Roos SchlikkerBeeld OOF VERSCHUREN

Hebben wij de halve stad besmet?

PlusRoos Schlikker

De ventilatie in de ski-eitjes was belabberd. Met moeite schoven we een millimetergroot ruitje open maar de condens sloeg nog altijd tegen de ramen waardoor we amper iets zagen van het Noord-Italiaanse skigebied.

Natuurlijk bootste iemand een niesbui na terwijl hij corona blafte, waarna we de frisse berglucht instapten. Ach ja. De eerste Italiaanse patiënt had zich nog niet eens gemeld, die rare griep was letterlijk ver weg. We deden er lacherig over.

Tot ik een week na thuiskomst felle hoofdpijn kreeg. Misselijk was. Draaierig. Wat later piepte de oudste zoon: “Voel me zo naar.” En de jongste. En mijn echtgenoot. Allemaal getroffen door buikklachten. Het colonnevirus murmelde ik, een belabberd grapje maar na de hele middag het porselein van de wc-pot omarmen, zat er weinig verheffends meer in me.

Er zat überhaupt niet veel meer in me. Behalve iets zenuwtrekkerigs waarvan ik wist dat het, als het duister viel, de opmaat zou zijn van een bonkend bang gevoel.

Want wie ziek is, redt zich overdag gestut door kippensoep en lieve woorden aardig. Maar ’s nachts vervluchtigt de relativering en doemen angstgedachten op: dat je er wellicht heel slecht aan toe bent en dat het nooit meer overgaat. Dat heb ik al bij een lullige verkoudheid. Laat staan nu, ten tijde van Het virus.

We skieden weliswaar niet in het beruchte gebied maar er ook niet mijlenver vandaan. Hoorde buikpijn trouwens bij corona? En hoeveel mensen had ik die week niet gezien? Op voetballen, op school, in de Etos waar manshoge borden verkondigden dat de handgel echt op was en ze niet clandestien voorraadjes onder de toonbank verkochten.

Had mijn gezin half Amsterdam besmet? Gingen we er allemaal aan? De volgende morgen belde ik de huisarts. Die reageerde nuchter. Geen koorts? Geen longproblemen? Vooralsnog geen paniek. Een paar dagen later vervaagden de klachten al een beetje. Zoals zoveel uiteindelijk vervaagt. Dat weet je alleen niet als je er beroerd aan toe bent.

De Britse schrijver Matt Haig publiceert geregeld over zijn depressies. Deze week deelde hij een Instagrampost: ‘My anxiety is sky high at the moment and I am taking time off but I am also feeling gratitude. I need moments of vulnerability to step off life’s treadmill and reassess what is important. I know the storm will pass.’

Haig trof me vanwege zijn eerlijkheid en berusting tegelijkertijd. This too shall pass. Je moet het maar geloven. En voor mensen bij wie ziekte niet overgaat is het een holle, crue frase. Maar aan corona gaan nog steeds veel meer mensen niet dood dan wel.

Dat weten we natuurlijk wel, alle paniek ten spijt. Maar vaak voelen we het niet, omdat angst ons snel de baas is. Vertrouwen hebben is wellicht één van de grootste deugden die we als mensen moeten leren. Vertrouwen hebben en waakzaam zijn tegelijkertijd. Dus geloven we thuis dat de spuitpoep dikker wordt. En tot die tijd vegen we onze reetjes af met onze ellebogen. Want je weet maar nooit.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden