PlusPS

'Er zullen altijd sterkere mannen rondlopen die azen op zwakkeren'

De elfjarige zoon van schrijver en journalist Henk van Straten (37) werd geslagen door andere kinderen. Hij vraagt zich af: wat had hij kunnen doen?

Henk van Straten
'In de wereld zullen altijd mannen rondlopen die sterker zijn, die meer durven, die stoerder zijn' Beeld Odilo Girod
'In de wereld zullen altijd mannen rondlopen die sterker zijn, die meer durven, die stoerder zijn'Beeld Odilo Girod

Mijn ex belde. Ze was in paniek. Onze oudste zoon was geslagen, zei ze. Of geschopt. Ik was niet in Eindhoven, waar zij en ik allebei wonen. Ik kon er niet naartoe. Hij was aan het buitenspelen, vertelde ze, toen er twee andere jongetjes de straat in kwamen. Ze daagden hem uit, het werd een akkefietje. Ze noemden hem een flikker.

Hij zei: "Je bent zelf een flikker," niet precies wetende wat dat betekent, en kreeg een klap, en daarna nog een schop. Mijn ex stond erbij en schreeuwde naar die jongetjes. Ze keken haar aan, zonder schroom, zonder ontzag.

Vernedering
Ze maakten geen aanstalten om te vertrekken en mompelden iets over 'lesbienne', gastjes van respectievelijk ongeveer acht en elf jaar oud. Mijn ex ging met onze zoon naar binnen en belde mij.

Toen ik haar hoorde vertellen, werden mijn handen direct klam. Mijn hart leek mijn keel af te sluiten. Het was zover; voor het eerst maakte mijn zoon dit mee.

Ruzie met andere kinderen? Nee, dat niet. Een schop hier of een duw daar? Nee, dat was allemaal al wel vaker gebeurd, gewoon zoals dat gaat: ouders grijpen in, de klappen zijn nooit echt hard, de kinderen zijn even boos, voelen zich verongelijkt, hopen dat de schram die ze eraan hebben overgehouden hen zal vrijpleiten en de ander extra straf zal opleveren.

Kinderlijke onschuld
Nee, ik bedoel iets anders. Ik heb het over vernedering. Ik heb het over het verlies van (één van de aspecten) van kinderlijke onschuld. Ik heb het over het einde van de wereld zoals je die kende.

Ik heb het over mannelijkheid. Mannelijkheid is voor iedere man anders. De definitie ervan, of hoe het voelt, of wanneer het ertoe lijkt te doen. Voor mij was het als een ledemaat waarvan ik niet wist dat ik het had en ineens pijn deed. Als kind, na die eerste vernedering. Na de eerste klappen.

Ik wist tijdens dat belletje meteen om wat voor jongetjes het ging. Ook ik kreeg er op een dag voor het eerst mee te maken. Jongetjes die van hun vaders te horen krijgen dat ze niet moeten janken, dat ze meteen terug moeten slaan. Jongetjes die van ochtend tot avond op straat hangen, die thuis weinig liefde krijgen. Jongetjes - zelf uiteraard ook slachtoffers - die leren dat zwakte anderen ertoe beweegt je te pakken.

Meedogenlozer
Openheid, vriendelijkheid, goedgelovigheid, zachtaardigheid; eigenschappen die je tot een verliezer maken. Is de ander zwak, dan speel je in op die zwakte en heb jij gewonnen. Een terechtwijzing of kritiek, hoe redelijk ook, wordt per definitie geïnterpreteerd als aanval en die aanval dient met agressie te worden beantwoord.

In de puberteit worden ze gevaarlijker. Meedogenlozer. Verveeld nemen ze in groepjes de bus naar de stad. Ze scannen de andere jeugd. Het begint met plagen, dan treiteren. En zeg je iets terug, dan slaan ze eerder dan jij. En jij schrikt, want het zit niet in je systeem: je begrijpt niet dat het zomaar kan gebeuren, zonder aanleiding.

Je probeert het met woorden, maar die woorden zijn waardeloos. Het branden van de klap op je wang is vooral het branden van je eigenwaarde, van je trots. Ja, van je mannelijkheid. Gêne en vernedering die dieper dan het bot gaan. Je bent ontmand.

Kickboksen
Het was voor mij ooit een reden te beginnen met boksen en kickboksen. De taal van de woorden sprak ik al; die andere taal nog niet, en die leek ineens veel wezenlijker.

Ja, ik ken ze, en ik weet hoe weerloos mijn zoontje tegen hen is. En op dat moment, toen ik dat telefoontje kreeg van mijn ex, drong dat besef door.

Af en toe spoor ik ze aan, mijn zoons. Toe, trek je bokshandschoenen aan, dan oefenen we wat. Ik kocht ooit kleine handschoenen voor ze. Ik laat ze meppen, geef ze aanwijzingen, maar al snel vinden ze er niets meer aan.

En weet je, het beschermt hen toch niet. Weten hoe ze een mooie hoek plaatsen helpt hen niet. Niet tegen kinderen die agressie van huis hebben meegekregen.

Fantasie
Mijn zoon wist dit allemaal nog niet. Hij leefde nog in een andere wereld. Hij is tien en speelt nog vaak in zijn fantasie. Ik zie hem slaan en trappen als een geheim agent, of tot de aanval overgaan als een Navy Seal. Net als bij de meeste jongetjes zit het ook in hem: die drang tot masculien gedrag, als de held in een film.

Maar het is filmische masculiniteit, het is fantasie. Het bestaat bij de gratie van het ontbreken van werkelijk gevaar, van een werkelijke tegenstander. In de fantasie kan hij erin geloven. Hij kan geloven dat hij sterk en stoer is. Het geloof in zijn mannelijkheid is intact.

Maar op die middag, met die twee jongens in zijn straat, werd die illusie verbrijzeld. Het stoere kostuum van de Navy Seal was ineens potsierlijk. Toen ik hem later sprak, aan de telefoon, zei hij: 'Papa, ik ben zo bang dat ze terugkomen.' Want dat hadden ze geroepen voordat ze de straat uit fietsten: 'Als we je tegenkomen, slaan we je de kanker in.' Taal die mijn zoon nog niet kende, die hem als een trap na te kennen gaf hoe klein en zwak hij was.

Wat kon ik doen? Mijn zoon meer boksles geven? Hem zeggen dat hij terug had moeten slaan? Want ergens vínd ik dat ook. Het is soms de enige manier om, ook al verlies je het gevecht, met opgeheven hoofd te kunnen lopen. Weten dat je je hebt verzet. Maar aan de andere kant: wat als ze vervolgens weer terugkomen? Die gastjes, voor wie agressie een tweede natuur is. Hoe heb ik mijn zoon dán geholpen?

Bang en gekwetst
En wat als ik op dat moment wel in de straat was geweest? Had ik hen ­geslagen? Had ik jongetjes van acht en elf geslagen? Nee, natuurlijk niet. Bovendien had ik dan met hun vader te maken gekregen, en geloof me: die is tot rigoureuzere maatregelen in staat dan ik. Mijn woede zou ik in me hebben gehouden, als een zwerm wespen.

Na dat telefoongesprek was ik kwaad en verdrietig. Ik wist hoe mijn zoon zich voelde. Bang en gekwetst. Verbouwereerd, gedesillusioneerd. Die paar klappen zouden hem iets minder spontaan maken, iets minder goedgelovig, iets minder open. Misschien zou hij niet meer kunnen geloven in zijn alter ego, de Navy Seal, en zouden zich in zijn hoofd, in het donker, in bed, eindeloos variaties op dezelfde gebeurtenis afspelen; scenario's waarin hij sterker was, terugsloeg, precies de juiste dingen zei.

Misschien ontsproten in hem de eerste tekenen van haat, van wroeging. Zoals dat ook ooit bij mij gebeurde. Of misschien projecteer ik nu vooral mijn eigen ervaringen en emoties op hem, dat kan ook.

Eigenwaarde
Hij zal zijn eigen weg in de wereld moeten vinden. Dat weet ik wel. Zichzelf opnieuw moeten uitvinden, vorm moeten geven aan wie hij is en uit­vogelen hoe daar eigenwaarde aan te ontlenen. Een nieuwe, minder breekbare definitie voor mannelijkheid.

In de wereld zullen altijd mannen rondlopen die sterker zijn, die meer durven, die stoerder zijn. En sommigen van hen azen op zwakkeren. In de jungle heb je nu eenmaal te maken met tijgers. Als je mannelijkheid koppelt aan onoverwinnelijkheid ben je gedoemd tot vernedering.

Mijn grootste angst is dat mijn zoon zichzelf gaat zien als zwak, omdat hij zo'n goed hart heeft. Dat hij zichzelf ziet als een slappeling, als minder mannelijk, of niet mannelijk genoeg, en daardoor angstig en gehandicapt door het leven gaat. Of het allerergste: dat hij niet langer onbevreesd liefdevol kan zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden