Een geboren performer

Johnny Borrell mag in muziekbladen overkomen als een arrogante lul, de frontman van het in Engeland razend populaire Razorlight heeft veel moeten overwinnen....

Achteraf was het concert van Razorlight op Lowlands 2004 een soort valse start. Debuutalbum Up All Night was in Engeland zo’n succes dat de band voorlopig geen tijd had voor interviews en optredens in ‘Europa’. Lowlands? Vooruit, dat mocht doorgaan, maar de beslissing om alle promotie (en zelfs een serieuze albumrelease) voorlopig op te schorten, maakte van het optreden een soort lichtkogel in de Sahara, die een paar grazende kamelen verwonderd deed opkijken, om vervolgens ongezien te doven.

Nu is het tweede, titelloze album uit, een aanzienlijk betere plaat dan het debuut, die laat horen waarom Razorlight ook hier de aandacht verdient. Razorlight, dat klinkt als een soort Engelse Strokes, is net even anders dan de rest van de huidige Britse golf. Serieuzer, nooit alleen springerig, en van een meer tijdloze urgentie.

In Engeland gaat alles inmiddels vanzelf: daar schoot de plaat vorige week meteen naar de top van de albumlijsten en ontstond een run op kaartjes voor de herfsttournee langs grote arena’s. Eindelijk is er tijd voor wat je het ware Europese debuut van Razorlight kunt noemen: in augustus keert de band terug naar Lowlands en kunnen we de charismatische jonge frontman van de groep, Johnny Borrell (1980), misschien beter leren kennen.

Wie er destijds bij was, op 22 augustus 2004 in de India-tent op Lowlands, zal zich vooral het boek herinneren dat Borrell nogal nadrukkelijk rechtop zijn colbert had gestoken. De naam Milan Kundera kon precies over het randje van de linkerzak de tent in gluren. Wat een mannetje, gniffelde Lowlands. De kleine snob.

De verhalen uit Engeland klopten dus: Johnny Borrell heeft het hoog in de bol. Maar controleren of die reputatie terecht is, is niet zo eenvoudig in het geval van Borrell, Razorlights blonde enigma van net 26 jaar, en een typisch voorbeeld van een Engelse rockster die door zijn management en platenlabel geleefd wordt.

Perth, Schotland, mei 2006

‘Wélk boek van Kundera het was?’

Borrell grinnikt ongemakkelijk en staart naar de grond van de hotelkamer in het oude Schotse stadje aan de rivier de Tay, dat ooit de hoofdstad van Schotland was. Die avond speelt Razorlight op het Radio One Big Weekend in Dundee, een halfuur verderop.

‘Ik weet het niet meer. Maar ik was het écht aan het lezen, dat weet ik zeker. Ik bedoelde er niets mee.’

Hij neemt een hap van zijn sandwich. ‘Ik ben van sommige dingen teruggekomen. In Engeland noem ik nooit meer de naam van een filmer of schrijver. Dat kun je niet maken als je in een bandje zit en uit Londen komt. Dan vindt iedereen je een arrogante lul.’

Zo komt hij niet over. Eerder verlegen. De wilde bos peroxide strohaar van 2004 heeft plaatsgemaakt voor een krullend kort koppie in zijn echte kleur: donkerblond. Johnny Borrell is een tenger mannetje, dat plotseling geestdriftig en ontwapenend kan vertellen, maar ook opgejaagd kan lijken als je hem confronteert met boude, al dan niet gedane uitspraken uit de Britse bladen.

Beter dan Bob Dylan? ‘Nooit gezegd. Dat zweer ik.’

Laatdunkend gedaan over andere bandjes, zoals The Kooks? ‘Een paar keer, ja. Dat was dom. Doe ik nooit meer.’

Een popdichter extraordinaire, die qua diepgang een behoorlijk eind boven de rest van zijn generatie moet worden ingeschaald? ‘Nee, nee, ik schrijf rocksongs. Een gedicht heb ik nog nooit gemaakt.’

Hij groeide op in Muswell Hill, Noord Londen, met zijn moeder en broers. ‘Ik kon goed voetballen. Mijn vader? Die was er niet. Ik ken hem niet. Toen ik een tiener was, kreeg mijn moeder een nieuwe vriend, die bij ons introk. Toen werden de dingen anders.’

Anders?

‘Bandjes. Drank. Drugs. Hárde drugs. Maar ik wilde zelf mijn pad te kiezen.’

Verdorie, daar is de juffrouw van de platenmaatschappij al, na amper twintig minuten. Ontmoetingen met Borrell zijn noodgedwongen kort. Hij moet weg: eerst vragen beantwoorden van 25 Japanse journalisten en daarna naar Camperdown Park in Dundee, waar ’s avond blijkt dat niet alle door de Brits muziekpers omhoog geschreven bandjes groot worden, zoals het van afstand soms lijkt.

The Ordinary Boys, Mystery Jets en The Kooks? Ze zijn populairder dan ze in Nederland ooit zullen worden, maar ze zijn allemaal vergeten wanneer Razorlight het podium betreedt en hits als Vice en Golden Touch woordelijk worden meegeloeid door 20 duizend uitzinnige, haast in trance verkerende Schotten. Dundee eet uit de hand van het kleine mannetje dat nu twee koppen groter lijkt, en ouder dan 26. Het podium is zijn thuis.

Hyde Park, Londen, 2 juli 2006

Razorlight is het voorprogramma van The Who in Hyde Park en plotseling zie je het. Die rechte rug, de zelfverzekerde manier waarop hij zijn publiek recht aankijkt, die coole, ietwat vertraagde manier van bewegen. . . Johnny Borrell heeft de ‘X-factor’ die Who-zanger Roger Daltrey ook heeft.

Na het optreden neemt hij snel een douche en ploft hij neer op de lederen tweezitter in zijn kleedkamer, op blote voeten, zijn armen rond zijn opgetrokken benen gevouwen. Hij is meer ontspannen dan hij in Dundee was. Er is meer tijd.

‘Vanaf de eerste keer dat ik op een podium stond, heb ik het gevoel gehad dat dat het enige is waar ik een aangeboren talent voor heb. Ik ben geen geboren muzikant en ook geen geboren zanger. Maar wél een geboren performer.’

Daar is de twinkeling in zijn ogen die een verhaal aankondigt, en het kortstondig verdwijnen van zijn argwaan. ‘Ik was dertien jaar. Met mijn eerste bandje speelden we in een kroeg in Covent Garden, met nog drie andere bands, die ouder waren dan wij. Ik was doodsbang, maar vlak voor aanvang dacht ik: fuck it. Tijdens Fire van Jimi Hendrix durfde ik voor het eerst mijn ogen te openen, en ik heb ze nooit meer dichtgedaan. Die andere bandjes stonden bewonderend te kijken. Vanaf dat moment wist ik: dit kan ik. Hier ben ik goed in.’

Eenmaal overtuigd van zijn podiumcharisma volgden de liedjes. ‘Mijn zelfvertrouwen is groot omdat ik wist dat ik iets kon overbrengen, ook al waren de woorden en de zang imperfect. Mijn stem is wel beter geworden. Mijn gitaarspel ook. Nu wil ik nog songteksten in de derde persoon leren schrijven, zoals Lou Reed. Nu zijn het meestal monologen of een soort brieven, waarin ik tegen iemand zeg wat ik in het echt had willen zeggen.’

Hij neemt een slok Spa. ‘Heb ik jou in Schotland niet over mijn jeugd verteld? Als jong kind heb ik mezelf ingeprent: je kunt niet kiezen welke kaarten je krijgt, maar wel hoe je vervolgens met die kaarten speelt. Met slechte kaarten kun je tóch winnen. Omdat ik mezelf daarvan overtuigd heb, zit ik nu hier.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden