Edmund White: City boy. My life in New York during the 1960s and 1970s ****

'In the 1970s in New York eve­ryone slept till noon,' is de sterke openingszin van Edmund Whites onlangs verschenen autobiografische boek City Boy. My life in New York during the 1960s and 1970s. De toon is gezet. Dit boek, zoals alle boeken van White toegankelijk en elegant geschreven, is een aantrekkelijke mix van sublieme roddel, sociale geschiedenis en even sympathieke als vileine portretten van de hoofdpersonen in die tijd. Als u van de gebroeders De Goncourt, Marcel Proust en Colette houdt, is City boy een aanrader.

White, afkomstig van een andere planeet, want van het Amerikaanse platteland, arriveert in een dan nog bankroet en smerig New York. Het voordeel is dat de huren onder de 14de straat laag zijn en de kakkerlakken gratis. Aanvankelijk met meer vallen dan opstaan, ontwikkelt White zich van een mietje tot een zelfbewuste romanschrijver. Zo laat hij zich aanvankelijk intimideren door zijn psychiater, die White ervan overtuigt dat hij nooit 'beter' zal worden, dat wil zeggen 'heteroseksueel', als hij de relatie met zijn vriendje Stan niet opgeeft.

Die repressie kantelt als een groepje homoseksuelen het niet langer pikt dat de politie hun bars overvalt en de eigenaren en klanten arresteert. Die revolte vindt plaats op 28 juni 1969, als de politie Stonewall, een bar in Greenwich Village, binnenvalt en wordt bekogeld met stenen. White is erbij - toeval bestaat niet. Zijn eerste reactie is: wegwezen. 'Maar zelfs ik raakte opgewonden toen de menigte met een losgerukte parkeermeter op de gebarricadeerde deur van Stonewall begon te beuken,' schrijft hij.

Niet alleen voor White is Stonewall een catharsis, voor de homoseksuelen van Amerika en ver daarbuiten wordt de opstand het symbool van hun emancipatie. De geest is uit de fles en White komt uit de kast. Die bevrijding geeft hem vleugels. White wordt coauteur van de bestseller The joy of gay sex, een handboek waarin de herenliefde zonder schuld en boete in alle mogelijke variaties en illustraties uit de doeken wordt gedaan en alleen na Stonewall en voor de uitbraak van aids gepubliceerd had kunnen worden. Die periode zou je de Gouden Eeuw voor homoseksuelen kunnen noemen. White wijdt er sappige passages aan. 'Those were the days my friend!'
De literaire doorbraak van White komt met de publicatie van A boy's own story, de roman die de gezaghebbende schrijfster Susan Sontag van een blurb voorziet. Die sympatieke daad neemt White haar in dank af, maar het portret dat hij vervolgens van Sontag schetst, houdt het midden tussen een jaloerse afrekening en het verlangen naar een berouwvolle verzoening. White werpt de joodse, lesbische Sontag voor de voeten dat ze 'een beetje antisemitisch, homofobisch en snobistisch' is. Hij bewondert haar opinies, maar zet ook vraagtekens bij haar linkse naïviteit en komt tot de harde conclusie dat ze 'aardiger zou zijn geweest als ze de Nobelprijs voor Literatuur zou hebben gewonnen'.

Als hij in zijn roman Caracole een accuraat maar weinig vleiend beeld van Sontag schetst, lijkt de verwijdering definitief te zijn. De 'verzoening' vindt jaren later plaats in een restaurant. White loopt langs het tafeltje waar Sontag en haar vriendin Annie Leibovitz zitten te eten, herkent hen te laat en gaat zonder ze te groeten schielijk naar zijn tafelgenoot. Sontag staat plots voor hem en breekt het ijs: ''Ed, ik hoop dat je niet denkt dat ik je negeer wegens onze belachelijk kleine ruzie.'' White is intelligent genoeg zichzelf in City boy niet te sparen. (JHIM LAMOREE)

Edmund White: City boy. My life in New York during the 1960s and 1970s****
Bloomsbury, €26.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden