Plus

Guus Luijters over NZ-lijn: 'Een stad is zo klein als hij groot is'

De chroniqueur van Klein geluk weet als geen ander dat de stad altijd verandert, terwijl er zo veel reden is om het bestaande te koesteren. Guus Luijters banjert langs de met ambitie gedempte bouwputten.

Beeld Rink Hof

De Kleine Grote Stad
Een stad is zo klein als hij groot is. En omgekeerd natuurlijk. Amsterdam is een kleine grote stad. De kleinste grote stad mij bekend. Parijs is een grote kleine stad. De grootste kleine stad ter wereld voor zover ik weet. Het aardige is dat grote steden graag kleiner lijken en kleine steden groot.

Als ik in Parijs op de Place de Ménilmontant bus 96 naar het eindpunt Montparnasse neem, ben ik buiten de spits zo'n vijf kwartier onderweg en dan ben ik nog lang niet bij de ring. Uit de reistijd kan je afleiden hoe groot Parijs is.

Hoe maak je zo'n grote stad kleiner?

Het antwoord was de metro, die zo aan het einde van de negentiende eeuw gegraven werd.

Als ik op Place de Ménilmontant de metro naar Montparnasse zou nemen, denk ik dat ik zo'n 25 minuten later weer boven de grond kwam. Waar je je ook bevindt in Parijs, de bus brengt je er in uiterlijk anderhalf uur en de metro in 35 minuten.

En waar je ook bent, er is altijd een bus en altijd een metro.

En nu Amsterdam, waar de vraag precies omgekeerd luidde, namelijk: hoe maak je een kleine stad groter.

De stad beschikt, nog steeds, het is nog niet te laat, over een fijnmazig tramnet, waarmee je in een vloek en een zucht van hier naar daar gaat en meestal zonder over te stappen. Maar het enige wat de verantwoordelijke autoriteiten hieruit opmaken, is dat ze wel de baas zijn, maar over een heel klein stadje, een soort Maduro­dam, maar dan iets groter.

Hoe dit te verhelpen? De stad uitbreiden klinkt als een mogelijkheid, maar nieuwe wijken bouwen is erg duur (miljarden) en duurt erg lang (soms wel twintig jaar). Maar een metro, dat is zo gebeurd, en kost vrijwel niks en als ie er is, sta je mooi in het rijtje New York, Sint-Petersburg, Londen en Parijs.

En zo kwam het dat er in de jaren tachtig tussen Centraal Station en Amstelstation een metrolijntje werd gegraven, zes stations en een boemeltje. Dat eigenlijk alleen op de Nieuwmarkt van betekenis is, want op de andere stations giert het van de trams en de bussen.

Maar één ei is geen ei en zo is het ook met een metro. En dus moest er nog een lijntje komen. Van Noord naar Zuid en terug, in negen stations. We schrijven 2001.

Buikslotermeerplein-Vijzelgracht, 2001
In augustus 2001 schoof ik op de markt van het Buikslotermeerplein even aan bij de mannen op het leugenbankje. Waar het begin van de Noord/Zuidlijn moest komen, vroeg ik aan een van hen. "Achter het crematorium," zei een van de mannen. "Dat zwarte gebouw daar waar de deelraad in zit. Maar vraag me niet wanneer ie komt. De ene dag zeggen ze zus, de andere dag zo. Eerlijk gezegd denk ik niet dat ik het nog meemaak."

En Angela Holtkamp van de garnalenkroketten aan de Vijzelgracht zei tegen me: "Het zou over vijf jaar klaar zijn, maar nu kunnen ze geen aannemer vinden. Ze hebben wel alles opengebroken en de mooie bomen voor het Maison Descartes zijn omgezaagd. Het staat er kaal bij. Heel erg."

Bouwput
Tussen 2001 en nu veranderde de stad in een bouwput. Waar je ook kwam, overal werd gegraven en geheid. Het was verschrikkelijk, maar het leed werd over het algemeen blijmoedig gedragen, al moest je geen winkel hebben op de Vijzelgracht of in de Ferdinand Bol. Af en toe kreeg de sfeer in de stad zelfs iets hoopvols, zoals toen het gerucht ging dat er door al het boren een goede kans bestond dat het Paleis op de Dam zou kapseizen om vervolgens langzaam in de modder weg te zakken. Wat een schouwspel zou dat zijn, mooier nog dan de brand van C&A.

Na een jaar of tien kregen we er toch wel een beetje genoeg van, zeker als je de nooit ophoudende werkzaamheden afzette tegen de beloften die van boven doorsijpelden. Als je hen geloven moest, gingen de treintjes volgende week rijden, maar wij wisten wel beter. Op een winters strand sprak ik een man die als beveiliger werkzaam was bij de graafwerkzaamheden. "In maart is de Ferdinand Bolstraat weer open," zei hij, hij durfde er een goede fles onder te verwedden. Dat was in 2008. En nu nog zijn ze bezig. Op het Damrak stond een heel peloton hesjes naar een niet rollende roltrap te kijken en op het CS stonden ze in groepsverband alles, voor de zekerheid denk ik, nog eens na te meten. Een week voor de opening.

Lijn 12
Eenmaal in lijn 12 vroeg ik aan de man achter de informatiedesk hoe het volgende week verder ging met lijn 12. "Geen idee," zei hij. "Ook geen foldertje?" zei ik. "Nee," zei hij, "of wacht, neem dit maar mee, daar staat heel veel in." Uit de folder leerde ik in zes talen hoe in- en uitstappen in zijn werk ging. Op eigen houtje vond ik nog een flyer met de woorden 'Nieuwe tijden vanaf 22 juli' op de voorkant. Op de achterkant stond geen enkele tijd vermeld. In het tramhuisje ten slotte, tegenover de ingang van het CS, vond ik na lang zoeken de folder 'Nieuwe tijden. Alles over het vernieuwde ov-netwerk.' Nu ben ik helemaal op de hoogte.

De veranderende stad
De 9, de 10 en 16 verdwijnen, de 19 komt. Trams vermijden het zoveel mogelijk om naar het Centraal Station te rijden en als ze rijden, rijden ze minder vaak dan ze deden. Er wordt alles aan gedaan om ons de metro in te jagen. Maar zolang de tram rijdt blijven wij, trammers van het eerste uur, trammen. Want wij, wij willen naar buiten kunnen kijken, naar buiten, naar de stad.

Er zijn ook voordelen natuurlijk. Want binnenkort hoef ik me niet meer te ergeren aan al die buitenlanders in de tram die in plaats van onze mooie grachten te bewonderen op hun telefoon zitten te kijken. Die zitten nu in de metro naar hun telefoon te kijken, waarop ze misschien wel een plaatje van de grachten zien. En als iedereen inderdaad met de metro gaat, wordt het misschien stiller in de tram, zei ik tegen Hans. "Ja," zei Hans, "maar als het stiller wordt in de tram gaan ze weer lijnen opheffen."

Hoe het ook zij, de stad verandert en wij zijn erbij. En zolang ik op sommige kruispunten de trams nog van alle kanten kan zien aanstormen en ik hem 's avonds laat nog knarsend door de bocht kan horen gaan, heb ik er vrede mee. Niets blijft nu eenmaal hetzelfde.

Trots
De dag waarvan we wisten dat ie komen zou, is nu eindelijk gekomen. Overal kan ik trots vertellen dat we nu twee metrolijntjes hebben in plaats van een, en dat de nieuwe lijn helemaal van Zuid naar Noord gaat, onder het IJ door, weliswaar naar een halte waar je niet wezen wil, maar toch. Was ik Stadsdichter, dan schreef ik subiet een Ode, van Noord via Noorderpark, Centraal Station, Rokin en Vijzelgracht naar De Pijp, Europaplein en Zuid, een Ode Aan de Lijn en aan het verstrijken van de tijd, aan de ouderdom en aan onze jeugd, voor wie M52 niet gebouwd hoefde te worden, maar er altijd was en altijd zijn zal.

De citaten van Angela Holtkamp en de man op het Buikslotermeerplein zijn afkomstig uit mijn artikel 'Er op uit voor de Noord/Zuid', uit HP/De Tijd van 24 augustus 2001.

Volg alles over opening en de eerste dag van de Noord/Zuidlijn in ons liveblog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden