Column

Gras stoort zich niet aan gelanterfanter

James Worthy Beeld Agata Nowicka
James WorthyBeeld Agata Nowicka

Als de zon schijnt, voetballen mijn vrienden en ik in het Vondelpark. Op het grote grasveld bij de mooiste ­ingang van het park: de Emmalaan. Ik weet nog dat ik als kleine jongen bang was voor de helling bij die ­ingang. Naar mijn mening was het de hoogste berg van Amsterdam.

Ja, nabij de Emmalaan lag de Matterhorn van Mokum. Onderaan het gebergte stond steevast het karretje van een Italiaanse ijscoman. Een oude man met een snor en een accent zo dik als een wintertrui.

We hebben om drie uur verzameld op het grote grasveld dat tegenwoordig als speelweide door het leven gaat.

Speelweide, ik vind het geen mooi woord. Het klinkt mij veel te dwingend. Een grasveld is gewoon een grasveld. Een grasveld eist niets van de mens. Gras stoort zich niet aan gelanterfanter. Een speelweide daarentegen verlangt lichamelijk vermaak van de grasveldbezoeker.

Ik kijk naar mijn vrienden. Het zijn allemaal eind-­dertigers en begin-veertigers. Een voetbal die ongetwijfeld door kinderen van zes in elkaar is gezet, gaat van voet naar voet. Het is een felgele bal. Het is juni, maar als het onverhoopt toch gaat sneeuwen, kunnen we ­gewoon doorvoetballen.

We kijken allemaal naar de bal. In een glazen bol kunnen we de toekomst zien, in een voetbal zien we alleen het verleden. De dromen die we hadden.

Een profcontract. Een transfer naar Engeland. Maar de glazen bol is al lang gebroken. We slalommen met de bal aan de voet door de scherven die onze toekomst heeft achtergelaten.

Ik kijk naar mijn vrienden. Bijna al hun dromen hebben plaatsgemaakt voor de realiteit. De dromen zijn in bierbuiken en weinig voldoening gevende negen-tot-vijfbanen veranderd. En daarom zijn ze hier. Op het grote grasveld. Met een gele voetbal. In de brandende zon. Ja, de zon staat al uren vrij. Ze is vandaag voor even aan haar vaste mandekker ontsnapt.

De doelpalen zijn van truien en laptoptassen ­gemaakt. En er zijn geen deklatten, maar toch kun je, als je heel erg je best doet, de bal over het doel heen schieten.

Iedereen is aan het kuchen. Als een orkest van mannen met een rokershoestje renwandelen we door het gras. De bal is de dirigent.

Ik kruip uit mijn lichaam, klim in de hoogste boom die op de speelweide staat en kijk naar ons. Acht mannen. Acht vrienden. We hebben allemaal ons zweetvlekvriendelijkste shirt aangetrokken.

Vroeger hadden we de bal aan een touwtje. Ja, vroeger hadden we alles aan een touwtje, maar alle touwtjes zijn weg. Ze zijn verbrand, doorgeknipt of tot stof versleten, maar in de mist van de Matterhorn zijn de touwtjes voor even weer intact. Met behulp van het gras in het Vondelpark kun je je dromen herkauwen.

We voetballen maar door. Niemand weet meer wat de stand is. Dit is de gunstigste stand voor iedereen. We voetballen maar door. En door. Ja, we zullen blijven voetballen tot de maan het veld inkomt.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden