PlusPS

Domweg gelukkig in de Bethaniënbuurt

Twee oud-Amsterdammers schreven een boek over de buurt van hun jeugd. Jongens gooiden kiezels in de haaienvinnensoep en tante Riek troostte mannen.

Rechts op de foto Frans en Gerrit, die werden bijgestaan door 'ome Jan' (links) en 'pientere Piet'(tweede van links)Beeld -

Geen steeg en nagenoeg geen pand van het Bethaniënblok blijft onbesproken. De verhalen over de buurt van hun jeugd zijn legio: over tante Jenny die 's winters in haar kruidenierswinkeltje aan de Bethaniënstraat vette worsten maakte waar de kolenboeren van Maus van smikkelden.

Over café Truus op de Kloveniersburgwal waar Frans Duivis (70) altijd 'achterom' moest om het gevallen wasgoed van de binnenplaats te vissen. En over ome Chang die een restaurantje bij de Boerensteeg runde; de jongens uit de buurt mikten via het luchtrooster kiezelsteentjes in de pan haaienvinnensoep.

Uit liefde voor de buurt
Duivis: "Het was heerlijk om hier op te groeien. Een veilige omgeving. Ons kent ons en we hielpen elkaar als het nodig was." Simon van Blokland (81): "Stond er bij je vriendje een schaal ­gebakken scholletjes op tafel, dan at je mee."

Duivis en Van Blokland werkten drie jaar aan hun boek Het Bethaniënblok in Amsterdam. Pand voor pand van het Bethaniënblok - begrensd door de Oudezijds Achterburgwal, Oude Hoogstraat, Kloveniersburgwal, Bloedstraat - namen ze onder de loep.

Hun eigen herinneringen en de verhalen van oud-bewoners zetten ze op ­papier. "Uit liefde voor deze buurt. Als katholiek mocht je niet veel, maar hier leerde je vrijheid kennen," zegt Van Blokland.

Serenade voor de kapper
In de Bethaniënbuurt woonden veel kleine middenstanders. Van Blokland: "We kochten als katholieken altijd bij elkaar. We haalden afwisselend vlees bij De Rijk, Karhof of bij Van Nieuwkerk - de opa van Matthijs - aan de Lange Niezel." Duivis, wiens vader een chocolaterie had: "Maar als sigarenboer Fluijter op de Zeedijk een week niet bij ons had gekocht, moest ik van mijn vader ­sigaretten kopen bij concurrent Vega op de Nieuwmarkt."

Toch was de saamhorigheid groot. Bij kapper Evert Koster aan de Barndesteeg 1 lieten dames van lichte zeden als Blonde Greet en Zwarte Riek, pooier Pietje, en ook Joodse stoffenhandelaren zich soigneren. Toen Koster in 1937 ­wereldkampioen knippen en kappen werd, liep de hele buurt uit om hem te eren met een serenade en bloemenhulde. Het werd een item in het Polygoonjournaal.

Van Blokland, een van negen kinderen, herinnert zich het bordeel waar tante Riek haar klanten ontving. Om de handel niet te versjteren, stuurden de tippelaars de kinderen met een duppie de Nieuwmarkt op, waar ze konden fietsen en voetballen.

Getroost worden
"Mijn moeder vertelde dat die mannen bij de vrouwen kwamen omdat ze verdriet hadden en getroost moesten worden. Vieze Mientje, zwarte Beppie en manke Tonnie kende ik allemaal. Ik deed vaak boodschappen voor de vrouwen of bracht ze moorkoppen. Kreeg ik een gulden om een pakje sigaretten van 65 cent te halen. De rest van het geld mocht ik houden."

Barndesteeg, 1954. Links het uithangbord van de smederij van Simon van Bloklands vaderBeeld -

Duivis: "Een van de dames belde mijn vader voor een doos met Jamaicarumbonen van het grootste formaat. Mijn broers en ik vochten om wie de doos mocht brengen. Niet alleen vanwege de fooi, maar ook omdat het spannend was om naar de schaarse geklede dames te gaan."

In de Hoogkamersgang en het achtergelegen binnenterrein bouwden Van Blokland en Duivis hutten en stookten ze fikkie. Ze knokten tegen jongens van de Koestraat. "Van mijn moeder mochten we hier eigenlijk niet komen, het was een grote vuilnisbelt en er zwierven ongure types rond," zegt Duivis.

Oorlogsperiode
Na een oproep in buurtkranten kregen de auteurs ruim honderd reacties binnen, soms met foto's erbij. Wil Joosten-Gillot schreef hoe haar grootouders moesten sappelen: "Mijn opa was schipper op een platbodem die door de grachten werd voortgeduwd. Als er geen werk was, hadden ze geen inkomen en scharrelde de buurt wat bij ­elkaar." Haar oma woonde later op de Kloveniersburgwal in een klein huisje: de keuken was een kast met gootsteen en in een andere kast stond 'het stilletje', een poepton.

In de Koestraat, waar oud-burgemeester Wim Polak is ­geboren, zaten veel voddenboeren. Duivis, ook een van negen kinderen: "Mijn broertjes en ik brachten altijd oud papier naar ze toe. Ook voor onze Joodse buurman, ­meneer Leon Zadick, groothandelaar in textiel. Mijn vader zei dat we het nog even door een plas water moesten halen. Dan werd het zwaarder." Zadick had de oorlog overleefd en had zulke nachtmerries dat de buren zijn geschreeuw konden horen.

In het boek komt de oorlogsperiode ook aan bod. Van Blokland kende de Joodse families Swart, Mendels en De Meza uit zijn straat. "Familie De Meza, die naast ons woonde, heb ik met hun drie kinderen weg zien gaan. Het staat op mijn netvlies gebrand. Ze zijn nooit meer teruggekomen. Ik miste mijn vriendje Arie de Meza heel erg."

Simon van Blokland en Frans Duivis: Het Bethaniënblok in ­Amsterdam, uitgeverij Walburg Pers, €39,95

Werkruimte van de boekbinderij die H.W. Kampert en J.F. Helm in 1872 begonnen op een zolderkamer in de BarndesteegBeeld -

Simon van Blokland is auteur van meer dan twintig boeken over Amsterdam en de geschiedenis van de prentbriefkaart. Zijn familie woonde van 1938 tot 1958 in de Barndesteeg 10, waar zijn vader een smederij had.

Frans Duivis, oud-redacteur bij een uitgeverij, schreef een boek over zijn geboortehuis, het 'Klein Trippenhuis' op de Kloveniersburgwal 26, waar zijn familie van 1937 tot 1972 woonde. Zijn vader runde er een chocolaterie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden