Column

Ik heb de stellige overtuiging dat ik niet dood kan

Beeld Floris Lok

Ik waan me een grijze man van zesenzestig die de dood voor zich uit probeert te duwen. Het is een doordeweekse ochtend en ik rijd in een peloton soortgenoten door het Noord-Hollandse landschap.

Elke week treffen ze elkaar bij een desolaat bushokje in Purmerland. Leraren, aannemers, makelaars, snackbareigenaars, beursjongens, slagers. Ze hebben één ding met elkaar gemeen: racefietsliefde.

Het is een wereldje dat ik mijn hele leven ken. Mijn vader is sinds zijn puberteit in de ban van wielrennen, als melkmuiljongetje van negentien werd hij zelfs kam­pioen van Amsterdam. In mijn kinderjaren snoof ik graag aan zijn kleren als hij thuis kwam na een rondje. Kettingsmeer, zweet en polderwind. Door mijn vader weet ik dat je buitenlucht kunt ruiken.

Nog steeds draait zijn bestaan om fietsen. Dat van mij om stukjes tikken, maar ik doe graag met hem mee. Vorig jaar beklommen we, zes weken nadat hij een bijna fataal fietsongeluk kreeg, de Ventoux. Een paar maanden geleden riep hij: 'Er is een fietsmarathon in New York. 165 kilometer, 2300 hoogtemeter op één dag. Doen?'

Doen. En dus train ik mee met de mannen die zich op de racefiets onsterfelijk wanen. Die geinen, stoempen en hun neus ledigen door keihard het snot er uit te snuiten, zonder zakdoek.

Bert Wagendorp zei in een interview dat al die oudere Ventouxbeklimmers de dood te lijf proberen te gaan. Ik heb dat niet. Ik lijd aan een omgekeerde vorm van hypochondrie en heb de stellige overtuiging dat ik niet dood kan. Vooralsnog is het tegendeel immers niet bewezen. Maar ik ben me overbewust van de sterflijkheid van de ander. Ik hoef zelf niet te voelen dat ik leef. Ik rijd achter mijn vader om te voelen dat híj leeft.

Met veertig kilometer per uur razen we over polderdijken, langs lome lammeren en dorpjes met namen als Warder en Middelie. Soms roept iemand 'Paaltje!' of 'Tegen!'. De wereld gereduceerd tot paaltjes en tegenliggers. Mijn vaders lijf beweegt soepel voor me. Ik denk vaak dat ik hem moet beschermen, nu houdt hij me uit de wind.

Het leven is eenvoudig zo, de benen malen, de hersens staan stil.
Een week later sta ik met mijn vader en fietsmaat Anton, ook zo'n knoestige laat-zestiger, op de Washington Bridge. Niks eenvoud, alles is groots. Het volkslied wordt gespeeld (hoewel dat niet bijzonder is want Amerikanen barsten al in 'O say can you see' uit als ze een dikke drol hebben gedraaid), achter ons torenen dreigend de wolkenkrabbers, voor ons doen de bergen hetzelfde. Het startschot klinkt, met vijfduizend idioten stuiven we vooruit. Overal klinkt gejoel, lawaai, gekte.

Maar na een tijdje wordt het stil. 165 loodzware kilometers lang. Wat nou onsterfelijk? Ik zie alleen de rug van Anton en mijn vader. Mannen vol leven. En ik ben een veertiger die de dood voor zich uit probeert te duwen, maar intussen zelf een beetje sterft. Bij de finish omhelzen we elkaar, een overdreven grote medaille om onze nek. Stiekem snuif ik even aan het fietsshirt van mijn vader. Buitenlucht.

Wilt u reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen of stuur een mail.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden