Column

'Ik heb iemand anders ontmoet, ze is in alles anders dan jij'

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag lees je hier haar column uit Het Parool. Vandaag: loslaten.

Beeld Linda Stulic

Ik lig op de bank en sluit mijn ogen. Naast mijn hoofd zit een tijger te malen op een Tucje. Hij is een van de weinigen van wie ik eetgeluiden verdraag. Sterker, zijn gepeuzel en geknaag maken me eindelijk rustig.

Vannacht ging zijn vader bij me weg. Hij, Mister Empatico die al van medeleven begint te sniffen als hij een eenzame gymp in een regenplasje ziet, keek me aan zonder expressie. "Ik heb iemand anders ontmoet. Ze is jong, maar daar ligt het niet aan. Ze heeft steil zwart haar en is in alles anders dan jij. Niet ongeduldig, niet ambitieus, niet narrig na een lange dag. En dus ga ik naar haar."

Paniek schroefde mijn strot dicht. "En de kinderen dan?" Hij haalde zijn schouders op. "En ik?" De deur sloeg dicht. Zweet en tranen maakten mijn gezicht vlekkerig. Bloed pompte door mijn kop terwijl ik mezelf de meest wezenlijke vragen van een verlaten veertigplusmoeder stelde: moest ik nu ook op Tinder? En wie moest nu in godsnaam de legostukjes op kleur sorteren, iets wat hij altijd vrijwillig gedaan had?

Het geroffel van mijn hart en mijn eigen huilkreet hadden me doen wakker schrikken. Het duurde een paar minuten voor ik wist dat ik hem weer had gehad: de grote 'Hij gaat bij me weg'-nachtmerrie. Een paar keer per jaar overvalt hij me. Oké, als ik heel eerlijk ben ongeveer één keer in de maand. Vaak lijkt de droom zo echt dat ik de dag erna moeite heb aardig tegen mijn echtgenoot te doen. Hij weet het zelf niet, maar hij heeft me iets verschrikkelijks aangedaan. De lul.

Natuurlijk is het verlatingsangst. Ik heb er altijd last van gehad. Op het oog sta ik best stevig op mijn poten, maar dat kan alleen als ik me ingebed voel in een ondergrond van zekerheid. Zekerheid dat mijn man me leuk vindt, dat mijn vriendinnen altijd bij me zullen horen, dat mijn ouders nooit doodgaan en dat mijn kinderen aan me verklonken blijven. Ja, een psychiater zou zijn handen aan me vol hebben, maar iedereen heeft recht op zijn eigen gekte. Dus omarm ik de mijne en zit ik de kwade nachten uit.

Want als de mist optrekt, is alles weer gewoon. Mijn man schenkt een glas rood in, een vriendin appt met de vraag of we gauw een hapje gaan eten, mijn jongste peuzelt in zijn tijgerhuispak zoute koekjes naast me.

Af en toe steekt hij zijn klauw naar me uit. Nageltjes schrapen over mijn gloeiende wang zonder dat ze zich vastzetten in mijn vlees. En ik weet: ik hoef hem ook niet krampachtig vast te houden. Ik ben net 41 geworden en als je iets leert van ouder zijn (naast het feit dat zwaartekracht geen mythe is), is dat het niet werkt om je klauwen te vast te zetten. Wat gebeurt gebeurt.

Ik doe mijn ogen dicht. Ik mag loslaten. Loslaten in het vertrouwen dat iedereen blijft. In de verte hoor ik het geluid van lego die op kleur wordt gesorteerd.


r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden