Review

Jazz: Gerry Mulligan - Western Reunion ****

Het is zaterdag 7 april 1956. Om kwart over acht staat het Gerry Mulligan sextet op het podium van het Kurhaus in Scheveningen. Na het concert worden de Amerikaanse baritonsaxofonist en zijn band naar Amsterdam gereden, waar ze om twaalf uur 's nachts aantreden in het Concertgebouw.

De verwachtingen zijn hooggespannen. Michiel de Ruyter, jazzjournalist, heeft de vrijdag voor het concert in Het Parool geschreven dat de 29-jarige Mulligan als een van de belangrijkste figuren in de wereld van de moderne jazz geldt en dat zijn optreden niet anders kan worden gekwalificeerd als 'een gebeurtenis op jazzgebied.'
In de stad hebben posters gehangen waarop het concert staat aangekondigd in dikke letters: 'Lou van Rees, International Bandexchange office presenteert: Gerry Mulligan en zijn wereldberoemde sextet.'

De namen van de bandleden staan in een kleiner lettertype afgedrukt: Bob Brookmeyer op ventieltrombone, 'Zoot' Sims op tenorsax, Bill Crow op contrabas, Dave Bailey op drums en Jon Eardley op trompet.

Onder aan de poster staan de 49 titels van de nummers die op het repertoire van het sextet staan, nummers als Mud bug, Half Nelson en The lady is a tramp.

Lou van Rees is in de jaren vijftig samen met Paul Acket de belangrijkste impresario voor Nederlandse jazzmusici. Van Rees is ook degene die Amerikaanse jazzartiesten naar het Concertgebouw haalt. Hij programmeert die concerten pas rond middernacht, zodat de artiesten ook nog in Den Haag kunnen optreden. Dit volgens het principe: twee vliegen in een klap.

Zodra de Amsterdamse jazzliefhebbers een aanplakbiljet van Van Rees hebben gespot, haasten ze zich naar de Nieuwe Muziekhandel, waar zich dan inmiddels al een rij voor de kaartverkoop heeft gevormd. Vijftien gulden kost een kaartje. Dat is veel geld, maar de echte jazzliefhebber heeft het er voor over. Albums van Amerikaanse artiesten zijn nauwelijks te krijgen. Dus wie op de hoogte wil blijven van de laatste ontwikkelingen in de jazz, moet naar concerten.

Het loopt dan ook storm die avond in het Concertgebouw. Men wil Mulligan zien. Het is de eerste keer dat hij in Nederland optreedt. Maar zijn naam is gevestigd in Europa.

Mulligan speelde ook in de vermaarde Miles Davis Band, die eind jaren veertig de overgang van de wilde bebop naar de bedachtzamere cool jazz markeerde. Iedereen, die iets van jazz afweet, kent het nonet van Miles Davis. Na zijn jaren bij Davis richt Mulligan in New York een eigen tienkoppig ensemble op. Hij verdient er geen cent mee. Om kosten te besparen, repeteert hij dikwijls in het Central Park. Lang houdt hij dat niet vol. Op zoek naar meer voorspoed, verhuist hij naar Californië.

Daar ontmoet hij trompettist Chet Baker, met wie hij pas echt doorbreekt naar een groter publiek. De twee mannen formeren een kwartet zonder piano, en maken daarmee baanbrekende lichtvoetige, vrije muziek.

Mulligan onderzoekt al langer hoe hij groepen zodanig kan samenstellen en arrangeren, dat elk lid ervan een eigen partij krijgt, als in een meerstemmig koor. Met Chet Baker naast zich wordt hij daar een meester in. Het tedere geluid van de twee blazers - deels geïnspireerd op het saxofoongeluid van Lester Young - is het gesprek van de dag.

Maar de samenwerking tussen de twee jonge talenten duurt slechts elf maanden. In juni 1953 moet Mulligan voor een half jaar de gevangenis, omdat hij met heroïne is gesnapt. Chet Baker gaat solo verder en groeit in die tijd uit tot een ster.

Mulligan bereikt de sterrenstatus niet veel later in Frankrijk. In 1954 geeft hij met ventieltrombonist Bob Brookmeyer als sparringpartner een aantal optredens in de Salle Pleyel in Parijs. Hij wordt ontvangen als de frisse, verzorgd uitziende jazzadonis.

Met al die verhalen in het achterhoofd gaan de Amsterdammers in 1956 het Concertgebouw binnen. Ze zullen niet worden teleurgesteld. Mulligan, die zo nu en dan ook achter de piano kruipt, is in topvorm. Hij is uitermate ontspannen, maakt grapjes, en geeft zijn publiek een geïnspireerde en virtuoze set muziek.

De vier blazers buitelen in hun solo's over elkaar heen als jonge honden, om dan als een koortje van stripfiguren eenstemmig de slotakkoorden in te zetten. In de uitvoering van I'm beginning to see the light lijken ze verstoppertje te spelen. Op onverwachte momenten laten ze - kiekeboe - van zich horen met een kreet. Heel amusant.

Michiel de Ruyter meldt zich maandag 9 april 1956 weer in Het Parool met een recensie van het concert. Hij is in een jubelstemming: 'En inderdaad is het het belangrijkste jazzgebeuren in ons land na de Tweede Wereldoorlog geweest.'
En: 'Zo ging het in alle veertien gespeelde werkjes, een verbazingwekkend musiceren onder andere mogelijk gemaakt door een werkelijk volkomen technische beheersing van de instrumenten en een ongekende onderlinge muzikale verstandhouding.' (MAARTJE DEN BREEJEN)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden