Column

Het voetbal van Ajax zegt iets over onze stad

Vier keer landskam­pioen. De wedstrijd tegen Heracles was niet om aan te zien. Henry Kissinger, toen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, zei in 1974 dat je aan het voetbalspel van een land de cultuur kon aflezen.

Het in die tijd populaire, zwaar verdedigende ­catenaccio van Italië gaf weer dat het land gesloten was, defensief, niet creatief in de aanval. Het totaalvoetbal van Nederland was innovatief, creatief, maar legde het af tegen de degelijkheid van Duitsland: keihard werken, niet mooi, wel effectief. Artistieke inventiviteit kon niet op tegen Duitse 'Gründlichkeit'.

Dat stoort en hoort ook niet zo te zijn. Daar vechten we nog steeds tegen. Het voetbal van Ajax, zag ik gisteren, zegt iets over de stand van onze stad.

Ja, we zijn het best, net als Ajax, met ons Rijks, Stedelijk, Van Gogh en Anne Frank, maar het lukt maar niet echt. We hebben geen grote sterren. Onze burgemeester (lees: Frank de Boer in plaats van Eberhard van der Laan) is de beste die we in tijden hebben gehad, maar het gaat allemaal moeizaam. De stad, Amsterdam, slaapt een beetje.

Het is alsof de stad niet over de middenlijn wil spelen en steeds maar balletjes terugspeelt. 'Ja, we willen een salon­remise. Heracles een punt en dan zijn wij kam­pioen.'

Dat is opportunisme en dat willen we in feite niet. Er is geen Amsterdammer die het niet begrijpt, maar we willen aanvallen, mooie bewegingen zien, schitterende goals. We winnen nu wel - hartelijk gefeliciteerd, Ajax - maar op een manier die ons het recht ontneemt het best, het arrogantst en het mooist te zijn.

Dat is toch niet wat je wenst: ­winnen terwijl je in een hangmat ligt. Niemand houdt zo van Amsterdam als ik, denk ik wel eens. Maar wat bedoel ik dan?

Ik hou van de Ramses ­Shaffysfeer: Amsterdam om vijf uur 's ochtends. Ik hoor de merels die me met hun gefluit verleiden op de grachten, ik ruik de bakkers met hun brood, terwijl mijn kop suist van dronkenschap.

Zo wil ik dat Ajax speelt. Vanzelfsprekend het best. Liever tweede met meesterschap dan eerste met een ­salonremise. Dat is toch Amsterdams?

Ik schrijf dit terwijl ik een beetje dronken ben. Neem me niet kwalijk, maar ik verlang naar een Cruijff, een Keizer, een Swart, een bijtende ­Suarez. Dat is Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden