk op de Zeedijk en ook op de Nieuwmarkt was het een drukte van belang.

Maar zodra je de Koningsstraat in loopt, verandert er iets. Geen drukke terrassen meer, de toeristen verdwijnen uit beeld, het ­rumoer verstomt.

In de Korte Koningsstraat zaten vier meisjes voor hun huis op een bordeelrode canapé. Op het tafeltje voor de canapé stonden allerlei heerlijkheden uitgestald. Ik bleef staan en vroeg waarom ze buiten zaten.

“Waarom niet,” zei een van de meisjes. “Omdat het zonnetje zo lekker schijnt,” zei een tweede, wat waar was, al merkte je er hier niks van.

“Wilt U misschien een plakje worst?” vroeg een derde. “Of liever een stukje kaas?” Ik koos voor worst. “Een lekker dik stukje,” zei het meisje terwijl ze me mijn plakje worst overhandigde.

Tevreden vervolgden we onze weg, door de Korte Koningsdwarsstraat naar de Rechtboomsloot en zo naar de Oudeschans.

De stad was stil en liet een gezicht zien van lang geleden, met veel water, dat blikkerde in de zon, met de Oude Waal en de Binnenkant en schepen waarop een wasje in de wind te drogen hing, met Malle Jaap en de gouden bol op zijn kroon en het schip dat de wind wijst, de Kalkmarkt en het ’s Gravenhekje aan de overkant, als vanouds bereikbaar via de Kikkerbilsluis.

Onze slager, vet en ­mager, op de Marathonweg noemt mij Guus. Dat bevalt uitstekend. Zijn zoon, die onlangs een baardje heeft genomen, wat hem volgens dames in mijn kennissenkring uitstekend staat, noemt me meneer Guus, ook niet verkeerd.

Onlangs was hij voor een al wat oudere dame een lamsrollade aan het maken en had daartoe een lam gefileerd. Dat zie je niet vaak meer.

Slagers doen het echte werk ­vandaag de dag meestal buiten beeld. Zijn werkzaamheden trokken daarom veel bekijks. “Je kan wel met de pet rond,” zei ik.

Even later begon hij aan het insnoeren, wat het vlees uiteindelijk tot een rollade zou maken. “Deze knoop,” zei hij, terwijl hij iets ­ondoorgrondelijks deed met het rood-witte rolladetouw, “heb ik van een 92-jarige man geleerd, die hem zelf weer van een oude Rus had. Hij is heel anders dan die van mijn vader, want die gaat zo,” en opnieuw deed hij iets ondoorgrondelijks met het touwtje.

“Ik ben vroeger akela geweest,” zei de dame die de rollade besteld had, “en ik weet dus van knopen, van paalsteek en mastworp, maar deze twee knopen kende ik niet.”

Onwillekeurig dacht ik: ‘Akela, wij doen ons best/ u kleedt zich uit/ wij doen de rest.’ Ik kon het niet helpen, zoals ik het ook niet helpen kan, dat ik na het woord slager altijd ‘vet en mager’ denken en zelfs vaak zeggen moet.

Intussen keek ik nog steeds naar het rolladevakwerk, maar in mijn hoofd zong het ‘In negentien-drie- zeven, dan zal je wat beleven/dan komt de jamboree naar Nederland’.

En toen de rollade klaar was, moest ik me inhouden, anders had ik het laten klinken: ‘G-O-E-D Z-O-O, goedzoo-goedzoo-goedzoozoo!’

Antiquariaten zijn er om mannen met elkaar te kunnen laten ouwehoeren. De antiquaar in de beste stoel van het huis, een vaste bezoeker in de stoel schuin tegenover hem en staande de man die zojuist binnen is gekomen om ook een duit in het zakje te doen.

De gesprekken gaan over een niet of juist wel gekocht boek, een zeldzame catalogus, een foto uit de jaren vijftig waarop een schip vol koeien voor ’s Lands Zeemagazijn langs vaart, de man die de Pléiade-albums verzamelde en zijn verzameling compleet had op één na, het onvindbare nummer van het tijdschrift Barbarber, en nog veel veel meer.

Maar altijd is er de man die vertelt dat zijn vrouw heeft afgekondigd dat er voor elk boek dat hij thuisbrengt een ander boek de deur uitgaat.

Deze keer bevond ik mij niet in een antiquariaat, maar heel ­toevallig, per ongeluk en in het ­geheel niet expres in een winkel waar een piepklein vliegtuigje te koop stond. Het kwam uit Madagaskar en had iets van een Dakota, maar dan met veel te korte vleugels.

In de cockpit zaten echte ­ramen en in de romp waren ­venstertjes gestanst. Het was ­gemaakt uit glanzend blik dat ­verrassend goed in elkaar gelast was. Ik hield het tussen duim en wijsvinger en nadat ik had vast-gesteld dat het geluk afgaf, liet ik het inpakken.

Thuis haalde ik het fonkelende machientje uit het papier en liet het haar vol trots zien. “Prachtig,” zei ze, “maar vanaf nu betekent een vliegtuig erin ook een vliegtuig eruit.”

Het was druk in de eerste klas restauratie op het Centraal Station. Aan het tafeltje naast het onze zaten twee mannen met ­elkaar te praten. De ene droeg wandelschoenen, de andere was kaal.

“Hoe ben jij hier verzeild ­geraakt?” zei de man op wandelschoenen.

“Ik ben naar de Hema geweest,” zei de kale man, “eerst naar Het Anker en toen met de trein naar Amsterdam om naar de Hema te gaan.”

“Het Anker is van de Pinkstergemeente,” zei de man van de wandelschoenen tegen mij. “Martin komt ook uit Den Helder, we zijn oude vrienden. Vroeger kwam hij wel eens bij me eten, macaroni, macaroni met ham en kaas en spek. Toen waren we allebei nog getrouwd. Je moet weer eens ­macaroni bij me komen eten, ­Martin. Ik zal het adres voor je ­opschrijven.”

Terwijl Martin het adres bestudeerde, richtte de wandelschoenenman zich weer tot mij. “Ik ben wezen wandelen,” zei hij. “Bij ­Elburg. Met mijn wandelvriendin.”

“Moet ik de Ruyghweg af om bij je te komen?” zei de kale man tegen hem. “Weet je die sigarettenwinkel? Daar moet je naar links, dan ben je er zo.” De kale man ging in conclaaf met de plattegrond in zijn hoofd.

“Ik heb ook een schouwburgvriendin,” zei de wandelaar tegenmij. “En ik zoek nog een knuffelvriendin.”

“Is die sigarettenwinkel in de ­Fazantenstraat?” zei Martin. ­“Precies,” zei de man met de ­wandelvriendin. “Daar loop je zo de Ooievaarstraat in.”

“Ga je nog naar de gemeente?” zei Martin.

“Nee,” zei zijn vriend. “Ik geloof nog wel hoor, Martin, maak je geen zorgen, maar die kerkgenootschappen met al hun regels, dat is niks voor mij. Ik ben een vrije denker.”

In het Stedelijk Museum ­legde ik mijn Premselatasje in een kluis. Toen ik de euro in de gleuf wilde steken om het kastje te sluiten, ontdekte ik dat er nog een euro inzat. Een hele euro, gauw verdiend.

Ik draaide het kluisje op slot en was op weg naar de toegang tot de zalen toen me een gehaast echtpaar tegemoet kwam. “Ik denk dat ik de ­euro in de kluisdeur heb laten ­zitten,” hoorde ik hem zeggen.

Even later kwamen ons in een welhaast gewijde stilte de eerste Tinguely’s tegemoet. Even fragiele als doorzichtige kleine machines die doodstil in hun vitrines stonden. Je kon je haast niet voorstellen dat ze nog niet eens zo heel erg lang geleden vrolijk hadden rondgedraaid, om het ronddraaien zelf of om iets maken, een tekening bijvoorbeeld.

In Parijs, in 1983, kon je zo’n tekenmachine een tekening laten maken. Een vijf francstuk zette de machine in beweging. Vijf franc voor een echte Tinguely, niet gek.

De stilte in de zalen van het ­Stedelijk wordt af en toe verstoord door gedreun en gehamer van ijzer op ijzer, en zie, om de hoek staan machines die nog werken. Op gezette tijden slaan ze aan om de toeschouwers een brede ­glimlach op het gezicht te toveren.

Ik heb maar een machine ­gekend die net zo onderhoudend was als een Tinguely. Het was een smalle zwarte doos met in de ­bovenzijde een gleuf. In die gleuf zette je een gulden. De machine zei dan ‘borre borre’ waarna er een luikje openging waar een handje uitkwam dat de gulden uit de gleuf pakte en meenam naar het binnenste van het apparaat.

Een gulden per voorstelling, niet duur.

Van alle grote voetballers die ik heb zien voetballen, zag ik Piet Keizer het vaakst en het liefst. Piet Keizer was al van Ajax toen Johan Cruijff nog moest verschijnen en toen Cruijff vertrok, bleef Piet gewoon in Amsterdam.

Piet Keizer was een geniale voetballer. Hij speelde op links en daar beoefende hij de schaar. Ontelbare discussies heb ik bijgewoond over deze schaar. Allerlei mensen heb ik hem zien voordoen op het droge, waarna de discussie werd hervat, totdat iedereen het eens was, dat de schaar een simpel kunstje was, iedereen kon het, en het een wonder was dat verdedigers aller landen er altijd weer ­intrapten.

“Ze weten dat ie het gaat doen, en als hij het doet, is het te laat.”

Het was een mysterie, net als Keizer zelf. Piet Keizer leek een beetje luie speler. Vaak leek hij daar maar zo’n beetje te hangen op links, maar wij op de Reynolds ­Tribune wisten wel beter.

Piet was als een cheetah, met de juiste ­versnelling op het juiste moment. Ik heb hem prachtige doelpunten zien maken, waar je hem vooral niet op moest aanspreken.

Op het hoogtepunt van zijn roem woonde ik onder hem in een erker op de hoek van de Utrechtsestraat en de Prinsengracht. Zijn oude Peugeot stond aan de gracht. Om de Peugeot heen hingen wachtende fans, vooral op maandag.

Ik zat dan in die erker ook te wachten. Want ineens zou beneden de deur open gaan, waarna de vedette met het spleetje tussen de tanden zijn sprintje trok en diverse tackles ontwijkend zigzaggend zijn auto bereikte, waar hij in zat voor ze het wisten, om vervolgens vol gas weg te spuiten, de vrijheid tegemoet.

Ik had een afspraak met een filmproducer, die toen ik Americain binnenkwam in druk gesprek was met ­Misha Mengelberg. Toen ik me aan hun tafeltje vervoegde, haalde de laatste tycoon zijn sigaar uit zijn mond en stelde ik me voor.

“De held van mijn jeugd,” zei ik tegen Mengelberg terwijl ik zijn hand schudde. Mengelbergs gezicht ­betrok. “Je begint toch niet over die ellendige jazz,” zei hij.

En dit was dan het eerste gesprek uit de reeks ‘Mijn Gesprekken met Beroemde Jazzmuzikanten.’ Het tweede gesprek, tevens het laatste in de reeks, vond plaats in De Kroeg, waar ik na zo’n drie kwartier wachten de wc opzocht en onderweg op Chet Baker stuitte. “There you are,” zei ik tegen hem, waarop Chet Baker antwoordde met: “Sorry I’m late.”

Even later haalde hij zijn trompet uit het kistje waarin trompettisten hun trompet vervoeren en blies tot in de kleine uurtjes sterren van de hemel. Niet veel later viel, sprong of vloog hij naar zijn dood.

‘Getrokken door een bootje lag hij op een vlot in een bed van stro,’ schreef Johnny van Doorn na de dood van Chet Baker. ’De hele ­route lang door z’n geliefde ­Amsterdam klonken er zacht tromgeroffel en ijle trompetklanken.

Op de Wallen werden de ­kleurigste boeketten naar zijn baar geworpen. Het bootje sleepte hem het IJ op, richting open zee. Zo had ’t moeten zijn, dacht ik.’

In werkelijkheid lag Chet Baker opgebaard in een uitvaartcentrum in Zuid. Zijn gezicht was zorgvuldig opgemaakt, maar het bleef een doodshoofd, alleen dood nu. Baker was klein zoals alle doden en zijn trompet, die aan het voeteneinde van kist lag, leek met hem overleden.

Als je vanaf de Ceintuurbaan de Eerste van der Helst in fietst, rijd je zo de fietsvrije zone binnen. ‘Afstappen, want er wordt gehandhaafd,’ staat er dreigend. Ik ben gek op autovrije zones en fietsvrije zones horen daar ook bij, dus vervolg ik mijn weg met mijn fiets aan mijn hand.

Midden op de stoep zit een bedelares, die kleine buiginkjes maakt voor een kartonnen bekertje. ­Raoul Heertje loopt voorbij en op de Albert Cuyp is een man in de weer met stoffer en blik. “Nee,” zegt hij, “dat gaan we niet doen, dat is zo zielig begrijp je wel, daar kunnen we niet aan beginnen.”

Bij het oversteken van de Cuyp waait de geur van vis met me mee. Hinkelbaantje, slagerij Zagora voor kalfsvlees, geitenvlees, merguez, lamskoteletten, kalfskoteletten en al uw fruit en op de hoek de Pilsvogel die uitgebaggerd wordt ‘op zoek naar een nieuw fundament’.

Bij de Gerard Dou­straat voel ik me een beetje als Hoyer die met het spoor door het Naardermeer rijdt en niet naar buiten kijkt. Omdat hij het Naardermeer al kent, zoals ik denk de Gerard Dou te kennen.

Maar de houten deur waarop van boven naar beneden het woord ‘geluk’ te lezen valt, had ik nog nooit gezien. Net zo min als het versje van Arthur van Schendel op de gevel van café de Punt: ‘De driehoek had het hier voorheen geheten./ Dan Nieuwe Buurt, dan als de Pijp bekend,/ Een naam die stond voor jool en pierewaaien/ Van schilder en student tot losse dame.’

“Links de Gerard Dou,” zegt de baas van café de Punt, “rechts de Jacob van Campen en daar de Sweelinckstraat. Vandaar dat hier iedere zondag levende muziek is.”

De stad is vol torentjes, maar het torentje van Denig was me nooit ­opgevallen. Een vriendin vroeg ernaar. “Je bent toch van de torentjes,” zei ze, “weet jij iets van het houten torentje aan de achterkant van Denig?”
“Denig?” zei ik, “wat zal dat wezen?”

Hoon was mijn deel. Wist ik niet waar Denig was, Carl Denig, de beroemde kampeerspullenwinkel waar Amsterdammers al generaties lang hun kampeerspullen kopen? Wat was ik voor ­Amsterdammer, en was ik er wel een?

Een paar dagen later belde ­dezelfde vriendin omdat ze het Zagertje niet kon vinden. Ze had de platanen in het naamloze parkje tussen Casino en Byzantium, in de wandelgangen sinds mensenheugenis bekend als het Leidsebosje, een voor een bekeken, maar geen Zagertje te bekennen.

Enig gevoel van triomf kan ik niet ontkennen, maar ik hield me in en legde haar uit dat ze in het ­verkeerde gedeelte van het Leidsebosje aan het zoeken was ­geweest.

“Kan je je herinneren waar de AMVJ zat?” Natuurlijk kon ze zich dat, want op zondag gingen we wel naar Jazz at the AMVJ, met Pietje Kuiters of het trio van Rob Madna. “Daar dus,” zei ik.

Waarmee we terug zijn bij het ­torentje van Denig, dat tegenover de lampenwinkel van Hazewindus blijkt te staan. Ik ken iemand die wel eens naar de lampenwinkel van Hazewindus fietste om zich daar verdekt op te stellen in de hoop Roel Hazewindus iets aan een van zijn lampen te zien verstellen. Maar over het Torentje van Denig had ik hem nooit gehoord.

Toen ik besloot ter plekke een kijkje te nemen, nam ik onderweg een verkeerde afslag zodat ik, Amsterdammer, niet in de Weteringstraat maar op de Lijnbaansgracht belandde.

Omdat er een aantal ­documenten voor me was klaargelegd, ­vervoegde ik mij bij de daartoe bestemde zaal van het Stadsarchief. Bij de deur werd ik aangesproken door een dame met een potlood in haar hand die me vroeg of ik schrijfgerei bij me had.

“Altijd,” verzekerde ik haar, terwijl ik haar mijn opschrijfboekje en balpen liet zien. “Een balpen is verboden,” zei ze, “maar hier heeft u een potlood.” ­

In de studiezaal begaf ik mij naar de balie waar ik mijn verhaal over de klaargelegde documenten nog maar net begonnen was, toen ik door de baliemedewerker werd onderbroken. “Wat is uw tafelnummer?” vroeg hij.

Tafelnummer? Ik heb geen tafelnummer. Maar dat moest wel, dus werd ik naar de hoofdbalie verwezen om er een te halen.

“Ik moet een tafelnummer hebben,” zei ik tegen mijn vriendin van de hoofdbalie. “Heb je je pasje bij je?” vroeg ze. “Welk pasje?” zei ik, waarop ze een aantal handelingen op de computer verrichtte en vaststelde dat ik wel een pasje heb, maar dat het verlopen was, zodat er een nieuw gemaakt moest ­worden.

“Heb je een legitimatie?” zei ze. Jazeker, maar niet bij me. “Dan moet je de chef even bellen,” zei een andere baliemedewerker. Even later ging zijn telefoon. “Luijters?” hoorde ik zeggen. “Een pasje? Zonder legitimatie? Nee, daar kunnen we niet aan beginnen!”

Met pas en tafelnummer gewapend keerde ik terug naar de ­studiezaal, waar ik in vooroorlogse documenten las over wanhopige mensen die een paar guldens ­vragen om schoenen voor hun kinderen te kunnen kopen, een werkbroek of om de huur van die week te kunnen betalen. Lang ­geleden, zo dichtbij.

Op de kop van de Jan Eef, vlak voorbij Chinees en Libanees, stond een groot bord op de stoep met de woorden: ‘Actie! Benen, ­bikini, oksels & bovenlip. 250 ­euro.’ Dat loog er niet om.

Ik was op weg naar de Vespuccistraat om te kijken of Ginkgo’s ’s winters ook stinken, maar om de een of andere reden ging ik bij de Vespuccistraat niet rechts maar links af, langs Bar Baarsch met de jongelui achter hun laptop en het aanpalende buurtcafé met de mannen aan het bier.

Zo belandde ik in de Cabralstraat voor een bunkerachtig gebouw, dat zichzelf Midwest noemde. Ik stond door een hek naar de tuin te loeren – hoorde ik daar kippen? – toen een man mij binnen nodigde.

Ik vroeg hem of hij wist wat voor gebouw het was waarin Midwest zetelde. “Het lijkt een crematorium,” zei hij, “maar het was geloof ik een school.

Als je meer wilt ­weten, moet je naar Anita gaan, dat is de beheerder.”

Toen ik me bij Anita bekend maakte als de ­razende reporter van Klein Geluk bleek ze zowaar een fan van deze rubriek. “Ik lees je iedere dag, Kees,” zei ze, “want ik mag wel Kees zeggen, hè.”

Volgen Anita leek het gebouw op Radio Kootwijk, “Radio Kootwijk in de Baarsjes.” Nadat ze me het oude gymnastieklokaal met ­wandrek en ringen had laten zien, waar een kantine gaat komen die tevens buurtcafé is, overhandigde ze me een flyer waarop voor 30 april de Ronde van de Orteliusstraat, de Grote Prijs Piet van Heusden en het wereldkampioenschap langzaam fietsen worden aangekondigd.

“Misschien heb je zin om te­ ­komen?” zei Anita. “Ik zal er over nadenken,” zei ik, maar het ­neuriede al van pret.

Op het Roelof Hartplein zag ik de moeder van Marthe de bibliotheek uitkomen. Ze had een klein meisje aan haar hand en ik dacht, dat zal Marthe zijn. Ik ken Marthe ruim drie jaar, maar veel weet ik niet van haar.

Ik weet dat ze mooi kan zingen, dat ze van ­ijsjes houdt en een tijdlang geen trappen lopen wou. Wat lastig was, want ze woont driehoog.

Inmiddels heeft ze het trappenlooploze tijdperk achter zich gelaten en zou het liefst iedere dag de trappen van de Wolkenkrabber beklimmen, om van boven langs de trapleunig weer naar beneden te glijen.

“Ben jij Marthe?” zei ik op de ­flemerige toon die volwassenen aanslaan als ze bij een kind in een goed blaadje willen komen. ­Marthe keek me even aan, maar ging toen verder met doen wat ze aan het doen was voor ze werd aangesproken, iets met haar handschoenen. “Marthe kan heel goed haar handschoenen ­nadoen,” zei haar moeder, waarna ze zich tot mij richtte en wij het soort mededelingen begonnen uit te wisselen die volwassenen uitwisselen als ze elkaar een tijdje niet gezien hebben.

Kinderen hebben bijzonder weinig geduld met dat soort gesprekken. ‘Boejuh,’ zie je ze denken, zelfs al zijn ze nog maar drie. Marthe begon aan haar moeders hand te trekken. “Ze wil naar de dierenwinkel,” zei haar moeder. “Dierenwinkel?” zei ik. “De winkel op de hoek met al die opgezette dieren.”

Bij de winkel gekomen, bewonderden we de opgezette beer en de opgezette ezel, het opgezette varkentje en Teigetje natuurlijk. “Zei je nou dat Marthe zo goed haar handschoenen kan nadoen?” zei ik. “Marthe kan heel goed haar handschoenen aandoen,” zei Marthe’s moeder, “en dat is heel moeilijk, hè Marthe.”

Schuin tegenover het Victoria Hotel liet een vrouw schreeuwend weten dat Boeddha en Mohammed nederig het hoofd bogen voor de Here Jezus.

“Misschien gelooft u mij niet,” riep ze opgewonden uit, “maar het is waar.” Waarop ze in een soort gezang uitbarstte met als refrein de regels “Het is waar, het is waar/ Jezus is opgestaan.”

De Cost Gaet Voor de Baet Uyt staat in de steigers, zag ik en zo ter hoogte van de Beurs hervatte ik mijn eindeloze gepieker over de vraag waar café De Graankorrel ook alweer had gezeten, als het ­café al De Graankorrel had geheten en niet De Graanbeurs of zoiets.

Voordat Renate Rubinstein mij tot Volksvijand nummer 1 uitriep, ging ik wel eens iets met haar ­drinken en dat deden we dan in De Graan- of in De Gerstekorrel. Café de Gerstekorrel bevond zich, denk ik, op de plaats waar zich nog altijd Hotel De Gerstekorrel ­bevindt, in de Damstraat. Graan en gerst, maar de cafés van Rubinsteins voorkeur hadden nog een overeenkomst, in beide cafés speelde een damesorkest.

De Gerstekorrel en de Graankorrel waren gewone cafés, grand-­cafés zouden we nu zeggen, maar het interieur had ook iets van een nachtclub. Stonden er schemerlampjes op de tafeltjes?

Het orkest zat op een piepklein podium en de dames droegen als ik me goed herinner een smoking. De meesten speelden viool en een enkeling trompet of saxofoon. Een zangeres was er niet. Als de leider van de band niet de eerste viool speelde, dirigeerde ze haar dames met de strijkstok.

Wat er gespeeld werd, weet ik niet meer. De aanwezigheid van Renate zal er iets mee te maken hebben.

We hadden afgesproken bij de haringkar op het Haarlemmerplein en omdat we er toch stonden, besloten we een harinkje te nemen.

“En jij moet betalen,” zei ik tegen mijn geliefde, “want ik ben naar de ­kapper geweest.” “Verhip,” zei ze, “dat had ik niet gezien.” “En dat terwijl ik het voor jou doe,” sprak ik dramatisch.

Op dat moment kwam de haringman zijn kar binnen. Hij droeg een grote rode ijsmuts. “Ben je naar de kapper geweest?” zei hij tegen me. “Goed geknipt!”

We moesten lachen en de ­haringman en zijn haringvrouw lachten mee. “Hebben we toch nog gelachen,” zei de haringman toe we uit gelachen waren.

Ik vertelde dat ik onlangs een fietstochtje had gemaakt dat op het Roelof Hartplein begon en me via de Centuurbaan naar de andere kant van de Amstel en de ­Linnaeusstraat had gevoerd. Ik was door het Oosterpark teruggereden. “Toen ik weer thuis was, dacht ik, er is iets, maar wat? En ineens wist ik het. Onderweg was ik geen een haringkar tegengekomen.”

“Haring is iets voor vijftig plussers,” zei de haringman. “Jonge mensen eten geen haring.” “Waarom niet?” zei ik. “Ze eten andere dingen,” zei hij. “Je moet eens kijken wat je op het eerste stukje van de Haarlemmerdijk allemaal voor eten kunt kopen.” “Maar dat is niet hetzelfde,” zei ik, “het is geen ­haring.”

Intussen waren onze haringen soldaat gemaakt. “Lekker,” zei ik terwijl mijn vrouw afrekende. “Mooi weer en een lekker harinkje, wat kan een mens nog meer ­verlangen?” “Straks misschien een lekker biertje?” zei de haringman. Dat leek ons een uitstekend plan.

De tweede donderdag in februari van 2012 was een steenkoude dag. Min zeven als ik me goed herinner. Het was ook een bijzondere dag, want in het Stadsarchief vond de opening plaats van de tentoonstelling In Memoriam die de foto’s toonde van drieduizend Joodse kinderen die tijdens de oorlog zijn gedeporteerd en vermoord.

Mijn vrouw en ik hadden ons verslapen, maar we waren precies op tijd voor de vertoning van de aan de tentoonstelling verbonden film Herinneringen aan een vermoord kind van Willy Lindwer die in het Stadsarchief zijn première beleefde.

Na de film liepen we door de bevroren stad naar de ­Portugese Synagoge waar In ­Memoriam, het boek waarop de tentoonstelling gebaseerd was, ten doop werd gehouden.

De synagoge was afgeladen, boven en beneden. Het was bitter koud want de Synagoge kent geen verwarming, maar iedereen had een blauw dekentje gekregen, voor over zijn knieën.

De kaarsen in de kroonluchters brandden. Er viel ijskoud licht door de hoge ­ramen. En uit ieders mond ontsnapte een wit wolkje. Er was ­muziek, er waren sprekers en de burgemeester aan wie ik het eerste exemplaar van In Memoriam zou aanbieden kwam te laat.

Dat we vergeten waren een exemplaar van het boek mee te brengen, wisten we op dat ­moment nog niet. Gelukkig was Willy Lindwer bereid zijn exemplaar af te staan en kwam alles goed.

Het was op een bankje van de Snoge in hartje Amsterdam dat mijn vrouw en ik met Eberhard van der Laan kennis maakten, ­beter kan het niet.

In de jaren die volgden kwam ik onze burgemeester zo af en toe tegen. Mooie ontmoetingen, waarvan ik hoop dat er nog vele mogen volgen.

Toen de vriendin die ik op Zuid had ingeschat mij vertelde dat ze ook uit West kwam en wel van de Amundsenweg, kon ik haar vertellen dat ik als jongen Poolreiziger wou worden. En dat ik daarom net als Roald Amundsen ­mezelf wilde harden door ’s winters op het balkon te slapen.

Maar toen ik aan mijn moeder had voorgesteld mijn bed op het balkon op te maken, vroeg ze of ik helemaal betoeterd was, waarmee die kous af was.

Wat restte waren romantische tochten over de onbetreden sneeuw van het Zwarte Land dat voor mijn ogen veranderde in de sneeuwvlakten van de Zuidpool en al even gevaarlijke expedities naar de Amundsenweg en omstreken.

De Amundsenweg ligt bij de Erik de Roodestraat en dat was Rooms gebied, vandaar het ­gevaar. In het middelpunt bevond zich een grote Roomse kerk, de Sint Jozefkerk. Hij staat er nog, heb ik recent kunnen vaststellen, maar is inmiddels bezet door een Candy Castle Speel Paradijs, alles in roze, met klimnetten, glijbanen en kasteeltorens.

Om de kerk heen ligt het labyrint van een oud scholencomplex, met de Fatimaschool voor de meisjes en de Sint Dominicus voor de jongens. Er is geheimzinnige laagbouw met buitentrappen naar de verdieping en tussen de hoge huizenblokken liggen binnentuinen met vijvers en zwerfkeien, kom er eens om.

Boven iedere huisdeur hangt een tableautje met de afbeelding van een huis en daarboven R.K.C.W. en eronder D. Schaepman. “De paap was overal,” zei mijn vriendin die zelf in een huis van een socialistische onderwijzersvereniging woonde.

Door onderwijzers en leraren omringd werd ze als kind voortdurend gecorrigeerd, en als enige niet Rooms gezin aan de Amundsenweg hadden ze wel wat te verdedigen gehad.

Op het Rembrandtplein zat een zwarte man met een grote gebreide muts op zijn kop ­keihard op een trommel te slaan. Ik keek naar de Bakkersstraat, waar vroeger de tram zo naadloos in verdwijnen kon en vroeg me af wie de kleine schilderijtjes maakten die als stadsgezichten verkocht worden aan toeristen.

De toeristen waren voor de Nachtwachtbeeldengroep druk met ­fotograferen.

Van de Bakkersstraat verlegde ik mijn blik naar het Thorbeckeplein, waarbij ik inzoomde op de twee magnolia’s die tijdens de ­herinrichting van het Rembrandtplein als een wonder ­gespaard zijn gebleven. Ze staan dik in knop, zag ik tot mijn tevredenheid.

Dat vastgesteld hebbende, begaf ik me naar café Schiller om daar op mijn afspraak te wachten. Het café was nog verlaten. Mevrouw Schiller was bezig de theelichtjes die op de tafels staan aan te steken, een heel karwei.

Ik was op een van de banken gaan zitten toen ik plotseling merkte dat ik naar de muziek zat te luisteren die niet al te luid door de ruimte klonk.

Thelonious Monk, hoorde ik. Een lange, weergaloze solo die ik niet herkende, maar waarin ik werd meegevoerd tot ik als vanzelf meeging in het onbekende.

De tenorsax die overnam, kwam bijna als een schok. Wie was het? John Coltrane? Johnny Griffin? Je kon horen dat de sax de grenzen opzocht, er alles aan deed om Monk bij te blijven, maar hoe spectaculair de solo ook was, Monk liet zich niet inhalen. Daar zat ik, helemaal alleen in een leeg café, met een kop vol Monk. Ineens was het afgelopen.

“Waarom heb je mijn lichtje niet aangestoken?” vroeg ik. “Omdat ik je niet wou storen,” zei mevrouw Schiller.

Voor de ingang van het Apollo House, waar vroeger de Sociale ­Verzekeringsbank ­zetelde, staan twee even grote als lelijke beelden, De beschermer en handhaver van de sociale wet­geving van Hildo Krop en De ­beschermster van de sociale zorg en gerechtigheid van Han Wezelaar, beide uit 1954.

De beschermende handhaver heeft een heel klein pikkie en de beschermster houdt een lammetje in haar armen, het zal iets symbolisch wezen.

Een eindje verderop dankt ­Amsterdam de Canadese bevrijders met een wapperende krul van roestig staal. Toen ik er over de stoep naartoe fietste, begonnen de losliggende tegels onder mijn ­wielen lekker te rammelen.

De gemeenteklok op het Muzenplein stond aan de ene kant op kwart over vier en aan de andere kant op half acht. Op de brug­leuning, want het Muzenplein is ­zoals bekend een brug, zag ik een beeld van een devoot omlaag ­kijkend meisje door konijnen ­omringd, met een eekhoorn op schoot.

Tijd om over te steken. Ik zette mijn fiets neer en daalde af naar het piepkleine parkje langs de enorme bak water waar drie kanalen samenkomen en waar beelden staan van meisjes met een kat op hun schouder, een lammetje in hun armen, een vogel op hun hoofd.

Ik keek naar de serre van The ­Harbour Club Kitchen, naar de steigers van roei- en zeilvereniging De Amstel, naar het scheepje dat vanaf de Amstelkade over het ­stille water naar me toe gevaren kwam. Er was een feestje aan boord.

Toen de feestvierders me passeerden, hief ik een denkbeeldig glas. Er werd uitbundig teruggeproost. Even later was het scheepje onder de brug verdwenen. Jammer, ik had best een eindje mee willen varen om mee te vieren wat er ook te vieren viel.

Toen ik een koperen bruiloft geleden voor het eerst bij Broodbakker Simon Meijssen binnenkwam, zag ik in de schappen een vloerkadetje liggen dat ondertiteld was als ‘fijntje’.

Dat woord kende ik niet. Een fijntje is een enigszins zanderige broodje met een knapperige korst en stevig binnenwerk. Vooral de manier waarop het ene fijntje aan het andere vastzit, bevalt me zeer. Een fijntje kost een fortuin, maar dan heb je ook wat.

Buiten de winkel van Simon Meijssen ben ik het fijntje nooit ­tegengekomen, maar in de jaren twintig verkocht bakkerij de Tijdgeest op de hoek van het Krugerplein en de Majubastraat ze ook, lees ik in Een jeugd in Amsterdam, de onlangs herdrukte herinneringen van Jules Schelvis.

Bij Jules thuis aten ze meestal casinobrood, dat kostte gesneden elf cent.

Op vrijdag moest kleine Jules een challe halen, ‘een gevlochten wittebrood, bestrooid met een laagje maanzaad’.

Het boek bevat mooie herinneringen die vaak vooruitwijzen naar de narigheid op komst. Schelvis beschrijft prachtig hoe zijn hand een keer klem komt te zitten in de brievenbus, waarna er een smid aan te pas moet komen om de hand te bevrijden.

En het mooiste springliedje gaat volgens hem zo: ‘Gisterenavond liep ik op de Dam/ en ráádt eens wie ik tegen kwam/ Juultje met zijn meissie, Juultje met zijn meissie/ Juultje met zijn meissie op de Dam.’ Dat is best ijdel, maar ook leuk.

De laatste keer dat ik Jules Schelvis sprak, gaf ik hem een exemplaar van mijn Kinderkroniek. “Dit boek,” zei hij, terwijl hij het boek boven zijn hoofd in de lucht hield, “is nu van mij,” waarna hij het in zijn aktetas stopte en er als een speer vandoor ging.

Het ritje ernaar toe is een uitje. Dat op het ­Centraal Station ­begint met de sprinter naar Hoorn. Een sprinter, het woord zegt het al, stopt bij iedere boom en dat is precies wat de treinreis zo aangenaam maakt.

Van Sloterdijk gaat het langs de trekvaart naar Halfweg-Zwanenburg met zijn meertjes, zijn gemalen en zijn Sugar City, waarna we Haarlem aandoen, het beminnelijke station met de fraaie pisbakken langs het hoofdperron. Dan volgen Bloemendaal, Santpoort-Zuid en Santpoort-Noord, het ­gevreesde Driehuis en tenslotte Beverwijk.

Allemaal uitstappen en naar de bus. Twee keer per uur brengt bus 78 ons na een kort ritje door de duinen naar waar we wezen moeten, Wijk aan Zee. Hier vindt sinds jaar en dag in dorpshuis de Moriaan het mooiste schaaktoernooi ter wereld plaats, het Tata Steel Chess Tournement, bij de ouderen ons nog altijd beter bekend als het Hoogovens Schaaktoernooi.

Wie Wimbledon betreedt, denkt aardbeien met slagroom, wie de Moriaan binnengaat, zal erwtensoep ruiken en aan de bar Hans Böhm zien zitten die een kroketje eet. Als je het vriendelijk vraagt, wil hij vast wel een partijtje van je ­winnen.

Een deur door en je staat in de zaal waar de grootmeesters hun partijen spelen, zomaar vlak voor je neus. De laatste keer dat wij er waren, zag ik Jan Timman zitten die tegen een meisje speelde. Even later zag ik dat het meisje won, wat Jan niet leuk vond. Woedend beende hij weg. Het meisje gaf een stralend persconferentie.

Ik stond even een biertje te drinken toen mijn vrouw met de ­mededeling kwam dat ze zojuist Magnus Carlsen had zien verliezen. Weinigen die haar dat na kunnen zeggen.

Als het vriest, is alles­­ ­anders. De mensen ­lopen anders, als ze stil staan, staan ze anders stil en als ze praten, komen er ­kleine wolkjes uit hun mond.

Vooral de kinderen zijn opvallend anders. Ze hebben wollige kop-­telefoons over hun oren of dragen reusachtige kaboutermutsen, waaronder ze knalrode neuzen en wangen tonen.

De bomen op de Reijnier Vinkeleskade leken wit in bloei te staan, maar het bleek ijzel. Op het bevroren gras stonden kinderen onder het wakend oog van hun moeders naar het ijs te kijken.

Voor een hakkie waren ze te klein, maar ­uitzinnig van vreugde gooiden ze kluitjes bevroren aarde op het ijs en als dat kluitje verder gleed, klonken er geluiden op die deden denken aan het geluid dat een ­menigte maakt als er een vuurpijl de lucht in gaat. Maar in het klein natuurlijk, want het waren kleine kinderen.

In het pierenbadje voor het voormalige Van Heutz Monument was een glijbaan, waarop druk gegleden werd, en alweer door de allerkleinsten, die voor hun ijspret nu eenmaal minder ijs nodig hebben dan marathonschaatsers.

Wij hadden een eindje langs het IJ gelopen en draaiden de Houtmankade op. Als je geluk hebt, komt er schip en klinkt het belletje dat aankondigt dat de brug open gaat. Dat gebeurde niet, maar toen we het Zoutkeetsplein naderden, kwamen ons kinderstemmen ­tegemoet.

Het geluid van een schoolplein in de pauze kwam van een ijsbaantje voor kleuters die onder het blije oog van hun vaders en moeders druk aan het schaatsen waren, ­allemaal op blauwe hockeyschaatsen. Die haalden ze bij café Mads, waar ze ook in rijtjes van drie naast elkaar met hun neus in de warme chocomel zaten.

Op mijn tochten door de stad voel ik me vaak als een sleepbootje dat een steeds langer wordende rij vrachtjes achter zich aan sleept. Het begint bijvoorbeeld bij de ­bakker, waar ik niet goed kan zien of de broodjes die ik begeer er nog zijn omdat de verkoper er steeds voor blijft staan. Pas als hij zegt dat hij eerst iemand anders gaat helpen, zie ik dat ze op zijn en kan ik verder.

Naar de boekwinkel op de hoek, waar ik met een van de dames een roddelig gesprekje aanknoop. Tot een al wat oudere vrouw die meeluister ons onderbreekt met de vraag wie ik ben.

“Ik ben Guus,” zeg ik.

“U schrijft toch die boeken over de Bijbel?” zegt de dame.

“Nee,” antwoord ik, “ik ben Guus Luijters. U bedoelt Guus Kuijer. Dat is mijn broer.”

“Ah, op die manier!” zegt de vrouw.

Als ik bij mijn kaasleverancier mijn broodje koop, vertel ik hem het verhaal over mijn broer en knoop er meteen het verhaal over het zoeken naar zeeglas aan vast. Als we zoekend over het strand gaan, komen er vaak mensen naar ons toe die willen weten wat wij zoeken.

“Gouden tientjes,” zeg ik meestal, waarop ze vaak vragen of we er wel eens een vinden.

“Dat niet,” antwoord ik dan, wat door Theo van de Kaas wordt aangevuld met: “Maar als je er niet naar zoekt, kan je ze ook niet ­vinden.”

Weer op straat komen me twee mannen tegemoet. De ene, breed en lang, duwt aan het stuur een kinderfietsje voort. De man die naast hem loopt draagt zijn jasje over zijn blote bast en op zijn hoofd een bloempot met een ­cactus.

Mijn kleindochter en ik voerden een Europees gesprek over Hawaï, waar zij een werkstuk over had gemaakt en ik nog nooit ben geweest.
“Dat kan jij niet zeggen,” zei ik, “dat je nog nooit op Hawaï bent geweest.”

“Dat kan ik best zeggen,” zei ze.

“Maar als jij het zegt,” zei ik, “is het niet waar, terwijl ik er een keer echt niet ben geweest. Blij toe, want het is niks als ananassen, bloemslingers en hoeladanseressen daar op Hawaï.”

“Onzin,” zei de werkstukmaakster.

“Weet je wie ook een keer niet op Hawaï zijn geweest?” vervolgde ik, “Laurel en Hardy, en weet je wat ze om hun nek hadden en in hun hand hielden toen ze niet uit Hawaï terugkwamen? Bloemslingers en ananassen! Dus hoezo onzin? Er bestaat trouwens een versje over Hawaï. Wil je het horen?”

Dat wilde ze wel en dus citeerde ik het vers van Henk Spaan: “Aloha/ graag nog wat jenever in mijn cola.” Wat ze heel leuk vond.

Weer thuis sneed ik een broodje doormidden, besmeerde beide helften dun met mosterd en belegde ze vervolgens met lever en pekelvlees. “Het halfommen/ Was weer begonnen,” dichtte mijn kleindochter.

Wat meer rijm in ons leven zou geen kwaad kunnen, bedacht ik terwijl ik de stad in fietste, waarbij ik eerst langs de Van Speijkstraat kwam en toen langs de Reinier Claeszen. Een explosief rijm zag ik plotseling.

Als je goed kijkt, is de stad vol rijm. ‘Sondro prakseri koloku firi ini Dapperstraat,’ las ik laatst op een gevel in de Dapperstraat. En ‘Nedense bir sevinç Dapperstraat’ta.” Dat rijmt niet, maar het is wel poëzie, en niet zo’n beetje.

De Esmoreitstraat, waar ik ben geboren en tot mijn zestiende heb ­gewoond, was een ­keurige straat met keurige winkels en keurige bewoners. Bij ons ­beneden was de Sparwinkel van meneer Pas, een nette man met een nette winkel, ook al kochten wij er niet.

Daartegenover was de schoenmakerij van Buur, ook al niets op aan te merken, en hetzelfde gold voor de sigarenwinkel en de kolenhandel aan de andere kant van de Marieken van Nimwegenstraat.

Ook over onze buren waren we zeer te spreken, de politieman en de brandweerman van de overkant, de bankdirecteur van links beneden, oom Freek en tante ­Corrie, alleen maar nette mensen. Net als hun kinderen.

Bij ons in de straat droegen alle kinderen schone kleren en gepoetste schoenen. Ze pikten geen appels en gooiden nooit met stenen en als met voetballen hun bal per ongeluk op een balkonnetje belandde, belden ze keurig aan om hem terug te vragen en als de eigenaar van het balkonnetje dat weigerde, begonnen ze niet te schelden.

Het gekke was dat je, als je de hoek omsloeg naar de Sanderijnstraat, meteen in een achterbuurt belandde waar alleen maar ­schorriemorrie woonde. In de ­Egidiusstraat woonde ook alleen maar tuig van de richel, net als op de Bos en Lommerweg.

Ik schreef laatst over het ­schorem uit de Chasséstraat. Een oud-bewoonster voelde zich aangesproken. Maar zo zit het dus, want eigenlijk woonde overal schorem en tuig van de richel dat vocht met stokken met spijkers erin.

Behalve in de Esmoreit­straat, waar alleen maar lieve, ­leuke, aardige kinderen woonden die nooit geen vlieg kwaad deden, maar juist boodschappen haalden voor hun zieke oude buurvrouw als ze tenminste niet bezig waren een blinde te helpen met over­steken.

De jongen droeg een windjack en een petje dat hij als Dik Trom achterstevoren op zijn hoofd had gezet. Het meisje droeg een hoofddoek en had een stok bij zich, een wandelstok.

Ze waren ­allebei begin twintig met pretogen en hoewel ik niet zeer modebewust ben, kon ik zien dat windjack, petje, hoofddoek en stok van het chique soort waren.

Ze maakten foto’s van elkaar en van zichzelf, maar ze hadden het vooral druk met grappen, waarbij de ­jongen er regelmatig in slaagde niet alleen haar maar ook zichzelf in een deuk te krijgen.

Ik zat een en ander met plezier aan te kijken toen de jongen zich tot mij richtte.

“Ja meneer,” zei hij, “die gekke jeugd van tegenwoordig.”

“Nou,” zei ik na enig nadenken, “jullie hebben een telefoon, maar verder is er eigenlijk niets veranderd.”

“Die telefoons…”zei de jongen met een wegwerpgebaar, waarna zij verder gingen waar ze gebleven waren.

Maar omdat ik er nu een beetje bij hoorde, kon ik openlijk zitten luisteren en zo hoorde ik de jongen een verhaal vertellen over het leren bankstel dat zijn ouders ­hadden gekocht toen hij een jaar of negen was. Met een puntige stok had hij er drie gaatjes ingeprikt, waarna de bank in een auto was veranderd en de stok in het versnellingspookje.

“Mijn vader,” zei hij, “moest wel acht keer om het huis heenlopen voor hij weer gekalmeerd was.”

Nadat ik met een open inktpot op de muziek van Charlie Parker over de nieuwe vloerbedekking was gedanst, hadden mijn ouders er een jaar over gedaan, vertelde ik. Bij het Rijksmuseum stapten ze uit, waarna ik ze lachend in de PC zag verdwijnen.

Vrijwel overal in de stad ga ik vergezeld van ­herinneringen, maar een enkele keer spoel je op een eiland aan waar alles ­blanco is. Vanaf het Muzenplein, dat in het geheel geen plein is, maar een brug, keek ik naar de twee torentjes die zich in de richting van het Beatrixpark tegen de hemel aftekenden.

Het ene torentje kon ik niet thuisbrengen, het andere was van het Vossius gymnasium. Ik besloot eens gaan kijken en fietste de Herman Heijermansweg af naar de Messchaertstraat, waar ik het gevoel kreeg, dat ik er nooit eerder was geweest.

Dat gevoel werd een zekerheid in de Guido Gezellestraat. Maar ik was toch wel eens op feestje van het Vossius geweest? Om de Gold Coast Combo met Edwin Rutten en Rogier van Otterloo te horen? Nee dus.

Verzinsels, hersenspinsels, ik heb het Vossius nooit van binnen gezien en in de Guido ­Gezellestraat was ik nog nooit ­geweest.

Enigszins verloren keek ik naar het schoolgebouw. Karel van het Reve had hier school ­gegaan, net als Gerard Reve, ­Hanny Michaelis, Jan Romein, maar die wetenschap bood geen houvast.

Ik bevond me in een merkwaardig niemandsland, dat zich via de Herman ­Gorterstraat bleek uit te strekken tot de ­Diepenbrockstraat, waar ik op de hoek het tweede torentje trof, op Vrijburg, een kerk, als ik het goed begrijp, van remonstranten en vrijzinnige protestanten.

Maar op de hoek werd alles weer normaal, want daar aan de overkant had je het Beatrixpark waar… en aan de andere kant van de brug op de Bernard Zweerskade woonde… en dan heb ik het over de villa op de hoek met de Stadionweg nog niet gehad.

In de tram is altijd wat te doen. Ik was op het Centraal Station in de 5 gestapt en met mij stapten zestien paardenstaartjes in, ik heb ze ­geteld.

Ze waren een jaar of achttien en spraken met elkaar in een dialect dat ik maar moeilijk volgen kon. Maar als ik iets verstond, ging het over kunst. Over een performance die ze hadden bijgewoond in Antwerpen, een schilderij in Madrid.

Toen we op de halte van de Dam stonden, wees het meisje dat naast mij stond naar de Nieuwe Kerk en zei: “Gotiek.” Vervolgens haalde ze een boekje tevoorschijn en kruiste iets aan.

“Wat ben je aan het doen?” zei ik. Ze waren van een kunstopleiding en hadden de opdracht gekregen van CS naar het SM te lopen en ­onderweg allerlei gebouwen te ­fotograferen.

“Maar,” zei ze, “het is tweeënveertig minuten lopen naar het Stedelijke Museum. Dus hebben we de tram genomen, want vanuit de tram gaat het ook.”

“Heb je het postkantoor al?” zei ik. Ik wees. Tot mijn verbazing ­keken alle zestien paardenstaartjes ineens naar het voormalige postkantoor en allemaal maakten ze foto’s. “En links is het Paleis,” zei ik toen de tram weer reed, en hup, daar ging het hele spul naar links.

Het werd een vrolijke rit langs Krijtberg, Metzgebouw, Americain. Maar het huis van Mulisch zei ze niks. Ze hadden een keer een boek van Mulisch moeten ­lezen en dat was al erg genoeg ­geweest.

Nadat ik Byzantium had aangewezen, zei een van de meisjes: “Hoe weet u dat allemaal?”

“Dat is van Rem Koolhaas,” zei ik, “dat weet toch iedereen?”

Toen ze uitstapten, vroeg ik waar ze vandaan kwamen. “Uit Almelo,” luidde het antwoord.

Het is al donker als wij het café verlaten waar we met elkaar hadden afgesproken. Op het pleintje voor het café zoeken we tussen de tientallen fietsen onze eigen fiets op. “Heb je licht op je fiets?” vraagt mijn vriend.

“Voor en achter,” zeg ik.

“Mooi,” zegt hij.

“Maar of voor brandt, weet ik niet zeker,” zeg ik, “maar ik dacht van wel.”

Bij de zebra steken we over naar het fietspad. Daar stappen we op. “Voor doet het niet,” zegt hij als we zijn weggereden. Tot de brug rijden we achter elkaar, maar voorbij de brug is ruimte genoeg om naast elkaar te fietsen.

“Dat is lang geleden,” zeg ik, “dat we samen door de stad fietsten.”
Na een korte stilte zegt hij: “Hebben wij ooit samen door de stad gefietst? Ik dacht het niet.”

Bij het kruispunt nemen we afscheid. “Gusioo!” zegt hij en verdwijnt in het duister.

Ik sla rechtsaf, en denk na.

We kennen elkaar een jaar of 55, mijn vriend en ik, we zaten op dezelfde middelbare school en later kwamen we op dezelfde feestjes in de afbraakpanden op Kattenburg, we hebben samen in de redactie van Propria Cures gezeten, ik heb hem op de Oudezijds Achter door zijn eerste racefiets zien zakken, we reden samen naar Den Haag in een auto met een gat in de bodem waaromheen paddenstoelen groeiden, ik heb in zijn huis gewoond, hij heeft mij geïnterviewd en ik hem, mijn dochter heeft op zijn zoon gepast, maar we hebben nooit samen door de stad gefietst?

‘Ik aap het licht na en het lukt me niet./ Ik blijf zoo donker als een zwarten hoed.’ (Pierre Kemp)

Alsof we niks beters te doen hadden, zat ik met een vriend te kletsen over niks en van alles. Ik vertelde hem over de schandlijst van Amnesty International, waarop ik als Parool-columnist een plaatsje had gekregen tussen populisten, roepende minderheden, homohaters en boze witte mannen, en mij gevraagd werd het nieuwe jaar te proberen ‘minder te benadrukken wat ons verdeelt en meer oog te hebben voor wat ons bij elkaar brengt’. Een en ander in een advertentie die mede betaald was van mijn bijdrage aan de club, alstublieft, dank u wel.

Mijn vriend vertelde me over de film die hij aan het maken is, ik bracht de schrijfwijze van de titel van het boek Kees de jongen van Theo Thijssen ter tafel, en ineens ging het over de foto’s die Ed van der Elsken maakte tijdens jazzconcerten, zoals verzameld in het boek Jazz.

“Ken je dat?” vroeg mijn vriend.

Natuurlijk kende ik dat, prachtig boek over een prachtige tijd. “Ik heb vaak zitten kijken of ik mezelf nog ergens in het publiek zag zitten,” zei ik. “Maar nee dus.”

Ik kan het niet laten, als ik een oude foto zie van Amsterdam met mensen erop, kijk ik of ik mijn vader of moeder misschien zie, of mezelf. Laatst nog stond een foto van de Kalverstraat anno 1950 in de krant.

Ik zag de schoenenwinkel van Van Haren, de reusachtige Parkervulpen aan de gevel van Akkerman, de Arrowwinkel, ik zag tientallen mannen met hoeden in lichte regenjassen, vrouwen met hoedjes en omgeknoopte sjaaltjes, ik zag een auto en fietsen, maar mijn moeder met mij aan haar hand, zag ik niet.

Ik was De Zwart binnengelopen wegens dorst, maar ik moest nog even geduld hebben omdat de barkeeper bezig was zo’n uit een afwasmachine afkomstig rek met koppen en schotels uit te ruimen. Terwijl hij bezig was, keek ik om me heen. Niks bijzonders te zien. Vrijwel alle tafeltjes bezet, een man of vijf aan de bar, iedereen in gesprek, dat was het wel zo’n beetje.

De barkeeper was uitgeruimd en had me een glaasje ingeschonken toen ik nog eens om me heen keek en het plotseling tot me doordrong hoeveel mensen er wel niet zijn die je niet kent.

Er zaten zevenentwintig mensen in De Zwart, mezelf niet meegerekend, en ik kende er niemand van. Allemaal vreemden die ik als ik zo dadelijk de deur uitging nooit meer zou zien.

Nadat ik had afgerekend, liep ik de Heisteeg in. Bij Koekmakerij Van Stapele, waar ze een soort chocoladekoeken verkopen, zag ik door de etalageruit, stond een enorme rij, net als bij Frietsteeg aan de overkant.

In geen van beide rijen stond iemand die ik kende. Was ik in Rémi veranderd en alleen op de wereld?

Het Singel lag in een mist waar de lichtjes in de bomen nog maar net doorheen kwamen. Op een van de huizen stond een enorme, fraai verlichte kerstbal en de brug naar de Leidsegracht was tot een regenboogbrug omgetoverd.

Een met lichtjes opgetuigde rondvaartboot voer eronderdoor. En overal om me heen waren mensen die ik niet kende foto’s van elkaar en van zichzelf aan het maken.

Maar de Herengracht was verlaten. Geen mens te zien. Er waren zelfs geen lichtjes. Ik liep door de mist en de heerlijke stilte en merkte dat ik zachtjes te fluiten liep.

Omdat we de Gerard ­Revebrug wilden zien, namen we de 3 en stapten bij de Tweede Van der Helststraat uit. Vanaf de Ceintuurbaan is het een mooi wandelingetje naar het Zuider Amstel­kanaal.

Van Ostadestraat, Rustenburgerstraat, Karel du Jardinstraat, ­Lutmastraat, Pastelstraat en daar heb je de Jozef Isra­elskade, bij ­velen beter bekend als de ­Schilderskade.

Je komt langs het terrein waaraan je kunt zien dat vroeger hier de oude RAI gestaan heeft, met zijn veilinghuis, kantine en zijn houten sportvelden, waarop het gevaarlijk sporten was. Je komt langs een winkel waar ze puzzels voor je zagen, en als je goed oplet zie je aan het einde van de Lutmastraat de toren van de Vredeskerk aan het Cornelis Troostpleintje.

En toen waren we bij de brug, de Gerard Revebrug, maar er was niks aan te zien. Het was een doodgewone brug, een brug als ­alle andere. De naam is nog niet op de brug aangebracht en dat blijkt dus het verschil.

Door een naam bekijk je een brug met andere ogen, wordt het een andere brug. De Rosa Overbeekbrug is een andere brug dan de naamloze brug die eraan voorafging. Op de Rosa Overbeekbrug denk je onherroepelijk aan Rosa, aan Kees de Jongen, aan Theo Thijssen, zoals je op op de Gustav Leonhardtbrug het strenge clavecimbel van Gustav Leonhardt zult horen en op de Gerard Revebrug aan ­Reve zult denken.

Een van de mooiste bruggen van de stad, het elegante bruggetje dat de Hortus met het Hortusplantsoen verbindt, is ­vernoemd naar Johan van Hulst, kinderredder. Dat bruggetje is aan een kant dicht. Daar moet iets op gevonden worden, want voor een kinderredder geeft een brug met een hek geen pas.

Er zijn mensen van wie je denkt dat ze al heel lang dood zijn, Patachou, ­Annie de Reuver, Janus van der Zande. Tot je leest dat ze gisteren zijn overleden, waardoor ze met terugwerkende kracht twintig of vijfentwintig jaar langer leven krijgen toebedeeld, een ­verwarrende ervaring.

Het omgekeerde is ook mogelijk. Iemand is uit je blikveld verdwenen, maar zonder dat je er veel aandacht aan besteed, leeft ze ­rustig voort. Ze doet haar boodschappen, leest een boek, maakt een praatje met de buurman. Ze gaat nog wel eens naar de bioscoop en komt nog wel eens in een café. Maar niet meer zoals vroeger, toen je elkaar nog wel eens ­tegenkwam en je met elkaar over vroeger praatte.

En dan is er iemand die zegt dat Martha dood is. “Al acht jaar, wist je dat niet?”

Nee, dat wist ik niet. Ik had haar jaren niet gezien, maar ik zie zo veel mensen niet. Niet iets om je zorgen over te maken. En nu blijkt dat ik haar nooit zag omdat ze er niet meer was. Dood, zonder dat ik er iets van af wist, het kan haast niet waar zijn.

Martha stond achter de bar in ­café de Pool, in de Oude Hoogstraat. Niet zomaar een café en niet zomaar een barjuffrouw. Henk Spaan schreef een gedicht voor haar met de regels: ‘De kalme klaarte van je oog/ houdt het mijne nauwelijks droog./ Oh Martha my dear, tap door/ tap door dat bitt’re bier.’

Na sluitingstijd ging ik met haar naar Chez Nelly, waar we de nacht verlengden tot de vroege ochtend om ons bij Col Auto te laten uitschelden door Riekie, een andere legendarische barkeepster, en ook al jaren dood.

‘Papegaaien, papegaaien, het vlagvertoon van verre landen.’ Dat is van Louis Lehmann. Milano in de Leidsestraat was, meen ik, de eerste ­espressobar in Amsterdam.

Het verhaal ging dat zich daar dames van middelbare leeftijd ophielden die graag opgepikt wilden worden door jongens, een verhaal dat ook over Formosa werd verteld.

Ik ben er nooit geweest, in Milano, in ­Formosa wel, samen met mijn moeder.

De eerste espressobar die ik ­bezocht, bevond zich op de hoek van Dam en Rokin. Een vriendin zorgde er voor de espresso en ­cappuccino, die niet alleen verbazingwekkend lekker was, maar gratis bovendien, een reden ­temeer om vaak langs te komen.

Niet veel later zag je overal in de stad espressobars. In de espressobar op de Keizersgracht, waar nu restaurant Greenwoods zit, werd de scepter gezwaaid door de ­vriendin met wie ik in het midden van de jaren zestig het leven deelde.

De espressobar maakte deel uit van een bescheiden keten en in die keten had iedere espressobar zijn eigen papegaai die krijsend op zijn stok pinda’s zat te pellen. De baas van de keten wilde dat mijn vriendin zijn bedrijfsleider werd, maar ze had een hekel aan papegaaien.

Arie Meijer, die u misschien niet kent maar ik wel, vertelde me eens dat zijn moeder die in 1928 of daaromtrent in de Molensteeg woonde iedere morgen als ze naar school ging in de Zandstraat, ‘een lief en vrolijk kind, een zonnetje in een straatje waar de zon nooit schijnt’, langs een papegaai kwam.

“Dag Lorre,” zei ze dan, waarop de papegaai iedere morgen antwoordde met “Krijg de kolere.” “Het moet een akelig beest geweest zijn,” zei Arie.

In Arti et Amicitiae, de ­kunstenaarssociëteit op het Rokin waar ik van de week een afspraak had, hangt een prachtige Breitner.

Als ik bij Arti binnen kom, wat niet vaak gebeurt, loop ik altijd meteen naar het schilderij, dat breed en statig tegenover de ingang hangt. Twee voor een kar gespannen zwarte paarden rijden door de sneeuw over een gracht, natte sneeuw lijkt het wel.

Het licht valt niet lekker op het schilderij, waardoor je de neiging hebt steeds van standpunt te ­veranderen in de hoop dat je er een beter zicht op krijgt. Het voordeel is dat je zo steeds andere ­dingen ziet. De knappe jonge vrouw op de voorgrond bijvoorbeeld die een rozerode sjaal heeft omgeslagen. Of de ramen van de huizen op de achtergrond.

Nog niet zo lang geleden had ik het met onze kleindochter over clubs waar ik geen lid van was. Toen we langs Arti kwamen, zei ik: “Kijk, hier heb je zo’n club waar ik geen lid van ben.” Op het Leidseplein gekomen, wees ik haar De Kring en vertelde haar dat ik van De Kring ook nooit lid was ­geweest.

Op dat moment begon een ­medepassagier zich met ons ­gesprekje te bemoeien. “Maar U had er wel lid van kunnen ­worden?” zei hij. Wat ik bevestigde. “En het Boekenbal,” zei de man, “zou u daar heen kunnen?” “Jazeker,” zei ik. “Maar u gaat niet,” zei de man. “Zo is het­ ­precies,” zei ik. Waarop we allebei moesten lachen.

Ik ken iemand die regelmatig heel veel dingen niet koopt. “Wat ik vandaag allemaal niet gekocht heb,” zegt ze dan, “een deegroller, een kaarsensnuiter, een thee-ei, een paard en wagen.” Het is ­anders maar toch een beetje hetzelfde.

Vandaag ben ik ‘t Slootje maar eens in gelopen. De sleuf die Admiraal de Ruyterweg en Reinier Claeszenstraat verbindt, heeft geen naam, maar heet zolang ik me herinner, en dat is best lang, ­‘t Slootje.

Ik kom er vaak langs en denk: ‘Hoe zou ‘t Slootje er bij liggen?’ Maar als ik naar binnen wil gaan, zie ik het deprimerende hek met al die voorschriften en zie ik er vanaf. Tot vandaag.

‘t Slootje was de geheimzinnigste plek van mijn jeugd. Om er te komen, moest er een expeditie worden uitgerust, want ‘t Slootje was niet alleen ver weg, maar ­bevond zich ook in verboden gebied, want aan de andere kant van de Admiraal de Ruyterweg, waar wij jongens van de Bos en Lommer niet mochten komen.

Als we op de Krommerdt kwamen, werden we als vanzelf stil. Het was zaak om niet te veel de aandacht op je te vestigen, anders kon het wel eens slecht aflopen. Een voor glipten we tussen de ­bomen door ‘t Slootje in, waar het altijd donker was, want de zon kon hier niet komen.

De ondergrondse rivier die hier even zichtbaar werd, zat vol kikkers en salamanders en ook kon je op vijandelijke bendes stuiten, schorum uit de Chasséstraat en de Van Speijk die stokken met spijkers bij zich hadden, en nou dan wist je het wel.

‘t Slootje was een avontuur, zo spannend, dat we als we eenmaal in de Reinier Claeszen stonden, opgelucht adem haalden. Het enige wat nog aan dat avontuur herinnert zijn drie eenzame wilgen. Verder is het al beton en troosteloze speeltoestellen in ‘t Slootje waar voor zover ik weet, geen kind zich nog horen laat.

Op de kruising van de Okeghemstraat en de Lomanstraat ligt een pleintje. Op dat pleintje zag ik laat in de avond twee loopfietsjes staan. Ook stond er een stoeltje en lag er een roerloze bal. Het was alsof de peuters die er mee hadden gespeeld nog maar net naar bed waren.

Aan de rand van het pleintje ligt een hoge stenen stoep die naar een huis met een torentje voert. Toen de deur boven aan de trap openging, kwam als in een sprookje Jaap naar buiten om de trap af te dalen.

Wij, we waren met zijn vijven, met meer vrouwen dan mannen, liepen naar zijn auto. “Gelukkig,” zei ik toen we instapten, “een vierdeurs.” “Hoezo gelukkig?” zei Jaap. “Ik hou niet van tweedeurs auto’s,” zei ik.

“Dat had mijn ex ook,” zei een van de dames. “Hij nam nog liever de tram dan dat hij in tweedeurs auto stapte.”

“Wat voor auto had hij zelf?” vroeg een van de andere dames. Het antwoord liet zich raden.

Een auto is een geheimzinnig middel van vervoer dat alle geluid van de buitenwereld buitensluit. Je ziet de uitbundige lichtjes van de stad, je ziet de auto’s, de schepen, de trams, maar alles glijdt in stilte voorbij.

Er was iemand dood. Vlak voordat de dode overleed, had de ­begrafenisondernemer opgebeld om te vragen of het een beetje ­opschoot, want het duurde wel erg lang. “Wat God niet geeft, geeft Perry,” zei Jaap, waarna we stopten bij het huis met de toren waar een van ons woont.

Zodat twee huizen, elk aan een kant van de stad en elk met zijn eigen toren voor even met elkaar verbonden werden.

Vanaf het terras kun je de Marathontoren van het Olympisch Stadion zien, wat ik om de een of ­andere reden een geruststellende gedachte vind. Er komen Boeings over en reigers en wij, aardige jongens, hadden het over de vraag wat we indertijd erger hadden gevonden, Toon Hermans of Wim Kan.

Mijn vader hoorde tot de mensen die dachten dat ‘Toon’ zoals de ­komiek liefkozend genoemd werd, zich tijdens zijn conference speciaal tot hen richtte. Dat schiep een band en nog weken na Carré kreeg je de gehaktbal uitgeserveerd.

Een voordeel van ‘Toon’ was dat je er niet naartoe hoefde. Wim Kan daarentegen kwam ongevraagd binnen, bij voorkeur op oudejaarsavond. Twee dagen later stonden al zijn grappen in de krant, en een week later nog eens in de Vara Gids. Met uitleg, want de grappen van Wim Kan waren met uitleg nog leuker.

Mijn vriend vertelde dat zijn moeder steno had gestudeerd en tijdens de conference meeschreef, zodat ze de grappen in de komende weken ­letterlijk kon herhalen. Hetgeen ze ook deed.

Het kon altijd erger, besloten we, waarna Jan het verhaal vertelde van de schoenmaker die met ­pensioen ging. Ter verzoling had hij zijn schoenen naar de schoenmaker gebracht. Op een vrijdag. Maar toen hij ze op dinsdag kwam ­halen, bleek de schoenmaker ­gesloten.

Op woensdag zat de ­winkel nog steeds dicht. Op ­donderdag belde hij maar eens aan. “Mijn man is op zaterdag met pensioen gegaan,” had de vrouw van de schoenmaker gezegd. “En je schoenen?” vroeg ik. Die had hij teruggekregen.

Toen het aardige meisje bij de Java Kitchen op de Ceintuurbaan dat me altijd vertelt dat er geen mihoen is me onlangs mijn tasje met lekker eten overhandigde, zei ze met een brede glimlach: “Salamat makan.” En stond ik ineens met een mond vol tanden, want daar had ik niet van terug.

Mijn Maleis beperkt zich tot een paar woorden, orang-oetan, adat, mataglap, kassi-an, als dat al Maleis is, en een guitig, op zijn tante Liens uitgesproken adoe als in de zin: “Adoe, wat heb jij een gek hoedje op.”

Plannen om naar Indonesië te gaan heb ik niet, dus heeft mijn kennis van het Maleis me altijd ­afdoende geleken, maar nu lag dat ineens anders.

Enkele dagen later wist ik wat me te doen stond. Op de tafel ‘Gratis Mee Te Nemen’ van het Niod vond ik een uit 1945 stammend boekje met een ‘eenvoudige cursus Maleis,’ die begon met de zin ‘Saja tidoer’, ik slaap, een sterk begin.

Na een week zelfstudie waagde ik het erop en begaf me naar de Java Kitchen. Onderweg voelde ik mij als Ome Piet de secretaris van Klaverjasclub Schoppen Negen die in verband met het weekje naar Parijs al weken van vooruit in zijn eentje Frans zat te leren, en u weet hoe dat afliep.

Eenmaal in de Java Kitchen haalde ik diep adem en zei: “Saja maoe satoe makan, dengan mihoen, silakan,” en wachtte toen de gebeurtenissen af.

Het aardige meisje van de Java Kitchen keek me enige tijd ongelovig aan en slaakte toen een kreetje van verbazing. “Salamat makan,” zei ze toen ik wegging. “Terima kassi,” zei ik. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

‘Ik kom de kerstversiering inspecteren,” zei ik toen ik binnenkwam in het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom. “En?” zei ­Rina die in kerstjurk achter de tap stond. “Prachtig,” zei ik uit het diepst van mijn hart. “Als het hangt lijkt het niks,” zei Rina, “maar we zijn er drie dagen mee bezig geweest.”

Er kwam een vrouw binnen die De Echo en een nieuwjaarswens in haar hand hield. “Ik kom gratis De Echo brengen,” zei ze. “Ik heb de hele wijk, dus het is een kleine moeite om hier iedere week even langs te lopen en gratis De Echo te brengen.”

Ze legde Echo en nieuwjaarswens op de bar, wachtte even en vertrok toen. “Maak ‘m een beetje,” zei Rina, “een keer per jaar De Echo brengen en gelijk een fooi willen.” “Volgens mij,” zei Cor, “staat die gozer met loempia’s op de markt.” “Het was een vrouw, Cor,” zei ­Rina.

Er kwam een vrouw binnen die me werd voorgesteld als Juf Netjes. “Dat komt, ze komt niet uit Amsterdam,” zei Rina, “en ze is nogal netjes.”

Juf Netjes had een bon voor een week gratis sportschool. Ze aarzelde of het doen zou. “Waarom gaan mensen eigenlijk naar de sportschool?” wilde ze weten. “Voor een sixpack,” zei Rina.

Toen het tijd werd om er nog een te nemen, bestelde ik een jonkie. “Hartevelt of Ketel?” zei Rina. “Doe maar Hartevelt,” zei ik. “Voor de beverd.”

Juf Netjes keek me niet begrijpend aan. “Peter van Straten was een van de laatste die nog wist wat het was, en nou is ie dood. Laten we deze dus op hem drinken, en hopen op de beverd.”

De Döner Kebab op station Sloterdijk doet mij denken aan het Anne Frank Huis. In die zin dat er altijd een rij staat en dat die rij altijd lang is. Zo’n rij maakt nieuwsgierig.

Je denkt al gauw dat er iets heel lekkers verkocht moet worden om zo’n rij te rechtvaardigen. Als je eenmaal op dat pad zit, staat achter aansluiten voor de deur, maar de rij is zo lang dat het er tot op heden niet van is gekomen.

De uitgang van het station bleek opgesierd door een ereboog van kleurige ballonnen. Achter de boog was het beton van de loopbrug in vrolijk gekleurde banen geschilderd die weer naar een ­ballonnenpoort leidden.

Bij de tweede poort scheidden onze ­wegen zich, omdat zij de trap nam en ik de lift. “Er kwam net een man naar me toe,” zei ik toen we elkaar beneden weer gevonden hadden, “die een dubbeltje vroeg voor de erepoort.” Mijn vrouw keek me ­onderzoekend aan. Ze kent me al een tijdje, maar toch aarzelde ze. “Echt waar?” zei ze ten slotte.

Nee, natuurlijk niet! Het was maar een verwijzing, naar de ­legendarische Kronkel van Simon Carmiggelt waarin een man een dubbeltje vraagt voor een niet ­bestaande erepoort.

Op dat moment schoot me de Sportvlag van Amsterdam te ­binnen. Mijn vriend en ik liepen op het Damrak, het zal 1960 zijn geweest, toen er ineens een man voor ons opdook die me een vlaggetje op de borst prikte.

“De Sportvlag van Amsterdam,” zei hij, “je mag geven wat je wilt.” Ik gaf hem een kwartje, wat mijn laatste kwartje bleek, zodat we geen geld meer hadden voor de tram en moesten ­lopen naar Buitenveldert.

Als je de Swammerdamstraat uit loopt in de richting van de Blasiusstraat kom je vlak voor de Blasiusstraat op een pleintje. In Parijs zou zo’n pleintje een eigen naam krijgen, maar hier blijft het gewoon de Swammerdamstraat. Vanaf het pleintje kijk je op drie vrijwel identieke huizen met van rechts naar links de nummers 28, 30 en 32.

28 is een winkel geweest, de ­etalage op de begane grond laat daarover geen twijfel. In de vensterbank van de etalage stond een ingelijste foto, zag ik. Toen ik de foto van dichtbij bekeek bleek het een foto van de huizen op de nummers 28, 30 en 32 in de Blasiusstraat, zodat ik plotseling deel uit maakte van een merkwaardig Droste-effect.

De foto dateerde uit de jaren vijftig. Er reed een auto uit die dagen voorbij en op de hoek van de Swammerdamstraat en de Blasiusstraat stond een jongen aan een bromfiets te sleutelen. Op 28 zat een melkboer, ‘Zuivelproducten,’ stond er op de ruit en ‘Melkinrichting’.

Voor de deur stond een vrachtwagentje van de De Onderlinge Vereeniging van Veehouders tot Verkoop van Zuivere Koemelk geparkeerd en mannen waren bezig kratten met flessen melk uit te laden. Welke kleur had de dop van een melkfles ook alweer?

Bij de buren op nummer 30 had een kantoorboekhandel annex tijdschriftenwinkel gezeten zo te zien. En op 32 was niks. Of toch. Achter het ruitje boven de deur zat de krant met de tekst ‘1 van de 21.622 huizen waar Joden woonden die in de 2e wereldoorlog werden vermoord.’

Hier woonde Elias van Leeuwen met zijn dochters Maria en Louise Rebecca en zijn zoon Louis. Het gezin werd in Sobibor vermoord. De vader op 9 april, de kinderen op 4 juni 1943.

Bij antiquariaat Feniks hadden we het over Hanny Michaelis. Ik ben Lenteloos voorjaar, haar oorlogsdagboek, aan het lezen, en dat is niet niks. Vooral doordat er zoveel gewone dingen in staan. Zo gaat Hanny vaak zwemmen met haar vrienden en vriendinnen. In het zwembad zijn twee zonnevelden, een voor de meisjes en een gemengd. Precies zoals ik me herinner van het Mirandabad. Waar Hanny en haar vrienden ook zwommen, neem ik aan, al noemt ze de naam van het zwembad niet en was het toen nog niet naar De Miranda vernoemd.

“Als ze wilden, konden de meisjes naar ons toe komen,” zei ik, “maar op hun zonneveld mochten wij niet komen.” “Stond er een hek of zo?” zei Marcel, “Welnee,” zei ik, “er hing gewoon een bordje, dat was afdoende.”

Even later werd me vanaf het pleintje voor de oud-katholieke Petrus en Pauluskerk aan de Ruysdaelstraat iets toegeroepen door een dame met een hondje. “Valt dat niet onder het sisverbod,” dacht ik, maar toen schoot me het gemengde zonneveld van het ­Amstelbad te binnen en kneep ik in mijn remmen.

De dame met het hondje wou ­zomaar even een praatje maken, over Duivelseiland en Harmoniehof, Roger Martin du Gard en ­Marcel Proust. Daarna ging ieder zijns weegs, zij met haar hondje en ik naar mijn uitgever, die me vertelde dat Klein geluk, het boek, de musical komt volgende jaar, ­herdrukt werd.

Om het te vieren trakteerde ik mezelf op een kroket. Toen de ­kroket klaar was, kwam de krokettenbakker hem mij voor de toonbank aanreiken. “Als ik buiten op het bankje zit, vergeten jullie me altijd,” zei ik. “Soms,” zei hij, “is uit het oog ook uit het hart.”

Het fotoboek Amsterdam 1895-1937 is een geheimzinnig boek. Het begint met foto’s uit de periode 1895-1897. Die zouden volgens het summiere voorwoord zijn gemaakt door de fotograaf Taconis.

Maar Krijn Taconis werd in 1918 geboren, dus dat lijkt onwaarschijnlijk. Wie de fotografen zijn voor de perioden 1922-1925 en 1932-1937 wordt niet vermeld, is misschien ook niet bekend.

Van de foto’s uit 1932-1937 gaan er dertien in een dozijn. Besneeuwde brug bij avondlicht, lantarenpalen in de mist, het Kolkje in de ochtendstond, dat werk. De foto’s uit de periode 1922-1925 zijn opmerkelijk.

Een bootje op de Amstel bij het Weesperpoort-­station, de Nieuwmarkt met een jongen in zijn zondagse pak met das en pochet, een strohoed op zijn kop en nieuwe schoenen, de pont over het IJ.

De foto’s uit de periode 1895-1897, ten slotte, zijn een belevenis. Ze zijn zo vol leven en beweging, dat ik regelmatig het gevoel had deel van de foto uit te maken.

Er is een foto van de Leidsestraat die je inkijkt vanaf nummer 80, de hoek met de Prinsengracht, en wat je allemaal niet ziet: heren met hoeden en mannen met petten, koetsjes en paard en wagens, een fietsende vrouw die gehuld gaat in een enorme zwarte cape, haar lange haren over haar rug gedrapeerd, muuraffiches, een vleeschhouwerij, het Magazijn Willem de Zwijger, een handkar met serviesgoed, een bedelaar die nederig de handen vouwt voor een dame met een parasol, en nog veel, veel meer.

Op een foto van de Paleisstraat loopt een kameel voorbij, aan de teugel meegevoerd door een man in een djellaba met tulband. Een kameel in de Paleisstraat, ook toen al was alles mogelijk in Amsterdam.

We stonden op het pontje over het IJ en keken onze ogen uit. Overal lichtjes en vlakbij kwam de enorme Atlantis voorbij op de hielen gezeten door een iets bescheidenere Stormvogel. De maan stond hoog, de zon daalde naar de overkapping van het CS, alles was fluweel.

Toen we de vaste wal weer onder de voeten hadden, liepen we langs de Stichting Bevordering Educatie Vrachtzeilvaart naar het fiets- en wandelpad dat tussen allerlei hekken door naar de Willemsluizen voert.

De grote sluis was leeg, maar er lag een bootje te wachten, een klein zeilschip met gestreken mast en een roeiboot aan een touwtje. We waren de sluis nog niet over of het schutten nam een aanvang. Een hele sluis voor een bootje, dat bovendien een BZN bleek, de boot zonder naam, maar wel met een fiets aan boord.

Tussen de tuinen door liepen we over het kinderhoofdjespad van Buiksloterweg naar Buiksloterweg en gingen richting Tolhuis.

De zon lag nu op het CS. Een bord bij café de Pont zei dat ze open waren. Vanaf ons tafeltje aan het raam keken we uit op Mirella’s Oliebollerie die ook Delicatesse Specialist bleek.

Door een raam met het woord ‘overkant’ erboven zag je de overkant van het IJ. “Als je vroeger vanuit Noord naar de stad wilde, werd hier je pas gestempeld,“ zei ik.

Toen de vriendelijke serveerster onze consumpties bracht, wees ik op de maan en vroeg of ze het woord ‘maankant’ boven het raam kon laten aanbrengen.

“Komt goed,” zei ze. Niet veel later bracht ze de menukaart, waarop ‘Gasconse biefstuk met bundelzwamjus’ werd aangekondigd. “Ik denk,” zei ik, “dat we er nog maar eentje moesten nemen.”

We gingen naar de Nieuwendijk om de Beurspassage te bekijken. Bij Van der Linde aarzelde de ijsliefhebster aan mijn zijde. Zou ze of zou ze niet? “Best sweets in town,” zei een vrouw die haar fiets wegzette, waarmee die kous af was. Nu de passage nog.

Eerst passeerden we twee kaaswinkels, toen liepen we bijna bij een warenhuis naar binnen, daarna bleek ik het toch wel jammer te vinden dat de C&A-­passage was verdwenen en vervolgens stonden we voor de nagelnieuwe passage die Nieuwendijk en Damrak met elkaar verbindt.

Ik durfde er bijna niet in, zo ­deftig zag het er binnen uit. Al dat gemarmerde steen en die fresco’s langs de muren en aan de plafonds, het leek de laatgotiek van de renaissance wel. “De lampen,” sprak de ijsliefhebster die ook van lampen weet, “zijn gemaakt van fietsonderdelen, van oude fietsen uit de gracht.”

Aan het einde van de passage die voor een passage best wel kort is, kwamen ons twee vrouwen tegemoet. “De lampen,” zei de ene ­tegen de ander, maar hoe haar zin verder ging, kon ik door het passagerumoer niet verstaan.

Over de Nieuwendijk liepen we langs diverse kaaswinkels naar
de andere nieuwe passage, de IJ-passage in het Centraal Station.

Daar rook het niet alleen naar de P.C. Hooft, het zag er ook zo uit. Bij Claudia Sträter, Victoria’s Secret, Kiko Milano, Little Delirium, Kyoto Sushi, Cheese and more kon je de toekomstige leegstand al bijna ruiken.

Maar achter het CS wachtte het wonder van de nieuwe IJ-boulevard die het IJ plotseling heel dichtbij brengt. De pont naar het IJplein lag gereed. Niet geaarzeld en aan boord.

Door elke stad lopen geheimzinnige, onzichtbare grenzen. Wie in Parijs vanaf Porte des Lilas de rue de Belleville afdaalt, gaat langs arm en rijk en ziet van de ene straat op de andere de buurt van kleur veranderen.

Het ene moment is alles wit, dan stap je de Maghreb binnen, dat plaats maakt voor donker Afrika en Chinatown, waarna alles samenvloeit in de rue du Faubourg du Temple. Je ziet het gebeuren, maar waarom het gebeurt?

Mijn moeder liep graag door de Leidsestraat en door de Kalverstraat, maar op de Nieuwendijk of de Haarlemmerdijk wilde ze nog niet dood gevonden worden. Daar kwam je niet. Boodschappen voerden haar naar de uithoeken van de stad, maar de Beethovenstraat heeft ze denk ik nooit betreden.

Misschien zat de Apollolaan ertussen, want de Apollolaan was iets ergs, je hoefde maar een keer naar Willem Parel te luisteren en je wist het. Willem Parel was de zoon en kleinzoon van een orgeldraaier en de voorzitter van het NPG, het Nederlands Parel Genootschap.

Hij trad op zaterdagavond op in De showboat, na ­MiMoZa, en elke uitzending zei hij minstens een keer: “Niet op reageren, Lena.” En: “Waaaaterverf.” En heel Nederland zei het hem na. De tekst was: “Van wie is die tekst? Van Eli Asser!”

Parel had met de Apollolaan een enigszins problematische relatie. Er woonden alleen maar rijke mense, rijke mensen zijn zuinig en dat merkte hij in zijn centenbakje, vandaar.

Ik heb jarenlang getennist op de banen naast de Apollohal. Mijn ouders zijn nooit komen kijken. De schuld van Willem Parel misschien?

Kent U de Domselaerstraat? De Domselaerstraat is waarschijnlijk de geheimzinnigste straat uit het toch al zo geheimzinnige oeuvre van Nescio.

De regels, het zijn er maar een paar, die hij aan de straat gewijd heeft, zijn een mysterie. Ze zijn te vinden in het op 19 maart 1947 gedateerde verhaaltje Madame Bovary.

In dat verhaaltje loopt hij van het Station Muiderpoort door de Domselaerstraat en dan schrijft hij: ‘Kent U de Domselaarstraat? Iets was van me afgevallen. In de Domselaar­straat nota bene. Amsterdam, l’incomparable. “Wien, Wien, ja du allein.” Alles is beter dan dat. Jammer dat U de Domselaarstraat niet kent. Anders zou U pas goed begrijpen hoe erg dat allemaal kan zijn.’

Eerder op de dag zag hij een dame in de bus voor wie hij verzint dat ze op weg is naar haar minnaar in Amsterdam. Die dame heeft er iets mee te maken. Maar wat? De sleutel ligt in de Domselaerstraat. Die wij niet kennen. Wat in zoverre klopt, dat ik er tot voor kort nooit geweest was.

Maar zoals ik al vreesde, een ­bezoek aan de Domselaerstraat bleek hooguit geschikt om het raadsel te vergroten. Achter me hoorde ik de treinen over de spoordijken gaan, voor me gleed in de Linnaeusstraat de 9 voorbij.

Op de hoek met de Pontanusstraat zat ooit de Openbare voorbereidende school Lr-M, en achter de ruit van een van de aardige huizen hing een affiche met het gedicht De Dapperstraat erop, ook waren er bomen en passeerde er een ­enkele fietser.

Maar de Domselaer­straat liet zich niet kennen en dus zou ik nooit begrijpen hoe erg dat allemaal kon zijn.

De brug met het venijnige klimmetje die de Plantage met het Entrepotdok verbindt, blijkt de Nijlpaardenbrug te heten. Het zal iets te maken hebben met de nijlpaarden die er in Artis niet zijn.

Toen er in Artis nog nijlpaarden waren, was er geen brug en was het Entrepotdok nog een ­entrepot. Waar je niet zomaar in mocht. Er was een slagboom met een portier. Als je langs hem naar binnen liep, kwam hij zijn hok uit en informeerde waarheen je dacht te gaan. “Even kijken, meneer,” bleek geen goed antwoord.

Maar zelfs een portier moet wel eens weg, en zo slaagde ik er uiteindelijk in een keer naar binnen te glippen. Waar zich een nieuw probleem aandiende, want er was geen weg terug. Het poortje naar de Laagte Kadijk bestond nog niet of zat op slot en de Nijlpaardenbrug moest nog gelegd worden.

Toen onze kleindochter was ­geboren, gingen we met haar naar Artis. Ze zat in een wandelwagentje en liep af en toe een stukje. Bij de kamelen zei ik :“O kamelen, ik kan er uw geur niet velen” van Jan Hanlo en bij de leeuwen declameerde ik: “Een leeuw is eigentlijk iemand,/ Die bang is voor niemand” van de Schoolmeester. ­Onze kleindochter vond dat wel aardig.

Na het wandelwagentje kwam het Artiskarretje, dat je trekken of duwen kan. In die dagen eindigden we altijd bij Tanja die meestal in een mist van glas en water schuilging, maar op het droge soms de kaken wijd opengeklapt hield om de kroppen andijvie te vermalen die door de oppasser in hoog tempo naar binnen werden gegooid. Nu komen wij niet meer in Artis en is Tanja dood.

‘De Kloveniersschool stond in de Zandstraat.’

Dat is niet alleen juist, maar ook de eerste zin van Herinneringen aan de Kloveniersschool, een niet gepubliceerd manuscript van E.H. van der Zee, waarvan ik een kopie bezit. Gekregen van zijn dochter.

E.H. van der Zee gaf in de oorlogsjaren wiskunde op het Vossius Gymnasium. Hanny Michaelis schrijft heel aardig over hem in Lusteloos voorjaar, het zojuist ­gepubliceerde eerste deel van haar oorlogsdagboek.

Later gaf hij les op het Spinoza Lyceum, en in 1930 had hij voor de tweede keer een vierde klas op de Kloveniersschool.

De kinderen in die klas werden hem zo dierbaar dat hij een halve eeuw later een boekje over ze schreef. Over Joachim Fransman die zulke mooie gedichten schreef, over De Pindaman bijvoorbeeld: ‘Ver van kinderen en vrouw/Staat hij te kleumen in de kou/Geef de man een riks/Hij heeft immers bijna niks/Neem de pindaman bij U in huis/En kook wat voor hem op uw fornuis.'’

Over Liesje Piller die zo proper was en Evie Baruch die dat niet was. Evie kreeg een briefje mee voor haar moeder en het prompte antwoord luidde: “Evie is om aan te leren, niet om aan te ruiken.”

Over de vlooien die in de klas rondsprongen, maakte niemand zich druk, maar luizen stonden slecht aangeschreven. Sommige meisjes waren banger voor een luis dan voor een muis. “Er waren ook kinderen,” schrijft Van der Zee, “die rijk beluisd waren en daar allerminst last van hadden.

In hun gezinnen gold de stelling: alleen gezonde kinderen kunnen luis hebben. Zij en hun mamma’s stonden voortdurend op voet van oorlog met de schoolzuster, want het dreigement: kop helemaal kaal laten knippen, was om de drommel geen loos argument.”

De ene vriendin had zich zojuist als Sinterklaas verkleed toen onze ­dode vriendin gevonden werd en van mijn vriendin in mijn dode vriendin veranderde.

Ze lag dood in het huis waar ik een paar dagen eerder nog had aangebeld. Maar ze had niet opengedaan en dus was ik weggegaan.

En nu was ze dood.

Op Zorgvlied luisterden we naar De vlieger van André Hazes en ­allemaal stonden we te snikken, van avant-gardecomponist tot ­penoze. Mijn dode vriendin was onmogelijk, niet mee om te gaan. Dat was ze altijd al, maar toen ze verslaafd raakte, werd het erger.

Af en toe ging ze afkicken in een chique kliniek in het zuiden van Frankrijk. Als ze ontslagen was en de trein naar Amsterdam had ­genomen, belde ze vanuit Brussel of ik haar van het station wilde ­ophalen.

Natuurlijk wilde ik dat, want zo onmogelijk als ze was, hield ik veel van haar, zoals iedereen veel van haar hield.
In een bontjas gehuld als een ­diva stapte ze uit de trein en zei dat we ­meteen naar de kop van de Zeedijk moesten, waar ze om te ­laten zien dat ze was afgekickt even moest scoren.

Ze is al heel lang dood, mijn dode vriendin, maar vaak denk ik nog aan café De Unie aan de Amstel, waar we altijd aanlegden als we haar graf hadden bezocht.

De ­biljarttafels stonden er in een strenge rij. De biljarters dronken er hun bier met een portie kaas en worst erbij.

En wij keken naar de Amstel. Daar gingen de doden voorbij.

De overkant van de ­Amstel is altijd het mooist. Je ziet de ­gevels, je kijkt in de straten en kijkt de grachten af die hier, de een na de ander, in de ­rivier uitkomen, majestueus of ­bescheiden, al naar gelang de kant waar je je bevindt.

In Parijs verdeelt de Seine de stad in rive gauche en rive droite. Wij maken dat onderscheid niet, maar ik reed op de rechteroever en keek uit op de majesteitelijke kant, die zich links van mij herhaalde met het bijvoeglijk naamwoord ‘nieuwe’ ervoor, Nieuwe Herengracht, Nieuwe Keizersgracht, Nieuwe Kerkstraat, ­Nieuwe Prinsengracht, Nieuwe Achtergracht.

Een eindje verderop ging ik het poortje door naar de Voormalige Stadstimmertuin. Stilte daalde op mij neer. De leerlingen in het gebouw van de voormalige Joodse HBS waren al naar huis of hielden zich muisstil. In het Vergader- en congrescentrum Vastgoed werd achter glas thee gedronken.

Het gebouw waar in de oorlog het Joods Lyceum zat, herbergt nu Kinderhonk Amsterdam, de peuters keurig naast elkaar op bankjes. Boven de ingang hangt een ­tableau van gele tegels met tussen de jaartallen 1941 en 1943 een ­davidster.

Op de glazen plaat naast de ingang staat: ‘on dit schoolgebouw/ door de bezetter in de jaren van de tweede wereldoor