Plus

Familie Degenkamp runt begraafplaats Sint Barbara al tachtig jaar

De familie Degenkamp runt al tachtig jaar begraafplaats Sint Barbara. Ze wonen en werken er, en leven er dicht bij de dood. Paul Teunissen was een week te gast.

Richard Degenkamp op de oude zolder van de kapel Beeld Loek Buter

Je kunt iemand maar één keer begraven. Die dag zal de nabestaanden lang bijblijven. Daarom was het zo vervelend, gisteren, dat die man kort voor de ceremonie die usb-stick in Richards handen drukte. "Laat het bij ons achter," zegt zijn zus Jacqueline altijd. Dan kunnen ze de muziek testen. Checken of de foto's goed op de usb staan. Maar die man wilde nog wat aanpassingen doen. Voorafgaand aan een begrafenis zijn mensen wat van slag.

Elke keer dat Richard op pauze drukte voor de volgende spreker, was de presentatie van vooraf aan begonnen. "Thuis deed ie het nog," zei die man. Met tweehonderd mensen in de kapel groeit er dan een onaangename sfeer. Gaan mensen op hun stoel zitten schuiven. Zo'n ruimte staat bol van de emoties. Niet altijd de beste. Hoor je ze voorafgaand aan de dienst smoezelen: als Klaas komt dan doe ik hem wat.

Ziet iemand de boosdoener door de poort komen. "Tien jaar heb je niets van je laten horen en nu kom je zeker kijken of er nog wat te halen is." Zoiets kan maar beter vóór de ceremonie gebeuren. Dat haalt de grootste druk van de ketel. Vandaag, met weer een grote begrafenis, ­checken ze alles dubbel. Lopen Jacqueline en ­Richard met de grafkaart naar het graf, om te ­kijken of het goede graf is geopend. Of de naast­gelegen stenen niet scheef zijn gaan staan. Of de kabels voor de beamer, de laptop en de muziekinstallatie goed zijn aangesloten.

"We lopen wel snel," zegt Jacqueline als ze vooruitsnellen. Dat krijg je als je de hele dag heen en weer moet over de begraafplaats. Hun vader was de rapste van het stel. Tot die een paar jaar geleden achterop begon te raken. Later ­begrepen ze dat het parkinson was. Voorlopig krijgen ze hem nog niet in het familiegraf. Hij heeft ze verteld hoe hij het straks wil hebben. In een eikenhouten kist, vier centimeter dik en loodzwaar, moeten zijn zoons hem op de schouders dragen. Het zal ze lang heugen dat ze hem begraven.

Egmond aan Zee
Langs het kantoorraam passeert een witte lijkwagen over de dijk. Jacqueline heeft Parkeer­beheer gebeld dat ze een grote begrafenis ­hebben. De gasten moeten met hun verdriet naar huis kunnen. Dat mag je niet verstoren met parkeerbonnen. De familie Degenkamp, doodgravers, ontvangt hartelijk.

De bewegingen zijn kalm, de stemmen rustig. In tegenstelling tot het in animatiefilms geschetste beeld is hun gezichtshuid vol kleur. Ook is er geen speciale interesse voor de gezondheid van de bezoeker. Drie generaties wonen en werken ze op de ­begraafplaats.

De vader van Johan (73) heeft het vijftig jaar gedaan. Hijzelf ook. Als jochie moest hij met de handkar de grafstenen van de opgeheven begraafplaats De Liefde naar hier vervoeren, helemaal over de Admiraal de Ruijterweg. Sinds zes jaar runt zijn dochter Jacqueline de zaak, samen met haar broer.

Humor is broodnodig in dit vak. Je moet je ­medeleven tonen, maar niet voelen. Anders houd je het niet vol, met soms wel drie uitvaarten per dag. Als de uitvaartleider onderweg naar het graf je een mop influistert, moet je met een ­stalen gezicht kunnen lachen. "Ken je die van Sam Cohen die het neergetelde geld uit de doodskist haalde en in plaats daarvan een cheque uitschreef?"

Jacqueline Degenkamp, grafdelver en voorloper Monir, vader Johan Degenkamp en zoon Richard. Beeld Loek Buter

Tijdens het voorgesprek informeert Johan of er nog sprekers zijn. Ziet hij de nabestaanden naar elkaar kijken. "Mijn niet gezien," zeggen ze dan weleens. "Dan ga ik vast janken." "Neem de tijd. Drink een beetje water. Rustig ademhalen. Zoek oogcontact met je familie. En probeer het opnieuw." Nabestaanden moeten in de dagen erna, als ze in een onwerkelijke roes verkeren, geen spijt krijgen dat ze niets hebben gezegd.

Een paar woorden zijn genoeg. Waarheen gingen ze vroeger met vakantie? Nou, dan zeg je: "Pa, die vakanties in Egmond aan Zee zal ik nooit vergeten." Soms vragen ze hem. Begint hij met 'fijn dat u in zo groten getale gekomen bent'. Of, als het een klein gezelschap is, 'fijn dat we met een klein groepje toch de laatste eer kunnen be­wijzen'. Je moet er een positieve draai aan geven. Er is al genoeg verdriet. Hij doet het graag.

Een beetje klantenbinding kan geen kwaad. Eindigen doet hij met: "Nu gaat u straks ieders zijns weegs, maar zit er eentje alleen thuis." Kijkt hij rustig de zaal rond. "Wilt u die dan niet vergeten?"

Uitzicht
Een paar dagen geleden is Jacqueline met de rouwende familie een plekje gaan uitzoeken. "Denk hardop," zegt ze altijd. Hield die over­ledene van een bepaalde boom? Had die iets met treinen, of meer met water? Was het een ochtend- of een avondmens? "Ga op het graf staan en kijk naar het uitzicht van de dierbare die hier komt te liggen."

Soms vragen ze haar of ze er een nachtje over mogen slapen. Maar dat gaat niet. Er moet een hele machinerie in gang worden gezet. De uitvaartleider, de dragers, de vrouw van Engel-­catering. Vroeger rende haar moeder met koffiekannen van de keuken naar de kapel. Maar mensen willen steeds meer luxe. Bittergarnituur, champagne soms. Maken ze er een feestje van. Dat was de wens van de overledene, zeggen ze dan.

Van Jacqueline hoeft dat niet zo nodig. Je moet niet dronken een uitvaart verlaten. De grafdelver moet het graf openmaken. Een precies werkje. Die kisten zijn na een paar jaar vergaan. Is het alleen maar zand, botten en boomwortels. Moet de grond gezeefd en geschud, zodat de resten netjes onder het zand ­liggen. Alles moet worden ingepland, zodat op de begraafplaats de ene rouwstoet niet de andere passeert.

Zo tegen het eind van het jaar is het altijd drukker. Het trieste weer, de vallende bladeren en de korte, grijze dagen maken dat menig hart het ietsje sneller begeeft. Familietuintje Vader en zoon Degenkamp staan op het grindpleintje bij de ingang van de begraafplaats te ­kijken naar vier oudere mensen, van wie de laatste een karretje haastig door het grind trekt. Een kistje en een bloemstuk vallen op de grond. "Is dat geen urn?" zegt Johan. "Een vaas," zegt Richard. "Weet je dat wel zeker?"

Familiegraf Degenkamp Beeld Loek Buter

Johan heeft het niet zo op urnen. Daar wordt veel te lichtzinnig mee omgesprongen. Urnen die jaren op de schoorsteenmantel staan, tot ze ervan af willen. Wat doen we met ma? Als niemand het weet, lopen ze op een avond naar het dichtstbijzijnde plantsoen en huppakee, legen ze de urn in de struiken. Met iemands resten moet je netjes en volgens de regels omgaan. Het is beter iemand te begraven.

Een familietuintje waar jonge gezinnen naartoe kunnen om de kleinkinderen even aan opa of oma te laten zien. Maken ze samen het graf schoon, stoppen ze wat plantjes in de grond. Zo halen ze opa of oma een beetje in het leven van de kinderen. Mensen raken toch zoekende.

Vrouwen die na dertig jaar bij hem aan de deur kwamen, op zoek naar hun doodgeboren kindje. Vroeger werd zo'n kindje meteen bij de moeder weggehaald. "Maak maar snel een nieuwe," zei de arts. Dat zou haar sneller over het verdriet helpen. Maar de dood laat zich niet vergeten.

Alle doden staan in het archief. Ook de crepeergevallen, zoals dat vroeger heette. Levenloos geboren, uit die en die. Liep hij samen met die vrouw naar het grafje. Soms wilden ze het kindje een eigen graf geven, met een naam en een geboortedatum. Maar van een baby'tje blijft na zo veel tijd niets over. Als ze al iets vonden, kon het van een ander kindje zijn. Als je het maar goed uitlegt, hebben ze er vrede mee. Legt zo'n vrouw de bloemen op dat hoopje grond.

Tweelingbroer
Ik maak een ronde over de begraafplaats. Achter een taxushaag staan de vier ouderen, van bij de ingang, rond een graf. Op de grond staat een metalen urn.

"De as van mijn zus," zegt een van de vrouwen. Haar zus was in augustus overleden. "Het graf is van mijn familie, maar voorlopig liggen er alleen twee van haar in," zegt haar echtgenoot. Ze harken het blad van het graf.

"Goed op de rand blijven. Anders zak je door de kist heen." De as strooien ze uit over het graf van de ­tweelingbroer van haar zus. Die was maar 29 ­geworden. De tram had hem geschept op de Amstelveenseweg. De buurman kwam het vertellen. "Volgens mij heb ik jullie zoon op de weg zien liggen." Haar zus was er nooit helemaal overheen gekomen. Met haar as hier zijn ze weer dicht bij elkaar.

Langs het centrale pad spreekt Johan twee jongens aan. Ze zijn met een kruiwagen op weg naar de uitgang. Ze hebben een steen voor hun moeder in de auto liggen, vertelt de een. Ze hadden aangebeld, maar er deed niemand open. "Het is lunchtijd," zegt Degenkamp. "Hoe zwaar is die steen?"

Te zwaar om te tillen. De jongen weet dat ze ­allemaal formulieren moeten invullen voor die steen, maar eerst willen ze hem graag naar hun moeder brengen. Johan zegt dat ze voorzichtig moeten doen. "Vaak doen ze maar wat. Met zo'n steen op het graf kan alles scheef gaan staan." Ik zeg maar niets over de as op het andere graf.

Lappendeken
Er zitten twee vrouwen op een bankje te roken. Ze hebben net hun collega begraven, van school, vertelt een vrouw met roodomrande ogen. Na de plechtigheid was ze even terug­gelopen naar het graf. In gezelschap kan ze haar verdriet niet kwijt. Haar collega had haar zien staan en wilde haar troosten. Het was allemaal snel gegaan. Hersentumor. Vier maanden. De laatste periode in het hospice was ze veel bij haar geweest. "Het was een vrouw die hunkerde naar liefde, maar zich er tegelijk voor afsloot."

Ze herkent het in haar autistische zoon. Rond haar ziekbed was die intimiteit met anderen er toch nog gekomen. In doeken gewikkeld hebben ze haar begraven. Onder een kleed, waar iedereen een lapje voor had gemaakt. "Fijn dat dat allemaal kan ­tegenwoordig, je niet vastzit aan kerkelijke rituelen, de familie er een eigen invulling aan kan geven."

De dienst was begeleid door een priester. Die deed het mooi. Vanuit zijn hart, had ze gevoeld. Richard draagt zijn nette pak. Hij moet zo een uitvaart begeleiden. Jacqueline veegt een broodkruimel van zijn wang. "Je zak," zegt ze. Richard vouwt de omslag van zijn jaszak recht.

Ook voor een gemeentelijke begrafenis moet hij er netjes uitzien. Er heeft zich geen familie gemeld. De stad betaalt de rekening. Niet dat het altijd iets zegt over het fortuin van de familie. Soms ziet Richard die gewoon in dikke Mercedessen de parkeerplaats oprijden.

Monir, behalve grafdelver ook voorloper, komt erbij. "Hoe is het met het graf?" "Alles klaar." "Hoe zag het eruit?" "Het was allemaal droog," zegt Monir. Ze werken al twintig jaar samen. Met achttien zei Richard in het café tegen hem dat ze nog ­iemand zochten voor op de begraafplaats.

Het graf had tien jaar dicht gezeten, zegt Monir in de schaftruimte, met posters van naakte vrouwen aan de muur. Meestal vindt hij alleen nog de botten. Behalve als ze bij de uitvaart­onderneming de overledene in een lijkhoes hebben gedaan. Als die al weken dood in huis had gelegen. "Van dat dikke keukenzeil."

Dan komt er jaren geen lucht bij. Graven ze soms half vergane lichamen op. Het is een vies praatje, maar ze maken het mee. Vooral met dikke ­mensen. Zie je van het achterwerk tot aan het borstbeen nog resten zitten. Een pop, noemen ze het.

Muziek
In het begin maakte Monir nog weleens de fout om de geur op te snuiven. "Je bent toch nieuwsgierig." Zoals hij ook zijn oren spitste als hij in zijn mooie uitvaartpak bij het graf stond, te wachten tot de lift omlaag mocht. Horen wat ze over de overledene zeiden. Stond hij geregeld te janken bij het graf van een wildvreemde.

Van Degenkamp senior heeft hij geleerd dat hij niet moet luisteren. Een ernstig gezicht opzetten, meer niet. Een half uur van tevoren opent Richard de ­kapeldeuren. Ze moeten niet voor een dichte deur staan. Een mevrouw zit al binnen. "Met die busdiensten weet je het nooit," zegt ze. Er zijn geen sprekers aangemeld.

Meestal ­komen er een paar buren, die de overledene kennen van hallo-zeggen. De uitvaartleider en de dragers rijden de kist naar binnen. "Wat ga je draaien," vraagt de man. "Ik begin met Air, van Bach." "Altijd goed." "Daarna een prelude van Chopin. En afsluitend Morgenstimmung, van Grieg."

Daarop loopt het makkelijk naar buiten. Het is zijn vaste repertoire als er geen muziek wordt aangeleverd. Als de huisdichter komt om een eenzame begrafenis op te sieren, neemt hij zijn eigen muziek mee. Die kan dat standaard­repertoire niet meer horen.

Geestverschijning
Er zitten acht mensen in de kapel. Gewacht wordt op een nichtje, maar tien minuten later is ze er nog niet en beginnen ze maar. De uitvaartleider leest een gedicht van Jules de Corte voor. Daarna laat Richard de stilte voortduren. ­

Uitvaartleiders willen nog weleens nerveus om de hoek kijken. Komt er nog wat van? Door zijn ruitje van politieglas kan Richard vanuit de bedieningskamer alles volgen. Het gordijn moet dicht. Anders zien de mensen een vage schim achter het glas, als een geestverschijning.

"Je kunt nooit te laat zijn met het instarten van de muziek," zegt Richard. Wel te vroeg. Soms wil iemand op het laatste moment tóch wat zeggen. Een tijdje geleden hadden ze een gemeentelijke begrafenis, maar die man bleek twee ton op zijn rekening te hebben. Hadden ze hem in een kist uit het duurdere segment gelegd, met acht dragers erbij, zodat ze de man op hun schouder naar zijn graf konden dragen. Dat is chiquer.

Laatst was er helemaal niemand. Stonden ze daar. Richard, de uitvaartleider en vier dragers, bij die kist. De dragers waren er maar bij gaan zitten, zodat de uitvaartleider het gedicht aan hen kon voordragen.

Ook in zo'n geval moet je de boel niet afraffelen. Gewoon netjes drie stukjes muziek draaien, met pauzes ertussen. Na twaalf minuten beweegt het gezelschap op de klanken van Morgenstimmung de kapel uit, richting het graf.

De uitvaartleider bedankt de mensen voor hun komst, ondanks het miezerige weer. Hij houdt een schepje omhoog. Daarmee kan ­ieder wat zand op de kist gooien. "Ik moet er niet aan denken," zegt een ­mevrouw met een rollator. Ze wendt zich van de kist af.

Met een metalen staaf zet Richard de lift in werking en beweegt de kist langzaam omlaag. Binnen 25 minuten is de ceremonie voorbij en lopen de mensen richting de uitgang. "Het is triest," zegt Richard. "Je weet niet wat er binnen die familie speelde. Misschien heeft die mevrouw zich wel onmogelijk gemaakt. Je mag niet oordelen."

Beeld Loek Buter

Ik wacht op Monir, die het graf zal dichtgooien. Hij is verderop met de graafmachine in de weer. Het wordt langzaam donker en miezer­regen daalt onverminderd neer. Een flinke westenwind voert strijd met de laatste bladeren in de platanen. Toch voelt het aangenaam hier rond te zijn. Een beetje als thuiskomen.

Jong gestorven
Een periode hing ik veel op begraafplaatsen rond. Deze begon in die tragische zomer. Aan het eind ervan zijn we nog naar Zuid-Frankrijk gereden, mijn vriendin en ik, in de hoop een beetje van ons verdriet verlost te raken. In elk dorp dat we aandeden, voor de lunch of een kop koffie, maakte ik een ommetje over het kerkhof.

Ik nam de tijd om de grafstenen te bekijken. De geboorte- en sterfdatum. De relikwieën die de mensen hadden achtergelaten. Porseleinen beeldjes, een tekening, een geleegde fles wijn, met wat glazen ernaast. Vooral de graven van jong gestorvenen nam ik zorgvuldig in me op.

Mijn vriendin liep geregeld met me mee. Ik geloof dat ze graag op begraafplaatsen verkeerde. Veel eerder dan ik had ze zich moeten verzoenen met de dood. Als tiener had ze er zes jaar lang de tijd voor gekregen. Ik herinner me dat we in een mooi oud dorpje wat dronken. De zon was net ondergegaan.

Het was een warme avond en er kwam een luchtigheid over me. Alsof we gewoon op reis waren. Het hernieuwde besef kwam extra hard aan. We toerden rond in onze beige Mitsubishi ­Lancer, een fragiele auto waarvan de deuren niet sloten, die toen hij van de productieband af rolde al een vreselijk ouderwetse indruk moet hebben gemaakt.

Maar hij bracht ons wonderwel overal heen. Wat ik me ook herinner: de snelweg van ­Marseille naar San Sebastian, alsmaar naar het westen, richting de ondergaande zon. Hoe de tranen in de ogen van mijn vriendin glansden.

Na anderhalf jaar ben ik ermee opgehouden begraafplaatsen te bezoeken. Het was genoeg. Een andere herinnering ligt op het grafeiland, bij Venetië. Een heel eiland voor de doden.

Met de boot gingen we over de lagune. We hadden die middag grappa gedronken, waren duizelig door de prille liefde en de schoonheid van Venetië. We waren nagenoeg alleen op dat graf­eiland. Groene velden met hier en daar een steen. Omringd door hoge, oude muren die het water buiten hielden.

In mijn herinnering hebben we toen de liefde bedreven, maar misschien is dat fantasie en hebben we gewoon, achter het graf van Stravinksy in het gras gelegen en ­elkaars wenkbrauwen gestreeld. Het is al betrekkelijk lang kalm aan het stervensfront, maar helemaal gerust ben ik er nooit op.

Muis
Voorbij het Westerpark, in de stad, waar ik woon, waar alles snel gaat, mijn kinderen vol ­levensvreugde door huis stuiteren, wil ik het nog weleens vergeten. Tot op een onbewaakt moment de dood weer van zich doet spreken. Via een muis die onder het bureau ligt. Roerloos, maar zijn oogjes nog open.

Verlamd door het gif waarvan hij heeft gegeten. Als ik hem ­oppak voelt het diertje nog warm. Ik vouw hem in een zakdoek, gooi hem in de wc en spoel door. Dood. Lopend langs de graven hoor ik de verhalen die Degenkamp senior vertelde.

Over de grafkelder waar in de oorlog een paar mannen onder­ge­doken zaten. Als ze een sigaret opstaken, zag je tussen de kieren de rook omhoog kringelen. Het graf van de twee boerenzoons van de boerderij verderop, die waren gefusilleerd omdat ze de groente op het land van hun vader wilden ­beschermen.

Beeld Loek Buter

De dertig graven van de naamlozen die in ­Amsterdam overleden. Die Richard en Monir een paar jaar geleden allemaal opgroeven, zodat de forensische dienst hun dna kon afnemen. Bij sommigen staat er nu een klein bordje met daarop een naam. Meestal Chinees of Afrikaans.

Een enkele keer nam de familie de moeite om de overledene naar huis te laten komen. Meestal lieten ze hen hier. Verderop liet hij me het verzamelgraf zien, met daarin de resten van duizenden, uit geruimde graven. De plek moet geheim blijven, om te voorkomen dat ze er bloemen en aandenkens zullen neerleggen. Een geruimd graf is een geruimd graf. De familie had kunnen betalen, om te verlengen.

Soms komen ze vragen waar hun dierbare is. Heeft er een paar jaar een bordje op het graf gestaan dat de termijn zal aflopen. "Al die tijd bent u niet geweest." "U moet de hele begraafplaats als een laatste rustplek zien," zeggen ze dan. Die terp met de resten van honderdduizend Amsterdammers. Er wordt al tachtig jaar lang goed voor ze ­gezorgd, door de Degenkampen. "Ik laat mijn vrouw met een gerust hart bij u achter," krijgen ze te horen. Nabestaanden vinden het fijn dat er een familie op de begraafplaats woont. Die, als ze een dierbare zoeken, al snel zegt, "O, loopt u maar mee. Die ligt daar."

Kinderstemmen
Ik passeer een graf met daarop een bal en een Ajaxsjaal. Gisteren was er een man bezig, met nieuwe bloemen. Voor zijn moeder en zijn broer. Zijn moeder lag er al 28 jaar. Zijn broer nog maar twee. Oud was hij niet geworden. Ik vroeg hoe het was gekomen. "Een ongeluk, zeg maar," zei hij. Meer wilde hij er niet over kwijt. Het zat hem nog hoog.

Er staat een donkere vrouw bij een graf. Haar zus, zegt ze. Een jaar geleden overleed ze aan een virus in haar hoofd. Misschien had ze beter op haar moeten passen. Ze was zo ziek, maar liet iedereen bij zich en had een longontsteking ­opgelopen. Haar zus vroeg om haar moeder, maar die wilde niet helemaal uit Kenia over­komen. Ze vindt dat haar moeder wel had moeten komen.

Beeld Loek Buter

Twee keer per week is ze hier. Het is zwaar zonder familie. Ze komt net van school. Met een ­diploma zal ze meer kunnen verdienen. Heeft ze over een tijdje misschien genoeg geld om een steen op het graf te kunnen zetten.

Ze schaamt zich ervoor. Haar zus, in een gemeenschap­pelijk graf, samen met twee voor haar onbekenden. Ze veegt de lampion schoon met een papieren zakdoek. Stopt er een kaars in, steekt deze aan en zet hem op het graf. Ze wil zo gaan. Het is al bijna donker.

Helemaal op haar gemak is ze dan niet. Kijkt ze om zich heen, tussen al die grafstenen door. Soms ziet ze schimmen, hoort ze kinderstemmen, het tikken van de takken. Afrikanen als zij geloven nu ­eenmaal dat de geesten blijven rondwaren op een graf. Ik moet denken aan de Degenkampen en aan Monir. Waarom zijn ze zoals ze zijn? Waar de meesten zich zo snel mogelijk weer van de dood vandaan bewegen, als het achter de rug is, ­blijven zij er dichtbij. Elke dag. Het maakt ze ­bescheiden en warm.

Opnieuw sta ik bij het graf van de vrouw van wie de uitvaart 25 minuten duurde. Monir heeft het graf dichtgegooid. Een kleine zandheuvel. Eén bosje bloemen ligt erop. Ik bekijk het lint dat aan de bloemen zit. Café Bilderdijk, staat erop. Haar naam was Vera. Ze woonde in Oud-West. Soms zat ze aan de bar van Café Bilderdijk. ­Vermoedelijk in haar eentje.

Paul Teunissen schreef veelgeprezen longreads voor Vrij Nederland. Hij doet dat nu maandelijks voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden