Column

Iedere dode heeft zijn eigen hoekje en misschien is dat mooi

Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

"Ja, lieverd, met mij, kun je me even terugbellen? Doeg!" Zijn stem op het voicemailbericht klinkt zo normaal, dat ik meteen weet dat er iets mis is. Ik ben net de douche uitgestapt en tik bibberig zijn nummer in.

"Schatje, niet schrikken." Waarom zijn dat toch altijd de telefoontjes die je het meest doen schrikken? "Je vader heeft weer wat."

Er klinkt een verhaal van plotseling wazig zien, even naar de dokter, zo dit is ernstig meneer, netvlies losgelaten, nog maar twintig procent functie van dat ene oog, er is een spoedoperatie nodig om te redden wat er te redden valt.

Ik knipper in het badkamerduister. En terwijl ik hem geruststel, de standaardriedel afdraai van 'Ze kunnen tegenwoordig zo veel', hamert het tussen mijn slapen: hij gaat niet dood. Hij gaat godzijdank nog niet dood.

"Jeetje pap, wat vervelend allemaal," breng ik uit en ik meen het. Zijn oog dat het zomaar niet doet, ik zou het een jaar geleden een schok hebben gevonden. Nu voel ik opluchting tot mijn schaamte. Want het is geen kanker. Geen hart dat niet naar behoren roffelt. Geen doodsmak van een trap. Het is een oog. Alles is relatief als je ooit het ergste zag.

"Ik ben nu op weg naar de VU. Daar doen ze nog een testje."

"De VU? Vind je dat niet raar?"

"Jemig. Daar heb nog helemaal niet bij nagedacht. Ja. Dat vind ik heel raar."

Even blijft het stil.

"Maar je weet dat de VU twee gebouwen heeft, hè? Misschien moet je aan de overkant zijn. Dan kom je niet langs de ic."

"Laten we het hopen."

We hangen op. De VU. Ik kreeg er mijn kinderen, het gebouw schonk me het grootste geluk, maar ik heb er sinds afgelopen zomer nooit meer normaal langs kunnen rijden. Zoals meer plekken. De stad herbergt haar doden voorgoed.

Zo had H. ooit een eigen bankje in een restaurant waar ik werkte, herinnert de Spuistraat me altijd even aan M., is de afslag Osdorp verbonden aan F. en moest ik laatst hevig aan S. denken toen ik over het fietspad naast het Waterlooplein reed, omdat ik met haar ooit een feest bezocht in die straat.

Iedere dode heeft zijn eigen hoekje en misschien is dat mooi. Zo zijn ze niet vergeten. Maar ik wil niet dat er nieuwe plekken bij komen. Want een mens is zo veel meer dan een straat. Zeker mijn vader.

En nu moet hij naar dat rottige ziekenhuis. Daar waar ze haar afgekoelde lichaam in augustus naar buiten droegen.

Maar hij gaat niet dood.

Hij gaat nog niet dood.

Even later belt hij me. "Ja, lieverd. Alles is goed gegaan hoor." Zijn oog is stuk, wie weet voorgoed, wie weet herstelt het zich. "We zien het wel," grap ik slecht. Hij lacht.

Hij mocht aan de andere kant van het ziekenhuis naar binnen. En hij liep zelf naar buiten.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

r.schlikker@parool.nl

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden