Plus

Hoe mijn oude buurjongen raamexploitant werd

Bij de begrafenis van zijn vader ziet Roelf Jan Duin zijn oude buurjongen Jan weer. Hij zoekt hem op in Bremerhaven, waar Jan de halve rosse buurt blijkt te bezitten.

Jan: 'Als je ziet hoe het er hier aan toegaat, ga je er anders over denken'Beeld Heinrich Holtgreve

Het is bloedheet in het peeskamertje, de zoete vanillegeur van de luchtverfrisser dringt diep mijn neus binnen. Terwijl Jan de huur van die dag in ontvangst neemt, kijk ik naar de tribaltatoeage boven de billen van de mollige prostituee en vraag me af hoe zij hier terecht is gekomen.

Maar meer nog vraag ik me af wat ik zelf in vredesnaam doe in de hoerenbuurt van Bremerhaven.

Ja, ik zou er een artikel gaan schrijven over Jan (41), die twintig jaar naast mij woonde in een twee-onder-een-kapwoning in Rotterdam en nu zijn brood verdient met het exploiteren van prostitutieramen. Ik ken Jan al zo lang ik leef, maar nu ik hem in deze grauwe havenstad in Noord-Duitsland tref, voel ik me behoorlijk unheimisch.

Opgewekt
Jan daarentegen loopt opgewekt langs de roodverlichte ramen. De weinige prostituees die op dit tijdstip werken, draaien plichtmatig met hun heupen terwijl ze verveeld op hun telefoon staren.

Jan zwaait, maakt een dolletje, stopt voor een praatje. "Alles goed?" "Ja, alles goed." "Rustig vandaag?" "Ja, rustig, misschien wordt het vanavond wat drukker."

Dan wijst Jan naar mij. "Dit is Roelf Jan, mijn oude buurjongen. Hij is nu journalist en werkt bij een krant." De vrouw werpt een korte, keurende blik op me en antwoordt: "Ach, daar kan hij toch ook niets aan doen, we hebben niet allemaal ons beroep voor het uitkiezen."

Lulletje rozenwater
Ze lacht, Jan schatert, en ik voel me met mijn opschrijfboekje en Bic-pen in mijn hand opeens weer hetzelfde lulletje rozenwater dat dertig jaar geleden al zo opkeek tegen zijn buurjongen, die drie jaar ouder en tien keer stoerder was.

Begin dit jaar had ik Jan weer gezien, op de begrafenis van mijn vader. Toen ik sprak tijdens de dienst, zag ik hem vanuit mijn ooghoek de kerk binnenkomen. Een paar dagen later kreeg ik een mail van hem. 'Hé Ruft, dat heb je mooi gedaan zaterdag,' was het onderwerp, de rest van het mailtje was leeg.

Ruft: ik kon me niet herinneren wanneer iemand die stomme bijnaam voor het laatst had gebruikt.

Als kind was Jan alles wat ik niet was. Hij had een crossfiets, een drumstel, een stereotoren en durfde alles. Ik droeg spencertjes en speelde klarinet. Toch trokken we veel met elkaar op. Toen ik een jaar of vijf was, schreef mijn moeder in mijn kleuterboek: 'Hij kijkt enorm op tegen buurjongen Jan, die toch al niet zo'n goede invloed op hem heeft.'

Huisjesmelker
Na onze jeugd groeiden we uit elkaar. Ik ging politicologie studeren en werd journalist, Jan rondde drie studies af en ging het vastgoed in. Eerst werkte hij voor het bedrijf van zijn vader, in die tijd de grootste en beruchtste huisjesmelker van Rotterdam en later veroordeeld voor het faciliteren van drugshandel. En nu bleek Jan de halve rosse buurt van Bremerhaven te bezitten.

Zijn aanwezigheid bij de begrafenis en korte mail hadden me geraakt, maar ook nieuwsgierig gemaakt naar zijn leven. Jan had altijd al een fascinatie gehad voor de zelfkant van de maatschappij. Hoe zou hij zich nu staande houden tussen de pooiers en de hoeren in Duitsland?

Als ik hem bel met het voorstel om een artikel over hem te schrijven, reageert hij met hetzelfde enthousiasme als waarmee hij vroeger vuurwerk afstak. "Natuurlijk, kom langs, je bent altijd welkom!"

Glimmende velgen
Een paar dagen later stap ik licht nerveus in de auto. De hoerenbuurt van Bremerhaven, ik kan me er weinig bij voorstellen, maar vrolijk zal ik er vast niet van worden.

Halfnaakte vrouwen achter ramen, de louche pooiers die eromheen hangen, ik heb het altijd maar moeilijk als een progressieve verworvenheid kunnen zien. En al vind ik mezelf geen moraalridder: als het over prostitutie gaat, vaar ik op mijn morele kompas. En dat wijst bij dit onderwerp resoluut in de richting: niet oké.

'Als kind was Jan alles wat ik niet was'Beeld Heinrich Holtgreve

"Dat komt doordat je er niets vanaf weet," had Jan door de telefoon gezegd. "Als je ziet hoe het er hier aan toegaat, zul je er anders over gaan denken."

Op de Lessingstraße parkeer ik tussen de Audi's en BMW's met geblindeerde ramen en glimmende velgen. Pooierbakken. De straat is deels opgebroken, het ziet er niet uit alsof haast wordt gemaakt met de werkzaamheden. Het braakliggend terrein tussen de gebouwen is bezaaid met troep, de verf bladdert van het fantasieloze beton. 'Palais d'amour,' staat op een blinde muur.

Naast een dichtgespijkerd restaurant heeft Jan zijn kantoortje. Het felle tl-licht en de grijze dossierkasten verraden dat ook hier niet is geïnvesteerd in gezelligheid.

Gezeik
Als ik binnenkom, is Jan in een hevige woordenwisseling verwikkeld met een kleine, wat gezette man in een bodywarmer. Ook een raamexploitant. Als hij vertrokken is, vraag ik Jan wat er aan de hand was. "Gezeik. Er is altijd gezeik," antwoordt Jan.

Het gezeik ging dit keer over de stickers die Jan op zijn ramen plakt: 'Vanaf 30 euro'. "Je moet een ondergrens stellen, straks doen die vrouwen het voor een tientje." De collega-raameigenaar wil die stickers niet; hij vindt dat kartelvorming. En hij wil ook niet meebetalen aan de beveiligers die Jan door de straat laat lopen. Dus ja, dan ontstaat er gezeik.

Beeld Heinrich Holtgreve

Voor uitgebreid bijpraten met mijn oude buurjongen is weinig tijd. Hij wordt om de haverklap gebeld op zijn oude Nokia. In deze branche is de smartphone geen vanzelfsprekendheid: te makkelijk om af te luisteren.

Er is inderdaad voortdurend gezeik. Een slot van een van de kamertjes werkt niet. De rode ledverlichting achter een raam moet worden vervangen. Een Hongaarse pooier belt. Hij heeft twee nieuwe meisjes, of Jan even huurcontracten kan opstellen. "Die vent had eerst drie vrouwen voor hem werken, maar een andere pooier heeft er een van hem afgepakt. Nu heeft hij er dus weer vier."

Statussymbool
Ik vraag hoe dat gaat; het afpakken van meisjes. Dat weet Jan ook niet precies. "Soms wordt zo'n meisje verliefd op een andere gast, soms is het puur zakelijk. Voor veel vrouwen is het hebben van de stoerste pooier met de mooiste auto een statussymbool."

De pooier die even later met de twee Hongaarse meisjes bij het kantoor van Jan arriveert ziet er niet bepaald stoer uit, eerder een beetje groezelig. De twee meisjes staan zwijgend naast hem, ze delen een blikje energiedrank. Beiden dragen een oude joggingbroek en een te grote jas.

Jan vraagt hun paspoort, dat ze zonder oogcontact te maken aan hem geven. Een is achttien jaar oud, de ander net twintig. Jan stopt de contracten in een map, geeft de meisjes hun paspoort en de Hongaar de sleutels van twee kamertjes.

Dwang?
Hoe komen deze vrouwen hier terecht, wil ik weten. Hoe weet je nou dat ze hier niet gedwongen achter het raam gaan staan? "Dwang? Wat is dwang?" vraagt Jan droogjes. "Ja, er is economische dwang," legt hij uit. "De meeste vrouwen zijn zigeuners uit het oosten van Hongarije, tegen de grens met Oekraïne. Daar op het platteland heerst bittere armoede en dus komen ze hierheen."

"Onder valse voorwendselen en via een schimmig netwerk van mensenhandelaren," antwoord ik. Jan reageert laconiek op mijn aantijgingen. Die meisjes weten volgens hem dondersgoed waaraan ze beginnen als ze naar West-Europa komen.

"Steek jij dan je hand in het vuur voor al die pooiers hier?" probeer ik nog maar eens. "Nee, maar dat doe ik sowieso voor niemand. Bovendien: ik zet die vrouwen niet achter het raam, ik verhuur alleen maar kamers. Je kunt toch moeilijk van me verwachten dat ik een studie voor ze ga betalen."

Jan heeft dit gesprek duidelijk vaker gevoerd dan ik. Hij werkt hier dan ook al sinds 2010. Samen met zijn compagnon zocht hij goedkoop vastgoed en na een lange zoektocht kwamen ze in Bremerhaven terecht.

Niet saai
Aanvankelijk zagen ze de panden puur als belegging, later gingen ze er het beheer van de ramen bij doen. Nu bezitten ze de halve straat en zorgen ze voor schone lakens en gewassen handdoekjes voor de vrouwen achter het raam.

Nee, Jan ziet zichzelf dit werk niet de rest van zijn leven doen, maar hij lijkt het hier wel naar zijn zin te hebben. Het is, zegt hij, in elk geval niet saai. Hij oordeelt over niemand en dat anderen een moreel oordeel hebben over hem en zijn werk zal hem worst wezen.

Moraliteit is volgens Jan niets meer dan een sociale code, die zogenaamd nette mensen met elkaar hebben afgesproken om andere mensen onder zich te kunnen plaatsen. "Heel gevaarlijk."

Verwoeste levens
Jan verhuurt zijn peeskamers voor zestig euro per dag, de appartementen boven de ramen zijn ook te huur. Veel prostituees wonen er, met hun pooier of soms met hun kinderen. Een vrouw heeft een dochter van zeventien, volgend jaar gaat zij ook achter het raam zitten, vertelt Jan.

Beeld Heinrich Holtgreve

"Word jij nou niet droevig van al die verwoeste levens?" Dat is niet echt een open vraag, realiseer ik me pas nadat ik hem heb gesteld. "Sommige levens zijn al verwoest voor ze goed en wel begonnen zijn." Jan spreekt nog steeds met dezelfde stelligheid als toen hij me uitlegde hoe je een brommer uit elkaar haalde en in elkaar zette.

"Sommige vrouwen werkten voor ze hierheen kwamen in de achterbak van een busje, in ruil voor een zak aardappelen. Dit is de onderkant van de maatschappij, Roelf Jan. Niet iedereen groeit op in een mooi huis op de Rijweg."

Pandjesbaas
Onze jeugd in beider helften van dat mooie huis op de Rijweg kende veel overeenkomsten, maar nog veel meer verschillen. Mijn vader was een gepromoveerd astronoom die werkte bij Unilever, zijn vader een gepromoveerd biochemicus die na een carrière bij Van Nelle het vastgoed in ging.

Hij richtte zich daarbij op de onderkant van de markt. Voor een prikkie kocht hij soms hele straten op in de meest verpauperde wijken van Rotterdam. De meeste van zijn panden waren krotten, zijn huurders waren junks, dealers en illegalen.

Toen de gemeente schoon schip wilde maken in achterbuurten als Spangen en Delfshaven, stuitte ze op verzet van de pandjesbaas. Jaren van juridisch getouwtrek volgden, waarna de gemeente in 2007 alle panden opkocht voor 13 miljoen euro.

Oprotpremie
Een voorwaarde van de deal: het bedrijf, dat toen al voor een belangrijk deel werd gerund door Jan, mocht nooit meer activiteiten ontplooien binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam. Een oprotpremie.

Zijn vader en hij zijn keihard genaaid, zegt Jan terwijl we een pizza eten in een dönerrestaurant; gokkasten en tv-schermen veroorzaken een kakofonie van herrie en fel licht. Door jarenlang falend beleid van de gemeente was Rotterdam verpauperd, maar politici schoven de schuld in de schoenen van zijn vader.

Hier in Bremerhaven mag hij dan wel de hele dag met schimmige lui te maken hebben, de echte criminelen zitten bij de overheid, bij politie en justitie, zegt hij fel. "De mensen hier geven je een klap op je bek als ze boos zijn. Maar ze zijn niet zo hypocriet als politici."

Ivoren torens
In politiek zijn wij allebei geïnteresseerd. Ik ben inmiddels politiek verslaggever, Jan rondde studies werktuigbouwkunde, economie en rechten af alvorens hij drie jaar geleden naast zijn werk in Bremerhaven politicologie aan de UvA ging volgen. Tussen al dat 'gezeik' van pooiers en hoeren wilde hij ook wel weer wat intellectuele uitdaging in zijn leven.

Beeld Heinrich Holtgreve

Deze zomer leverde hij zijn masterscriptie in: 'From Pimp To Manager: A Study Into Managerial Aptitudes Of Sex Managers'. Hierin betoogt hij, ondersteund door vele voorbeelden uit eigen praktijk, dat het vak van pooier wezenlijk niet veel verschilt van dat van een gewone manager. Hij kreeg een 4,5, onder meer vanwege het ontbreken van voldoende 'ethische protocollen'.

Balen, maar eigenlijk bevestigde het wat hij al wist: hoog in de ivoren torens zijn ze niet geïnteresseerd in hoe het er werkelijk aan toegaat in zijn branche.

Liever houden wetenschappers, beleidsmakers en politici vast aan hun paternalistische en moreel verheven opvattingen over prostitutie. Talloze keren nodigde hij ze uit om te komen kijken in Bremerhaven, nooit kwam iemand langs.

Erkenning
Ik vraag Jan waarom hij zijn scriptie juist over zijn werk in de prostitutie schreef. Hoopte hij op maatschappelijke erkenning? Hij antwoordt dat zijn vader hem een belangrijke les heeft geleerd: trek je helemaal niets aan van wat anderen van je denken. "Dat werkt ontzettend bevrijdend."

Die vrijheid is in Bremerhaven niet onbeperkt. Drie reusachtige bodyguards flankeren Jan en mij als we een rondje maken langs zijn peeskamers. De huur wordt elke dag opgehaald en omdat Jan dan met veel contant geld over straat loopt, moeten de beveiligers garanderen dat hij niet wordt beroofd.

Het afschrikken van vijanden is een cruciale overlevingsstrategie, leert Jan me. Hij gaat regelmatig kickboksen in de sportschool even verderop in de straat. Daar hangen alle pooiers en andere raamexploitanten rond: met
biceps zo groot als bowlingballen. "Maar ga met ze sparren en het zijn pussies." Jan is eerder pezig dan gespierd, maar door zijn lengte niet iemand met wie je ruzie wilt krijgen.

Rigoureuzere maatregelen
Toch moest hij een paar jaar geleden rigoureuzere maatregelen nemen. Er waren 'problemen met Bulgaren'. "Toen hebben we dertig man uit Hongarije laten overkomen. Kostte klauwen met geld, maar na een paar weken waren de Bulgaren weg."

Beeld Heinrich Holtgreve

'De Bulgaren.' Ik moet opeens denken aan de avonden dat we rondhingen onder een brug in Rotterdam. Daar ging het vaak over 'die gasten uit Schiedam', met wie we ruzie hadden.

"Vanavond komen ze," werd dan gezegd en dus moest iedereen stokken, hamers of ander klusgerei meenemen. "Als ze komen, rent niemand weg, ook jij niet Ruft!" had Jan een keer gezegd.

Maar die gasten uit Schiedam kwamen nooit, net zomin als de gasten uit Schiebroek of Vlaardingen, met wie we kennelijk ook ruzie hadden. Niemand wist of ze bestonden, die gasten uit Schiedam. Maar we hadden ons territorium toch maar mooi verdedigd.

Waardigheid
Dan zie ik achter een roodverlicht raam een bekend gezicht. Nu wil ík oogcontact vermijden, maar het is al te laat. Het is het meisje van achttien dat een paar uur eerder het contract tekende, nog steeds met die wezenloze blik in haar ogen, maar inmiddels met aanzienlijk minder kleren aan. Hoeveel klanten zou ze vandaag al hebben gehad?

Misschien is het nu wel zo eerlijk tegenover Jan om te zeggen dat ik zijn werk verwerpelijk vind. Ja, prostitutie is legaal, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat je geld verdient aan het leed van anderen?
"Jij verdient als journalist toch ook je geld aan het leed van anderen? De krant staat vol met leed," antwoordt Jan.

"Dat is me te makkelijk. Ik faciliteer niet dat een meisje van achttien zich dagelijks door tientallen mannen laat nemen."

"Daar verdient ze heel veel geld mee," zegt Jan op rustige toon.

"En in ruil daarvoor moet ze haar waardigheid inleveren," antwoord ik.

Beeld Heinrich Holtgreve

"Wat heb je aan waardigheid als je niet te vreten hebt? En hoe weet jij dat zij geen eigenwaarde heeft? Sommige vrouwen halen er eigenwaarde uit dat mannen bereid zijn om geld te betalen om het met hen te mogen doen. Misschien wel heel verknipt, maar wie ben jij om daarover te oordelen?"

Armoede en ellende
Dit bevalt me niks: opeens ben ik degene die ongemakkelijke vragen moet beantwoorden. Jan is op stoom geraakt. Als ik het allemaal zo zielig vind voor die vrouwen die hier achter het raam staan, wat doe ik dan om er een einde aan te maken?

Hij zorgt ten minste nog voor schone kamers en veilige werkomstandigheden, ik heb alleen maar een mening, zonder dat ik daar ook maar enige actie aan verbind. Gratuit dus.

"Iedereen is tegen armoede en tegen ellende," gaat Jan verder, "alleen heb ik de luxe om weg te kunnen kijken, terwijl ik evengoed meedraai in een pervers systeem: mijn kleren komen waarschijnlijk uit een sweatshop in Bangladesh. Armoede is nu eenmaal grof en lelijk. En dit, wat hier gebeurt in Bremer­haven, dit is hoe armoede eruitziet."

Gelijk
Met meer vragen dan antwoorden rijd ik terug naar huis. Wat dacht ik eigenlijk van Jan te horen? Had ik verwacht dat ik hem kon overtuigen van mijn hooghartige morele gelijk? Dat Jan na mijn goddelijke interventie zijn werk in Bremerhaven zou verruilen voor een baan op de Zuidas?

Twijfelend begin ik te schrijven. We hebben afgesproken dat ik zijn achternaam niet noem. Het zal hem worst wezen wat ze van hem vinden, zijn familie hoeft niet te worden aangesproken op zijn werk, vindt Jan. Dan krijg ik een mailtje. 'Was leuk man. Ook altijd goed om even moreel te sparren.'

Beeld Heinrich Holtgreve
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden