Plus

Dodenherdenking sinds 1946: van sober naar altijd rumoer

Nederland herdenkt vrijdag op de Dam alle Nederlandse oorlogsslachtoffers sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Vier weetjes over Dodenherdenking.

Beeld ANP

Particulier initiatief: Stille tocht

In maart 1946 ontvingen alle burgemeesters in het land een circulaire met uitleg en praktische informatie over een nationale Dodenherdenking, voortaan jaarlijks te houden op de avond van 4 mei. Afzender van de instructies: de Commissie Nationale Herdenking 1940-1945.

Wat de burgemeesters niet wisten, was dat in deze commissie geen door de regering aangestelde leden zitting hadden, maar de Haagse verzetsman Jan Drop, zijn echtgenote Gerarda en een bevriend schoolhoofd, Cornelius Griffioen.

Vermomd als overheidsbeleid kreeg het particuliere initiatief vleugels. In veel gemeenten werd het idee omarmd. De regering had op dat moment alleen 5 mei aan­gewezen als dag om de bevrijding te vieren, voor een nationale herdenking bestonden nog geen uitgewerkte plannen.

Drop zelf nam de organisatie in Den Haag ter hand. Op 4 mei liepen 30.000 mensen mee met de eerste stille tocht in het land: de weg die meer dan 200 verzetsmensen hadden afgelegd van het Oranjehotel in Scheveningen naar de fusilladeplaats op de Waalsdorpervlakte.

Daar werden heel veel bloemen neer­­gelegd, maar gesproken werd er niet. Het doel was een sobere en anonieme plechtigheid: 'eenheid in gedachten en handelen bij het graf van de gevallen strijders'.

Monument: Naar de Dam

Eind jaren veertig kreeg beeldhouwer John Rädecker opdracht van de regering om een monument te ontwerpen als decor voor de nationale Dodenherdenking. De opdracht luidde: 'De smart en de bevrijding der bezettingsjaren tot een groot symbool te maken.'

In die jaren had de nationale herdenking nog plaats in de Ridderzaal in Den Haag. De gemeente Den Haag was de enige die bezwaar maakte tegen het voorstel om de plechtigheid te verhuizen naar de hoofdstad.

Daar was op de Dam in 1947 al een voor­lopig nationaal monument geplaatst: een vier meter hoge muur van baksteen. In elf nissen waren urnen geplaatst met aarde van fusilladeplaatsen en begraafplaatsen van alle elf provincies uit die tijd. In 1950 kwam daar een Indische urn bij.

In 1956 kon het nieuwe monument worden onthuld. Dat gebeurde nog zeer plechtig, maar in de jaren daarna had de herdenking geen hoge prioriteit. Het koninklijk paar bijvoorbeeld besloot het monument voortaan op de ochtend van 4 mei te bezoeken.

Daarbij werd geen tijd verknoeid. De chauffeur parkeerde de auto bij het monument, Juliana en Bernhard stapten uit om de burgemeester te begroeten, een krans te leggen en naar de minuut stilte en het Wilhelmus te luisteren, en daarna waren zij weer vertrokken.

Roep om verbreding: 'Blijf waakzaam'

Een rode draad in de geschiedenis van de nationale herdenking vormen de inspanningen van uiteenlopende groepen om een plek te krijgen in het officiële programma. De roep om verbreding is van alle tijden, en deze roept ook elke keer opnieuw weerstand op.

De kampioen van de verbreding was zonder twijfel de Amsterdamse publicist Han Wielek, die eind jaren zestig het initiatief nam voor wat hij een actualisering van 4 mei noemde. Pikant detail: de onrust­stoker was in dienst van de gemeente.

De Joodse Wielek had de oorlogsjaren in de onderduik doorgebracht en had daar een diepe aversie tegen discriminatie en onderdrukking aan overgehouden. Voor hem was de herdenking geen terugblik, maar een waarschuwing om waakzaam te zijn en ­blijven.

Met enkele geestverwanten organiseerde Wielek elk jaar meteen na de herdenking op de Dam een bijeenkomst in Krasnapolsky. Manifestaties met lezingen, debatten, muziek en veel politiek protest tegen de gang van zaken in Angola, Portugal, Zuid-Afrika of de Verenigde Staten.

De bijeenkomsten trokken aanvankelijk meer dan duizend bezoekers, maar na verloop van tijd kwam de klad erin. Wielek gooide de handdoek in de ring 'vanuit een gevoel van desillusie en pessimisme over de politiek en de politieke situatie in de wereld'.

Samen herdenken: Duitse aanwezigheid

Een historisch moment: in 1984 herdachten Helmut Kohl en François Mitterrand hand in hand in Verdun de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. De beelden maakten indruk, en ook in Nederland kwam de vraag op of de tijd rijp was voor een gezamenlijke herdenking.

Dat had moeten gebeuren in 1995, op de vijftigste verjaardag van het einde van de laatste oorlog. Voor- en tegenstanders troffen elkaar op de opiniepagina's. Tijd voor verzoening, schreef de een. Niet zolang er nog mensen leven die de oorlog hebben meegemaakt, zei de ander.

De politieke relatie tussen Duitsland en Nederland was hard aan verbetering toe. De Nederlandse briefkaartenactie 'Ik ben woedend over extreemrechts geweld' was in Duitsland slecht gevallen. Kohl blokkeerde de benoeming van Ruud Lubbers tot voorzitter van de Europese Commissie.

Een klus voor Wim Kok, de opvolger van Lubbers. Het kabinet was voorstander van een internationalisering van de herdenking. Overleg met het voormalig verzet en oorlogsslachtoffers maakte de premier duidelijk dat Duitse aanwezigheid niet op prijs werd gesteld.

Dat wil zeggen: niet op 4 mei. Op 22 mei kwam Kohl alsnog naar Nederland. Niet naar Amsterdam, maar naar Rotterdam, waar hij een krans legde bij het beeld van Zadkine en de Duitse bezetting van Nederland een misdaad noemde.

Voor dit artikel is geput uit het deze week verschenen boek De Stilte en de Storm van Ilse Raaijmakers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden