Plus

De zorgeloze verlangens in villa De Bereklauw: 'Alles was mooi'

In de jaren zestig droomden piepjonge kunstenaars Lennaert Nijgh, Boudewijn de Groot, Jeroen Krabbé en Rudolf Lucieer in villa De Bereklauw van grootse daden. Bij de heruitgave van Nijghs brievenroman Tobia verhaalt jeugdvriend Janwillem Schrofer over die zorgeloze tijd.

Lennaert Nijgh aan het werk met rode kater en jenever Beeld Janwillem Schrofer

De vriendschap begon met een botsing. Janwillem Schrofer was zestien jaar en had een bevlogen bijdrage geschreven voor de schoolkrant over het belang van een krachtige Europese beweging.

Schrofer, bijna zestig jaar later grinnikend aan een met foto's bezaaide tafel in zijn woning in Heemstede: "Lennaert vulde een eigen rubriek in dezelfde schoolkrant onder het pseudoniem Tobia en gebruikte die ruimte om mij in het volgende nummer volledig af te kraken. Dat soort ongelooflijk gelul wenste hij niet meer tegen te komen in de schoolkrant."

Lennaert is Lennaert Nijgh, schrijver en tekstdichter, vooral bekend van zijn werk voor Boudewijn de Groot. Vorig weekeinde werd in Haarlem de heruitgave van Tobia gepresenteerd, de roman die hij in 1971
afleverde over zijn studentenjaren in Amsterdam. De ondertitel: de ontdekking van het Masturbariaat.

"Het waren de jaren van het grote verlangen," vertelt Schrofer, kunstconsultant. "Uit de boeken van Remco Campert en Simon Vinkenoog was duidelijk ­geworden dat je voor seks in Amsterdam moest zijn. Dat oefende met name op Lennaert een enorme aantrekkingskracht uit."

Tobia bestaat uit tien brieven, later bewerkt tot literatuur, maar in hun oorspronkelijke vorm onder meer verzonden naar Schrofer, die na zijn eindexamen naar Rotterdam was vertrokken voor een studie sociologie aan de Erasmus Universiteit.

"Lennaert schreef prachtige brieven over zijn en onze gezamenlijke avonturen in Amsterdam. Chaotisch, en vol van hunkering naar een romantisch bestaan. Zo kende ik hem. Hij hing graag de gesjeesde gymnasiast uit, ondertussen de gedichten, verhalen en teksten uit zijn mouw schuddend."

Nijgh (overleden in 2002) had eind jaren zestig zijn naam gevestigd als tekstschrijver voor Boudewijn de Groot, die hij had leren kennen op het Coornhert Lyceum in Haarlem. Nijgh maakte de overstap naar het Kennemer Lyceum in Overveen, maar bleef contact houden met zijn klasgenoten Boudewijn en Rudolf Lucieer, die ook geregeld bij Schrofer over de vloer kwam.

Diens ouderlijk huis, een prachtige villa in Aerdenhout met de naam De Bereklauw, was de plek waar de vriendenkring zich bij voorkeur verzamelde. Schrofer: "Het was een huis met veel kamers en een enorme tuin. Een heerlijke plek."

Schuifdak
Na de eerste confrontatie in de schoolkrant waren Schrofer en Nijgh goede vrienden geworden.

"Lennaert kwam al snel vaak bij mij over de vloer. Dat had met het huis te maken en de gastvrijheid van mijn ouders, maar mogelijk ook met het feit dat ik als enige van de vriendenkring in het bezit was van rijbewijs en de beschikking had over een auto, een Opel ­Rekord met een schuifdak. Lennaert maakte graag gebruik van mijn kwaliteiten als chauffeur," zegt Schrofer. "Hij was wel een beetje een stille regelaar, maar daar tilde niemand zwaar aan."

Een groep feestgangers met blote billen voor het raam, net onder de douche vandaan Beeld -

Op dezelfde manier maakte Nijgh gebruik van zijn vriend om zijn eigen
productiviteit op te schroeven, vertelt Schrofer. "Lennaert zat vaak op De Bereklauw te schrijven. Ik fungeerde als quasiopdrachtgever en stok achter de deur. Hij noemde mij de Prince en deed alsof ik zijn mecenas was. Boudewijn en Lennaert konden elkaar ook enorm opjagen om met iets op de proppen te komen. Als de een iets goeds had bedacht, wilde de ander niet achterblijven."

Het waren halverwege de jaren zestig heerlijke, zorgeloze jaren op villa De Bereklauw, zegt Schrofer, en als harde bewijzen komen er foto's op tafel van feesten en partijen. Jongens en meisjes in zwart-wit, dansend in de huiskamer, zoenend op de bank, rokend en drinkend in de keuken.

Schrofer: "Mijn ouders waren ruimdenkend. Ik herinner me dat ze een keer terugkwamen van vakantie en ons feestend aantroffen. Ze hebben ons maar even gelaten en zijn weer weggegaan."

Blote billen
Schrofer laat een foto zien van Ramses Shaffy, dansend in zijn eentje in de woonkamer met een tevreden grijns op zijn gezicht.

"Rudolf Lucieer zat op de Toneelschool in Amsterdam. Daar kende hij ­Jeroen Krabbé weer van. Als zij in het weekeinde naar Aerdenhout kwamen, namen ze ook altijd wel een paar vrienden mee op sleeptouw. Het was een zoete inval. Vera Beths nam haar viool mee en speelde voor ons."

Weer een andere foto: een groep feestgangers met blote billen voor het raam, net onder de douche vandaan. Schrofer tempert onmiddellijk de verwachtingen bij het zien van de vragende blik.

"Ja, dat soort dingen gebeurde wel, maar over het algemeen waren we toch heel braaf hoor. Ik in elk geval. Er werd wel wat gedronken, maar aan drugs deden we bijvoorbeeld helemaal niet in die tijd. We keken vooral reikhalzend uit naar alles wat ons nog te wachten stond."

Ramses Shaffy, 1964 Beeld Hans Spies

Een van de bijzondere stukken in de verzameling van Schrofer is een album met een verslag van het weekeinde van 25 en 26 april 1964 op villa De Bereklauw.

Een ­dionysisch weekeinde, vat de gastheer samen, verwijzend naar de Griekse god van de wijn en de vreugde. Aanwezig waren Lennaert Nijgh, Boudewijn de Groot en Rudolf Lucieer met hun toenmalige vriendinnen, Jeroen Krabbé en zijn latere vrouw Herma en Schrofer zelf. Allemaal piepjong en beeldschoon.

Het album is gevuld met foto's, maar ook met brieven die de gasten aan elkaar schreven in het weekeinde, en tekeningen.

Schrofer: "Lennaert leverde een paar weken later een compleet Grieks drama af, waarin de belangrijkste gebeurtenissen van het weekeinde werden beschreven. De hele sfeer van dat weekeinde was uitgelaten, vriendschappelijk en overmoedig: wij zijn begenadigd en wij worden beroemd. En zonder overdrijven kunnen we stellen dat die voorspelling voor de meesten van ons is uitgekomen."

Lang hoefden zij ook niet te wachten. In september van hetzelfde jaar verschenen de nummers Strand en Elégie prénatale van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, Jeroen Krabbé en Rudolf Lucieer studeerden een jaar later af van de Toneelschool en ontvingen de Top Naeff Prijs, een aanmoedigingsprijs voor veelbelovende studenten. Janwillem Schrofer zou bijna dertig jaar directeur zijn van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.

Groepje Amsterdammers buiten de vaste kern Beeld Sem Presser/mai

'Eerste stickies en zachte partnerruil'

"Alles was mooi," vat acteur Jeroen Krabbé zijn herinneringen samen aan de feesten in Aerdenhout. "Janwillem kreeg op vrijdagavond de villa van zijn ouders, die het weekeinde meestal ­elders doorbrachten. Alles mocht, zolang wij de boel zondagavond maar hadden opgeruimd. Daar hadden we natuurlijk alsnog een dagtaak aan."

Krabbé maakte zijn entree als introducé van Rudolf Lucieer, die hij van de Toneelschool kende. Rudolf kende Boudewijn de Groot van het Coornhert Lyceum in Haarlem, Boudewijn kende Lennaert Nijgh en Lennaert kende Janwillem. "Die eerste keer nam ik een vriendinnetje uit Amsterdam mee, Anneke Versteeg. Zij werd binnen een jaar de moeder van Marcel de Groot."

Beroemd
In de villa werden de jaren zestig uitgeprobeerd, vertelt Krabbé. "We hebben daar onze eerste stickies gerookt en er was ook wel sprake van zachte partnerruil. We voelden ons heel vrij. Als mensen zin hadden om naakt te dansen, dan kon dat. We spraken over kunst en luisterden naar The Beatles, en ik herinner me dat we tot diep in de nacht vrij laveloos naar Bach luisterden in de tuin."

De verhalen over de feesten in Aerdenhout zoemden rond in Amsterdam en al snel meldden zich op vrijdagavond wel dertig of veertig gasten uit de hoofdstad. "Daar zat Ramses ook bij. Dat waren ook de avonden dat het enigszins uit de hand dreigde te lopen. Lennaert was de stille observator. Hij maar keek toe en schreef er later iets over."

De vrienden vierden het leven en wisten één ding zeker: ze zouden beroemd worden. Krabbé: "Ik krijg er nu de slappe lach van, maar we voerden toen heel se­rieuze gesprekken. Over wie van ons het eerst beroemd zou worden. Toen Bou Strand speelde, door Lennaert geschreven, wisten wij: zij komen als eersten aan de beurt."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden