Column

Hoe hard je je ook verzet, je gaat je toch hechten

Roos SchlikkerBeeld Linda Stulic

"Dríe trappen?!"

"Ik zweet me kapot."

"Je ken ook nerges parkere."

"Godskelere, wat hoog. Je zal hier wone."

En de tegelzetter is binnen.

Iedereen die zei: "Jullie denken in een week een keuken te verbouwen? Woehaha, je bent niet lekker," had inderdaad reuzegelijk. Het aantal losse draadjes is niet te tellen, de hoeveelheid te nemen Belangrijke Beslissingen evenmin.

Vragen als "Hoe hoog wil je je aanrecht?" ("Iets tussen dwerg en NBA-basketbalspeler in?"), "Hoeveel stopcontacten mot u?" ("Een rijtje?"), "Aan welk voegsel hadden we gedacht?"( "Wit?"), "Wat voor wit?" ("Witwit?") ,"Zal ik effe de nieuwe voegcollectie laten zien?"

Ze zijn de afgelopen maand allemaal voorbij gekomen. Evenals een enorme hoeveelheid klusjesmannen, slopers en andere vaklieden.

Ik raak altijd geïmponeerd door bouwvakkers. Dat komt doordat ik een volslagen onpraktische inborst heb, niets begrijp van steunmuren, driehonderd manieren om een kier te kitten en verwarmingsafdoppers. Van de weeromstuit doe ik veel te joviaal.

Sommige mensen bijten bij sociaal ongemak van zich af. Ik transformeer in een doodvermoeiende pleaser die vooral wil dat iedereen het gezéllig heeft.

Het maakt op de tegelzetter weinig indruk. Die verwacht sowieso weinig menselijke interactie; hij heeft genoeg aan zijn eigen gemompel. "Wat is het hier takkeheet. Nou, effe goed smeren. Auw, me rug. Zo tegel, daar ga je. Hoe hard je je ook verzet, je gaat toch hechten. Tering, wat zijn die ramen trouwens smerig."

Ik knik en rebbel over twee rotduiven die de boel onderschijten ("We noemen ze Gerrit en Sjaan. Grappig, hè? Nee? Niet?"), draai omstandig aan een verwarmingsknop ("Ik snap ook niet dat het zo warm is") en verexcuseer me uitgebreid voor het gehele Amsterdamse parkeerbeleid ("Tja, ze moeten hier in de straat ook laden en lossen
natuurlijk. Anders kunnen we geen biertjes meer kopen, hahaha. Of melk. Enzo. Maar het is wel errug he, jemig, wat is het errug. Sorry hoor daarvoor").

De man voegt verder en kijkt af en toe misprijzend naar die veel te drukke veertigersvrouw die doet of het leven een dijenkletserig lolletje is.

Quod non. Ik weet dat hij een hekel aan me begint te krijgen en kan hem geen ongelijk geven. Ik begin ook een hekel aan mezelf te krijgen.

Op dat moment heeft mijn vijfjarige zoon er genoeg van. Nonchalant slentert hij op ons chagrijnige gezelschap af. "Hier," zegt hij met zijn zwaarste mannenstem. "Een banaan."

En dan breekt het eerste glimlachje door. Vijf minuten later staat de tegelzetter mijn kind met engelengeduld voor te doen hoe je het voegsel het beste uitsmeert. De uren daarna hoor ik nog maar een heel enkel moppertje ("Hoezo is er in dit huis geen waterpas? Zo ken je toch niet leve?"), maar vooral de monosyllabische communicatie tussen de vakman en mijn kind.

Als hij aan het eind van de dag wegrijdt, zwaai ik hem uitbundig uit. Met een klein beetje pijn in het hart. Hij blikt naar boven, wuift terug en grijnst lichtjes. Hoe hard je je ook verzet, je gaat je toch hechten.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns terug in het archief.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden