Plus

Gentrificatie in de stad: 'Wie zeurt moet wegwezen'

Daklozen, krakers en kleine winkels verdwijnen; het grote geld krijgt in de stad de overhand. Journalist en binnenstadbewoner Paul Teunissen vraagt zich af of en hoe het tij te keren is.

Bart Stuart en Klaar van der Lippe in hun atelier op de NDSM-werf dat ze na 17 jaar moeten verlaten. De huur gaat 400 procent omhoog Beeld Mark van der Zouw

Niet zo lang geleden stond Bart Stuart (45), activist en kunstenaar, op de 22ste verdieping van de A'DAM Toren en keek hij, een glas champagne in de hand, uit over de stad.

Hij was in gezelschap van veelal jonge, succesvolle, blanke mensen, allemaal met een glimlach op hun gezicht en een glas champagne in de hand.

Ze hadden net een cultureel project afgerond. De sfeer was er een van gelukzaligheid. Hoog boven die wereldwijd zo geliefde stad, die zich in snel tempo aan de verlangens van de hem omringende mensen aanpaste.

Ze verdienden allemaal achtduizendplus per maand, een bedrag dat Bart als onafhankelijk kunstenaar in een jaar bij elkaar scharrelde. Zij konden zich de luxe van de stad - van een appartement voor een half miljoen, van de net geopende sterren­restaurants - veroorloven.

Beïnvloed door al die goede vibes had hij bij zichzelf gedacht: wat zit ik toch altijd te zeuren?

Dat het de verkeerde kant opgaat. Dat als het zo doorgaat, ze de stad zoals die decennialang was naar het graf kunnen dragen.

Hij nipte van de champagne en tuurde over het IJ, over het Centraal Station, over de oude binnenstad die er in het avondlicht schitterend bij lag. "Dit is toch fantastisch."

Unheimisch gevoel
Is dat zo? Wordt Amsterdam steeds fantastischer?

Ik heb me nooit erg met het reilen en zeilen van mijn stad bemoeid. De stad was de stad.

Alles stroomde. Ik hield van haar fragiele schoonheid. Ze verrijkte mijn leven, met dat bonte gezelschap van mensen, van psychotische Damschreeuwer tot bankdirecteur.

Ik heb me nooit actief ingezet voor het behoud van een wijk, een bibliotheek of een zwembad. Ook niet om vluchtelingen of psychiatrische daklozen een passende plek te bieden.

De laatste tijd zie ik steeds meer dingen waarvan ik me afvraag of ze wel goed zijn voor mijn stad.

Mijzelf bevallen ze niet. Het rijtje is bekend. De rolkoffers, de Nutellawinkels - wie heeft de grootste potten in de etalage staan - de hotel­ketens, videoreclameschermen en de ellenlange fietsslierten. De grote letters I Amsterdam waar ze, vooral de Chinezen, op de meeste ongelukkige manieren van afdonderen.

Maar dat zijn kleine aardse ergernissen.

Dan is er nog dat gedoe van Airbnb. Een aanzienlijk deel van mijn bekenden, bemiddelde bewoners van de binnenstad die hun huis op tijd kochten, hebben hun fortuinlijke leven een stuk fortuinlijker gemaakt door hun huis een tiental weken per jaar via Airbnb of verwante sites te verhuren.

Een paar hebben hun huizen, nu ze een tijdje in het buitenland wonen, permanent in de verhuur. Ze vangen er een bovenmodaal jaarinkomen mee. Zij blij, de toeristen blij, want ze wonen in prachthuizen op prachtige locaties.

Zelf kunnen ze weer muzikant worden, of kunstenaar, wat ze altijd al wilden doen, maar waar geen tijd voor was, omdat ze gewoon moesten werken.

Nu de twee oude vrouwen in mijn straat zijn overleden, worden hun woningen opgeknapt. De ene woning gaat voor 2500 euro in de verhuur.

De andere voor vijf ton in de verkoop. Dat trekt een bepaald type bewoner aan. Het soort mensen met wie Bart in de A'DAM Toren stond.

Daklozen zie ik niet meer. Jammer, want ik stak ze graag een paar euro toe, in ruil voor een blik in hun trieste en radeloze ogen. Als er al een in de buurt van de supermarkt staat, duurt het nooit lang voor de jongens van Handhaving komen om die instabiele mens uit het straatbeeld te verwijderen.

Verderop, in een onooglijk straatje, woonde een groep krakers. Ik had niets met ze te doen, maar hun afwijkende manier van kleden, de spandoeken aan de gevel, met daarop teksten van een of ander groot onrecht, waren me aangenaam. Ze gaven me het idee dat je ook voor een heel ander leven kon kiezen, hier in de binnenstad.

Hun vertrek voelt als een gemis. De straat waarin ze woonden is gegentrificeerd. Zo heet dat, het opwaarderen van een buurt voor een nieuwe, rijkere bevolkingsgroep.

Chaim Lodeizen woont al zijn hele leven in de Nieuwmarktbuurt Beeld Mark van der Zouw

Als ik me in de stad begeef krijg ik soms een unheimisch gevoel. Alsof er een groot onzichtbaar onheil nadert. Net als de meeste Amsterdammers probeer ik de mooiste plekken te vermijden, omdat die ook door toeristen, hun gidsen en dagjesmensen als mooiste plekken worden beschouwd. Het ziet er zwart van de mensen.

Wat meteen opvalt is dat de stoepen, stegen, pleintjes, eigenlijk alles, te klein zijn voor die mensenmassa. De ingehouden agressie is voelbaar. Ze gedragen zich als ratten in een overvolle laboratoriumsetting. Willen elkaar bijten.

Met de toerist en de omroepster in luxe winkelketens die goederen aanprijst in het Russisch, Chinees en het Engels, is er veel veranderd. Amsterdam is in tien jaar tijd een lucratieve hotspot geworden.

"Mondialisering. Dat gebeurt nu eenmaal," kun je zeggen.
"Het brengt veel geld op. Als het je niet bevalt ga je maar op de hei wonen."

Maar doen al die ontwikkelingen ook iets met de fundamenten van de stad? Met de woorden op zijn schild: Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig.

Omdat ik me nooit heb verzet, maar we wel zorgen maak om wat ik zie, ga ik langs bij mensen die zich wél hebben verzet. Wat vinden zij van de stad nu? Hoe moet je je eigenlijk verzetten als je wilt dat het stopt?

Grandioze rendementen
Bart, die man in de A'DAM Toren, en zijn vriendin Klaar van der Lippe (55) zitten in hun atelier op de NDSM-werf, onder de helling waar vroeger schepen aan kabels te water werden gelaten.

Het is de kilste dag van de winter, met sneeuw en een ijskoude wind over het IJ. De houtkachel krijgt de betonnen ruimte niet warm. Ze zijn erop gekleed, met twee broeken, drie truien, een jas, een shawl en een bontmuts (Klaar). Het duo maakt activistische kunst en doceert rebellie aan de Bildung Academie van de UvA. Voor niets.

Dat idee van de fantastische stad was een kleine bevlieging geweest, mogelijk veroorzaakt door de champagne, erkent Bart.

Fantastisch is het vooral voor projectontwikkelaars, vastgoedcowboys, rijke investeerders en stadsdeelbestuurders die in Amsterdamse bakstenen grandioze mogelijkheden zien, met grandioze rendementen waar ze in de rest van het land hun vingers bij kunnen aflikken. Een stad met de potentie van Londen. Daar waar geen Londenaar meer woont.

Auteur Paul Teunissen Beeld Linda Stulic

Bart en Klaar hebben het aan den lijve ondervonden. In hun Van der Pekbuurt, in Noord. Bart was er eind jaren negentig naartoe getrokken, omdat in Oud-Zuid, waar hij woonde, de kleine winkels in sneltreinvaart waren vervangen door crèches, de Canta's voor Mercedessen. Hij wilde in een echte buurt wonen, met mensen in alle soorten en maten.

En nu wilde de drie-eenheid - projectontwikkelaars, vastgoedcowboys en stadsdeelbestuurders - ook zijn nieuwe buurt woonklaar maken voor de grotere portemonnee. De woningen van de marktkooplui, de rommelaars, de Turkse en Surinaamse gezinnen zouden ze slopen en vervangen voor grotere, luxueuzere, veel duurdere huizen. Onbetaalbaar voor de oude bewoners, maar die konden dan naar Nieuw-West of een andere wijk aan de rand van de stad.

Dat is het patroon, de armen worden almaar meer naar de onaantrekkelijke rand geduwd. Uiteindelijk vallen zij of hun kinderen eroverheen en komen in slaapgemeentes te wonen.

"Ga maar eens vragen aan de 'oude Amsterdammers' in Almere of Purmerend waar ze het liefst zouden wonen," zegt Bart.

Als je eenmaal weg bent, kun je nooit meer terug. Behalve als je de lotto wint.

Bart en Klaar hadden zich met de bewoners van de Van der Pekbuurt verzet. "Hier worden geen plannen gemaakt voor arme mensen," was hun strijdkreet. Uiteindelijk bleven hun huizen overeind. Een zeldzame overwinning van een buurt op de drie-eenheid.

Realitycheck
Vorige zomer hadden ze op de Nieuwmarkt een eilandje van zand en palmbomen gebouwd. Daar boden ze jongeren een cursus protesteren aan. Om ze te laten voelen hoe het is om je te verweren als je ergens tegen bent. Tien waren erop af gekomen. Op het eilandje hadden ze zitten praten over de stad.

Was die bijna af? Wat was het eindbeeld van de stad? Ze hadden spandoeken gemaakt. Van burger naar klant, hadden twee meisjes bedacht. Daarmee was de kleine stoet langs de dagjesmensen, de vrijgezellenfeestjes, de toeristenslierten en de vrouwen met hun handen vol tassen met dure spullen, die wezenloos uit hun ogen keken, getrokken.

Het was voor Bart en Klaar ook een realitycheck. Of hun gevoel van onvrede ook bij anderen leefde, of dat iedereen dacht dat het wel goed was zo, en zij de party poopers zijn op het feestje van de middelmaat.
"Het is een eenzaam gevoel," zegt Klaar.

Eigenlijk zijn zij de braafste burgers. Met studenten in hun werkgroep rebellie denken ze na over de stad. Dat je, als je door het nieuwe Centraal Station loopt, de winkels en al die nieuwe ruimtes op je laat inwerken, jezelf kunt afvragen wat dat nu voor gebouw is geworden. Lijkt het op een winkelcentrum, op een vliegveld, op een set uit The Truman Show?
"Je moet de mensen vertellen dat het ook anders kan. Dat zoals het nu gaat, het niet zo hoeft te zijn."

Vorig jaar deden ze dat in Lima, hoofdstad van Peru. Fietsten ze met vijfhonderd man door een door auto's gedomineerde stad. Als fietser alleen zouden ze je dood rijden, maar nu gingen ze ineens aan de kant. Daarmee was het gevoel ontstaan dat het anders kan, als je maar wil.

Volgende week gaan ze naar China voor een kunstproject, om de mensen daar, die zo weinig benul van individualiteit hebben, iets bij de brengen over zelfbeschikkingsrecht.

Met de pont ga ik terug naar de stad, de Truman Show-kant. Zij blijven in de coulissen, maar ook dat zal bij de show worden getrokken. Na zeventien jaar moeten Bart en Klaar hun atelier verlaten. De huren gaan met 400 procent omhoog. Er komen creatieven in. Een tussenfase, volgens Bart. Uiteindelijk verschijnen hier ook de wijnbars en de ijswinkels. "Van het ware scheppen naar schepijs."

En waar moeten zij heen, vragen ze zich af. Moeten ze vanuit een afgelegen schuurtje in Zaandam schreeuwen dat samenleven in een stad een sociaal experiment is? Dat het noodzakelijk is om met het vreemde - psychiatrische daklozen, migrantengezinnen, mislukkers - in aanraking te komen? Als je de vreemde nooit ziet kun je er geen empathie voor voelen; is die alleen maar een hinderlijk iets.

Drogisterij Hooy
Ik vertelde ze over mijn plannen om mijn huurhuis te kopen. Over de hypotheekaflossing van 1800 euro die ik maandelijks zou gaan betalen.
"Niet doen!" riepen ze in koor. "Het is een molensteen om je nek. Daarna zul je nooit meer een boek kunnen schrijven."

Ik verzweeg dat ik overwoog om dat nieuwe, opgewaardeerde thuis een aantal weken per jaar via Airbnb te gaan verhuren. Het moet wel, anders kunnen we het niet betalen. Maar god, wie ben ik dan nog? Waar zijn dan mijn principes?

Daarover spreek ik met Chaim Lodeizen (53), die een jongensachtige, wat rusteloze uitstraling heeft, in een klein café aan de gracht. Hij woont zijn hele leven in de Nieuwmarktbuurt. Eerst als kind, later als kraker en nu als huurder. Hij kraakte al op zijn zeventiende. De stad was zo anders toen. Zo vrij. Hij kon van bijna niets leven. Leende wat van die, ruilde met die en pakte wat vla van de buurvrouw.

De buurt is behouden gebleven door de oude krakers, want de ambtenaren wilden er een grote weg doorheen leggen. Maar veel van haar oude bewoners zijn weggetrokken. Sommigen uit teleurstelling, anderen voor het geld.

Het mysterie is uit de stad verdwenen, zegt hij. Vroeger kon hij mijmerend rondslenteren. Werd hij verrast door winkeltjes, steegjes, mensen.

"Als je met je ogen knippert is er weer iets weg."

Zoals dat antiquariaatje op Rusland. Laatst wilde hij er even gaan kijken. Zat er een nagelstudio in. Was hij naar binnen gegaan en zei hij: "Weet je wel wat voor mooie plek dit was, zo verstild en schoon." Ze hadden hem niet-begrijpend aangekeken. "Met jullie is de platvloersheid gekomen."

Alles is eendimensionaal geworden, zegt hij. Het verspreidt zich steeds sneller. Neem dat kasteelachtige huis op de Nieuwezijds. Als hij erlangs liep fantaseerde hij over wat zich achter die gevel afspeelde. Nu hangen er grote borden voor het raam, zit er een projectontwikkelaar in.
Wat eenmaal weg is, komt nooit meer terug.

Een stad verandert altijd, natuurlijk, maar de beweging gaat maar één kant op. Die van het geld. Hier komen geen verpleegkundigen of leraren meer wonen. De nieuwe bewoners zijn andere, sterk op elkaar lijkende mensen. Geen mensen zoals Chaim.

"Iedereen probeert er een slaatje uit te slaan." Waar Chaim woont, daar is de halve gracht in de verhuur. De woonboten permanent. Zijn buurvrouw harkt maandelijks het dubbele binnen van wat hij als meubelmaker verdient. Al die geldzucht om hem heen werkt ondermijnend, zegt Chaim.

Nel Bannier: 'Je verzetten tegen bestuursplannen, ambtenaren en project­ontwikkelaars is keihard werken' Beeld Mark van der Zouw

Ik ben later gekomen, maar merk het ook. Nu dreigt drogisterij Hooy te verdwijnen. Die zit een paar honderd jaar op de hoek van het plein. Ik kom er graag. Het interieur, de kasten en potten, lijken afkomstig uit de negentiende eeuw. Misschien is het decor, maar het voelt echt.

Een investeringsmaatschappij, eigenaar van het pand, wil luxeappartementen bouwen en wie weet ook een Tours & Ticketswinkel. Om de toeristenstroom vanuit de Zeedijk, over de Nieuwmarkt en de Kloveniersburgwal en dan rechts de Damstraat in, optimaal te bedienen.

De geplande snelwegen door de stad, die in de jaren zeventig door het verzet van Amsterdammers werden voorkomen, worden nu alsnog aangelegd.

Ach, het is maar een winkel die verdwijnt.

Of betekent het meer? Kun je als Amsterdammer iets doen om dat waar je zo van hield, die mêlee van mensen en activiteiten, die in hoog tempo wordt vervangen door iets wat alleen maar naar geld ademt - iets wat zo lelijk is dat je maag ervan omdraait - te beschermen?

Boze kinderogen
Volgens Nel Bannier (72) wel. Ze is beeldend kunstenaar in de Bellamybuurt in West en steekt meteen van wal, want het is vreselijk hoe het eraan toegaat in haar buurt. Het stadsdeel heeft er zeshonderd woningen bijgebouwd en er moeten er nog meer komen.

Hier, in de drukst bevolkte buurt van Amsterdam, waar geen boom of stukje groen te bekennen is. Maximaal bouwen. Tweelaags woningen moeten vijflaags worden. Met de komst van De Hallen - foodplaza, bioscoop, cafés - zijn de prijzen omhoog­geschoten.

"Om de hoek is een appartemententoren gekomen."

Appartementen van vijftig vierkante meter die voor bijna drie ton de deur uit gaan. Voor heel andere mensen dan zij die hier generaties lang wonen: marktkooplui, tramconducteurs, grote migrantengezinnen.
Ik fietste er net langs, zeg ik. Ik schrok een beetje van de enorme schaduw, in een wijk met vooral laagbouw.

"Wist je dat de levensverwachting aan de andere kant van het Vondelpark zeven jaar hoger ligt?"

Nel is actief sinds 1976, toen men het Zuiderbad wilden opofferen aan de metrolijn. Ze was elke maand met haar drie kinderen naar de raadsvergadering gegaan. Deden ze een badmuts op, een handdoek om en stonden ze elke tien minuten op om te eisen dat het zwembad zou blijven bestaan.

Jongere buurtbewoners denken dat ze gewoon met de stadsdeelambtenaren om tafel kunnen, dat je argumenten uitwisselt en er naar je wordt geluisterd.

"Die naïviteit!" zegt Nel.

Die mensen willen helemaal niet praten over hun bouwplannen, maar het plan doordrukken. Van dergelijk gebabbel krijg je wassenneuzen-oplossingen. Belooft de ambtenaar van bouwvergunningen dat ze geluiddempende matjes zullen neerleggen op een galerij in aanbouw, terwijl die galerij in een binnentuin van amper zes meter diep er nooit had mogen komen.

"Je moet zulke mensen echt verontrusten," zegt ze. "Niet één keer, maar zo lang als je maar kunt."

Zoals die keer dat ze eind jaren negentig het enige plantsoen in de buurt wilden vervangen door hoge koopflats. Toen waren ze met alle kinderen van de buurtscholen naar het stadsdeel gegaan. Zo'n wethouder Ruimtelijke Ordening moet sterk in zijn schoenen staan, wil die driehonderd paar boze kinderogen negeren.

Goudenbakstenenfeestje
Bewoners hebben het gevoel dat ze geen invloed hebben. Dat het zinloos is de straat op te gaan voor het behoud van sociale huurwoningen op de gewilde plekken. Zinloos is om je te verzetten tegen het verdwijnen van boekhandels, melkboertjes en de opvang van psychiatrische patiënten, omdat de vrije markt veel machtiger is, en haar vertegenwoordigers nu eenmaal geen moraal hebben. Dat het wereldwijd zo gaat en je niet moet denken dat je als Amsterdam het anders zult kunnen.

Het slaat ze lam, zegt Nel. Sommigen worden ziek. Van het volbouwen van hun leefomgeving. Als je geen bomen in de straat hebt, geen plantsoentje om de hoek, dan is de lucht je houvast. De zon die je onder kunt zien gaan. Haar buurman had zijn leven lang over de markt uitgekeken, tot er hoge huizen voor zijn raam werden neergezet en hij tegen een grote blinde wand aankeek. Die was steeds bozer geworden en had op een avond de ramen bij die nieuwe huizen ingegooid. Waar haar buurman nu is weet Nel niet. Ze heeft hem al tijden niet meer gezien.

Misschien is hij wel opgenomen.

Ik stop ermee, had ze van de herfst ook zelf gedacht. Ze zou naar haar tante in Ermelo gaan. Die had een grote schuur in haar tuin waar Nel kon werken, want over een paar maanden heeft ze een expositie in Taiwan en door alle heisa heeft ze al een half jaar niets gemaakt.

"Je verzetten tegen bestuursplannen, ambtenaren en projectontwikkelaars is keihard werken." Je moet raadsvergaderingen bijwonen, bestemmingsplannen en statuten opvragen, wetten en regels bestuderen. Je moet ambtenaren te spreken vragen. En dat met al die tegenwerking die ze elke keer ervaart.

Bij het stadsdeel staat ze bekent als een van de usual suspects. Soms doen ze haar een kleine toezegging, als ze belooft haar mond te houden bij de raadsvergadering. Zo gaat dat.

Je moet een dossier opbouwen, je met de buurt verenigen, een stichting opzetten. Geld inzamelen, zodat je een juridische procedure kunt beginnen en je de andere partij werkelijk pijn kunt doen.

Van de man van de Turkse groentewinkel hoef je het niet te verwachten. Die wil geen lastpost zijn. Van het trampersoneel en de jongens die op de markt werken evenmin.

Uiteindelijk was Nel niet naar Ermelo vertrokken. Moet ze daar bij heus vriendelijke mensen elke dag op de thee gaan en praten over de
viooltjes die zo mooi bloeien? Als kunstenaar heeft ze een ruwere en vrije omgeving nodig, met gelijkgestemden om zich heen.

Eric Duivenvoorde (53) is oudkraker die nog steeds actief is Beeld Mark van der Zouw

De geplande bouw van vijftien woningen, achter haar atelier, zal de zon uit haar werkruimte wegnemen. Met een paar mensen uit de buurt hield ze elke ochtend de wacht, of de slopers met hun 18-tonner sloopkogel de straat in kwamen.

Eenmaal zover was ze er halsoverkop heen gelopen, samen met een hoogbejaarde bouwvakker, een gepensioneerde theaterdirecteur en de pianiste van hiernaast.

Stonden ze tegenover de slopers, de mannen van de Dienst Handhaving, die van de Dienst Vergunningen en de projectontwikkelaar. Vijandige koppen, die hen bekeken alsof ze hun feestje kwamen verstoren. Het feestje van het snelle, lucratieve, maximale volbouwen van alle beschikbare ruimte in Oud-West. Het goudenbakstenenfeestje.

"U kunt beter gewoon aan het werk gaan in uw atelier," had die projectontwikkelaar gezegd.

Ze moest hen maar hun gang laten gaan. De vergunningen waren rond. Niet zeuren, weg­wezen.

Eigenbelang
De overwinning van het neoliberale gedachtegoed, noemt Eric Duivenvoorde (53) - filosoof, oud-kraker en activist - het. Dat mensen zo lamgeslagen raken, dat ze zich niet meer verzetten.

In zijn actiefste tijd, de jaren tachtig, was dat anders. Ze waren met tienduizend. Een krachtige mix van eigenbelang, een dak boven je hoofd, én de strijd voor de goede zaak: het behoud van woonwijken in de binnenstad. De stad was nog links. Mensen waren veel meer betrokken bij hun buurt. Die waren ook tegen de verkrotting.

Nu is het moeilijker om mensen mee te krijgen. Vooral jongeren. De poel van jeugdig idealisme lijkt een beetje opgedroogd. Misschien hebben ze het te goed. In april begint het festivalseizoen weer, kunnen ze tot halverwege september altijd wel ergens feest vieren. Ze worden zó goed vermaakt dat ze vergeten te vechten voor betaalbare woningen.

"Misschien is de tijd er nog niet rijp voor." Moeten groepen die nu de dupe zijn - armen, ouderen, migrantenkinderen, psychiatrische patiënten, jonge kunstenaars, al die mensen voor wie in de stad steeds minder een thuis is - nog meer pijn voelen.

Als het nog lang duurt, kan dat het eind betekenen van Amsterdam als de open, sociale en vrijgevochten stad die het sinds de oorlog was. Een stad voor alle inkomensklassen. Wordt het een exclusieve plek, voor wie het zich kan veroorloven. Net als Londen of Parijs.

"Soms moet je er met gestrekt been in," zegt Eric. Niet praten maar doen. Dat weet hij maar al te goed uit de kraaktijd.

Vorig jaar had hij, samen met wat bejaarden, een te koop staande sociale huurwoning gekraakt. Een ideale woning voor een oudere buurtbewoner.

Op de begane grond, met een klein tuintje erbij. De kraak ervan moest het startsein zijn voor een estafette van kraakacties van te verkopen sociale huurwoningen. Het was bij die ene actie gebleven. Laatst zag hij er een oudere man in de tuin. Het bleek de vader van een student te zijn. Die had de woning voor zijn zoon gekocht.

"Misschien wordt hij tijd om als inwoners van de stad massa te maken," zegt Eric.

Te zeggen: tot hier en niet verder. Geen huizen voor bejaarden meer verkopen aan rijke starters, geen vrijplaatsen verruilen voor nieuwbakken woonbuurten, niet nog meer goedkope vluchten met nog meer goedkope toeristen accepteren. Geen hotels, wafelwinkels, bike-­ren­tals, Tours & Ticketsbureaus. Geen citymarketing. Niet nóg netter en sterieler.

Misschien is het tijd om er met gestrekt been in te gaan.

Paul Teunissen schrijft elke maand een long­read over Amsterdam. Eerdere af­leveringen gingen onder andere over ­begraafplaats Sint Barbara en een rummikubclub van drie mannen op leeftijd. Reageren? paulteunissen@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden