Plus

Drie lessen van afzwaaiend architect in residence Peter Defesche

Architect Peter Defesche mocht twee jaar meepraten over de ontwikkeling van de stad. Over de wijken met karakter, doordacht ov en stations met meer klasse.

Scheepvaartmuseum Beeld Martin Waalboer

Na twee jaar zit het erop. Peter Defesche (61) zwaait af als architect in residence, de man die, in zijn eigen woorden, 'de ongeneeslijke liefde van het publiek en het vakgemeenschap voor ­architectuurcentrum Arcam' moest voeden.

Defesche, stedenbouwkundige en architect bij Defesche van den Putte, was onder meer verantwoordelijk voor een deel van de nieuwbouw op het Westerdokseiland en de modernisering van het Emma Kinderziekenhuis. De afgelopen twee jaar organiseerde hij debatten en tentoonstellingen, schreef ingezonden stukken en stak overal zijn nieuwsgierige neus tussen (weer zijn woorden) als het ging om bouwen in de stad.

En er waren nogal wat discussies. Over de torens in de Sluisbuurt, bijvoorbeeld. "Uiteindelijk ging het alleen maar om hoe hoog ze mochten worden. Deskundigen die dan in de krant mogen zeggen dat 'zo hoog niet bij Amsterdam past', zonder oog voor wat er geprobeerd wordt in zo'n gebied."

Of over de komst van de fietsbrug, tussen Zeeburgereiland en het Oostelijk Havengebied - waar Defesche zelf woont. Fietsers zouden massaal door zijn straat komen, op het schiereiland Sporenburg. "18.000 per dag, was berekend. Ik zei dan: hoeveel zul je nu echt zien? Ga je de hele dag voor het raam staan? En misschien zitten er wel leuke mensen tussen!" Knipoog. "Ik probeer de discussie altijd te nuanceren. Misschien ben je wel heel tevreden op je schiereiland, maar misschien is het ook wel heel leuk om deel uit te maken van de dynamische stad."

Hub hub ov
Hij pleitte voor beter doordacht openbaar vervoer - met de slogan 'hub hub ov'. Dat hoort bij een groeiende stad. "Kijk naar Londen. Alles ­gebeurt daar rond een metrostation. En ook in Amsterdam is goed openbaar vervoer een belangrijke voorwaarde voor mensen om ergens te gaan wonen en voor ontwikkelaars om ergens te bouwen."

We moeten af, betoogt hij, van het denken over Amsterdam vanuit de grachtengordel. "Daar is de stad veel te groot voor geworden. Het is ­allang niet meer een beroemd centrum met ­buitenwijken - voor de meeste Amsterdammers zelfs juist niet. We moeten kijken vanuit bewegingen en verbindingen om dat centrum heen: de Ring, de metro, de trein."

Dus droomt hij hardop over het doortrekken van de tram van het Flevopark naar Zeeburgereiland, of van het sluiten van de metroring tussen Isolatorweg en CS. "Die gaat er komen," fluistert hij. "Het hangt er alleen van af wanneer: of eerst de Noord/Zuidlijn moet worden doorgetrokken naar Schiphol, of dat de prioriteit wordt gelegd bij Haven-Stad. Want dan moet daar een heel nieuwe lijn komen."

Verkeersmachine
Een van de bijeenkomsten die hem het meest zijn bijgebleven, ging over station Sloterdijk. "Daar stappen inmiddels meer mensen uit en over dan op Amsterdam Centraal. Het station is economisch enorm belangrijk, maar dat zie je er niet aan af. Het mist elke klasse."

Op die bewuste avond kwamen misschien twintig mensen af, maar wel de goeie: "Het is nu nog een onoverzichtelijke verkeersmachine en nog geen tot de verbeelding sprekend openbaar gebouw. Inmiddels zijn er allerlei ontwerpers mee bezig."

Dit weekend draagt Defesche het stokje over aan vier nieuwe architects in residence, die ieder drie maanden voor hun rekening nemen. Bij zijn afscheid deelt hij de drie belangrijkste lessen van de afgelopen twee jaar.

Durf ook ergens niet te bouwen

Je moet het maar durven: ergens niet bouwen. Op een toplocatie, op loopafstand van Amsterdam CS. "Plus-plus-plus, zouden projectontwikkelaars zeggen," zegt Peter Defesche. "Het is natuurlijk verleidelijk om daar enorm uit te pakken. Maar soms is het juist belangrijk om ergens niets te doen. Als je ziet hoe dichtgebouwd het Java-eiland, Noord en de Oostelijke Handelskade al zijn, dan zie je het belang van ruimte openlaten. Juist in een stad die zichzelf zo'n druk oplegt."

In 2000 was al besloten de strook van de Kop van Java voorlopig leeg te laten. Op het driehoekige gedeelte mocht een hotel komen - dat werd Hotel Jakarta. De strook verloederde tot een honden­uitlaatplek op een A-locatie, met een noodgebouw voor een basisschool ernaast. De afgelopen jaren kwamen de meest waanzinnige plannen voorbij: voor windmolens, expositiehallen, kunstwerken, woontorens. Maar niets was van het vereiste 'allerhoogste niveau van internationale allure'.

En dus viel begin 2018 de beslissing van de Kop van Java een stadspark te maken. Een heel moedig besluit, aldus Defesche. Het levert ontwikkelaars misschien niets op, de bewoners en de stad des te meer. "Alleen komt nu de testcase: hoe graag wil Amsterdam dat park? Want de brug naar Noord komt ook daar. Als je een grote lus nodig hebt om de goede hoogte te bereiken, sta je natuurlijk al met 1-0 achter."

De Kop van Java Beeld Marijke Stroucken

Zet gebouwen neer, geen iconen

Er lopen allerlei ontwerpers rond met ideeën voor knotsgekke torens, zegt Peter Defesche. "Die willen de langste, de hoogste, de gekste toren maken. Dat is vermaak voor het publiek, dat haalt de krant - maar heeft niets te maken met wat de stad nodig heeft. De stad heeft heel veel gebouwen nodig, maar heel weinig iconen."

Sterker: hij noemt het willen neerzetten van een icoon een gevaarlijke ambitie. "Het raakt niet aan de essentie van een opdracht, het is een gevaarlijke versimpeling ervan." Kijk maar naar wat wordt neergezet in de Golfstaten, de snelgroeiende steden in Azië. De meest waanzinnige bouwwerken. "Puur effectbejag."

De iconische gebouwen die de stad heeft, zijn ook niet als zodanig neergezet. Die zijn pas later als iconen omarmd door het publiek: de Beurs van Berlage, het Burgerweeshuis. Het beste voorbeeld vindt hij het Scheepvaartmuseum. Iconisch geworden door de plek, de geschiedenis die het gebouw vertegenwoordigt, het publieke gebruik en de tijdloze schoonheid. "

Probeer, als je nu een gebouw neerzet, iets te maken dat intelligent in elkaar zit, past in de omgeving en tweehonderd jaar kan meegaan. En heel misschien wordt het dan ooit een icoon. Maar dat is niet waar het om gaat."

Aambeeldstraat Beeld Jean-Pierre Jans

Zorg voor contrasten

Amsterdam is een stad van contrasten. Dat is goed, vindt Defesche: dan heb je wat te kiezen, en dat geeft de stad ­karakter. Je kunt kiezen voor Landelijk Noord of de Indische Buurt, voor de Bijlmer of de Jordaan. Juist die verschillen maken de stad aantrekkelijk - avontuurlijk zelfs. Gelukkig, zegt hij, is ook voor de nieuwe wijken besloten elke buurt zijn eigen karakter te geven. KNSM-eiland heeft grote woonblokken, het aangrenzende Java-eiland is juist een knipoog naar de grachtengordel. "Voor de hele zuidelijke IJoever geldt: benadruk de verschillen, en de stad bloeit ervan op."

Ook voor wijken die nog ontwikkeld moeten worden, zoals het Hamerstraatgebied in Noord, is dat de grote uitdaging: hoe zorg je dat het bestaande karakter behouden blijft? Dat die wijk de sporen draagt van het industriële verleden, van het bedrijventerrein dat het nu is en ­tegelijk ook een echte woonwijk kan worden. "Dat is heel weerbarstige materie," zegt Defesche.

"Je zit met verschillende eigenaren, verschillende toekomstplannen, gebrekkig openbaar vervoer. Het is veel makkelijker om de polders tussen Amstelveen en Amsterdam te annexeren en er een vormeloze, anonieme nieuwbouwwijk, een soort Plan Pannekoek, van te maken. Maar dit is veel interessanter. En verdichting, dus bebouwde grond intensiever gebruiken, is natuurlijk veel duurzamer. Ik ben heel blij als dat de koers blijft: goed voor het landschap, en goed voor de stad."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.