Plus

Deze plekken in Amsterdam herinneren aan de Jodenvervolging

In Lotty's Bankje beschrijft Gerben Post 95 plekken in Amsterdam die herinneren aan de Jodenvervolging. 'Achter elke locatie schuilt een verhaal.'

In de speeltuin op het Waterlooplein kwam op 3 november 1942 een van de vier Joodse markten waar alleen Joden mochten handelen en kopen Beeld Lotty's bankje

In Amsterdam herinneren meer dan tachtig monumenten aan de Jodenvervolging.

Een van die monumenten is Lotty's bankje in Zuid, dat vorig jaar werd onthuld ter herinnering aan de deze zomer overleden Joodse Amsterdamse Lotty Veffer (1921). Ze kwam als enige overlevende van haar gezin op 26 augustus 1945 terug in Amsterdam en trof zoals vele Joden een koude ontvangst. Haar eerste nacht 'thuis' bracht ze noodgedwongen door op een bankje aan de Apollolaan.

Gerben Post beschrijft in zijn boek Lotty's bankje - Stilstaan bij de Jodenvervolging in Amsterdam, dat morgen verschijnt, 95 korte stukjes. 'Achter elke locatie of elk monument schuilt een verhaal,' aldus Post.

Post is zich na zijn studie Holocaust- en genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam gaan verdiepen in de verhalen achter de Amsterdamse monumenten die met de Jodenvervolging te maken hebben, waaronder plaquettes voor vermoorde leerlingen (Amsterdams Lyceum, Barlaeus Gymnasium, Vossius Gymnasium) of werknemers van bedrijven (regenjassenfabriek Hollandia Kattenburg), en gevelstenen (kantoor van de Joodse Raad en een dispuutshuis).

'Naast monumenten zijn er nog steeds veel locaties in de stad die een deel van het verhaal van de Jodenvervolging vertellen. Gebouwen, straten en pleinen die ooit de stille getuigen waren van de zwartste pagina uit de geschiedenis van Amsterdam,' schrijft Post. 'Wanneer men ze echter eenmaal ontdekt heeft, lukt het bijna niet meer om ze niet te zien. (...) Heel even stilstaan, en zo misschien heel even herdenken.'

In 1940 woonden er ongeveer 140.000 Joden in Nederland. 80.000 van deze Joden woonden in Amsterdam - ongeveer tien procent van de hele Amsterdamse bevolking. Meer dan 75 procent is naar vernietigingskampen gedeporteerd en vermoord.

In dertien hoofdstukken worden de 95 herinneringsplekken thematisch en chronologisch beschreven: vanaf de vele Duits-Joodse vluchtelingen die naar Nederland kwamen in de jaren dertig, de Februaristaking, anti-Joodse maatregelen, deportaties, het onderduiken, het verzet, de nazi's en de razzia's, tot de terugkeer van de Joden.

Gerben Post: Lotty's bankje - Stilstaan bij de Jodenvervolging in Amsterdam, LM Publishers, €17,50.

Portugees-Israëlietisch Ziekenhuis
Gemengd-gehuwde Joden konden in 1943 aan de Jodenvervolging ontkomen als ze zich lieten steriliseren. In Amsterdam gebeurde dit in het Portugees-Israëlietisch Ziekenhuis aan de Henri Polaklaan 6-10 (destijds de Plantage Franschelaan) of de Centraal-Israëlitisch Ziekenverpleging aan de Jacob Obrechtstraat. Deze Joden hoefden dan hun ster niet meer te dragen. De Duits-Joodse arts Salomon Lichtenstein was een van de artsen die de operaties uitvoerden. Een groot aantal operaties werd fictief gedaan. 'Tussen mei 1943 en de zomer van 1944 werden tussen de 800 en 1000 nepsterilisaties uitgevoerd,' schrijft Post. Volgens een Duits document waren dit er zelfs 2562. Het werkelijke aantal is echter niet bekend.

Portugees-Israëlietisch Ziekenhuis Beeld Lotty's bankje

Woning Lodewijk Johan Strak
Arts Lodewijk Johan Strak, fanatiek NSB'er en SS'er, woonde op de Beethovenstraat 154-III, de straat die voor de oorlog ook wel de Brede Jodenstraat werd genoemd. Tram 24, die erdoorheen reed, kreeg de bijnaam 'Berlijn Express'. In de Beethovenbuurt was in 1941 37 procent van de bewoners Joods, staat in het boek De Bezette Stad van Bianca Stigter.

Dokter Strak moest in 1942 bepalen of een vondelingetje met de naam Remi van Duinwijck Joods was. Het schattige jongetje met krullen en dromerige donkere ogen van ongeveer acht maanden oud was niet besneden, maar volgens Strak had hij wel 'Joodse oren'. Remi, het lievelingetje van de Joodse crèche tegenover de Hollandse Schouwburg, werd op 21 mei 1943 in Sobibor vermoord. Pas in 2002 werd Remi's echte naam bekend: Koen Gezang. Zijn moeder overleefde de oorlog niet, zijn vader en broer wel.

Het vondelingetje Koentje Gezang Beeld Lotty's bankje

Joodse markt Waterlooplein
Op het Waterlooplein, te midden van de Jodenbuurt, verkochten veel Joodse handelaren hun waren. 'Van de 191 marktkooplieden waren er 181 Joods,' aldus Post.

Op 14 september 1941 werden 'niet-Joodse' markten voor Joden verboden. In de speeltuin op het Waterlooplein kwam op 3 november 1942 een van de vier Joodse markten (de andere waren in in de Rivierenbuurt, de Afrikaanderbuurt en in Zuid), waar alleen Joden mochten handelen en kopen. Er mochten alleen voedsel en textiel worden verkocht. Bij de ingang hing een bordje: 'Alleen toegang voor Joden'. De markt werd in september 1943 gesloten.

De Joodse markt op het Waterlooplein Beeld Lotty's bankje

Sint Joris en de draak
In het monument op Reguliersgracht 34 met de plaquette van Sint Joris en de draak, zat vroeger het dispuutshuis Unica. Begin 1943 vertrokken de studenten er om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. De 21-jarige Ivo Schöffer bleef. In de lege kamers liet hij Joodse onderduikers wonen.

De eerste onderduikers waren vrienden: Gideon Kahn, diens moeder en een tante. Ivo, die steevast in korte broek liep om de Duitsers een rad voor ogen te draaien, verborg er uiteindelijk twaalf vaste onderduikers, plus nog een aantal tijdelijke 'logés'. Allen overleefden de oorlog.

Over zijn drijfveer vertelde Schöffer, later hoogleraar geschiedenis: "Die komt van mijn ouders. Mijn moeder heeft ons ingeprent dat het je plicht was mensen te helpen." En: "Je moet een beetje durven."

Op de gevelsteen van het dispuutshuis staat een ­Latijnse tekst: 'Ik duik onder om boven te komen.'

Ivo en zijn zus Lydia, bezig met het vervalsen van papieren. Beeld Lotty's bankje

Centraal Station
In Amsterdam kwamen de meeste uit de kampen teruggekeerde Joden na de bevrijding aan op het Centraal Station. Daar was een speciaal repatriëringscentrum ingericht waar ze registratie, medische controle en politieke controle ondergingen. Ze werden opgevangen door diverse organisaties en moesten allerlei formulieren invullen. Velen hadden hun familieleden verloren en waren huis en haard kwijt. Het was de vraag waar ze naartoe moesten.

Repatriëringscentrum in het Centraal Station Beeld Lotty's bankje

Nederlandsch Israelitisch Meisjes-weeshuis
Vier jaar voor de oorlog, in 1936, vierde het meisjesweeshuis haar 175-jarig bestaan. 'Het weeshuis was geen slechte plek om op te groeien, en het was bovendien een veilige plek,' schrijft Guus Luijters in zijn boek Rapenburgerstraat. 1940-1945, over de zwaarst getroffen Joodse straat in Nederland. Rebekka Frank was in 1940 directeur van het Nederlands-Israelitisch Meisjes-weeshuis aan de Rapenburgerstraat 171.

In februari 1943 werd het weeshuis ontruimd: zeventig meisjes en personeelsleden werden weggevoerd naar de kampen, zo'n veertig wisten te ontkomen. Jutta Rosen, een van de overlevenden, schreef na de oorlog in haar boek Te midden van vreemden: 'In onze straat stonden de buren ons met treurige ­gezichten na te wuiven. Het leek alsof enkelen zelfs huilden.'

In de voormalige bestuurskamer van het weeshuis zit nu Café Waterlooplein 77.

Vier jaar voor de oorlog, in 1936, vierde het meisjesweeshuis haar 175-jarig bestaan. Beeld Lotty's bankje
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden