Theodor Holman Beeld Artur Krynicki

Haar benen waren muizenpootjes geworden

Plus Column

Haar lichaam was een landschap geworden van een gebied dat niet meer bestaat: bergen, meren, een zee, geulen; er hadden rampen plaatsgevonden, er leken delen weggebrand, overstromingen. De schaamte was weggespoeld.

"Ik ga wel even op de gang staan," zei ik tegen de dochter.

"Misschien kun je me toch even helpen met het laken onder haar benen weg te trekken?" vroeg de dochter.

Ik knikte.

"Ma? Theodor trekt even het laken weg!"

Ze zei niets. Het was alsof ons verleden verschrompelde. Ik wilde ook niet aan vroeger denken.

Haar benen waren muizenpootjes geworden; haar handen zochten tevergeefs houvast aan het laken.

"Laat maar los, Anneke," zei ik. De dubbelzinnigheid van mijn zin beviel me niets.

Een schoon laken werd over het bed gelegd en ik tilde de perkamenten landkaart weer op. Een routebeschrijving naar Het Woud waar het altijd mist en waar je doorheen moet om in Het Licht te komen.

Ik weet dat ze het afgelopen jaar steun probeerde te vinden bij een God in wie ze vroeger nooit geloofde, en ik ging niet meer met haar in discussie; we waren jaren geleden al uitgepraat, maar gingen weleens eten in een te duur restaurant, waar ze haar bord nooit leegat en ik met mijn zinnen iets lichtvoetigs probeerde te breien om haar haar ziekte te laten vergeten.

Maar er zouden geen etentjes meer komen.

Opeens deed ze haar ogen open. "Wat doe jij hier?" Een stem waarin ik alleen in de boventonen iets van vroeger herkende.

"Ik kom op ziekenbezoek... Kijk, ik heb bloemen mee­genomen."

Ik wees naar het bosje misplaatste lentevrolijkheid.

"Dank je, Robert."

"Dit is Theodor, mam."

"O... Ik heb mijn bril niet op."

Haar dochter schoof de bril op haar hoofdje.

"Ha, Theodor. Wat fijn dat je er bent," zei ze.

Ik pakte haar handje. Haar vingers leken krokant. Ze knipperde even.

"Wil je slapen, mam?"

Ze deed haar ogen niet meer open en knikte. Haar deken viel. Ik raapte die op en dekte haar toe. Kus? Nee, geen kus.

"Ik ga," zei ik tegen de dochter.

"Ga maar," fluisterde die.

Bij de deur hoorde ik opeens: "Theodor, hoe gaat het met je?"

Ik draaide me om. Ze had haar ogen weer open.

"Goed," zei ik.

"Heb je dat hondje nog? Moor?"

"Ja," loog ik. Moor was alweer drie jaar dood.

"Lief zijn voor hem, hoor."

"Zeker."

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden