Column

Ik dacht aan Gerard Reve, die vertelde dat zijn poezen katholiek waren

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column.

Theodor Holman
Theodor Holman Beeld Wolff
Theodor HolmanBeeld Wolff

Helder slaapt en verkent zo de dood, denk ik. Soms miauwt hij. Tegen niets of niemand. Hij rekt zich dan even uit, maar gaat dan weer liggen en sluit zijn ogen.

Ik heb hem verteld dat hij gaat verhuizen.

"Dat weet ik al," zei hij.

"Er is geen tuin daar," zei ik.

"Jawel, die is er wel," antwoordde hij en hij vervolgde: "Het is juist een mooie, grote tuin."

Ik knikte maar. En ik dacht aan Gerard Reve, die vertelde dat zijn poezen katholiek waren. "Behalve één, die weet het nog niet, die twijfelt nog."

Moor - ze is ook al oud en soms der dagen zat - is niet gelovig. Althans, niet zo gelovig als Helder. Moor is ook meer een mens. Ze blaft tegen alles en iedereen, zeker nu ze blind wordt. Het maakt haar nerveus voor de dozen die overal in het huis staan.

"Waarom staan die dozen hier?" vraagt ze.

"Daar moeten spullen in."

"Maar je gooit alles weg."

"Dat is waarom ik een hekel heb aan spullen. Spullen zijn dingen die je moet weggooien."

"Ben jij ook een spul?"

Ik lach - hondenhumor, en knik.

Soms ontmoeten Helder en Moor elkaar in de voorkamer. Grote vrienden zijn het nooit geworden. Moor begrijpt dat Helder af en toe naar gebieden reist die zij niet kent; Moor heeft nooit op schuttingen kunnen klimmen en is nooit andere huizen binnengedrongen.

Ze begrijpt denk ik ook dat Helder aan het laatste hoofdstuk bezig is, waarin hij de dood niet meer ontvlucht, maar wil opzoeken. Die laatste jacht is duidelijk zwaar en maakt hem moe.

Op Texel wandelde ik laatst met een ezel van de dichter en schrijver Theun de Winter. Reve meende dat God een ezel was, maar ik twijfel daaraan. Ik weet dat God niet bestaat, maar als hij bestaat, is het geen ezel, althans niet zo'n ezel als die ezel van Theun, die soms niet meer vooruit wilde en die ik tegen z'n kont vooruit moest duwen.

Als hij bestaat, is God familie van Helder en Moor. Een dier, dat is zeker. En geen groot beest, maar meer formaat herdershond of schaap.

Helder en Moor denken dat ik God ben. Ze kunnen altijd bij mij terecht. Ik genees hun kwalen. Ik voed ze. Ik heb op alles een antwoord. Ik ledig hun noden. Ze aanbidden mij.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden