Plus PS

Een lesje Amsterdamse School

Wie door de stad fietst kan er onmogelijk omheen: De Amsterdamse Schoolgebouwen. De stijl wordt nog altijd gekoesterd. Toch moest de dienst Publieke Werken begin vorige eeuw de vernieuwende architecten fel verdedigen, schrijft Pim van Schaik in zijn boek over de bouwstijl

Jan Maijenschool, Jan Maijenstraat. Architect: J.W. Frantzen, 1926-1927 Beeld Pim van Schaik

Beetje dure jongens, die architecten van de Amsterdamse School. Zo werd er door sommigen over ze gedacht in die eerste decennia van de vorige eeuw. Uitslovers ook, met hun tierelantijntjes en hun artistiekerige krulletjes overal. Waren er hipsters geweest in pak 'm beet 1915, dan zouden deze jongemannen, frisgewassen en zelfbewust tot en met, naadloos in het profiel passen.

En toch: fiets nu rond door Amsterdam en je kunt onmogelijk heen om de nalatenschap van de mensen die een eeuw geleden aan de basis stonden van wat toen 'een nieuwe schoonheid' werd genoemd. Niet per se in de binnenstad, daar moet je beter zoeken, maar vooral in de buurten die werden aangelegd tussen de twee wereldoorlogen. Je struikelt er bijkans over de Amsterdamse Schoolgebouwen, -woningen en -straatmeubilair.

Je moet er oog voor hebben natuurlijk. Maar na het lezen van Publieke Werken, hoeksteen van de Amsterdamse School 1915-1935 van Pim van Schaik kan die fietstocht door de stad niet anders dan een feest van herkenning zijn.

In Zuid, uiteraard. Maar ook in West en in iets mindere mate in Oost en Noord: de bouwstijl is alom. Overal waar je kijkt Amsterdamse School. Solide en bomvrij. Maar tegelijk met al die details, waarvan je kunt vinden wat je wilt, maar die uiteindelijk toch nooit tuttig zijn. Alsof het nooit anders is geweest.

Zeggen dat de liefde voor deze architectuur terug is van nooit weggeweest, zou een overdrijving zijn. Het is waar dat de waardering voor de artistieke uitstraling van ontwerpers als Michel de Klerk, Piet Kramer en Jo van der Mey nu op een nieuw hoogtepunt is, maar echt úit waren de bouwsels die het signaal moesten af­geven dat de overheid zich om iedereen bekommerde, eigenlijk nooit.

Waar komt die liefde vandaan? Samensteller en schrijver Pim van Schaik, die de laatste jaren met zijn fotocamera in de aanslag oeverloos Amsterdamse School-adresjes afging, denkt dat het iets te maken moet hebben met de hang naar bijzondere vormen. "Het is niet eenvormig, niet inwisselbaar. De gebouwen en objecten zijn persoonlijk, met veel onderscheidende details. Je ziet er overduidelijk de hand van de architect in terug."

Daar komt bij dat met name in Zuid, de bakermat van de Amsterdamse School, veel mensen die in erin wonen ook een wezenlijke culturele interesse hebben, zegt Van Schaik.

De Vierde Ambachtsschool, 'Het Sieraad', Postjesweg. Architect: Arend Jan Westerman, 1926 Beeld Pim van Schaik

"Plus: de gebouwen zitten goed in elkaar. Een deel van de gammele jarenvijftigbouw, die echt jonger is dus, wordt al gesloopt, niet zelden omdat het lang niet altijd goed meer is. De Amsterdamse School daarentegen staat als een huis en wordt gekoesterd."

Verheffen
Wie het boek van Van Schaik leest, ontdekt dat die liefde voor de Amsterdamse School niet van alle tijden is. Integendeel: in de eerste twee decennia van de vorige eeuw moest de dienst Publieke Werken alle zeilen bijzetten om de keuze voor hippe architecten met vernieuwende ideeën erdoorheen te krijgen.

Dat veel ontwerpen uiteindelijk daadwerkelijk gebouwd zijn, was dus allesbehalve vanzelfsprekend. Onder directeur Ad Bos, en met goedkeuring van wethouders als Wibaut, had de dienst veel vrijheid van handelen, zegt Van Schaik.

"Dit maakte dat er ruimte kwam voor de artistieke kwaliteiten van een lichting begenadigde architecten. Niet alleen de welgestelden verdienden schoonheid om zich heen, vonden zij, ook arbeiders en minder daadkrachtigen hadden recht op een mooie omgeving waarin ze zich goed voelden en waarin zij zich konden 'verheffen'."

Batavierschool, Nieuwe Batavierstraat. Interieur: Ad Grimmon, 1920 Beeld Pim van Schaik
Centrale Markthallen, Jan van Galenstraat. Architect: Nico Lansdorp, 1934 Beeld Pim van Schaik
Gemeente Badhuis, Boerhaaveplein. Architect: Arend Jan Westerman, 1921 Beeld Pim van Schaik

Maar kritiek was er ook dus. De architecten joegen de bouwkosten op, iets wat met name in de jaren van de Eerste Wereldoorlog een serieus punt van discussie was. De kunstzinnige wensen, met bijzondere metselverbanden, siersmeed-werk, vernieuwende raamvormen en soms sculpturen, konden vaak alleen maar worden uitgevoerd door dure vakmensen.

"De keuzes moesten door Publieke Werken vaak fel worden verdedigd, het ging natuurlijk om openbaar geld. Vaak leverde dat de nodige frictie op."

Als een van de eerste Amsterdamse gebouwen van de Amsterdamse School geldt het Scheepvaarthuis, het tegenwoordige Amrâth Hotel op de Prins Hendrikkade. Dit gebouw, dat in 1916 werd opgeleverd, veroorzaakte een omwenteling, zegt Van Schaik. Het was overigens geen project van Publieke Werken, maar van particuliere opdrachtgevers.

Veel elementen van het Scheepvaarthuis gingen later echter wel deel uitmaken van de 'huisstijl' die de dienst de jaren erna introduceerde. Maar tegelijk liet het publieke karakter van Publieke Werken niet toe dat er zo uitbundig (en duur) werd gebouwd. Dat was uiteindelijk ook de reden dat architecten Van der Meij en De Klerk er weer vertrokken.

Mijlpaal
Tegenwoordig geldt het Scheepvaarthuis als een van de hoogtepunten van de Amsterdamse School, vooral door, volgens Van Schaik, een ongekende 'experimenteerdrift met nieuwe vormen in metselwerk, siersmeedwerk, glas in lood en sculptuur'. "Het betekende een mijlpaal."

Hij wijst erop dat het niet alleen het gebouw zelf is dat zo bijzonder was. "Van der Mey, De Klerk en Kramer gingen aan de slag om er een eigentijds en bruisend gebouw van te maken. Zij zetten zich daarbij af tegen Berlage, met zijn naar soberheid neigende rationalistische benadering van de architectuur."

Cornelis Krusemanschool, Cornelis Krusemanstraat. Interieur: Ad Grimmon, 1923 Beeld Pim van Schaik

Zoals later ook bij andere gebouwen in de Amsterdamse Schoolstijl, gold dat de details van het grootste belang waren. "Bijvoorbeeld de inzet van beeldhouwers als Hildo Krop en het glas in lood van Willem Bogtman maakten de figuratieve mogelijkheden nog groter in dit werk. Er werden zo veel kunstvormen geïntegreerd, dat het geheel een gesamtkunstwerk vormde."

Publieke Werken ging na het Scheepvaarthuis zelf ook vol aan de slag met de bouwstijl. Voorbeelden daarvan zijn tientallen scholen, waaronder het Gerrit van der Veen College en het Vossius Gymnasium, het Raadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal (nu The Grand) en de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat.

De stad mag de dienst Publieke Werken dankbaar zijn voor het doorzettingsvermogen. Dat vindt ook Van Schaik. Maar, zegt hij: er zijn meer redenen dat Amsterdam zo vergeven is van de Amsterdamse School. "De woningbouwverenigingen zijn verantwoordelijk voor de bouw van misschien wel de helft van alle bouwsels in de stijl. Maar de dienst Publieke Werken speelde zeker een zeer belangrijke rol.

Pim van Schaik: Publieke Werken, Hoeksteen van de Amsterdamse School 1915-1935, uitgeverij Stokerkade, €24,50.

Tentoonstelling over Publieke Werken tot 1/9/2018 in museum Het Schip, Oostzaanstraat 45.

Administratiegebouw der gemeentetram. Interieur: Ad Grimmon Beeld Pim van Schaik
Administratiegebouw der gemeentetram, Stadhouderskade. Architect: Pieter Marnette, 1923 Beeld Pim van Schaik
Beeldhouwwerk van Hildo Krop Beeld Pim van Schaik
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden