Column

Het allerfijnste aan dieren vind ik dat ze geen ambitie hebben

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Als kind dacht ik altijd dat ik met dieren kon praten, maar nu ik volwassen ben weet ik het zeker.

In een groep mensen voel ik me vaak onbegrepen, maar als ik omringd word door otters of een ander groepje dieren, ben ik niet meer dat buitenbeentje.

Dieren oordelen niet. Ik heb ook nooit begrepen waarom de mens altijd boven het dier wordt geplaatst. De mensheid zit op een troon die van nepgoud, zelfoverschatting, bloeddiamanten en leugens is gemaakt. IJskoud, dat zijn we, maar een gebrek aan warmte maakt nog geen vorst.

Als ik naar dieren kijk, wil ik leven. Als ik naar mensen kijk, hunker ik naar twee niet-werkende ogen. De mens heeft zichzelf veel te belangrijk gemaakt.

Het allerfijnste aan dieren vind ik dat ze totaal geen ambitie hebben. Ze wonen in een boom of ze liggen in een mand. Ze zijn geen slaven van de onrust. Dieren willen niet het beste uit zichzelf halen. Ze koesteren de tevredenheid zoals mensen vooruitgang koesteren.

De mens leert al heel vroeg dat hij steevast het beste uit zichzelf moet halen, maar volgens mij hebben we die les iets te letterlijk genomen, want het beste lijkt niet meer in ons te zitten.

Het beste gesprek dat ik ooit met een dier heb gehad, was een gesprek met een bruinvis op Texel. De vis was blind aan één oog en het regende. Hij vroeg aan mij wat ik op Texel deed, ik antwoordde dat ik op een romantisch weekendje met mijn vrouw was. De bruinvis moest lachen, zijn stompe snuit sidderde van vertier.

Toen begon hij over zijn ene oog. Als een samoeraimeester sprak hij over hoe zijn handicap een geschenk was geworden. Hij zag meer met dat ene oog dan vroeger met twee ogen.

De bruinvis nam de regen als voorbeeld. Vroeger toen hij nog twee ogen had en naar de ­regen keek, zag hij te veel druppels. Op de dag dat ik met hem sprak, zag hij precies genoeg druppels om de regen te kunnen zien.

Een ander goed gesprek had ik met Keesje, mijn huispoes toen ik nog in de Czaar Peterstraat woonde. Keesje was er voor mij in de jaren dat ik eigenlijk op niets of niemand recht had. Maar zij was er.

Zelfs als ik drie ­dagen niet gedoucht had, kwam ze op schoot zitten. Ze zag me duizenden keren masturberen, maar ze veroordeelde me niet, nee, integendeel, soms gaf ze kopjes aan mijn laptop op het moment dat ik net klaar was.

Op een dag zei Keesje, volgens mij was ze net klaar met het grondig schoonlikken van haar staart, dat ik een boek moest schrijven. Ze zei dat ze in al haar negen levens nog nooit zo'n uitzonderlijk verdrietig mens had gezien. Een dag later begon ik aan mijn debuut.

Om Keesje te bedanken, kocht ik een nieuwe mand voor haar. Een kattenvilla. Het ding had meer krabpalen dan de Akropolis en op twee van die zuilen balanceerde een mand die nog zachter aanvoelde dan het ­satijnen nachthemd van mijn ex-geliefde.

Maar Keesje was niet onder de indruk van mijn cadeau. Ze eiste zelfs dat ik het ding in mijn douchecabine in de fik stak. Keesje had geen nieuwe mand nodig. Ze was geen mens. Ze was een naar niets verlangende godin met snorharen.

Volkomen gelukkig keek ze naar de vlammen. Haar staart zwiepte als de sleep van een dansende bruid.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden