Plus

'Hoe voelen we ons vandaag?' en meer taal uit de spreekkamer

Behalve een witte jas, een flinke dosis medische kennis en een stethoscoop is voor de arts taalvaardigheid onmisbaar. Onhandige formuleringen of te directe bewoordingen maken de patiënt banger. En misschien zelfs wel zieker.

Beeld ANP

Wat stelt u zich voor bij een klaplong? Een long die kapotspringt? "Nee, bij een klaplong schrompelt de long in elkaar. Er gebeurt dus precies het tegenovergestelde," zegt Frans Meijman, hoofddocent huisartsgeneeskunde bij Amsterdam UMC.

Sommige namen van aandoeningen maken de kwaal nog veel afschrikwekkender dan ze al zijn. Voorbeeld: burn-out, vertaald 'opgebrand'. Iets dat is afgefakkeld, is voor altijd verloren. Maar iemand die een burn-out heeft, kan daar wel degelijk van herstellen. "Daarom vind ik het ouderwetse woord 'overspannen' veel beter. Over-spannen. Als je de spanning eraf haalt, komt het weer goed. Dat is veel positiever."

Zowel op als naast de behandeltafel smijten we met destructieve uitdrukkingen als het om onze medische gesteldheid gaat. Dagelijks hoort Frederieke Pijbes, huisarts in Osdorp, aanduidingen als 'versleten' of 'chronisch'. Beiden geven weinig hoop voor de toekomst. Versleten is 'kapot', en chronisch 'voor altijd'.

Terwijl de prognose lang niet altijd zo pessimistisch is. Chronisch kan ook 'voor langere tijd' betekenen. En versleten iets dat bij de leeftijd past. "Wij dokters zijn ons nog veel te weinig bewust van onze afschrikwekkende teksten. Het woord slijtage valt de héle dag," zegt Pijbes.

'De dokter is een medicijn'
Artsen maken patiënten onbewust misschien wel onnodig bang. Of zelfs zieker. "Mensen lijden toch nog het meest aan dat wat men vreest, dus de huisarts moet mensen juist geruststellen. Daar zijn we tachtig procent van de tijd mee bezig."

Taal is daarbij het belangrijkste instrument, vindt Meijman, die samen met Annelies Bakker, specialist in gezondheidsvoorlichting, het boek Medische mensentaal schreef. Pijbes, een huisarts die naar eigen zeggen de 'taalbril' heeft opgezet, spreekt tijdens de boekpresentatie maandag in de Zuiderkerk.

Hoe belangrijk geruststellende woorden van artsen zijn, blijkt ook uit onderzoeken, zegt Pijbes. "De best werkende antidepressiva zijn die waar de dokter zelf het meest in gelooft." Of zoals Meijman zegt: "De dokter is een medicijn."

Omgekeerd werkt het volgens Meijman en Pijbes ook zo: als de boodschap aan de patiënt zwarter is dan nodig, kan de dokter daar een ravage mee aanrichten. Onnodige bezorgdheid bij de patiënt bijvoorbeeld.

Geruststellen
Pijbes haalt een voorbeeld aan van een 85-jarige patiënt met een knappend geluid in de heup. Hij had geen klachten. Zij zou hem hebben gerustgesteld. Maar een andere arts liet voor de zekerheid toch een foto maken. De diagnose: 'ernstige slijtage'. De orthopeed wilde niks doen, want de patiënt had geen pijn.

De man werd dus naar huis gestuurd met 'een knappend geluid en een ernstig versleten heup'. De klachten, die hij niet had, kwamen daarna toch. "Maar toen hij weer op het spreekuur kwam, zei hij: 'De pijn is weg.' De fysiotherapeut had hem verteld dat door het knappende geluid de slijtage niet toenam.

Hij noemde het een gewrichtsgeluid in een bij de leeftijd passende heup. Daarna zijn de klachten spontaan verdwenen. Dus het knappende geluid werd een gewrichtsgeluid en de versleten heup was ineens een heup van een 85-jarige man. Daarmee maak je het beide gezond in plaats van ziek.

Hou het dus positief, maar wel eerlijk. Toen Meijman nog huisarts was, stond hij in het ziekenhuis aan het bed van een patiënt met een bloedvergiftiging die overduidelijk stervende was. "Zijn dochter vroeg aan de verpleegkundige: 'Hoe is hij eraan toe?' Met andere woorden: blijft hij leven of gaat hij dood?' De verpleegkundige zei: 'Uw vader heeft last van beestjes in zijn bloed.' Het was goedbedoeld, maar totaal geen antwoord op de vraag."

Moedervlek googelen
Dat is fout, maar het tegenovergestelde - 'de doorgeslagen transparantiecultuur', het niet omfloerst alles hard benoemen - is volgens Meijman een groter probleem. "Daar zijn wij in Nederland berucht om.

Zelfs als iemand zegt: 'Noemt u me maar de feiten,' hoef je niet te beginnen met: 'We hebben kankercellen gevonden in het hapje uit het slijmvlies van de darm.' Ik geef dan de voorkeur aan: 'We hebben kwaadaardige cellen gevonden.' Of 'rare cellen'. Als iemand dan verder vraagt, kun je zeggen dat het kanker is."

Let wel: artsen leren bij een slechtnieuws­gesprek altijd om meteen de boodschap over te brengen. Zonder mistwolken. "Maar geef mensen ook de tijd om het slechte nieuws te laten landen."

Dat is allemaal de functie van taal. En in deze tijd, waarin patiënten steeds meer verwachten van de geneeskunde, waarin als je googelt op moedervlek, je met één klik bij huidkanker zit. In een tijd waarin steeds meer beloftes worden gedaan door innovaties en medische technologie.

In een tijd waarin de arts gevangen zit in protocollen en angst om iets over het hoofd te zien. In een tijd waarin patiënten mondiger zijn en al met een half behandelplan, op basis van een paar avonden internetten, op consult komen, is taal volgens Pijbes broodnodig om 'elkaar überhaupt nog te vinden'. "Meer dan ooit."

Taal in de zorg

Kindertaal
Als zorgverleners oudere patiënten aanspreken alsof het kleine kinderen zijn - in simpele bewoordingen, op hoge toon en overdreven articulerend - dan gaan ouderen zich meer verzetten. Ze wenden zich af en schoppen of slaan vaker, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek naar het contact tussen demente ouderen en hun zorgverleners.

Frans Meijman kent ook voorbeelden 'waarbij een dokter in het oor van een oudere patiënt tettert alsof hij doof is'. Met taal en toon kun je mensen het gevoel geven dat je ze incompetent acht, en dat genereert weer onzekerheid en sombere gevoelens bij de patiënt, zo concludeerden de onderzoekers.

Verwarrende termen
- Roesje: dat is een lichte narcose. Vaak is het van korte duur, maar let op: de patiënt blijft wel een tijdje suf, waardoor de rijvaardigheid nog uren verminderd kan zijn.

- Stabiel: stabiel wil zeker niet zeggen dat het goed gaat met de patiënt. Het betekent dat de conditie van de patiënt ongewijzigd is. Maar iemand kan stabiel zijn, maar wel in levensgevaar.

- Aanduidingen als 'meestal niet' of 'bijna altijd'. Huisarts Just Eekhof zocht het uit: waar de ene huisarts 'meestal niet' voor 5 procent hanteert, doet de ander dat voor 30 procent. De marge bij 'niet altijd' is nog veel groter: die bleek namelijk uiteen te lopen van 30 tot 90 procent.

Ongewenst jargon
Vaktaal is niet alleen in de zorg een plaag. De roep om eenvoudigere formuleringen is deze week ook gedaan aan het adres van de rechters. Een meerderheid van de Tweede Kamer wil dat rechters hun vonnissen in begrijpelijke taal opstellen. Het rijk hanteert op websites en in folders het B-1 taal­niveau, kortom teksten met korte zinnen, ­makkelijke woorden en een logische ­opbouw.

Ook de Raad voor de Rechtspraak wil de ingewikkelde juridische taal begrijpelijker maken. Bij verschillende rechtbanken zijn met dit doel al projecten opgezet. Zo ook bij rechtbank Amsterdam, waar het project Wieb (Wat ik eigenlijk bedoel) loopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden