Graag had ik haar naam genoemd

Theodor HolmanBeeld Wolff

Het regent in Rome. Dochter moedert vader. ("Doe je jas dicht, pap.")

Vader vadert dochter. ("Voorzichtig met oversteken, laat mij eerst!")

We lopen zonder plattegrond, want zo moet je door het leven, zegt mijn stem, die allengs dunner wordt.

Ouderdom maant tot zachtheid.

We komen ergens aan waar de Romeinen, zo rond 100 na Christus, hun doden ter aarde bestelden.

Enkele grafstenen zijn nog intact. Ik lees alleen de namen.

Titus. Claudia. Flavius. Julia. Quintus. Gnaeus.

Namen van gewone jongens en meisjes.

Dochter wordt gebeld. Het is haar vriend, met wie ze een lang gesprek heeft over mijn kleinkinderen.

Ondertussen probeer ik de inscripties te lezen.

Marcus Pilius Timo. 'Kwam oorspronkelijk uit Pisa. Hij diende achttien jaar in het vierde cohort van de Praetoriaanse Garde en was voor twee jaar teruggeroepen voor administratieve plichten. Hij werd 39 jaar oud.

'De dood hield destijds van jonge mensen, valt me op.

Marcus Livius Pryantis werd maar 26 jaar oud.

Sextus Aurelius Baaro werd 31 jaar oud.

Cassius Valens werd 41. Een moedige man. 'Votum solvit libens merito': heeft zijn gelofte met genoegen en met reden ingelost.

Ik bestudeer de stenen, terwijl mijn dochter haar huishouden op afstand bestuurt. Het klinkt, ondanks de gehaastheid, geruststellend, terwijl ik levens van soms een paar woorden - omdat ik niet alles kan vertalen - aan me voorbij zie gaan.

'Reisde...boot... moedig.'

Dan sta ik opeens voor een graf van een meisje dat slechts enkele weken oud is geworden.

'Laat dit graf ongemoeid. Denk aan het verdriet van de ouders. Zij was zo klein en...

'De rest kan ik niet vertalen.

Het laat me niet onberoerd.

Troost het dat deze grafsteen het al eeuwen heeft overleefd?

Nee, dat troost niet. Ik heb de pest in dat ik geen naam op de steen kan ontdekken. Ik had graag haar naam hier opgeschreven. Maar waarom eigenlijk? Het is alsof door die naam anno nu te noemen het leven van dat kleine meisje toch nog zin zou hebben gehad.

Wat genoemd wordt, wordt niet vergeten.

De smeekbede van de ouders om het graf ongemoeid te laten, duidt er misschien op dat men destijds de graven geregeld trachtte te schennen.

Mijn dochter is klaar met bellen.

"Zullen we verder?" vraagt ze.

We beklimmen een heuvel en kijken uit over de stad.

Tijd valt weg.

Een regenboog valt in de Tiber.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden