Plus

Gijs van Hall, de burgemeester die in ongenade viel

De verzetsheld die de laan uit werd gestuurd als burgemeester van Amsterdam. Een regent, die niet wist mee te bewegen op het ritme van de opstandige jaren zestig. Dinsdag verschijnt de biografie van Gijs van Hall.

Gijs en Emma van Hall in 1960, toen de regent nog succes boekte met zijn imposante netwerk Beeld Bert Sprenkeling/Het Parool

Job Cohen (2001-2010) had de moord op cineast Theo van Gogh, Ed van Thijn (1983-1994) de dood van kraker Hans Kok in een politiecel. Eberhard van der Laan (sinds 2010) werd, nog maar nauwelijks aangetreden, geconfronteerd met Het Hofnarretje, de grootste zedenzaak die de stad heeft gekend.

Ivo Samkalden (1967-1977) kreeg te maken met rellen rondom de aanleg van de metro en de bezetting van het Maagdenhuis, en onder Wim Polak (1977-1983) reden pantservoertuigen door de Vondelstraat en ontsierde een waar kroningsoproer de inhuldiging van Beatrix als koningin.

Hoe worden zij herinnerd? Als prima burgemeesters, eigenlijk. Zo niet Gijs van Hall (1957-1967), de man die het hoofd moest bieden aan nozems en provo's, aan rookbommen bij de verloving van het prinselijk paar Beatrix en Claus en aan de bestorming van De Telegraaf door boze bouwvakkers. Hem wachtte uiteindelijk een smadelijk lot: ontslag door de regering.

Het beste
Een tragische geschiedenis, aldus Dirk Wolthekker, schrijver van de biografie Alleen omdat ik een Van Hall ben, die vandaag verschijnt. Een groot verzetsheld, financier van de illegaliteit, telg uit een familie van bestuurders en staatslieden, die 'geen idee had waaraan hij begon' toen hij gevraagd werd de eervolle functie van burgemeester van Amsterdam te aanvaarden.

De verkeerde man op de verkeerde plaats.

Van Hall was bij zijn aantreden vast van plan er het beste van te maken, zegt Wolthekker. Hij zag de stad als bedrijf en zichzelf als directeur. Een apolitieke citymanager, die volgens Wolthekker heel goed de leus I Amsterdam had kunnen uitvinden. Maar van de politiek, zeker die in Den Haag, moest hij niets hebben, aan ambtelijk geneuzel op het stadhuis had hij een gruwelijke hekel. Hij was bovendien een burgemeester met een volkomen gebrek aan belangstelling voor de openbare orde in de stad.

Bijlmer en IJtunnel
Het ging goed zolang het goed ging. Van Hall, voormalig bankier, wist met zijn imposante netwerk financiering los te krijgen voor de IJtunnel en maakte zo een einde aan 'de pontenmisère'. Hij verloste Amsterdam van een hoofdpijndossier door de UvA te verzelfstandigen en wist in politiek Den Haag de bouw van de Bijlmer door te drukken, geen sinecure voor een stad die werd ontsierd door ruim 25.000 krotwoningen en waar nog 17.000 gezinnen op een eigen woning zaten te wachten.

Maar de tijden veranderden. Het volk roerde zich, vooral jongeren, die massaal hunkerden naar meer bewegingsvrijheid. In 1963 liep de zaak voor het eerst uit de hand, toen een demonstratie tegen een militaire taptoe in het Olympisch Stadion eindigde in een veldslag met de politie.

Al snel bleek dat Van Hall nauwelijks contact had met zijn hoofdcommissaris Hindrik Jans van der Molen, een man, aldus De Telegraaf, 'met vierkante schouders'. Van der Molen, geconfronteerd met de desinteresse van zijn politieke baas, zocht zijn eigen weg: die van de wapenstok en de gummiknuppel.

Provo diende zich aan in het Magies Sentrum Amsterdam. Het huwelijk tussen Beatrix en de Duitser Claus werd aangegrepen om tegen de monarchie te ageren. Van Hall stond erbij en keer ernaar.

Hartverlamming
De verzetsheld, die in de oorlog zijn broer Walraven was kwijtgeraakt, kreeg per ingezonden brief te horen: 'Aan uw uitlatingen merkt ons volk wel dat u pronazi bent. U kunt het niet laten allerlei bevelen uit te delen en drommen polities te charteren om het nazistel te bewaken.'

Tegen alle adviezen in verklaarde hij op het nieuwe, zo indringende, medium televisie in een uitzending van Mies Bouman dat hij het ook allemaal niet meer wist: "Ik kan het niet en de politie kan het niet." Van Hall stond voor eeuwig te kijk als een tandeloze regent.

De genadeklap kwam in de zomer van 1966 toen problemen rondom uitbetaling van het vakantiegeld leidden tot het Bouwvakkersoproer. Bij een veldslag met de politie overleed metselaar Jan Weggelaar. De demonstranten gaven de politie de schuld, de politie meende dat hij was geraakt door een door de demonstranten gegooide stoeptegel. Als enige krant wist De Telegraaf de volgende ochtend de echte oorzaak te melden: in het autopsierapport stond dat Weggelaar was overleden aan een hartverlamming.

Een leugen in de ogen van de bouwvakkers, die massaal optrokken naar het pand van de krant aan de Nieuwezijds Voorburgwal om er grootscheepse vernielingen aan te richten en brand te stichten. Na anderhalf uur belden journalisten maar eens met justitieminister Ivo Samkalden om te vragen waar de politie bleef. Van Hall wist wat er aan de hand was en had met zijn politiecommissaris in vergadering gezeten, maar de burgemeester had niet de moeite genomen zijn commissaris tot actie op te roepen.

Onvermijdelijk ontslag
Van der Molen was de eerste die zijn baan kwijt raakte, maar veel hielp het niet. In de stad bleef het onrustig en Van Hall bleek nog altijd niet bij machte het tij te keren. Er werd door de regering een onderzoek gelast naar de puinhoop in de hoofdstad, maar nog voordat het was gepubliceerd, werd Van Hall voor de keus gesteld: zelf vertrekken of ontslagen worden.

'Barbertje moest hangen,' zei Van Hall en zo was het eigenlijk ook. Hij had ook nog de pech, zegt Wolthekker, dat er net een nieuw kabinet was aangetreden dat schoon schip wenste te maken in Amsterdam. En een PvdA'er zat er niet in om partijgenoot Van Hall te beschermen.

Was het ontslag van de burgemeester terecht? Het was volgens zijn biograaf in elk geval onvermijdelijk. Een 'pact tussen de staat en de straat'. In de stad werd de stijve en rechtlijnige Van Hall niet langer meer geduld en in de politiek had hij door zijn halsstarrige houding alle krediet verspeeld. Van Hall en zijn vrouw Emma waren de enigen die er nog van overtuigd waren dat Van Hall het prima deed als burgemeester van Amsterdam.

Eigen metier
Zijn karakter zat hem in de weg, zegt Wolthekker. Van Hall was een man die moeite had met zelfreflectie. Hij was 'een regent die niet wist mee te bewegen op het ritme van zijn tijd'. En dat was misschien wel het grootste verschil met latere burgemeesters, die, net zo goed regentesk, wél hun politieke rugdekking op orde hadden het moment dat er stormen woedden.

De grote les? Wolthekker: "Dat het burgemeesterschap een heel eigen metier is, waarvoor je niet alleen een goede manager moet zijn, maar ook een uitstekend gevoel voor politiek en ambtenarij moet hebben. Het enige dat Van Hall wilde was zijn stad vooruit helpen in de wereld. Maar wat zag men op televisie: dat het hier een rotzooi was."

Dirk Wolthekker: Alleen Omdat Ik Een Van Hall Ben. Uitgeverij Balans, 324 blz., €29,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden