Plus PS

Gerri Eickhof: 'Ik dacht dat ik een vondeling was'

Gerri Eickhof (60) is na 30 jaar een van de bekendste verslaggevers van het NOS Journaal - mede dankzij de bontmuts die hij op koude dagen draagt. ­­Hij groeide op in Tuindorp Oostzaan, waar hij vier maal daags werd uitgescholden voor nikker en bruine boon.

Gerri Eickhof Beeld Valentina Vos

Daar lag hij dan in het ziekenhuis, net succesvol geopereerd aan een onwillige heup. Het was december, buiten raasde de sneeuwstorm en stonden overal in het land de treinen stil. In de huiskamers stond het Journaal op. Waar was Gerri? Waar was de bontmuts om ons te vertellen dat het glad was?

Hij lacht. "Wat een quatsch."

Voor een journalist heeft u veel fans.
"Ik werd de volgende ochtend al om zes uur gebeld door de radio: of ik even wilde vertellen hoe het met me ging. Drie kwartier later: Giel Beelen. Dat ging de hele dag door. Of ik die week naar Eva Jinek wilde en naar Coen en Sander. Of RTL langs kon komen in het ziekenhuis met een cameraploeg. Ik zei nee. Daar hebben ze toch nog een item van anderhalve minuut van weten te maken."

U klinkt verbaasd.
"Ik vind het nogal curieus."

Het komt door die muts met flappen.
"Ik had het gewoon koud."

U bent van serieus verslaggever...
"... een bontmuts geworden. Mensen die dat denken, letten niet goed op."

Volgens uw voormalige schoonzus Irmina Burger cultiveert u het beeld.
"Ik heb dat ding welgeteld twee keer op gehad, in omstandigheden dat je de oren van het hoofd vroren. Toen de redactie vond dat ik hem niet meer op mocht, heb ik dat niet meer gedaan."

Kent u het filmpje van Lucky TV: Gerri Eickhof en de chocoladefabriek?
Een zucht: "Ja, nou ja."

Uw voormalige schoonzus zegt: Gerri heeft geen groot ego, maar hij is wel heel erg zelfverzekerd.
"Er zijn dagen dat ik van mijzelf vind dat ik het heel goed doe."

Het had weinig gescheeld of Eickhof was nooit journalist geworden. Hij woonde in een kraakpand op de Nieuwezijds Voorburgwal, en dacht na zijn studie antropologie: doe mij maar een uitkering, dan kan ik twee keer per maand een boek en een lp kopen en heeft verder niemand last van mij.

Het waren de jaren tachtig, de bittere jaren van grote werkloosheid. Uiteindelijk rolde Eickhof via een omscholingscursus voor migranten alsnog de journalistiek in. Bij actualiteitenprogramma Kenmerk van de Ikon wilden ze 'de meest Nederlandse' van het stel graag hebben.

Volgens uw schoolvriend Jean-Jacques Vrij was u op het Waterlant College de man van de tienen.
"Daar kon ik niets aan doen, dat ging vanzelf. Ik vond school leuk."

Wat was er zo leuk aan?
"Dat het niet thuis was."

Hij groeide op in de Vegastraat in Tuindorp Oostzaan bij zijn Nederlandse moeder en haar streng katholieke vader en moeder. Zijn (vermoedelijk) Surinaamse vader heeft hij nooit gekend. Die was al vertrokken voordat hij werd geboren.

"Het was een bedompte, benepen omgeving," zegt Eickhof. "De buren keken vanachter de gordijnen wat je op je bord te vreten had liggen. Mijn moeder was in de buurt de eerste vrouw achter het stuur. Als ze kwam aanrijden, liep de hele straat uit om te kijken of ze wel kon inparkeren."

Was er veel ruzie?
"Nee, maar gelachen werd er ook niet. Mijn moeder werkte, ze maakte matrasovertrekken in een beddenfabriek en werd later tot haar trots gediplomeerd interieurverzorgster. Mijn opa ging dood toen ik zeven was. Dan zat er thuis een toch wel heel erg oude, langzame oma waar je eigenlijk niks mee kon."

"We liepen vijftig jaar achter. Op de grond lag een oud zeil en in de keuken hing een geel peertje van 25 watt. De was werd met de wringer gedaan, in dezelfde teil waarin ik op zaterdag gewassen werd in het water waarin eerst opa, oma en mijn moeder hadden gezeten. Een tv kregen we pas toen mijn grootouders erachter kwamen dat ze dan de dagsluiting met pater Leopold Verhagen konden zien."

'We liepen vijftig jaar achter. Op de grond lag een oud zeil en in de keuken hing een geel peertje van 25 watt' Beeld Valentina Vos
'Daar word je niet vrolijk van, als je huiskamer een halve kerk is' Beeld Valentina Vos

"Op de middelbare school ben ik begonnen mijn tanden te poetsen. Van het geld van een vakantiebaantje heb ik de gaatjes laten vullen en op een bijna verloren kies een kroon laten zetten. Bij ons was het ideaal om zo snel mogelijk een kunstgebit te krijgen. Er waren in de buurt zelfs mensen die een feestje gaven wanneer ze een prothese hadden gekregen. Bij sommigen was het een huwelijkscadeau."

U ging op vakantie met de tram.
"Mijn oma was altijd ziek, zwak en misselijk en mijn moeder voelde zich verplicht om voor dat oude mens te zorgen. Dus kreeg ik een tramkaart, zodat ik in elk geval het huis uit kon. Je kon er je kont niet keren of je stootte er een heiligenbeeld om. Daar word je niet vrolijk van, als je huiskamer een halve kerk is."

"Op een gegeven moment werd mijn oma opgenomen. Het was twijfelachtig of ze terug zou keren. Op een middag heb ik met mijn moeder het grote beeld van Jezus van zijn sokkel gehaald en op de overloop gezet. Er lag een hamer bij. Ik zei: ga je het echt in stukken slaan? 'Ja,' zei mijn moeder, 'maar alleen als jij eerst het hoofd eraf mept.' Dat heb ik gedaan."

Oma kwam weer thuis.
"We hebben haar verteld dat het beeld was gevallen. Tegen betaling werd voor haar geregeld dat voortaan de pastoor eens in de week aan huis de mis kwam opdragen. De eettafel werd dan in een altaar veranderd met een wit kleed en echte waskaarsen uit Lourdes."

"Op mijn zestiende verhuisden mijn moeder ik na een geweldige ruzie met mijn oma naar haar nieuwe vriend en zijn twee kinderen in Tuindorp Buiksloot, het Blauwe Zand. Daar was de mentaliteit nog harder en uitgesproken anti-intellectualistisch. De dag dat wij vertrokken, heb ik bij oma vanuit de tuin nog wel met de bloempotten alle ruiten aan de achterkant van het huis ingegooid."

U was in de buurt het enige kind met een kleurtje.
"Ik werd elke dag uitgescholden op de weg tussen school en huis door een stoet van vijf tot twintig kinderen die aan de overkant met me meeliep. 'Nikker, bruine boon, nikker, bruine boon.' Vijf dagen in de week, vier keer per dag, want toen at je tussen de middag nog thuis."

Had u wel vriendjes?
"De pech was dat die aan de andere kant van Tuindorp Oostzaan woonden. Soms liepen ze met me mee, in de dekking van de huizen. Ter hoogte van de speelgoedwinkel van de familie Schrijvers zat een opening. Dan stortten ze zich van de dijk af en mepten los op mijn belagers. Dat gaf een goed gevoel. Ik heb vaak gedacht: ik wou dat ik een mitrailleur had, dan maaide ik ze allemaal neer."

Volgens uw vriend Jean-Jacques Vrij heeft het u wantrouwend gemaakt.
"Dat heeft hij dan vrij vriendelijk uitgedrukt."

"Ik dacht dat ik vondeling was," zegt hij spontaan. "Dat hield me als kind enorm bezig en heeft me, misschien meer dan wat ook, gevormd."

Hoe kwam u daarbij?
"Van mijn oma kreeg ik voor mijn zevende verjaardag Alleen op de wereld van Hector Malot. Kort daarna hoorde ik 's avonds in mijn bed hoe een levensverzekeringsagent probeerde mijn moeder een duurdere polis aan te smeren."

"Hij rekende voor hoe hoog de uitkering zou worden. Mijn moeder wilde weten wie dat geld kreeg. 'U heeft toch een zoon,' zei de man. Mijn moeder vroeg: 'Maar als dat nou een onecht kind is?' Nou, dan zou het geld naar haar oudste broer of zus gaan."

"Ze zegde de verzekering op en kocht van het geld een auto. Maar voor mij viel alles op zijn plek. Dat er geen vader was, dat ik bruin was in een compleet blanke familie. Dat boek was natuurlijk om mij rijp te maken voor de gruwelijke mededeling dat ik net als Remi was."

"Als ik vervelend was, werd soms gezegd: pas op, als je zo doorgaat sturen we je naar het wasboendersgesticht. Dat werd opeens een echte bedreiging. Ik durfde niets meer, ik werd het braafste jongetje van Amsterdam, doodsbang dat ik naar het weeshuis zou worden gestuurd."

Hoe lang heeft dat geduurd?
"Tot mijn tiende. Toen heb ik het gevraagd aan mijn peetoom en peettante, papawim en mamacor, die met hun drie zoons verderop woonden: is mijn moeder wel mijn echte moeder? Ik was dol op ze. Zij waren het ook die mijn moeder ervan overtuigden dat ik naar het Waterlant College moest. Elke avond, als het licht uit was, deed ik nog apart een gebed voor hen. Ze gingen alleen met Kerstmis en Pasen naar de kerk en ik was bang dat het te weinig was om in de hemel te komen."

"Eens per week deed ik ook nog een tweede extra gebed voor de achterburen. Die waren protestants en dus verdoemd. Ik hoopte ervoor te zorgen dat ze, eenmaal in de hel, af en toe even weg zouden mogen bij de duivelse vlammen om af te koelen."

Hoe bent u van uw geloof genezen?
"In de tweede klas van de middelbare school zat ik naast Jan Eeltink, een jongen uit Edam. Die vloekte de hele dag. Ik dacht: dat overleeft hij niet. Maar de volgende dag zat hij gewoon weer naast me. Toen heb ik zelf een keer gevloekt. Echt waar, je gelooft het niet: godverdomme. 's Avonds ben ik zo lang mogelijk wakker gebleven, omdat ik bang was dat ik niet meer wakker zou worden."

Jeugdfoto Gerri Eickhof Beeld Privé

"Opa heeft nog het Pro Ecclesia et Pontifice gekregen, de hoogste pauselijke onderscheiding voor leken. Die kreeg hij omdat hij veertig jaar vicevoorzitter van het zangkoor was geweest. Bij de receptie ontstond er ruzie met iemand die dezelfde onderscheiding kreeg omdat zij 25 jaar oude kranten had opgehaald om het nieuwe orgel mee te bekostigen. De vraag was wie nou heiliger was."

Heeft u nooit de behoefte gevoeld uw vader te zoeken?
"Zeker niet toen mijn moeder nog leefde, want die wilde het er niet over hebben en ik hield heel veel van mijn moeder. Ze was een heel zachte en lieve vrouw. Ze heeft erg geleden onder mijn verdriet. Haar dood, veertien jaar geleden, is het ergste wat me ooit is overkomen."

"Ik ben later toch nog op zoek gegaan. Mijn moeder had weleens de naam van een vrij grote Surinaamse familie genoemd. Alles leek te kloppen. Ik ben erheen geweest. Die mensen hadden me al helemaal in de armen gesloten, maar toen ze bij een zus van mijn vermeende, reeds overleden, vader dna afnamen bleek het niet te kloppen. Ik dacht: het is mooi geweest. Who cares."

Van uw beste schoolvrienden was de een ook half-Surinaams en de ander had een Chinese vader. Dat kan geen toeval zijn.
"Dat was het ook niet. Mensen van gemengde afkomst vertrouw ik het snelst. Het voelt veilig. Er worden geen oordelende of veroordelende vragen gesteld. Bij andere mensen duurt het eindeloos voor ik me bloot durf te geven."

"Toen ik jong was, was mijn ideaal: op de Olympische Spelen de marathon winnen en daarna trouwen met een vrouw met zwart haar die Suzanne zou heten en ook hard kon lopen."

"Mijn zoon Koen is vernoemd naar de affaire-Teun en Koen uit 1995, toen een echtpaar door een fout bij de ivf-behandeling een wit en een zwart kindje kreeg. Ik interviewde de gynaecoloog."

"Op de redactie hoorde ik mensen zeggen: 'Dat is toch vreselijk dat je dan een zwart kind krijgt. Je moet er niet aan denken.' Ik ben misschien overgevoelig, maar dat greep mij nogal aan. Ik heb de eindredacteur twintig seconden extra gevraagd om de ouders te laten vertellen dat ze van beide kinderen evenveel hielden."

'Ik ben na mijn moeders dood toch nog op zoek gegaan naar mijn vader' Beeld Valentina Vos
'Ik vond dat je de oorlog van alle kanten moest laten zien, zodat het totaal in evenwicht was' Beeld Valentina Vos

"In 1968, precies deze week is het vijftig jaar geleden, werd Martin Luther King vermoord. Ik dacht toen: het is wel erg van dominee King, ook al is hij protestants, maar gelukkig vinden heel veel mensen dat. Daarom zal in het jaar 2000, als ik 42 ben, dat racisme wel echt over zijn."

"Op de dag van de gemeenteraadsverkiezingen werd ik 60 en werden er serieuze artikelen geschreven over de vraag of negers - ik gebruik dat woord gewoon - een lager IQ hebben. Het lijkt verdomme wel of we honderd jaar terug zijn gegaan in de tijd. Ik vind dat pijnlijk."

Eickhof werkte in Rwanda en in Congo, in Irak en in voormalig Joegoslavië, waar hij in Belgrado negentig dagen bivakkeerde onder de bombardementen van de Navo. Hij kreeg kritiek, omdat hij te veel begrip zou tonen voor de Serviërs en voor de camera een proteststicker met een schietschijfje droeg nadat de plaatselijke televisietoren was beschoten en zijn vaste visagiste om het leven kwam. Het woord Stockholmsyndroom viel. De Telegraaf noemde hem een landverrader.

"Met dat artikel in de hand heb ik nog mijn visum weten te verlengen," zegt hij lachend.

"Ach, er kwam van alles over je heen, ook van mensen die je nabij stonden. Als ik wilde vertellen dat er door een misser van de Navo weer twintig mensen ondersteboven waren geblazen, kreeg ik van de redactie te horen dat ik nog steeds niet begreep dat het Servische bewind fout was. Er zaten collega's in Macedonië en Albanië die lieten zien wat ze daar waar­namen. Ik vond dat je de oorlog van alle kanten moest laten zien, zodat het totaal in evenwicht was."

Was u weleens bang?
"Ik ben in Belgrado ontvoerd, dat was geen pretje."

Waarom was dat?
"Ik denk dat ze mij voor iemand anders aanzagen. Er kwamen twee knapen op mij af. Ze gaven me een paar klappen op mijn kop en ik begon flink te bloeden. Na de eerste paniek ben ik vrij rustig gebleven. Nadat ze hun vergissing hadden ontdekt, was het opeens over. Ik ben naar de studio gegaan en heb er mijn werk gedaan. In het hotel hebben we daarna een stuk in onze kraag gezopen."

"In Bagdad was het ook een keer vrij link. We stonden te filmen op een plein, waar een man met een pantoffel op een standbeeld stond te meppen. Opeens kwamen er allemaal boze mensen op ons af. Wij de auto in. Wat normaal alleen in de film gebeurt, overkwam ons: hij startte niet. Er liepen mensen met messen en zwaarden. Ze wilden ons lynchen. Iemand had zijn hand opengesneden en smeerde het bloed op de voorruit."

En u dacht: ik ben er geweest?
"Ik dacht: rustig blijven. Ik moet zorgen dat we met z'n vieren thuiskomen. Uiteindelijk deed de auto het weer. We hebben een paar mensen geraakt, maar die hebben het wel overleefd."

Wat was erger: Belgrado, Bagdad of het vluchtelingenkamp Goma aan de grens met Rwanda?
"Het laatste, zonder enige twijfel. Het was groter en onverwachter en er gingen veel meer mensen dood. Het enige wat je kon laten zien, was: er zijn hier heel veel mensen en het gaat enorm slecht met die mensen. Het was uitzichtloos. In het ziekenhuis kwam de conciërge naar ons toe: ik heb nog iets interessants voor u. Loopt hij naar een schuurtje, doet de deur open en rollen er 72 mensen uit. Hij zegt: die waren vannacht al dood, die hebben we hier maar opgeslagen."

Ze zeggen dat je een dode beter niet in de ogen kunt kijken.
"Dat wist ik toen niet. Ik wist ook niet hoe het ruikt als zo veel mensen bij elkaar dood liggen te gaan."

Bent u naar een psycholoog geweest?
"Dat moest op een gegeven moment. Ik had er geen behoefte aan."

Volgens uw voormalige schoonzus bent u een binnenvetter.
"Vindt zij dat? Ach, ze gelooft er meer in dan ik. Wat nog het meeste indruk op mij heeft gemaakt is de wasmachine die naast de klassieke sofa stond. Het was een praktijk aan huis. Op de trap naar de bovenste verdieping rook ik het waspoeder al. Toen was het voor mij al voorbij."

Bent u emotioneler geworden?
"Dat denk ik wel. Ik schiet sneller vol en hou het ook niet meer tegen."

Waarom bent u gestopt met oorlogs­verslaggeving?
"Ik werd niet meer gevraagd. Het Journaal stuurde steeds minder verslaggevers op pad naar het buitenland en ging meer werken met correspondenten."

Volgens uw naasten wilde u niet meer vanwege uw zoon.
"Misschien wel. Ik ben gevraagd voor de oorlog met Rusland in Georgië. Ik had griep en aarzelde. Toen zei Koen, zeven jaar oud: 'Ga nou maar niet, je bent ziek en straks schieten ze je nog dood.' Twee dagen later kwam RTL-cameraman Stan Storimans om in Georgië. Ik kende hem goed, hij had ook een tijd bij ons gewerkt. Mijn zoon was ervan overtuigd dat hij mij het leven had gered."

"Dus ja: ergens in mijn hoofd moet ik er rond die tijd voor mezelf ook een punt achter hebben gezet. Ik had een paar jaar geleden nog voor het Journaal naar de Arabische Lente gekund, maar ik heb last van artrose. Dat maakt lopen moeilijk - en vooral hardlopen. Ook in Nederland ga ik niet meer naar moeilijke demonstraties. Ik hoop dat het beter wordt nu ik ben geopereerd."

Komt u nog weleens in Noord?
"Eén of twee keer per jaar, als ik me niet lekker voel. Dan rij ik door de straat waar ik geboren ben en denk ik bij mijzelf: hier ben ik in elk geval weg. Dan voel ik me meteen een stuk beter."

'Ik schiet sneller vol en hou het ook niet meer tegen' Beeld Valentina Vos

Gerri Eickhof

Geboren
21 maart 1958, Amsterdam

1964-1970
Sint Stephanus Bellesinischool

1970-1976
Waterlant College

1976-1983
Studie antropologie aan de ­Universiteit van Amsterdam, University of Bradford en Rijksuniversiteit Utrecht

1985-1986
Omscholing bij Migranten­televisie

1988-heden
Redacteur en verslaggever bij de NOS

2009
Publicaties Bestemming Bagdad en Met de tram door Amsterdam

Gerri Eickhof woont in het centrum van Amsterdam. Hij heeft een vriendin en een zoon van 17.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.