Plus Column

In mijn zak brandt de overlijdensakte van mijn dochter

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag lees je hier haar column uit Het Parool. Vandaag: strijd voor een doodgeboren dochter.

Beeld Floris Lok

Het regent niet eens. Dat heeft het in deze geschiedenis nooit gedaan. Het sneeuwde die ene geboortenacht. Het mistte de dagen ervoor. En tijdens de begrafenis straalde de zon. Dat laatste voelde of de natuur me uitlachte. Jank jij maar, met je zielige verhaal, de zon schijnt lekker toch. Want het leven trekt zich niets aan van wat jij voelt. Het leven geeft je een linkse directe, net als je denkt dat je het enigszins snapt. Het leven heeft je jouw kind ontnomen.

Zeven jaar geleden overleed mijn dochter halverwege de zwangerschap. Vorig jaar schreef ik een column over haar nadat ik had ontdekt dat ze nergens was geregistreerd. Want in de wet staan letterlijk deze grievende woorden: 'Wordt een kind dood geboren, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.'

Na mijn stukje kreeg ik honderden berichten. Van mensen die met zestien weken hun zoon verloren, ouders die na een voldragen zwangerschap een niet ademend waswit meisje in hun armen hielden, van echtelieden, dik in de tachtig, die nog altijd rouwden om hun doodsbaby. Al deze kinderen werden gebaard, en toch, al deze kinderen bestaan niet.

Dat klopt niet. Na een zwangerschap van meer dan vierentwintig weken ben je nota bene verplicht aangifte te doen. Is je baby jonger, dan krijg je niet eens een overlijdensakte. Ook al ligt het op het kerkhof, het kind ­bestaat niet.

De mails bevatten zo veel verschillende verhalen. Maar van alle woorden droop verdriet. Verdriet om de miskenning van wat ooit is geweest. Een tragedie, een gezamenlijke geschiedenis, een kind van wie gehouden is.

Ook Arre Zuurmond schreef me, de Gemeentelijke Ombudsman. Hij was verbijsterd dat zo strikt aan een formulering in een wet uit de negentiende eeuw wordt vastgehouden. 'Kom op, we gaan naar Den Haag, dit moeten we onder de aandacht brengen,' zei hij tijdens onze ­eerste ontmoeting. 'En trouwens, ik heb het eens nagevraagd en in Amsterdam wordt de wet gelukkig coulant nageleefd. Ik denk dat ik de overlijdensakte voor jouw Liv moet kunnen krijgen. Zou je dat willen?'

Ik kon alleen maar zachtjes knikken.

Een maand later zat hij met zijn grote lijf in mijn auto gepropt, zijn aktetas achteloos op een kinderstoeltje gesmeten. 'Ik denk dat we iets geks moeten wagen, Roos. Het lijkt nauwelijks mogelijk maar we gaan proberen de wet te veranderen.'

En dus lulden we als Brugman in het Haagse. En we gaan het nog een keer doen. En nog eens. Want die wetsformulering móet anders en er moet een registratieplek komen voor alle kindjes die er ooit waren. Zodat ergens in de archieven staat wat wij hebben meegemaakt. ­Ouders met een leeg wiegje. Ouders met lege handen.

Het is een doodgewone dinsdag als ik nerveus voor het stadsdeelkantoor draal. Ik weet, het is maar een briefje. Maar als ik het krijg, mogen andere ouders het ook. En dat is wat ik wil.

Een uurtje later sta ik buiten. Verlegen lacht de zon me toe. In mijn zak brandt de overlijdensakte van mijn dochter. Ze mag er zijn.


r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden