Plus

Het middeleeuwse slotenpatroon tekent Amsterdam

Amsterdam is gesmeed uit talloze polders, elk met een eigen verhaal en bijzonderheden. Vandaag: het middeleeuwse slotenpatroon rond de terp Amsterdam.

Het Polderhuis Beeld Maarten Boswijk

Visite langer dan 2 meter zal toch echt moeten bukken. Aan sommige huizen in de Kuipersstraat en de Van Ostadestraat is goed te zien dat ze stammen van voor 1896, toen de polder waar nu De Pijp ligt door Amsterdam werd ingelijfd. Ze zijn gebouwd op het polderpeil en liggen daardoor een halve meter lager dan de rest van de straat. En dat geldt dus ook voor de deurpost.

In de Rustenburgerstraat herinnert het Polderhuis nog aan de tijd dat hier de gemeente Nieuwer-Amstel en de Binnendijkse Buitenvelderse Polder begonnen. Ook in dit dottige arbeidershuisje uit 1865 lijkt het vanaf straatniveau net of je een souterrain instapt. Maar verzakt is het niet.

"De straat is opgehoogd, het huisje is blijven staan," wijst Ranjith Jayasena van de gemeenteafdeling Monumenten en Archeologie.

Anders dan Nieuwer-Amstel bouwde Amsterdam op het hogere stadspeil. Al eeuwen eerder leerden de Amsterdammers dat met het natte veen onder hun stad niks te beginnen valt als het niet eerst bouwrijp wordt gemaakt met dikke lagen puin, klei of zand.

Het is een werk dat nooit ophoudt: de poldergrond klinkt in, dus na een paar decennia moet er weer een laag bovenop. "Het is typerend voor de bodem van Amsterdam: Wil je hier bouwen, dan moet je ophogen. Anders is het te drassig," zegt Jayasena.

Op foto's is te zien dat in De Pijp vroeger nog dieper gelegen huizen stonden. Straten werden doorsneden door plateaus zodat iedereen zijn voordeur kon bereiken. Begane grond was een relatief begrip. Nog steeds: om op straatniveau uit te komen moeten sommige bewoners van de Kuipersstraat eerst vier stoeptreden op.

Droge voeten
Zo is in De Pijp nog goed te merken dat de wijk in het veen is gebouwd. De stad is getekend door de polder. Het kost weinig moeite om in het stratenpatroon de bijna volmaakt evenwijdig lopende polderpaden te herkennen - het 'prestedelijke landschap', zoals Jayasena het noemt. Bij de ontginning van het veen werden loodrecht op de Amstel percelen aangelegd. "Met sloten van soms meer dan een kilometer lang."

Bij de bouw van Oud-Zuid en Oud-West besloot men voor de straten de oude paden te volgen. Sterker nog, bij het prilste begin van de stad rond de Nieuwendijk ging dat al zo, schrijft ­Jayasena in het jongste jaarboek Amstelodamum, net als later in de Jordaan. "De verkaveling gaat terug tot het ontginningslandschap van voor 1200."

Bij de Kostverlorenvaart botst het stratenpatroon van Oud-West dan weer frontaal op dat van De Baarsjes aan de overkant. Hier lopen veel straten van van noord naar zuid in plaats van richting de Amstel. In Oud-West ligt ook weer een buurtje duidelijk lager dan de rest van de stad. Het is de dorpse Bellamystraat, ontstaan in een verre uithoek van de Stads- en Godshuispolder. Op polderpeil dus.

Ook veel parken liggen dieper, wijst Jayasena als we twee meter afgedaald zijn naar het Sarphatipark. Daar is een eigen waterhuishouding nodig om droge voeten te houden. "Dat gemaal daar is cruciaal."

Uit het verleden zijn maar weinig foto's en prenten bewaard gebleven die laten zien hoe het ophogen in zijn werk ging, wellicht omdat het zo vanzelfsprekend was. Terwijl het een reusachtig karwei moet zijn geweest. Jayasena toont een 19de-eeuwse foto van Jacob Olie uit de buurt van het Oosterpark. Toen werd het grondwerk kennelijk al gemechaniseerd vanuit een locomotief met kiepraderen. "Daarvoor werd speciaal een spoorlijntje aangelegd."

Rode draad
Bij de aanleg van Oostenburg (1660) werd de drassige IJ-oever eerst verstevigd met een dikke laag afval en puin. Daar overheen ging het slib van de grachten die rondom werden gegraven. Toen volgde nog een afsluitende laag van klei waarin archeologen houtsnippers van de stadsschuitenmakerswerf aantroffen. "Het laat zien hoe professioneel het ophogen ging."

Zo is de stad beetje bij beetje gegroeid door grond aan te plempen en op te hogen. "Dat is rond 1175 begonnen bij de Nieuwendijk en dat doen we nu ook weer bij IJburg. Het is de rode draad in de geschiedenis van Amsterdam: land maken."

Zomerserie. De stad is meer polder dan ze lijkt, al geven namen als Watergraafsmeer een hint.

Lees aflevering 1: Sint Bernarduspolder in Noord: de kleinste van heel Nederland

-2,00m

Opgehoogd tot stadspeil.

Beeld Laura van der Bijl

De Dam

De oudste kern van de stad rond de Dam wordt wel vergeleken met een terp. In een artikel voor het jongste jaarboek Amstelodamum legt archeoloog Ranjith Jayasena uit dat van het een het ander kwam. Op de oevers van de Amstelmonding kwamen in de 13de eeuw terpen om het drassige terrein bouwrijp te maken. Ze groeiden aaneen tot een 'terpenlint' en daarna tot aangesloten dijklichamen: de Nieuwendijk en de Warmoesstraat.

Het was in ieders belang om het erf op gelijk niveau te houden met de buren om niet het afvoerputje van de straat te worden, legt Jayasena uit. Dat is in de zeven eeuwen erna altijd de achterliggende gedachte gebleven om de stad steeds op te hogen tot een en hetzelfde peil. De stad kunnen we daardoor zien als één over vele kilometers uitstrekkende terp. In het hart daarvan ligt de Dam, die door zijn glooiing ook een beetje doet denken aan een terp. Maar dat is dan weer niet authentiek.

Bij de laatste keer dat de damkeitjes werden vervangen, is het hoogteverschil extra 'geaccentueerd', weet stedenbouwkundige Ton Schaap. "We wilden de eigenheid benadrukken. Alles in de wereld heeft de neiging om hetzelfde te worden. Amster­dam is eigenlijk het omgekeerde van Siena, daar loopt alles naar een put. Hier is de Dam het hoogste punt."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden