Column

Ik ben geen Nederlander, ik ben Amsterdammer

Mano Bouzamour
Mano Bouzamour Beeld Het Parool
Mano BouzamourBeeld Het Parool

Een verslaggeefster van de Volkskrant vroeg of ik mij Nederlander voelde. Ik stak het welbekende verhaaltje af. Dat ik mezelf niet echt als een Marokkaan beschouw, maar dat wel ben voor veel mensen. En dat ik me niet echt Nederlander voel, want als ik in Groningen ben, voel ik me niet echt verwant met die lui daar. Eindhoven evenmin. Net als in Almere, Amersfoort en Alkmaar.

De vrouw van de Volkskrant vervolgde of ik van de tweede, derde of vierde generatie Marokkanen was. Ik antwoordde: 'Weet ik veel. Doe je fucking huiswerk.'

Ik vertelde haar dat we zomers met de hele familie, dus de eerste, tweede, derde én vierde generatie, langs de Amstel picknickten. Broodjes en kippenpootjes in aluminiumfolie, tennisrackets en voetballen, tuinstoeltjes en kleedjes, de hele mikmak. We stalden al die dingen uit in de wijdse weilanden. Aan de oever van de Amstel zat ik naast mijn vader in een tuinstoeltje, allebei in blote bast. Dan draaide hij met vlugge vingers een sjekkie en blies hij de rook uit zijn neus terwijl hij verhalen vertelde over Marokko, totdat de zon zachtjes in de Amstel zakte en er een frisse wind opstak.

Daarna stapten we in de auto, reden we naar de melkboer verderop om liters melk te kopen, een afsluitend ritueel van een picknickdag.

De honden van de boer verwelkomden ons met oorverdovend geblaf. De melkboer vertelde mij elke keer weer hetzelfde verhaal: 'Járen geleden, toen je vader nog geen guldens kon tellen, kwam ik weleens bij hem langs, en dan pakte ik zo de kwartjes, dubbeltjes en stuivertjes uit zijn hand. Blind vertrouwen. Dat bestaat tegenwoordig niet meer.'

De verse melk werd in een melkvat geschonken en mee naar huis genomen. Onderweg dronk ik melk tot ik er buikpijn van kreeg. Thuis gingen we de melk karnen. Het melkvat ging beurtelings langs iedere broer en zus - de broers schudden het langst en hardst om de armspieren flink op te pompen, zodat ze de vriendinnetjes van mijn zussen imponeerden. Krachtig karnen was een teken van mannelijkheid. Hier toonde zich ook de eeuwige strijd tussen de broers.

Nadat de melk een nachtje had gerust, werd de volgende morgen de boter eruit gezeefd door mijn moeder. Een groot deel daarvan gaf ze aan de Turkse onderburen op eenhoog, de Chilenen op de begane grond en de Hollanders op de vierde verdieping. Wij aten geen boter, wij dronken melk. Zelfgemaakte karnemelk.

Niemand van mijn vriendjes op het lyceum had ooit gekarnd. Een keer vertelde ik het in de klas en toen zei een kakkerige klasgenote: 'Je kan toch ook gewoon boter kopen bij de Albert Heijn?'

De Amstel is de slagader van mijn bestaan. Mijn dna bestaat uit de fijne netwerkjes van grachtjes, straatjes en steegjes. Ik ben geen Nederlander, ik ben Amsterdammer.

Wilt u reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen of mail naar m.bouzamour@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden