Column

Invloed SGP past in sentiment tegen geest jaren zestig

Het orthodoxe protestantisme heeft in Nederland nooit het fanatieke, laat staan gewelddadige karakter gekregen waarmee het in het Zuiden van de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Noord-Ierland zo'n slechte reputatie in de wereld opbouwde.

null Beeld

Misschien is dat, voor een deel althans, te danken aan Abraham Kuyper, die aan het begin van de twintigste eeuw het bondgenootschap van de katholieke erfvijand zocht om samen sterker te staan in de strijd voor gelijkberechtiging van het christelijke onderwijs. De gereformeerde Kuyper legde daarmee al vroeg een basis voor christen-democratische samenwerking, maar minstens zo belangrijk was dat hij het antipapisme als politieke factor vrijwel onschadelijk maakte.

Dit sentiment leefde nog wel lang voort in de Nederlandse politiek, maar slechts in de marge, belichaamd bij uitstek door de SGP, de Staatkundig Gereformeerde Partij, die in 1918 werd opgericht, hetzelfde jaar waarin voor het eerst een katholieke premier aantrad. In 1922 maakte de SGP haar debuut in het parlement met dominee Kersten, die drie jaar later met zijn voorstel om het gezantschap bij de paus op te heffen de val van het eerste kabinet-Colijn veroorzaakte. Na dit wapenfeit, een onderstreping van hun antipapisme, is de rol van de mannenbroeders tot de kantlijn beperkt gebleven. Premier Drees stak in de jaren vijftig zelfs goedmoedig de draak met dominee Zandt, die vanwege de afbeelding van Sint Maarten op een briefje van 25 gulden een 'verroomsing' van onze bankbiljetten vreesde.

Maar hoe marginaal ook, in haar diepste wezen is de SGP met haar streven naar een staat op gereformeerde grondslag een stelselvijandige partij, zoals de NSB en de CPN dat waren. De SGP heeft dat theocratische ideaal nog altijd niet opgegeven, hoewel zij wel heeft uitgesproken dat ze haar doel langs parlementaire weg wil bereiken - je zou dat gereformeerd reformisme kunnen noemen. Niettemin is het goed de zekere tweeslachtigheid in het oog te houden, nu de SGP min of meer deel gaat uitmaken van de coalitie van VVD, PVV en CDA en invloed krijgt op het regeringsbeleid.

Vanuit historisch perspectief is het al bijzonder dat een partij die bijna een eeuw lang in de marge heeft vertoefd, vat krijgt op het machtscentrum; na de verkiezingen voor de senaat op 23 mei mogelijk nog meer dan tot nu toe. De politieke betekenis daarvan lijkt vooral dat de toch al aanwezige conservatieve sentimenten in de coalitie, religieus of anderszins bepaald, worden versterkt. Voormalig VVD-leider Wiegel poogde onlangs ook de ChristenUnie te verleiden tot dit kamp toe te treden om het draagvlak te verstevigen. De oude vos voelt goed aan dat de partij na opeenvolgende electorale verliezen onzeker is over haar koers en ontvankelijk voor de boodschap haar netten over rechts uit te werpen; een beweging die al is ingezet door senator Roel Kuiper en de directeur van het wetenschappelijk instituut, Gert-Jan Segers.

In de tweede plaats kan worden vastgesteld dat de middenpartijen CDA en VVD over de huiver heen zijn met de orthodox-protestantse partijen op regeringsniveau samen te werken. Dat is ten dele misschien uit nood geboren, maar het geeft aan hoezeer het middelpunt van de Nederlandse politiek naar rechts is verschoven. In de naoorlogse periode werd er alleen in hypothetische zin over de mogelijkheid van een 'Staphorster variant' gesproken. In het liberale huis is er altijd wel een stroming geweest die zich verwant voelde met het protestantisme met zijn klemtoon op de individuele verantwoordelijkheid, maar daarbij vielen de orthodoxe varianten buiten het blikveld.

Dat die huiver nu is verdwenen, zowel bij de VVD als het CDA, is niet louter politiek opportunisme maar sluit, wellicht intuïtief, aan bij een breder levend sentiment dat wordt gekenmerkt door verlangen naar oude, vertrouwde waarden en overzichtelijkheid, behoud van het eigene en een aversie tegen de cultuur van toegeeflijkheid en individualisme die de jaren zestig-revolutie heeft voortgebracht. Dat sentiment leeft niet alleen in Nederland, maar ook elders en zeker in de VS, waar ik de afgelopen weken heb rondgereisd, zowel langs de liberale oostkust als in het conservatieve, christelijke zuiden.

Opvallend is dat ook in de VS conservatieve protestanten na eeuwen van erfvijandschap het bondgenootschap van katholieken zoeken om samen de christelijke cultuur te verdedigen. De republikein Newt Ging-rich is twee jaar terug zelfs van baptist katholiek geworden. Nochtans vond ik het belangwekkend politiek nieuws dat SGP-voorman Kees van der Staaij onlangs samen met zijn vrouw de Matthäus Passion beluisterde in de Sint Jan in Den Bosch, daarmee bevestigend dat zijn partij het antipapisme achter zich heeft gelaten en nu 'liever paaps dan Turks' is - dominee Zandt zou zich, leefde hij nog, de ogen uitwrijven.

De contrarevolutie - want zo mag je het sentiment tegen de linkse, seculiere en kosmopolitische kerk zonder overdrijving noemen - kan ook in de Nederlandse politiek tot een tweedeling leiden. Er zijn krachten in en rondom de coalitie die daar welbewust op aansturen. Of dat zal gebeuren hangt af van het CDA en de ChristenUnie, die heen en weer worden geslingerd tussen cultuurbehoud en pluraliteit, alsook van de VVD waar nu, zie het formatieverloop, de conservatieven de overhand hebben op de liberalen.

Als het tot een tweedeling komt, zal de Nederlandse politiek haar gematigde karakter verliezen en agressiever worden. Zelfs de minzame en bescheiden mannenbroeders van de SGP konden in dat geval, nu zij de macht hebben geroken, wel eens een stuk fanatieker worden, zeker als het antipapisme wordt gezien als metafoor van de angst voor het vreemde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden