Plus

Het roemloze einde van duister genie Bobby Fischer

Tien jaar geleden overleed Bobby Fischer op IJsland. Ooit was hij de beroemdste schaker van de wereld, nu herinnert bijna niets meer aan de man die in 1972 de wereld in zijn ban hield. Max Pam ging terug naar Reykjavik, op zoek naar de legendarische grootmeester.

Bobby Fischer. Beeld afp

Niets is eeuwig, behalve de eeuwigheid zelf.
Uiteindelijk verdwijnen
ook de piramides weer roemloos onder het zand

Jan Wolkers

Ik ben naar IJsland gegaan om het graf van Bobby Fischer te zien. En nu sta ik op het kerkhof van Selfoss en kijk uit over de Ölfusá, een woest stromende rivier die als een zilveren lint van hier naar de zee meandert. In de verte zie ik onder de hoogstaande zon de brug van Selfoss liggen.

Na zijn verbanning in 2005 wandelde Fischer graag door dit ruwe landschap. Een mooier uitzicht voor een laatste rustplaats is nauwelijks denkbaar, maar op geen der grafstenen is de tekst te vinden: 'Robert James Fischer, 9 mars 1943 - 17 janúar 2008'.

Ten slotte geef ik het op en loop naar het kerkje. Er is juist een plechtigheid aan de gang en ik word door de dominee gecondoleerd met het verlies van een dierbare.

"Nee," fluister ik, "ik kom niet voor een begrafenis. Ik ben op zoek naar het graf van Bobby ­Fischer, de schaker."

Een flauwe glimlach verschijnt op zijn gezicht. Terwijl het gezelschap wacht, neemt hij mij even apart en legt uit hoe ik erheen moet rijden.

Ingelijste foto
Een paar dagen eerder, op 10 juli, ben ik naar Reykjavik gevlogen en heb mijn intrek genomen in het Islandair Hotel Natura. Die dag was niet toevallig gekozen, want op 10 juli 1972 speelden Bobby Fischer en Boris Spasski hun eerste partij van een match die vermoedelijk de beroemdste zal blijven uit de geschiedenis van het schaakspel.

Ik was er toen bij als verslaggever. De spelers, de delegaties, de wereldpers en ik, wij logeerden toen allemaal in dit hotel - het enige driesterrenhotel van IJsland, dat toen nog het Loftleidir Hotel heette.

Het hotel is gerenoveerd en niets herinnert meer aan die legendarische tweekamp. Alleen in de televisiekamer vind ik een ingelijste foto uit 1972. Het parkeerterrein voor het hotel staat vol mensen die met autobussen zijn gekomen.

Het gerucht was gegaan dat Bobby Fischer zou landen met het eerstkomende vliegtuig uit New York en heel IJsland was toegestroomd. Ik kijk of ik mijzelf tussen de menigte zie staan, jonger dan vandaag, maar ik kan mijzelf niet vinden.

Voor het vrije Westen
Of Robert James Fischer werkelijk zou verschijnen, wist niemand. Het enige wat wij wisten, was dat Fischer meer prijzengeld wilde dan de 125.000 dollar die de Wereldschaakbond had gefourneerd - voor die tijd al een recordbedrag, maar Fischer vond het te laag.

De Britse bankier en schaakliefhebber Jim Slater maakte een einde aan de discussie door persoonlijk het prijzengeld te verdubbelen naar 250.000 dollar. "Als hij nu nog niet komt, is hij bang," zei ­Slater.

Fischer had zich, dat weten wij nu, verstopt in het New Yorkse huis van grootmeester en psychiater Anthony Saidy. Hij zat daar achter een schaakbord met de gordijnen dicht. Saidy, wiens vader in een andere kamer bezig was zijn laatste adem uit te blazen, wilde Fischer liever weg hebben. "In godsnaam, Bobby, mijn vader ligt op ­sterven."

Bobby Fischer Beeld ANP

Waarop Fischer geantwoord schijnt te hebben: "That's okay. I don't mind."

Wat wij inmiddels ook weten, is dat een telefoontje van Henry Kissinger de doorslag heeft gegeven. Nadat hij eerst door de Britse journalist en bemiddelaar David Frost was gebeld, liet Kissinger zich met Bobby doorverbinden.

"This is the worst player in the world calling the best player in the world," zei president Nixons adviseur. Hij maande Fischer te gaan. De match tegen Spasski was ook een strijd tegen het communisme en voor het vrije Westen. Kissinger zou telkens bellen als Fischer weer ergens ­problemen zag.

Uitzinnige meisjes
En zo landde Fischer op 4 juli 1972, eigenlijk al drie dagen te laat, op het vliegveld van Reykjavik. Vanuit hun ramen konden de gasten de aankomst zien, want het Loftleidir Hotel ligt praktisch aan de landingsbaan. Fischer stapte uit en werd bestormd door een uitzinnige menigte, onder wie veel meisjes. Want hij was niet alleen een schaakgenie, hij was ook een handsome young guy from Brooklyn. Hij was een popster.

In de hectische dagen die volgden, heb ik het journalistieke ambacht geleerd. Waar was ­Fischer? Wij holden van de ene persconferentie naar de andere, probeerden in contact te komen met de boze Russen of met de altijd goed geïnformeerde Amerikaanse grootmeester Larry Evans, die Fischer kende en voor CBS werkte.

Het graf van Bobby Fischer bij Laugardaela­kirkja, zo'n 50 kilometer ten oosten van Reykjavik Beeld Halldor Kolbeins/AFP

Van het vliegveld was Fischer direct naar een geheim onderkomen gereden, maar daar beviel het hem niet en een paar dagen later nam hij zijn intrek in een driedubbele suite in het Loftleidir.

Ik zat een verdieping boven hem in een eenpersoonskamer. Ik kon zijn aanwezigheid voelen. Als ik een gaatje in de grond wist te boren, zou ik hem kunnen begluren. Fischer liet zich niet zien, hij was moe. Hij lag in bed, aldus zijn secondant William Lombardy, een voormalige priester.

Twee dode vliegen
Op een avond - al wordt het op IJsland in de ­zomer vrijwel niet donker - kwam Fischer zijn kamer uit en werd hij vervoerd naar de even verderop gelegen Laugardalshöll, een sport- en evenementenhal die als speelzaal was ingericht. Daar stond een aantal stoelen voor de spelers klaar.

Fischer koos voor een stalen, met leer beklede bureaustoel, waarmee hij naar alle kanten kon draaien. De stoel van Spasski was simpeler. Tijdens de match zou Fischers stoel op verzoek van de Russische delegatie worden gedemonteerd, omdat men elektronische apparatuur vermoedde. Ze vonden slechts twee dode vliegen.

Tegenwoordig heet het de Laugardalshöll Arena. De persruimte waar ik destijds mijzelf heb leren telexen, omdat het telefoonverkeer overbelast was, is niet meer. De Arena is vergroot voor de vele sporten die er worden beoefend; hier is de basis gelegd voor de IJslandse voetbalsuccessen.

In 1972 stond een schaaktafel op het podium. Fischer verloor de eerste partij, kwam in de tweede niet opdagen, maar won tenslotte na 21 duels met 12,5-8,5. Daarna ging hij terug naar de Verenigde Staten, wereldberoemd.

Het aanbod voor een schoenencontract dat hem 1 miljoen dollar zou opleveren, sloeg hij af omdat de schoenen niet lekker zaten. Maar schaken deed hij bijna niet meer, al speelde hij jaren later in Joegoslavië tegen Spasski een pseudorevanchematch.

Ongeschoren, ongewassen
In 2005 keerde Fischer, net 62 jaar oud, terug naar IJsland. Hij was inmiddels een outlaw geworden, een notoire antisemiet, gezocht door de Verenigde Staten, omdat hij de boycot tegen Joegoslavië had doorbroken. Via de Filipijnen was hij naar Japan gevlucht, waar hij in de gevangenis terecht was gekomen.

Van daaruit schreef hij naar IJsland. Een groepje IJslandse zakenmensen wist bij de regering een visum, een verblijfsvergunning en een paspoort los te krijgen. Japan zou hem laten gaan, zeer tot ongenoegen van de Verenigde Staten, die naar 400 internationale vluchthavens een arrestatie­bevel hadden gestuurd.

Op 24 maart 2005 landde Fischer opnieuw in Reykjavik en betrok hij wederom een suite in het Loftleidir Hotel. Op de persconferentie die hij bij zijn aankomst gaf, zag hij er ongeschoren en ongewassen uit. Zijn stem klonk schor, hij schold op de Amerikanen en de Joden, hij ­bewoog als een parkinsonpatiënt. De mooie ­jongen uit Brooklyn was veranderd in een ­paranoïde gek.

Zijn IJslandse vrienden probeerden er nog het beste van te maken. Schrijver Gardar Sverrisson trok veel met hem op en hij was het aan wie Bobby zijn laatste wens duidelijk maakte. In 2007 kreeg Fischer nierproblemen.

Met een adequate behandeling had hij een goede kans gehad er­bovenop te komen, maar Bobby wilde geen behandeling. Hij vermoedde dat de artsen tegen hem samenspanden en geloofde dat 'de natuur' hem zou genezen. Op 17 januari 2008 stierf hij.

Het was zijn laatste wens om begraven te worden bij Laugardaelakirkja, een klein kerkje, niet ver van Selfoss.

Notitiebiljetten
En daar sta ik nu. Op foto's ziet het kerkje er vriendelijk uit, maar in het echt is het een armoedige boel. Rondom wordt gebouwd, het is een rommeltje van planken, spaanplaten en andere materialen.

Achter een hekje vind ik Bobby's steen. Er staan wat bloemetjes voor, die hun beste tijd hebben gehad. Hier ligt iemand die de wereld versteld deed staan en na zijn dood niet meer opgemerkt wilde worden.

Op de terugweg rijd ik nog even langs het Bobby Fischer Center in Selfoss. Het ligt tweehoog achter in een typisch IJsland huis; een paar goedwillende IJslanders hebben een klein ­Fischertentoonstellinkje gemaakt. Het bestaat vooral uit kopieën van de schaakstukken en ­notitiebiljetten die zijn gebruikt.

De bureaustoel waarop hij tegen Spasski schaakte, is verdwenen, maar de stoel uit het boekenantiquariaat Bókin te Reykjavik staat in een hoekje. Daar zat Bobby vaak op tijdens zijn laatste dagen. In die stoel las hij een tijdschrift of een schaakboek. Ik word uitgenodigd om erop plaats te nemen, maar dat weiger ik.

Uit respect.

Dit graf moest ik bezoeken

Is Capablanca, Botwinnik, Karpov, Kasparov of Carlsen de grootste schaker aller tijden? Voor al die namen valt iets te zeggen.

Maar Robert James Fischer - roepnaam Bobby - is tot op de dag van vandaag de ­beroemdste, de fascinerendste en de krankzinnigste aller schakers. In 1972 werd hij wereldkampioen door Boris Spasski te verslaan in een ­turbulente match op IJsland. Een Amerikaan tegen een Rus, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Henry ­Kissinger moest eraan te pas komen om het genie Fischer aan het schaken te krijgen.

De wereld keek mee, ik was erbij, ik heb het gezien.

Toen Bobby eenmaal wereldkampioen was, heeft hij nooit meer echt geschaakt.

In 2004 keerde hij, gezocht door de Amerikaanse justitie, terug naar IJsland. Als ongeschoren zwerver, scheldend en tierend, rijp voor het ­gesticht. Drie jaar later stierf hij daar, 64 jaar oud, omdat hij zich niet aan een nierziekte wilde laten behandelen.

Al die jaren wist ik zeker: als ik in mijn leven één graf zou bezoeken, dan was het dat van Robert James Fischer.

Max Pam

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden