PlusInterview

Folkert de Jong over Folkert de Jong: ‘Alsof je naar het werk van een maniak kijkt’

Het monumentale en maniakale werk The Shooting of Watou van Folkert de Jong is na veertien jaar eindelijk te zien in Nederland. Het goede moment voor een nieuwe blik op vernietigende kracht, vindt de kunstenaar.

Hervonden in de schatkamer van Folkert de Jong, zijn beeldengroep The shooting of Watou uit 2006.Beeld Ernst van Deursen

Als Indiana Jones in Raiders of the Lost Ark. Zo voelde Folkert de Jong zich toen hij op verzoek van galeriehouders Fons Welters en Nick Terra de opslagruimte indook om een beeld te zoeken dat hij veertien jaar geleden gemaakt heeft. “Al die kisten bevatten gecomprimeerde energie. Zodra je ze openmaakt, knalt die eruit. Dat is magisch.”

Noem het magisch, overdonderend, verontrustend of ronduit freaky: The Shooting of Watou is een kunstwerk van de buitencategorie, opgetrokken uit roze en lichtblauw isolatiemateriaal en smerig, bruingeel purschuim. Spil van de beeldengroep is een 4,5 meter lange en 2,5 meter hoge figuur op handen en knieën, Duitse helm op het hoofd, castagnetten in de hand en een waanzinnige grijns onder één dichtgeslagen oog en één monocle. Hij wordt belaagd door drie infanteristen in napoleontisch tenue en een tamboer die recht uit de Tachtigjarige Oorlog lijkt te zijn ingevlogen.

De installatie is in 2006 gemaakt voor het poëziefestival van Watou, een dorp in West-Vlaanderen. De Jong liet zich inspireren door de omgeving die in de Eerste Wereldoorlog was veranderd in een hel van modder, loopgraven en explosies. “Ik moest denken aan de etsen van Goya, met al dat oorlogsgeweld. Maar ook zijn afbeelding van Bobalicón, de zwakzinnige reus die ondanks zijn vrolijkheid iedereen angst aanjaagt. De soldaten proberen hun demonen neer te schieten maar ze zijn het in wezen zelf. Een passende metafoor voor de huidige coronacrisis: het fantoom dat we bestrijden komt voort uit onszelf en kan ons zomaar vernietigen.”

Gruwelijk en herkenbaar

De Jong maakte The Shooting of Watou terwijl zijn carrière een hoge vlucht nam. In hoog tempo produceerde hij harlekijnen, monsterlijke ballerina’s, oorlogsinvaliden, gewapende dwergen en dorpsgekken met vervormde koppen. Groepsgewijs beeldden ze historische en fictieve gebeurtenissen uit, nachtmerries in zachte zuurstokkleuren. Musea, bedrijfscollecties en privéverzamelaars stonden in de rij voor een lekker gruwelijke en direct herkenbare De Jong.

“Op een gegeven moment had ik alles gedaan wat ik met purschuim kon doen: versnijden, gieten, kleien. Het materiaal had me bevrijd van de beeldhouwtradities, maar toen ik een bronsgieterij bij Nijmegen bezocht werd ik gegrepen door de oerprocessen. Dat je door een materiaal van vorm te veranderen de betekenis en waarde ervan verandert. Toen ikzelf in brons ging werken, bleef ik uit de buurt van de kunsthistorische clichés door het niet te polijsten maar er met een parfumverstuiver zuren op te spuiten zodat een ongebruikelijk patina ontstond.”

Zwaarte

De Jongs overstap naar brons viel ongeveer samen met het uitbreken van de kredietcrisis (2007-2011). “De tijd van theatraal spektakel was voorbij. Brons paste beter bij de zwaarte van toen. Bovendien kon ik met die metalen beelden naar buiten en dichter bij mensen komen – ook dat is een kracht van klassieke monumenten. Ze worden vaak beklad, het zijn een soort antennes die dat aantrekken. Mijn eigen beeld van drie Zeeuwse kerkleiders in Middelburg werd op ingenieuze wijze gevandaliseerd: iemand spoot hun monden dicht met kit. Te gek eigenlijk, het werk werd er beter van.”

Zijn hervonden bewustzijn van de omgeving luidde De Jongs volgende stap in: de plexiglasfase. Hij maakte installaties met meubilair en geabstraheerde figuren, een soort vitrines. “Het glas is lekker dik zodat je het gevoel van een laboratorium krijgt. Het is vaak gekleurd en een beetje mistig zodat kijkers zich extra moeten inspannen. Het gaat eigenlijk om de choreografie van de kijker, een lichamelijke beleving die ergens tussen kunst en architectuur zit.”

Afgietsels

“Mensen vroegen me wel waar de figuratieve voorstellingen waren gebleven. Die zaten ingekapseld en waren minder expliciet geworden. Ik gebruikte afgietsels van mijn eigen lichaam, zelfs data van een MRI-scan. Dat is behoorlijk confronterend, jezelf tot skelet of bloedvaten gereduceerd zien, zonder herkenbare buitenkant. Wie ben je dan? Maar het opende ook mentale deuren voor mezelf: het kunstenaarschap zit in me en hoeft niet altijd zichtbaar te zijn.”

Het inzicht past bij het rijk gevulde cv van de 48-jarige kunstenaar. De Jong blijft experimenteren: een keramiekinstallatie voor een woningbouwproject in Hoorn en een wandsculptuur in epoxy voor Kunstmuseum Den Haag, om er maar een paar te noemen.

The Shooting of Watou is gemaakt door iemand die heel graag wilde laten zien dat hij er is,” blikt hij terug op zijn veertien jaar oude werk. “Ergens shockeert het me ook. Alsof je naar het werk van een maniak kijkt. Maar het valt mooi samen met de huidige tijdgeest. Daarom is het goed om dingen te bewaren. Ik heb in die opslag nog veel meer werk dat nooit getoond is en wacht op precies het juiste moment.”

Folkert de Jong: The Shooting of Watou. T/m 29/8 in Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140.

 
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden