Column

Ik zie De Grote Schlikker in gedachten langzaam verzinken in de tijd

Roos Schlikker
Roos Schlikker. Beeld Het Parool
Roos Schlikker.Beeld Het Parool

Hij vraagt het wat schuchter. Mijn vader, doorgaans goed en vooral luid gebekt, mompelt een beetje. Ik weet toch dat hij het grootste gedeelte van zijn jeugd woonde in de Hudsonstraat? Ik knik. Jawel, al heeft hij er zelden over verteld. Nou, een kennis van hem, makelaar, heeft uitge­rekend zijn ouderlijk huis in de verkoop. Het staat leeg en mijn vader mag er rondkijken. 'Ik dacht... misschien wil je mee?'

Een week later fietsen we de Rozengracht af. Ik babbel over werk, Ajax, de kinderen. Hij zegt weinig terug, wat me verbaast. De Grote Schlikker is doorgaans niet van het nostalgische slag, toch zie ik hem in gedachten langzaam verzinken in de tijd. Pas als we zijn vroegere straat inrijden, begint hij uitgebreid te vertellen. Er is geen houden aan.

Kijk, hier zat de bakker, de slager, de slijter, de drogist, daar haalden ze muntjes om te kunnen bellen en dat was de kerk waar hij uren van zijn moeder moest zitten. Op een dag sloop hij met vriendjes naar binnen om uit de dakgoot van de toren lood te jatten dat ze vervolgens probeerden te slijten aan de ijzerwinkel.

'Kom moar trug met je foader,' had de man plat gezegd terwijl hij de buit confisqueerde. Dat deden ze uit angst voor straf natuurlijk niet en het ijzerwerk zagen ze nooit terug. 'Telkens als we langs fietsten, schreeuwden we weer naar binnen: 'Fuile looddief!'' Al ratelend steekt hij de sleutel in het slot van het huis. 'Alles zal er wel anders uitzien, hoor, pap,' waarschuw ik. Alles is immers altijd anders dan je dacht.

Maar opeens zijn we binnen en schudt hij zijn hoofd. 'Het is nog precies hetzelfde.' Hij leidt me rond. Zijn oude kamer, de keuken, de ­meterkast waar mijn melkventende opa zijn werkjas ophing. We lopen naar het postzegeltuintje en kijken tegen de zon in. Voor het eerst is het stil. Dan hoor ik mijn vader, de blijmoedigste mens die ik ken, zeggen: 'Ik was een ongelukkig jongetje.'

Ik kijk hem aan. Wat praat hij zacht. 'Ik had het gevoel dat ik niet leefde, had geen benul hoe ik me moest uiten.' Ik knik. Er waren jaren dat ik ook geen idee had. En ik weet dat hij dat weet. 'Van mijn moeder mocht ik niet omgaan met het gajes uit de buurt, maar pas toen ik met hen bevriend raakte, kroop ik uit mijn schulp.'

Zo zie je maar. Dat wat je als moeder het meest vreest, kan je kinds grote redding blijken. 'Dus van dat lood jatten knapte je enorm op,' zeg ik. 'Is die kerk toch nog ergens goed voor geweest.'

'Wát een klote woninkie!' roept mijn vader opeens. Ik lach hard met hem mee. 'Laten we lekker gaan lunchen.' We haasten ons naar buiten. Met een ferme klap gooit mijn vader de deur dicht. Zonder om te kijken beent hij weg. Afgesloten. Maar ergens verbeeld ik me dat de echo van onze stemmen nog naklinkt tussen de zestig jaar oude bordkartonnen muurtjes.

Wil je reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen of mail naar r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden