Plus

Doven willen dat gebarentaal een officiële taal wordt

Van filmondertitelingen tot belastingbrieven: als het aan belangenvereniging Dovenschap ligt, kunnen doven binnenkort kiezen voor de Nederlandse Gebarentaal als voertaal. 'Wij zien doofheid niet als een probleem, maar als een identiteit.'

'Wij willen gehoord worden' Beeld Zekiye Arican

Jiddisch, Fries en Roma: allemaal zijn ze wettelijk erkend als minderheidstaal in Nederland. Die status hopen de gebruikers van de Nederlandse Gebarentaal ook te krijgen. "Het is een gevoelsding geworden," zegt Iris Wijnen (46), voorzitter van belangenvereniging Dovenschap, die in oktober een petitie is gestart.

"Het is niet dat we zonder officiële erkenning niets kunnen, maar het gaat om gelijkheid. Niemand zal tegen een horend kind zeggen dat hij het Nederlands nodig heeft, dat hoort bij je opvoeding. Zo hebben dove kinderen ook een taal nodig. Gebarentaal is voor hen veel meer dan een hulpmiddel."

Nederland telt ongeveer 60.000 'gebarentaligen', van wie de meesten de Nederlands Gebarentaal als moedertaal hebben. Sinds 1996 voert Dovenschap de strijd om erkenning van de taal, die voor de meeste doven in Nederland hun moedertaal is.

In 2016 leek er schot in de zaak te zitten toen Kamerlid Roelof van Laar (PvdA) een initiatiefwet indiende, maar hoewel dat voorstel wel voor advies naar de Raad van State ging, is het sindsdien stil. Het is onduidelijk waarom het blijft liggen; tegenstanders van de erkenning lijken er niet te zijn.

Vandaar dat Dovenschap een nieuwe poging doet om de erkenning van de taal, en daarmee de erkenning van de dovencultuur, op de politieke agenda te krijgen.

De dove identiteit
De initiatiefnemers beroepen zich op het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met beperking, dat in juli 2016 door Nederlands is geratificeerd. Daarin staat onder andere dat deelnemende landen gebarentalen moeten erkennen en voor gelijke rechten voor gehandicaptenmoeten bevorderen.

Inmiddels zijn er onderzoeksinstituten op het gebied van doofheid en gebarentaal en een opleiding tot docent gebarentaal, maar het gebrek aan officiele erkenning blijft bij veel doven knagen. Zo ook bij Martine Wattel (34), docent gebarentaal en initiatiefnemer van het project Musea in Gebaren, dat dove en slechthorende jongeren opleidt tot museumdocent. Volgens haar is de visie van de medische wereld - waarbij artsen vooral gericht zijn op de genezing van de beperking - een oorzaak van de traagheid waarmee de erkenning gepaard gaat.

Collega Marte Bol Raap (32) beaamt dat. "Er is binnen de medische wereld geen aandacht voor de dove identiteit van het kind. Maar taal en cultuur gaan hand en hand, die kunnen niet los van elkaar worden gezien."

Wattel: "Je moet je voorstellen dat je als horende ouders een baby hebt gekregen en van doktoren hoort dat je kind faalt voor de hoortest. Voor de ouders is het een schok, en als kind van drie dagen oud heb je al gefaald. Er wordt niet uitgelegd dat er een dovengemeenschap is, met een dovencultuur en een eigen taal. Het lijkt net of het kind minderwaardig is."

Doofheid is een handicap waarmee je ook tot een culturele minderheidsgroep behoort. Als taalwetenschapper bij het Nederlands Gebarencentrum onderzoekt Richard Cokart (37), die zelf doof is, de Nederlandse Gebarentaal en de daarbij horende dialecten. "Als culturele minderheidsgroep hebben we een eigen taal, cultuur en geschiedenis. Erkenning van de gebarentaal is een bevestiging voor ons als dovengemeenschap dat we gelijkwaardig zijn en rechten hebben, zoals toegankelijkheid tot de samenleving in mijn eigen taal."

Hij onderstreept dat juist voor dove kinderen de vorming van de culturele identiteit belangrijk is. "Ik kom uit een dove familie, maar 95 procent van de dove kinderen wordt in een horende familie geboren. Voor hen ontbreken volwassen rolmodellen waarmee ze zich kunnen identificeren. Als andere dove kinderen vroeger bij mij kwamen spelen, waren ze stomverbaasd dat mijn ouders ook doof waren. Omdat ze zelf horende ouders hadden, dachten ze altijd dat ze later toch horend zouden worden."

Volgens Wattel is er een gebrek aan bewustzijn in de horende samenleving. "Met de trein reizen is mijn grootste ergernis. Als een trein uitvalt of vertraagd is, wordt het omgeroepen. Er staat geen informatie op de borden, dus wanneer iedereen de trein uitstapt, volg ik als een mak schaap de kudde zonder te weten waar ik heen moet. En als ik naar de eerste hulp moet, moet ik eerst een tolk zien te regelen. Eigenlijk zou het zo moeten zijn dat het ziekenhuis beschikt over een tolk op oproep."

Ook het werken met geschreven tekst of ondertiteling is volgens Cokart vaak lastig voor doven. "Omdat de taal niet officieel is erkend, wordt bijvoorbeeld overheidsinformatie niet in gebarentaal weergegeven. Voor veel doven is Nederlands de tweede taal en dan zijn brieven van de belastingdienst gewoon te ingewikkeld."
Daarnaast is de invoering van passend onderwijs, waarbij reguliere scholen verplicht zijn leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een onderwijsplek te bieden, voor hem een punt van kritiek. "Er zijn horende docenten die amper gebarentaal spreken en les moeten geven aan dove kinderen. Dat is natuurlijk vreemd. Als jij naar school gaat en les krijgt van een Italiaan die amper Nederlands spreekt, zou dat ook niet kunnen."

Harry Potter
Volgens de taalwetenschapper en gebarentaaldocenten is erkenning nodig om de taal écht te kunnen laten inburgeren. "Het is te vergelijken met de wereld van Harry Potter," zegt Cokart lachend. "Daar heb je kinderen van tovenaars-ouders voor wie magie de normaalste zaak van de wereld is. En er zijn er de kinderen die naar Zweinstein gaan en van wie de 'dreuzelouders' - de niet-tovenaars - niets snappen van wat er op de school gebeurt. Zo hebben horenden vaak geen idee van wat er gaande is binnen de dovengemeenschap."

Als voorbeeld noemen ze het Doven Ontmoetings Centrum in Amsterdam, dat drukbezochte netwerkbijkomsten en maandelijkse 'wapperavonden' (een soort kroegavond) organiseert. Of de tweede vestiging van de Sign Language Coffee Bar, de eerste gebarentaal-koffiebar van Nederland, die volgende maand opent in de stad. Volgens Wattel bestaat binnen de dovengemeenschap een groot gevoel van verbondenheid, ook internationaal. Wattel: "Wij zien doofheid niet als een probleem, maar als een identiteit. Als er een pil zou bestaan die zorgt dat ik zou kunnen horen, zou ik die weigeren."

Voor de petitie, die woendag afloopt, zijn nu ruim 15.000 handtekeningen verzameld. De petitie wordt zo snel mogelijk aangeboden aan de Tweede Kamer.

Gebarentaal
In Nederland wordt 1 op de 1000 kinderen doof geboren. De meeste van hen groeien op met de Nederlandse Gebarentaal - met een eigen grammatica, woordenschat en zinsbouw - als moedertaal.

Elk land heeft een eigen gebarentaal met varianten daarop. Zo zijn er in Nederland al vijf dialecten. Overigens gebruiken niet alleen dove Nederlanders de taal, ook voor horende familieleden en tolken is het een belangrijk communicatiemiddel.

Tot de jaren tachtig was er een wereldwijd verbod op gebarentaal in het onderwijs. De nadruk kwam te liggen op spraakontwikkeling: kinderen moesten leren liplezen en dove docenten werden ontslagen.

Dit honderd jaar durende verbod heeft een groot gat geslagen in de ontwikkeling van de taal. De waardering was laag - ook binnen de dovengemeenschap - want mensen schaamden zich om te gebaren in het openbaar.

In de jaren tachtig en negentig brak een gouden tijd aan voor doven: een tv-programma in gebarentaal en het eerste gebarenwoordenboek. Ouders gingen steeds vaker cursussen gebarentaal volgen om te kunnen communiceren met hun dove kinderen.

Met de komst van het cochleair implantaat (zie hieronder) is echter weer meer aandacht gekomen voor het leren horen en spreken in plaats van het ontwikkelen van de gebarentaal.

Cochleair implantaat
In Nederland dragen ruim 6500 mensen een cochleair implantaat (CI). Jaarlijks komen daar zo'n 400 dragers bij. Het implantaat stimuleert de gehoorzenuw door middel van elektrische pulsen waardoor geluiden, klanken en spraak kunnen worden waargenomen. De werking is echter beperkt en verschilt per persoon.

"Vanuit medisch perspectief was de uitvinding fantastisch," zegt Wattel. "Maar omdat het gelijk kwam met de ontwikkeling van de gebarentaal, hebben we nooit de kans gehad om die volledig te ontplooien. Dat was een domper voor de taal."

Ook Bol Raap erkent dit probleem. "Een kind met een CI blijft altijd doof. Als het implantaat kapot gaat, hoor je niets. En omdat het ene kind met het implantaat meer hoort dan het andere, kun je er niet van uit gaan dat je volledig toegang hebt tot de gesproken taal. Tegelijkertijd zit een kind met een CI vaak op een reguliere school en is er weinig aandacht geweest voor de vorming van zijn identiteit binnen de dovengemeenschap. Daar ontstaan dan op latere leeftijd worstelingen mee."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden