Plus

Hans Weijel: 'Ik ben Joods en ik wil daarvoor uitkomen'

Bij de Liberaal Joodse Gemeente begint niemand over regeltjes, zegt de nieuwe voorzitter Hans Weijel (65). 'Er zijn er die bij ons komen en zeggen: ik ben Joods, maar ik weet er geen moer van. Nou, welkom.'

Hans Weijel: 'Bij ons is iedereen vrij om op zijn eigen manier Joods te zijn.' Beeld Hanna Snijder

Een niet-Joodse vriend, zegt Hans Weijel, vroeg mijn ­vader eens: wat betekent voor jou als Jood nu eigenlijk de staat Israël? Hij antwoordde: "Als ik in Israël op straat loop en iemand maakt me uit voor vuile Jood, dan weet ik dat ik in bad moet."

Hij wil maar zeggen: dat is toch anders dan dat het je in Amsterdam overkomt. "Er zijn buurten in de stad waar je, op zijn zachtst gezegd, uitgescholden wordt als je een keppeltje draagt. ­Vorige week werd rabbijn Yanki Jacobs niet ver van mijn huis door twee mannen uitgemaakt voor kankerjood."

Maakt u dat angstig?
"Het maakt me alert. Ik weet dat er mensen zijn die mij ­haten om wat ik ben: Joods."

Hebt u het gevoel dat Joden er vaker alleen voor staan?
"Zo voelt het soms wel, ja. In het wapen van Amsterdam staat het woord heldhaftig. Is het heldhaftig om je mond te houden als in je eigen stad mensen worden aangevallen?"

"Toen bij het Joodse restaurant HaCarmel de ruiten werden ingegooid door een Syriër met een Palestijnse sjaal, had ik een steviger optreden verwacht van onze waarnemend burgemeester. Ik hoop dat ik op zulke ­momenten de volgende burgemeester wél hoor."

Sinds een maand is Weijel - die in de journalistiek en communicatie heeft gewerkt - voorzitter van de Liberaal Joodse ­Gemeente (LJG) Amsterdam. Iemand, zegt hij, heeft blijkbaar het onzalige idee gehad: laten we hem eens vragen.

Is het niet zo'n populaire baan?
"Laat ik het zo zeggen - het schijnt echt gebeurd te zijn: president Lyndon Johnson van de Verenigde Staten ontving ooit de ­Israëlische premier Golda Meïr."

"Hij zat een beetje op te scheppen en zei: weet u, ik ben president van 200 miljoen ­burgers. Waarop Meïr zei: dat is buitengewoon indrukwekkend, maar u moet wel onthouden: ik ben premier van 2,5 miljoen presidenten."

Zoals Joden plegen te zeggen: ik wens u veel personeel.
"Heb je hem? Ik wens u veel leden. Die hebben we dan ook: elfhonderd en het groeit en bloeit. Het zijn Joden, hè. Allemaal mensen met een sterke mening en de gewoonte om daarvoor op te komen. Maar het is een prachtige baan, hoor. We zijn een gemeente waar geen ruzie wordt ­gemaakt."

Hoe komt dat?
"Omdat wij elkaar niet de maat nemen. Omdat wij een thuis bieden aan mensen, dat meen ik echt. We hebben er een woord voor: nesjomme - ziel. De mensen vinden bij ons hun ziel."

"Het is een warm bad, een plek waar alle mensen terechtkunnen die iets voelen voor het Jodendom, al is het maar een heel klein beetje. Bij ons is iedereen vrij om op zijn eigen manier Joods te zijn. Niemand die vertelt wat de regeltjes zijn."

"Ik heb nooit mensen gegrild om te kijken of ze in God geloven, laat staan hoe diep. Er zijn er die bij ons komen en zeggen: ik ben Joods, maar ik weet er eigenlijk geen moer van. Nou, welkom."

"Wij willen als Amsterdamse Joden ook openstaan voor andere Amsterdammers, ongeacht hun geloof of seksuele geaardheid. Wij maken deel uit van de stad, zoals we dat al eeuwen doen."

Is er tegenwoordig meer behoefte aan het vieren van de eigen Joodse identiteit?
"Dat merk je wel. In de hele wereld zie je dat mensen op zoek gaan naar hun wortels, maar bij ons wordt er ook nog eens druk gevoeld van de buitenwereld. Als er in Israël iets gebeurt waar veel mensen het niet mee eens zijn, ­krijgen wij het hier in Amsterdam meteen voor de kiezen. Dat vind ik buitengewoon triest."

Wat kunt u eraan doen?
"Elke keer maar weer uitleggen dat het de Israëlische ­regering is die opdrachten geeft aan het Israëlische leger en dat er niet eerst aan de Joden in Amsterdam wordt ­gevraagd of ze het daarmee eens zijn."

Weijel groeide, zoals alle Amsterdamse Joden, op in de slagschaduw van de Tweede Wereldoorlog. Zijn broer Ivo Weyel (de y is gedurende diens journalistieke carrière per abuis in de naam geslopen) schreef er onlangs nog een boek over: Oorlogszoon, gebaseerd op de dagboeken van hun vader uit de onderduik.

Moeder Rose-Mary Kahn, telg uit de flamboyante handelsfamilie die aan het Leidseplein het modepaleis Hirsch exploiteerde, zat verborgen op de hooizolder van een boerderij op de Veluwe. Vader Arnold Weijel zat twee jaar met zijn ouders ondergedoken op de zolder van de buren in de Watergraafsmeer, na te zijn ontsnapt uit de Hollandse Schouwburg.

Desondanks was het een vrolijke jeugd. Weijel sr. kreeg als huisarts in Zuid het leed van de Joodse overlevers over zich heen, maar over dat van hemzelf zweeg hij. Hij overleed, nog altijd zwijgend, in 2014; zijn vrouw een jaar later, negentig jaar oud. "Bizar," zegt Weijel, "ze zijn op tien ­dagen na exact even oud geworden."

Volgens uw broer was uw moeder uitgesproken anti­religieus.
"Nou, ze vond niet dat de joodse kerk verboden moest worden, ofzo. Ze had er gewoon niks mee. Haar moeder was zeer gelovig, maar die trouwde met een atheïstische Jood en liet het lopen."

"Na de oorlog wilde mijn moeder niet dat wij werden besneden, want dan had je er weer een merkteken bij. Maar mijn vader wilde het wel, dus gebeurde het toch. Ze verzuchtte ooit: als ik nog een keer geboren mag worden en ik mag kiezen, laat mij dan alsjeblieft een net Nederlands-hervormd meisje zijn."

Dan had ze al die ellende niet mee hoeven maken.
"Precies, al zijn er ook veel niet-Joden die een heleboel ­ellende hebben gehad in de oorlog, laat dat duidelijk zijn. Alleen ging het dan niet om wie ze waren. Als mijn ouders zich al niet Joods hadden gevoeld, dan werden ze er door de oorlog wel met hun neus op gedrukt."

Het heeft ze bang gemaakt voor de wereld.
"De angst zat er goed in."

Dacht u: ik ga mij wél laten zien?
"Ik heb de angst natuurlijk niet aan den lijve ondervonden. Maar misschien onbewust: ik wens mij niet te verstoppen, zoals mijn ouders. Ik ben Joods, ik ben een ­Amsterdamse Joodse jongen en ik wil daarvoor uitkomen. Punt. Ik ben getrouwd met een Joodse vrouw in de LJG Amsterdam en onze twee kinderen zijn daar bar en bat mitswa geworden."

"Mijn ouders waren, al was het vooral thuis, bewust Joods, in de zin dat zij de tradities in ere hielden. De feestdagen werden gevierd en op vrijdagavond het begin van de sabbat. Ivo en ik hebben bar mitswa gedaan."

"Ik had meer niet-Joodse dan Joodse vriendjes, ik zat niet op een Joodse school, mijn vader werkte gewoon op zaterdag, maar toch is er gedurende mijn jeugd een soort Joods ­bewustzijn in mij gegroeid. Letterlijk: van huis uit."

En dan is de stap naar religie nog maar klein.
"Het is een stap naar de traditie. Dat is een verschil met christelijke gemeenschappen. Als die het geloof in God niet hebben, hebben ze niets wat hen bindt."

"Mijn ouders waren niet religieus, maar ze waren wel lid van de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge. Daar zijn ze in 1950 ook getrouwd. Zo gaat dat. Joden willen bijvoorbeeld vaak op een joodse begraafplaats begraven worden. Dan moeten ze toch lid worden van zo'n joodse club."

Gelooft u?
"Soms wel en soms is het weer weg. In 1963, toen ik ­dreigde bar mitswa te moeten gaan worden, zijn mijn ­ouders overgestapt naar de LJG, lid geworden van Jacob Soetendorp, zoals dat toen heette. Dat was een liberale rabbijn. Ik ben er altijd blij mee geweest, want daar waren jongetjes en meisjes die het Jodendom beleefden zoals ik dat thuis ­beleefde."

Wil de LJG ook uitleggen wat Joden zijn?
"In de zin van: Joden hebben geen hoorntjes op hun hoofd?"

Bijvoorbeeld.
"We hebben een project: leer je buren kennen. Dat is een paar maanden geleden nog beloond met een prijs van 100.000 euro. We ontvangen schoolklassen met veel moslimkinderen."

"Die mogen bij ons in de synagoge komen en alles zeggen wat ze van Joden vinden: kutjoden, kankerjoden, het is één grote teringzooi. Alles. En dan leggen wij uit wie we zijn, waar we vandaan komen, wat we vinden en hoe we in Amsterdam zijn geworteld."

Werkt het?
"Het werkt. Al is het best schrikken om te merken dat zulke jonge kinderen er al zulke vooroordelen ingehamerd hebben gekregen. Maar dat ze het bij ons, toch in het hol van de leeuw, allemaal komen vertellen, vind ik dan wel weer moedig."

Beeld Hanna Snijder

Hans Weijel

Geboren op 19 juli 1952 in Amsterdam. Hij zat op de Amsterdamse Montessori School en het ­Spinoza Lyceum en studeerde ­politicologie in Leiden.

Tussen 1978 en 1985 werkte Weijel als journalist bij Avro's Televizier Magazine en tussen 1985 en 1988 bij Veronica's Nieuwslijn. Daarna werd hij adviseur bij Van Luyken Communicatie Adviseurs, waarvan hij de laatste vijftien jaar mede-eigenaar was.

Hans Weijel is getrouwd met Evaline Cosman. Zij hebben een zoon (Guidi, 31) en een dochter (Joy, 26).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden