Digitale expositie Literatuurmuseum over leven na de bevrijding

Na de bevrijding in mei 1945 ging ook het literaire leven weer verder. Het Literatuurmuseum heeft daar nu de online tentoonstelling De achterkant van de bevrijding – Literair leven na de oorlog over. Over publicatieverboden en het moeten bedelen om een typemachine.

De digitale expositie gaat onder andere over de paniek onder schrijvers in die eerste maanden na de Tweede Wereld­oorlog.Beeld Literatuurmuseum

Wie kent nog de namen Jo van Ammers-Küller of Henri Bruning? Het zijn schrijvers. Schrijvers die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland niet zo netjes hebben gedragen. Dichter en essayist Henri Bruning (1900-1983) werd in de oorlog lid van de NSB, sloot zich aan bij de Nederlandsche Kultuurkamer – door de Duitse bezetter ingesteld om pers, kunstenaars en schrijvers te controleren en te censureren – en werd redacteur van het Kultuurkamertijdschrift De Schouw.

Drie feiten die hem na de oorlog zwaar werden aangerekend. Het verhaal van Henri Bruning, hij discussieerde met Menno ter Braak en nam het op voor Simon Vestdijk, is de rode draad in de online ‘tentoonstelling’ De achterkant van de bevrijding – Literair leven na de oorlog, die op de site van het Literatuurmuseum te lezen is. Hoe hij tot zijn overtuigingen kwam, wat hij in de oorlog deed, en hoe hij na de oorlog streed tegen het in zijn ogen onterechte beeld dat van hem heerste.

Een interessant verhaal in een groter verhaal – ook al zijn al die namen van al die letterkundigen misschien onbekend – dat naast het ‘foute’ deel ook laat zie hoe het literaire leven na de oorlog weer op gang kwam.

In het verhaal over Bruning wordt, zoals op meer plaatsen in deze longread, even een zijpad ingeslagen. Zo komen we ook iets te weten over Jo van Ammers-Küller in twee artikelen die ­Alma Mathijsen over haar schreef. Dat eerste ­artikel begint met de zin: ‘Dit is een eenzijdig verhaal over een slecht mens, over een vrouw die zich probeerde los te weken van haar eigen fouten.’

Woning gebombardeerd

Zij kreeg na de oorlog van de Eereraad voor de Letterkunde, met daarin onder anderen schrijver F. Bordewijk en dichter Martinus Nijhoff, een boete opgelegd voor het boek Ma dat in 1943 was uitgekomen. Ook kreeg ze, tot 1953, een publicatieverbod opgelegd. Het maakte haar ­razend, en het verweer is in de stukken van ­Mathijsen te lezen.

Maar we zijn afgedwaald. Nou ja, even nog terugkomen op de hierboven genoemde F. Bordewijk, dus behept met ‘culturele zuivering’ (hier wordt doorverwezen naar het Nationaal Archief voor meer uitleg over de Eereraad). Op 3 maart 1945 werd zijn huis in het Haagse Bezuidenhout gebombardeerd. Door de Engelse luchtmacht die zich had vergist.

Het deerde Bordewijk niet bovenmatig, zo blij was hij dat ‘de zwarte tijd’ opeens ver achter hem lag. Wel liet hij in een brief aan schrijfster Top Naeff al weten dat we wat er is gebeurd nooit moeten vergeten: ‘De mensch moet zich blijven herinneren wat de barbaarsche schobbejak hem aandeed. Indien ik het voor het zeggen had voerde ik al op de 1e klasse van de lagere school een verplicht propaganda-uur in om haat, wantrouwen en waakzaamheid levendig te houden.’

Bij het bombardement was ook zijn typmachine verloren gegaan. En wat is nu een schrijver zonder schrijfmachine? In brieven die hij aan de overheid schrijft ‘bedelt’ hij om een schrijf­machine. ‘Zonder blijk te willen geven van zelfoverschatting meen ik te mogen aannemen dat ik ten departemente niet algeheel onbekend ben.’

Brief aan de koningin

In het hoofdstuk ‘Hoe schrijvers de oorlog verwerken’ lezen we over de paniek onder schrijvers in die eerste maanden. Dichteres Ida Gerhardt is ter ore gekomen dat men dacht dat ze fout was geweest. Een ‘verschrikking’ voor schrijvers, omdat hun dan dus een mogelijk publicatieverbod boven het hoofd hing. Gerhardt, zo bleek, was niet fout geweest, maar had wel de ‘ariërverklaring’ ondertekend, omdat ze bang was haar baan als docent aan het Kamper Lyceum kwijt te raken.

Ontnuchterend: drie maanden nadat Ed. Hoornik uit het concentratiekamp Dachau was teruggekeerd kreeg hij een brief van zijn uitgever waar zijn manuscript toch bleef. Er was immers al een voorschot betaald… En het contract dat Auschwitzoverlevende Sonja Witstein voor haar novelle Bekentenis aan Julien Delande kreeg, viel bitter tegen. Ondertussen schreef Bruning een brief aan de koningin om onder het publicatieverbod uit te komen.

Tevergeefs. ‘Er zou nooit meer iets van Bruning bij een reguliere uitgeverij verschijnen’, is de laatste zin van deze boeiende ‘tentoonstelling’.

Literatuurmuseum.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden