Column

Jij snapt niet hoe het is om echt alleen te zijn

Eva HoekeBeeld Floris Lok

In de trein richting Eindhoven nam ik plaats naast een oudere vrouw in een rode gewatteerde jas, een bleek gezicht en het grijze haar in een wrong. Ze rook naar sigaretten.

'Nou,' zei ik ondertussen tegen mijn moeder. 'We zien wel hoe het loopt. Ik zie je in elk geval zaterdag, we zijn er rond vijf uur, oké?'
Er werd in mijn arm geknepen. Het was de vrouw, ze wees op het raam. Er stond: stilte.

'Ik ga ophangen moe,' zei ik tegen mijn moeder. 'Ik zit in een stiltecoupé en er zitten hier mensen voor wie dat heel belangrijk is.'
'Daar hebben ze gelijk in,' zei mijn moeder, en we hingen op.

Ik keek naar de vrouw naast me. 'Dat was mijn moeder,' zei ik. De vrouw keek me gewond aan: 'Had ik nog maar een moeder.' Daarna keek ze demonstratief uit het raam.

Goed, dacht ik, en ik wilde juist aan mijn ciabatta oude kaas beginnen - voorzichtig, niet te veel knisperen - toen de vrouw zich weer omdraaide. 'Kijk, daarginds praten ze ook met elkaar.' Met een gele vinger wees ze naar het oudere stel in de bankjes voor ons. 'Maar u zit heel dicht bij mijn oor. En ik heb met uw privé niets te maken.'

Daarna, een tikje sluw: 'Ik ga u toch ook niet zitten vertellen dat mijn kat is overleden?'

'O echt?' zei ik, want met zulke mededelingen heb je aan mij juist een hele goeie. 'Wanneer is ie doodgegaan?'
De vrouw: 'In maart dit jaar.' Ik: 'Hoe oud was hij?'

De vrouw keek me geringschattend aan. '22. Ja, dat is oud. Maar Mosje was mijn enige vriend. Ik ben mijn hele leven depressief geweest, als je het zo graag wil weten. Ernstig depressief. Van alles hebben ze geprobeerd: pillen, praten, opsluiten. Maar niks hielp. Behalve Mosje. Hij is negentien jaar mijn partner geweest. Negentien jaar, want ik heb nooit geen man gehad. Ja ééntje, maar dat was een rotzak. En vrienden heb ik ook niet. Mosje was mijn enige vriend. Als je ziek bent zoals ik, is dat heel belangrijk.'

Ik knikte, maar ze maakte een wegwerpgebaar. 'Nee, dat snap jij niet. Jij snapt niet hoe het is om alleen te zijn. Om écht alleen te zijn.'

Ze keek weer uit het raam, er gleden koeien voorbij. En ineens zag ik haar zitten, thuis, alleen, stapels kranten op een verschoten tafelkleed. De vergeelde draaitelefoon die nooit ging. De dagelijks gang naar de Deen, pak melk in een te grote tas, buidel shag bij de balie. En dan die wandeling terug naar huis, elke dag hetzelfde, uitgesleten paden naar een troosteloos bestaan met maar één lichtpuntje: Mosje. En toen ineens dat stijve lijf.

Bij station Dordrecht stond de vrouw op. 'Woont u hier?' vroeg ik nog, maar ze schudde haar hoofd. 'Gelukkig niet. Rotstad. Maar wat moet ik? Ik ga chocola kopen. Dat is goed voor je hoofd.' Ze pakte haar tas en keek me aan. 'Nou, bel jij je moeder maar weer.'

Daarna verdween ze, de trein uit, de roltrap af, de stad in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden