Plus Longread

Het gevonden dagboek van 'de oorlog die altijd was ingeslikt'

Achter in een kast vond Ivo Weyel in 2015 het dagboek van zijn vader. Pas meer dan een jaar later durfde hij het te lezen. In kleine zinnetjes, hinten bijna, dringt de Tweede Wereldoorlog binnen. 'Niemand praat meer. Dagen slijten in stilte. Wat valt er nog te zeggen?'

'Ik sla om en zie voor het eerst van mijn leven een Jodenster in het echt. Het beeld is te confronterend' Beeld -

Ik zit te lezen en hoor beneden een groepje mensen op straat praten. Een vrouw vraagt of iemand nog wat van de familie op nummer 30 heeft gehoord.

Weggevoerd, zegt een mannenstem. Mooi zo, is het antwoord. Iemand anders: opgeruimd staat netjes. Fijne dag nog verder.'

Dinsdag 13 juli 1943. 'Ik' is mijn vader, de familie van nummer 30 is de zijne. En dus de mijne. Mijn vader was toen 19. Ik ben nu 62. Ik heb een fles wijn op, maar dat blijkt niet genoeg om verder te kunnen lezen. Ik open een tweede en loop naar het raam. Ik luister naar de stemmen beneden op straat. Ik probeer het me voor te stellen, mijn vader en het gesprek van toen, maar het lukt me niet. Ik staar naar buiten en merk niet dat het donker wordt. Dan is ook de tweede fles op.

Mijn ouders gingen dood en het ouderlijk huis moest leeg. Wat mijn broer en ik niet allemaal vonden, op zolders, in kelders, in kasten en nog meer kasten, in nissen en onverwachte hoeken van de krochten van het huis. Mijn moeders bruidsboeket, broos - bijna lucht - in vloei­papier, ruim zeventig jaar na dato. Het menu van het huwelijksdiner, oxtail clair en crème ­reine Hortense met een Haut-Sauternes, coeur de filets de boeuf garni avec sauce Périgord et pommes noisettes, en parfait glacé au Grand Marnier, met een Château d'Yquem uit 1937.

Stapels papier
Mappen vol rijmpjes en briefjes en spreuken die mijn vader schreef, zijn leven lang, voor verjaardagen en sinterklaas, of zomaar als hij zin had, of vol met goede raad bij een mijlpaal, mijn bar mitswa, mijn broer die op kamers ging wonen, hun vijftigjarig huwelijksfeest. En dankbrieven, stapels vol opzetten voor dankbrieven, met doorhalingen en verbeteringen alvorens ze in het net werden verstuurd.

'Waarde Henriëtte,' schrijft hij op 14 februari 1950, de oorlog overleefd, gezond van lijf en leden, aan de componiste Henriëtte Bosmans als dank voor haar verlovingscadeau, een chanson dat ze schreef met Jacques Prévert, 'voor Rose-Mary en Arnold', mijn moeder en vader. 'Toen ik uw welhaast klassieke melodie hoorde, vooral op de woorden van 'nous ne savons pas...', wist ik dat u in de muziek tezamen met de woorden van de dichter, voor ons uitgedrukt hebt wat ergens diep in de ziel van elk denkend wezen moet leven, namelijk het nous ne savons pas... We weten niet wat het leven is, waar het voor dient, wat het ons brengt en vooral ook wat het ons aandoet. We zijn getergd door het leven, aangetast, gegriefd en met littekens gestoken, en toch gaan we door en zijn we soms gelukkig, zoals Rose-Mary en ik nu, zielsgelukkig, al dragen we beiden een verleden dat bijkans ondraaglijk is.'

We vonden ook een dagboek, drie ordners dik, dicht opeen getypt op duizend pagina's flinterdun luchtpostpapier, een Dagboek Onderduik zoals erop staat, van zaterdag 18 juni 1943 tot donderdag 3 mei 1945, 685 dagen lang, één jaar, tien maanden en vijftien dagen om precies te zijn. Mijn vader begint met de woorden van Erasmus, dulce bellum inexpertis, schoon is de oorlog voor hen die hem niet hebben meegemaakt. En dan - als hoop?, als wens? - 'was mich nicht tötet, macht mich stärker'. En toen moest het allemaal nog beginnen.

Ik sla om en zie voor het eerst van mijn leven een Jodenster in het echt, op dunne okergele stof, de rijgdraden van zijn jas er nog in, vastgeniet op de pagina. Het beeld is te confronterend, ik kokhals, en sla het dagboek dicht. Het is 9 december 2015.
Pas op 8 januari 2017 durf ik het weer open te slaan.

We wisten niet van het bestaan van dit dagboek. Mijn vader was een zwijgzame man, hij sprak niet over zijn gevoelens, hij slikte ze in, zoals hij ook de hele oorlog heeft ingeslikt en onbesproken gelaten. Nous ne savons pas, mijn broer en ik.

Koel en afstandelijk
'Lees erover alsof u erbij was,' brult de televisie mijn kamer in. Met deze reclameslogan wil de zender mij een bundel heruitgegeven oorlogskranten verkopen, maar achter in het dagboek vind ik de originele, keurig opgevouwen: Het Parool, De Vliegende Hollander, Het Volk, De Telegraaf, maar ook de Völkischer Beobachter, Hitlers spreekbuis.

Mijn vader las ze allemaal, gretig en gulzig, hij probeerde parallellen te trekken, conclusies te maken, de echte waarheid te achterhalen. Hij bericht elke dag minutieus en gedetailleerd over alle veldslagen in Europa en daarbuiten, de overwinningen en strategieën, hij analyseert toekomstverwachtingen en valse hoop, en dat alles op haast onpartijdige wijze, koel en afstandelijk, alsof hij er niet bij ­betrokken is.

'Zandvoort eindelijk Jodenvrij,' schrijft hij en ik verbaas me over het woordje 'eindelijk', alsof hij erop zat te wachten, maar het zal wel ergens letterlijk in een krant hebben gestaan.

"This is not history," zei Churchill over de zes boeken die hij schreef over de Tweede Wereldoorlog, "this is my case." Bij mijn vader lijkt het andersom. Hij beschrijft de geschiedenis zoals die was, en maar mondjesmaat over 'his case', over zijn persoonlijke beslommeringen en beleving.

Ik moet het doen met kleine zinnetjes tussendoor, hinten bijna, zoals 'Moeder huilt veel vandaag', zonder verdere uitleg. Of: 'Ieder uur hoop je dat Jacques de kampen bespaard mogen blijven; het niet weten waar hij is, is zo verlammend, het sloopt je...', gevolgd door een woord waar ik bijna om moet lachen, 'verdikkeme', alsof het niet gaat om leven en dood, maar om het kwijtraken van een sleutelbos.

Joodsche Raad
De korte voorgeschiedenis: op 23 juni 1943 meldt mijn vader zich met zijn ouders en drie jaar oudere broer Jacques, bij de Hollandsche Schouwburg, zoals verordonneerd door de Duitsers. Eerst nog vol goede moed: Jacques had zich immers verloofd met Mirjam Cohen, de dochter van professor David Cohen (in het dagboek steevast omschreven als 'de Prof.'), de leider van de Joodsche Raad, wier leden waren vrijgesteld van deportatie.

Een kwestie van een paar stempels en ze zouden allen weer naar huis kunnen. 'De Prof. verschijnt om half twee en zegt tegen de SD-man dat we helemaal niet opgepakt hadden mogen worden en als de Hauptsturmführer hiervan hoort, er nog wel wat zwaait voor hem. De SD'er begint hem te knijpen.'

Twee dagen later blijkt het ijdele hoop: de Joodsche Raadprivileges hebben geen waarde meer. Ze besluiten te ontsnappen en dat gaat wonderwel probleemloos, even wachten tot de bewakers niet kijken, en gevieren lopen ze de straat op en de hoek om. Het is zondag 26 juni. 'Diezelfde nacht, om 10 over half twee, verlieten we nummer 30 en gingen naar de buren waar we hebben gepraat tot een uur of drie toen ik mijn bed in ben getuimeld en als een blok heb geslapen. HET WAS EEN EINDE EN EEN BEGIN,' schrijft hij erachter in blokletters. De onderduik was begonnen.

Bachkoralen
Het waren de buren op nummer 32 die hun deuren (en kasten en luiken onder de vloer) openden voor mijn vader en zijn ouders (Jacques koos ervoor met de Cohens mee te gaan). Het was deze buurman die als afleidingsmanoeuvre op straat vertelde dat ze waren weggevoerd, het gesprek dat mijn vader van boven had gehoord. Van hieruit, zo dichtbij, zag mijn vader hoe een paar dagen later hun eigen huis werd leeggehaald, gepulst.

'Ik zag mijn bureau over straat worden gedragen, met al mijn studieboeken, mijn bed, de lakens en sprei er nog op, de linnenkast, het antiek, alles ging de verhuisauto in, zelfs de gordijnen en keukenspullen en wat niet meer paste, ging in handkarren en bakfietsen.'

Ivo Weyel Beeld Herman van Heusden

Ivo Weyel

Ivo Weyel (62) is freelance publicist. Later dit jaar verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact een boek over het gevonden dagboek van zijn vader.

Geen woord van emotie erbij. Hij vervolgt: 'Op Sicilië uitbreiding van de gevechten, olievelden in Roemenië zijn door de Amerikanen gebombardeerd, Hamburg wordt aangevallen, Berlijn geëvacueerd. In Hongarije schijnt het ook niet helemaal koek en ei te zijn. Last van mijn astma en van dauwworm. Piano gestudeerd. Bach­koralen gezongen. Marie brengt de kranten en heeft zich gemeld als kantoorbediende bij de Luftwaffe aan de Overtoom.'

Marie was hun jarenlang trouwe huishoudster, Duitse van origine, en dus vrij om te gaan en staan waar ze wilde. Ze bleef tijdens de oorlog hun go between, de levenslijn met buiten. Ze bracht de kranten waar mijn vader uit putte, stal voedselbonnen, waarschuwde, vervalste papieren, luisterde mee aan de bron bij de Luftwaffe, spioneerde, hield het contact met het verzet, leverde de typelinten en het papier voor het dagboek.

Ik heb zo veel vragen die ik niet meer kan stellen. Is typen niet veel te luid in de onderduik? En dat zingen van koralen, later zelfs hele opera's, veelstemmig, het pianospelen, hoe valt dat te rijmen met het verborgen-zijn?

En dan die uiteenlopende opsommingen, in één adem achter elkaar, zoals op 2 september 1943: 'Des middags kwamen een man en een vrouw, ieder met een actentasch, naar nummer 30 informeren. Ze vinden het een mooi huis en willen er intrekken. Of het wel leeg is, werd gevraagd, want ze willen geen Jodenspullen.'

'Moeder heeft des avonds gekookt. Kromgelegen van het lachen. De invasie zal wel spoedig komen, een kwestie van een paar dagen of weken hooguit, want het weer wordt al herfstig, de dahlia's groeien. Ik schrijf dit alles onder het spelen van sonaten van Haydn door een der huisgenoten. Als deze oorlog ten einde is, zal een volgende volgen, zoals de historie der wereld al eeuwen aangeeft.'

'De voortschrijdende techniek zal oorlogen steeds onpersoonlijker maken, waardoor het makkelijker zal zijn deze te ondernemen. Niemand zal zijn vijand meer in het vizier hebben, een druk op de knop in de verte voldoet. Er komt een tijd dat de technische scheppingen der menschen hun scheppers zullen overvleugelen en vernietigen. Dan dreigt het failliet der menschheid. Tot die tijd streef ik ernaar mij te verheffen boven het tijdelijke en alles grootser te zien, in groter verband. Het persoonlijke te onderwerpen aan het algemene. Nooit mogen wij ons toestaan, ook in deze tijd niet, dat het nuchter verstand overvleugeld wordt door onze emoties. Mijn oorlog is niet belangrijk. Het gaat om de oorlog.'

Afgesteld op oorlog
Wanneer je intensief met iets bezig bent, zoals ik met dit dagboek, lijkt het alsof ook de rest van de wereld erover gaat. Ik lees een interview in NRC met Witte Hoogendijk, een psychiater die zich al dertig jaar op depressieonderzoek focust. Zijn universitair onderzoek heeft uitgewezen dat de emotionele ontwikkeling in de eerste vier jaar van je leven bepaalt of je ontvankelijk bent voor depressies.

"Als de moeder onder stressvolle omstandigheden heeft geleefd, krijgt het kind dat al in de baarmoeder mee. Terwijl de Tweede Wereldoorlog allang afgelopen is, staat dat kind toch 'op oorlog' afgesteld."

Ik lijd aan depressies. Ook mijn moeder zat ondergedoken, ver van mijn vader, die ze toen nog niet kende. Mijn nicht Helene schreef in 1985 het boekje In twee werelden, over de tweede generatie, de kinderen van Holocaustoverlevenden, en ik vond dat grote onzin. Mijn ouders spraken toch nooit over de oorlog, we hadden het toch altijd reuze gezellig thuis, dus niks aan de hand? Ziende blind was ik, hinkend langs een ravijn. En hoe lijk ik op mijn vader, merk ik nu meer dan ooit: inslikken, ontkennen, veralgemeniseren, als in het kinderspelletje 'Wie niet weg is, is gezien' je ogen sluiten zodat je niemand kan zien, want als jij niemand ziet, ziet niemand jou.
Dan vind ik een gedicht en sla dat op mezelf:

Mijn ouders
wonen bij me in,
scheuren bliksemen dwars
over muren,
het fundament verzakt
de voordeur dicht geklemd.

Ze hangen aan de wand
ze kruipen onder vloeren
ze breken ruit
verkalken sanitair
de botten van mijn huis.

En dan, in dezelfde week, die zin uit Nelleke Noordervliets roman Aan het eind van de dag, waarin de hoofdpersoon Katharina hunkert naar het desastreuze oorlogsverleden van een aangetrouwde tante: 'Ik wilde dat al die in de kampen omgekomen mensen familie van me waren en hun gruwelijke lot me een bijzonder kind maakte.'

Een bijzonder kind, uit de brand ben je ermee. Ik raak die zin niet kwijt. Temeer daar Katharina alleen in die ene zin Kitty wordt genoemd door die tante, en niet Kit of Kat zoals in de rest van het boek. Verwijst Noordervliet naar Lieve Kitty, de fictieve dagboekvriendin van Anne Frank? Of draaf ik door?

Wegtrommelen
Mijn psychiater maant me rustig aan te doen met vaders dagboek. Sla het even dicht, haal even adem. Die hartkloppingen en angstaanvallen, die droge mond 's nachts en allesverlammende doodsangsten zijn waarschuwingsborden, zegt hij, stoplichten die op rood springen. Bij rood licht moet je stoppen. Tot het weer groen wordt. En dat wordt het vanzelf. Heus.

Arnold Weyel Beeld -

Maar ik kan niet stoppen. De oorlog die mijn hele leven een zwevend fantoom was, een dreigend onweer dat nooit losbarstte, is definitief bij me binnengekropen, in de botten van mijn huis. Pas nu mijn ouders dood zijn en ik ze geen schade meer kan berokkenen, durf ik boos te worden en volwassen, als een postume puber. Mijn echte puberteit heb ik overgeslagen. Instinctief voelde ik aan dat ik mijn ouders niet moest lastigvallen met opstandig gedrag. Ik bleef het brave ventje.

Zelfs lichamelijk heb ik het lange tijd uitgesteld; op mijn vijftiende was ik nog een zuivere sopraan, op mijn zestiende pas kreeg ik mijn eerste schaamhaar, net als Oskar uit Die Blechtrommel. Ook ik trommelde de oorlog en de volwassenheid weg. Volwassen worden betekent immers het heft in handen nemen, banden doorsnijden, je ouders loskoppelen. Mijn ouders werden al bang als ik de hoek om liep, want daar loerde het gevaar. No way dat ik ze kon aandoen mijn eigen weg te gaan.

Op transport gesteld
Woensdag 6 september 1944. 'De negentigste invasiedag. Ouders zevenentwintig jaar getrouwd. Wat een heugelijke dag had moeten zijn, wordt een verschrikking. We ontvangen een briefkaart die Mirjam uit de trein heeft gegooid. Jacques en zij zijn op transport gesteld. Vader breekt en zegt dat hij nu alleen mij nog heeft. Marie en ik houden het hoofd hoog. Misschien Theresienstadt, het minst erge der kampen. We besluiten het nieuws voor moeder geheim te houden. Dit kan ze niet aan. Op het Amstelstation staan huilende vrouwen en kinderen die afscheid nemen van hun NSB-mannen. Met hun hele hebben en houden op handkarren lopen ze door de stad naar de stations. Hele karavanen NSB-wijven met rugzakken stappen op lijn 9. Ze worden uitgejouwd. Nederland kotst de landverraders uit. Nu is het hun beurt. Een trein vol NSB'ers op weg naar Westerbork is beschoten door vier vliegtuigen.

Honderdvijftig doden. De Joden worden uit Westerbork weggevoerd en de barakken worden nu gevuld met NSB'ers. De ommekeer is begonnen, hoewel het Rijkscommissariaat mededeelt dat het onwaar is dat de Engelsche en Amerikaansche troepen de Nederlandsche grenzen hebben overschreden. Wie en wat moet je geloven? Aan het oostfront gebeurt niet veel. In Aken en Antwerpen wordt hard gevochten. Le Havre houdt nog stand. Het Rijksmuseum wordt gesloten. Zou de Nachtwacht nog bestaan? De oogstrelende Vermeers? Zal ik de zo mooie penseelvoering van Frans Hals ooit nog zien of in vervoering geraken door een Titiaan? En waar zou onze Rembrandt zijn?'

Dwaalspoor
Naarmate de oorlog vordert, schrijft hij steeds uitvoeriger over de strijd aan de diverse fronten. Hij laaft zich aan het nieuws, als een strategie van de hoop. De dan al meer dan een jaar durende eenzame opsluiting met zijn drieën begint zijn tol te eisen. 'Misschien ware het beter in een kamp te zitten met zovele gelijkgezinden om het leed te delen. De dagen in de Hollandsche Schouwburg waren hanteerbaar door de gedeelde smart. We hebben daar zelfs gelachen, hoe onvoorstelbaar ook. Hier gedrieën draaien we in vicieuze cirkels om elkaar heen. Vader houdt het nauwelijks vol. Hij ruikt de overwinning, zoals wij allen, maar is woest op de Canadezen die maar niet doorstoten. Hij schreeuwt, raakt door het minste geïrriteerd, hij is zichzelve niet meer. Moeder houdt zich stil. De lust tot alles vergaat je. Vader dreigt eenvoudig naar buiten te lopen, erger dan dit kan niet, zegt hij, dan maar dood.'

Dan verzint mijn vader een list om het moreel hoog te houden. Hij vervalst het handschrift van Jacques en verstuurt kaarten dat het ze goed gaat, dat Mirjam en hij bij elkaar zijn en in goede gezondheid verkeren, en ruim te eten hebben. Hij geeft ze aan Marie die ze weer thuis bezorgt, alsof ze via via zijn aangekomen. Het werkt: 'Moeder is opgetogen. Ze gelooft mijn valse brieven, ze laaft zich aan de goede berichten, ze neuriet de hele dag en vader wordt daar rustig van, terwijl hij weet van de onoprechtheid. Is dit tot waar we zijn verzonken? Dat bij gebrek aan waarheid, welke dan ook, de leugen ons op de been houdt? Dat zelfs ik, de schepper dezer leugen, me beter voel door wat deze teweegbrengt? Ik moet ervoor waken de werkelijkheid niet uit het oog te verliezen. Die werkelijkheid heeft het immers op ons gemunt. Waakzaam blijven.'

Familieportret uit 1960. Het kindermeisje, moeder Rose-Mary, vader Arnold (vlnr). Vooraan staan broer Hans Philip en Ivo Beeld -
Materiaal uit het archief van Arnold Weyel Beeld -

Lang baat het dwaalspoor niet. Het onderduikleven weegt steeds zwaarder. Niet alleen het geduld, maar ook het eten raakt op. 'We hebben nog voor drie dagen eten en dan is het op. Waar moet dat heen? We hongeren dood.'

Steeds methodischer en gedetailleerder rapporteert hij over het front, alsof hij erbij is. Dinsdag 24 april 1945: 'In de straten van Muiden worden landmijnen gelegd. Ze laten de polders onderlopen, van de Wieringermeer is niets meer te zien, behalve wat puntdaken. De Russen zijn drie kilometer verwijderd van Unter den Linden in Berlijn.

Zware gevechten om het Schlesischer Bahnhof. Zweden berichten dat Berlijn in paniek is en mensen de ondergrondse stations induiken. De veteranen van Stalingrad trekken als een rode stortvloed door het centrum. Russen en Amerikanen nog minder dan dertig kilometer van elkaar verwijderd. Op Mindanao zijn de Japanners in tweeën gesplitst. Stalin meldt de val van Troppau. De vijfde en achtste legerdivisie bereiken de Povlakte. De bel gaat. We rennen naar boven, het luik in. Loos alarm. Een oud mannetje staat huilend op de stoep, smekend om een korst brood.'

En dan in hoofdletters een wanhoopskreet: 'WAAROM ZETTEN DE CANADEZEN NIET DOOR? WAAROM LATEN ZE ONS CREPEREN?'

Twee dagen later, donderdag 26 april 1945: 'Steeds meer gruwelen worden bekend nu de kampen worden bevrijd. Moeder slaapt niet meer en is wanhopig. Denkend aan wat er met Jacques gebeurd kan zijn, verliest ze alle moed. Vader is als de zee, soms woest golvend, dan weer kalm. Niemand praat meer. Dagen slijten in stilte. Wat valt er nog te zeggen?'

Weest gegroet met jubeltonen
De vrede sluipt erin, bijna in het geniep. Hij komt niet als in een film, plotsklaps, als happy end, juichend met vlaggen en dansend in de straten, als een bevrijding in beide zinnen des woords. Ja, de deuren en luiken gaan open, het leven ademt weer, het snakken wordt vervuld ('meer nog dan de zon, koester ik de regen in mijn gezicht'), maar de ellende schudt zich niet zo makkelijk los, ze zit verkleefd, als een bloedzuigende parasiet. Vrijheid, wat was dat ook alweer? Hoe doe je dat? De zorg om hoe nu verder dient zich aan. Het zoeken naar ooms en tantes en neven en nichten, en Jacques. 'Is het leven als fietsen?' vraagt mijn vader zich af, 'of zijn we het verleerd?'

Er komt uiteindelijk veel goed. Jacques en Mirjam komen heelhuids terug. Mijn groot­vader leeft zich uit: met jarenlang ingehouden agressie en zwaaiend met een koekenpan verjaagt hij NSB'ers uit de straat, slaat dieven die hun huisraad proberen te stelen op het hoofd, beukt buurmans schedel bijkans in die bezig is Jacques' boekenkast te verzagen tot brandhout voor de kachel.

Maandag 18 juni 1945. 'Snikheet. Strakke lucht. Oostenwind. Begonnen met de verhuizing. Voor het laatst geslapen op nummer 32. Ons huis komt langzaam op orde. De Rembrandt hangt weer, maar niet voor lang omdat Marie zich door hem begluurd waant en zich niet durft uit te kleden. Enorm om moeten lachen met zijn allen. De timmerman komt hem morgen verhangen. Tante Coba ligt in het noodziekenhuis te Winschoten en haar gewicht is na zes weken voeding opgeklommen tot 36 kilo. Nog een lange weg te gaan.'

En dan, voor het eerst in duizend en nog wat pagina's, spreekt hij de lezer direct aan, heel kort, maar toch. Het voelt alsof hij me aankijkt en gedag zegt, hologig als op zijn doodsbed, voor het laatst. En daarmee sluit het dagboek af, even abrupt als het begon: 'Weest gegroet met jubeltonen.'

Ik zit in kleermakerszit op de grond. Ik weet niet hoe lang, maar als ik wil opstaan, lukt het niet, mijn benen slapen en zitten verankerd. Bij mijn vader heeft de tijd nooit alle wonden geheeld, hij bleef zijn leven lang een geteisterd en getekend man, bang voor de wereld, boos op de wereld, opgesloten in zichzelf. Ik sta op, wankel op mijn benen, ik moet weer leren lopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden