Column

Ik leefde de droom van velen - wonen in een hotel

Thomas Acda Beeld Wolff
Thomas AcdaBeeld Wolff

Door een onhandige samenloop van liefdes bewoonde ik ooit kamer 107 van het American Hotel. Het andere dubbele bed was eruitgehaald en ter vergroting van mijn woongenot had het personeel een schrijfdeskje bij het raam gezet.

Zomer, solo en zonder schroom ­geschreven, doodongelukkig. Maar hé, geld zat (toen nog wel) en midden in een zeer succesvolle tournee, dus als daar geen goed nieuw materiaal uitkwam, dan wist ik het ook niet meer.

Ik wist het kennelijk ook niet meer, maar leefde de droom van velen - wonen in een hotel. Elke ochtend ongewassen op mijn sokken naar het ontbijt waar ik in mijn hoekje, steevast hetzelfde bestellend, ­slaperig mijn hotelgenoten bespioneerde.

Bij de eennachters was dat bijvoorbeeld de man die elke ochtend kennelijk zo hard moest nummer tweeën dat ie de rest van de dag liep alsof hij het ijs niet vertrouwde. En een dame, zo weggelopen uit een Agatha Christieroman, compleet met hoedje en schoothond. Bill Wyman en zijn kennelijk vrij van school zijnde echtgenootje.

En Edward, mijn butler/ober, tevens informatiebron, want Edward wist alles van ­iedereen.

Op een dag, toen hij allang gewend was zijn cappuccino aan mijn ontbijttafel mee te drinken, vertelde Edward over twee ­dames die op de bovenste verdieping woonden. Amerikaanse alleenstaande ­rijke weduwes de zich ieder voor een paar ton aan guldens tot het einde van hun ­leven het American hadden ingekocht.

Dat was 1978 geweest en de toenmalige manager moet ergens rond de eeuwwisseling ook wel hebben doorgehad dat het nog steeds een best lucratieve deal was, maar dan alleen voor de dametjes. Je zag ze nooit, zei Edward, ze leefden van room­service die op de gang gezet diende te ­worden.

Die middag, terwijl ik als vanouds al uren verveeld op de tourbus wachtte, besloot ik naar boven te glippen. De trappen van de brandgang gebruikte ik al maanden (de snelste weg naar de Smoeshaan), dus niemand zou gek opkijken als ze op hun monitortje mij zagen rondsluipen.

Ik kwam op de bovenste verdieping aan. Een lange lege gang. Schoon, maar alsof ik een oude film inkeek. Alles was beige-bruin: het ­tapijt, de muren, het droogboeket.

Aan de andere kant van de gang was een deur. Voor die deur, naast een donkerbruine mat, stonden twee paar schoentjes.

Ik hoorde een schel schrapend geluidje. De deur had een oogje gekregen. Een knipperend kwaad oogje achter glas. Ik hoorde een hoog gilletje (kan ik zelf geweest zijn) en rende op mijn sokken terug naar mijn kamer. Je kunt een goed verhaal ook ­gewoon geloven, besloot ik.

Thomas Acda (1967) is zanger en acteur. Voor Het Parool beschrijft hij wekelijks zijn observaties van 'de' Amsterdammer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden