De waarheid volgens Willem

In de eerste drie weken van zijn proces schiep Willem Holleeder het beeld van zichzelf als goedlachse, coöperatieve verdachte die de rechtbank opening van zaken geeft. Die helpt zoeken naar de échte waarheid, in weerwil van het strafdossier waaruit hij oprijst als een capo di tutti capi. Het charmeoffensief is bij vlagen vermakelijk.Met name voorzitter Rino Verpalen van de rechtbank is er een meester in: Willem Holleeder rustig laten praten, en hem een uurtje later fijntjes confronteren met uitspraken die in zijn ogen nogal opmerkelijk zijn. Of tegenstrijdig. Of onjuist. ''Op een vraag van mijn collega zei u daarstraks...'' Je voelt Holleeder even uit balans raken.

Doorgaans gaat het niet om grote kwesties of serieuze leugens, maar eerder om de al dan niet geveinsde verbazing waardoor de rechtbank wordt bevangen. De leefwereld van de magistraten en het milieu van Holleeder liggen, zacht uitgedrukt, een eindje uiteen, en het is voor de verdachte toch schrikken als hij zich ongewild weer heeft neergezet als echte penozejongen.

Holleeder kent nu eenmaal de hele Amsterdamse onderwereld. Dat kan een rare indruk wekken. ''Met (beruchte vechtsporters) Dickie V. en Hans N. ging ik af en toe eens een drankie drinken, ja. Elke keer als ik mensen ken, maakt u daar zo'n probleem van. Ik ken veel mensen, ja, maar als die dan foute dingen doen, zijn dat toch nog niet míjn foute dingen?''

Als hij vertelt hoe hij met de vaste autoleverancier van de onderwereld, Jan Brouwer uit Haarlem, 'een discussie had die hij zich wel dégelijk zal herinneren' omdat die behalve bij (relaties van) Holleeder ook bij anderen geheime bergruimten inbouwde op de plaats van de airbag, realiseert hij zich een beetje te laat dat hij zichzelf wellicht wat criminaliseert.

Dat geldt ook voor de discussie met officier van justitie Koos Plooij over welke afluisterapparatuur nou wel en welke niet is 'te sweepen' (te vinden met een verklikker).

Holleeder is het middelpunt van een milieu waarin je 'slokkies doet', 'drankies drinkt', rommelt met 'moppies', sekshuizen bezoekt en veel verzwijgt of in een codetaaltje hult. De rechters verbazen zich over de mores, en over alle olijke bijnamen. Holleeder doet zijn best zich te verklaren. Hij begrijpt niet wat er onlogisch aan is dat je iemand die liegt een schop verkoopt; daar schuilt weinig kwaad in. En dan komt justitie weer met aantijgingen over níet uitgedeelde klappen. ''Wie heb ik nou weer een klap gegeven? Ik vind dit gewoon niet leuk meer, ik heb niks gedaan!''

Zijn verdediging voert Holleeder in goed Amsterdams. 'Heeft' wordt 'heb', 'kende' wordt 'kon' en 'die' wordt 'wie'. Zijn volzinnen doen soms aan Johan Cruijff denken.

Zo hoort Holleeder zichzelf op een reeks vragen antwoorden dat hij van niets weet, en krijgt hij een onbehaaglijk gevoel. ''Ik vind het moeilijk. Als u het mij vraagt en ik zeg dat ik het niet weet, dan is het net alsof ik het niet weet, maar ik weet het niet. Ik bedoel dat ik het niet weet. Niet dat ik het niet wil zeggen, maar ik weet het niet!''

Hij gedraagt zich voorkomend en probeert op soms aandoenlijke wijze tegenwicht te bieden aan het beeld dat oprijst uit het dossier: dat van de gewetenloze onderwereldfiguur. Tegen een rechter: ''Hoe wilt u dat ik u noem, mevrouw of edelachtbare?'' De rechter: ''Wat u wilt.'' Holleeder: ''Dan zeg ik vanaf nu edelachtbare, mevrouw.''

Maar wat te doen met justitie, de vijand? Het voornemen helemaal niet tegen de officieren van justitie te spreken, bleek wat omslachtig. 'Uit respect voor de rechtbank' geeft Holleeder daarom ook hun maar antwoord - al kan met name Koos Plooij rekenen op intens wantrouwen. Holleeder, kregelig na een lastige vraag: ''U begrijpt het wel, maar u wilt het niet begrijpen. Dat begrijp ik ook wel weer.''

En hij wordt 'gek' van het 'gevraag naar tijdlijnen' om hem 'vast te pinnen'.

Op de suggestie dat Holleeder soms wat 'dwingend' overkomt: ''Weet u wat het is? Als ik naar de bakker ga, maakt u ervan dat ik het brood niet wil afrekenen. Het kan zijn dat mensen mij als dwingend ervaren, maar dat ben ik niet. Ik ben geen allemansvriend, maar ik ben zoals ik ben.'' Dat is niet de bruut die het dossier schetst.

Wanneer Plooij spreekt van 'een paard van Troje' als 'iets dat er aardig uitziet, maar van binnen verschrikkelijk blijkt te zijn als je het in huis hebt gehaald', legt Holleeder uit dat het in zijn geval precies andersom is. ''Ik zie er slecht uit, maar er komt iets moois naar buiten!''

Dat onderwereldfiguur Jesse R. zou hebben opgeschept dat hij 'alle power van Holleeder achter zich heeft', maakt de hartpatiënt aan het lachen. ''Heb ik ook gelezen, ja. Há, mooie power.''

Holleeder gruwt van dat eeuwige gepraat tegen de politie, zo maakt hij dagelijks duidelijk. ''Ik ga geen namen noemen. Sommige dingen lijken nu geheimzinnig, dan zit er een drugszaak achter of zo, maar ik ga dat niet zeggen. Dit proces zou een stuk makkelijker zijn...''

De komende twee weken zal Holleeder geregeld breken met zijn gewoonte, valt te verwachten, nu de vermoede afpersing van vastgoedmagnaat Willem Endstra op de rol staat. Maar ja, die is dood.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden