Plus PS

De stille aanbidder: 'Ze ziet me niet, alsof ik niet besta'

Hoewel hij niets heeft met Valentijnsdag, schreef schrijver en Klein Gelukcolumnist Guus Luijters (73) speciaal voor PS een liefdesverhaal.

De stad ging nog in grijs ­gehuld, de tram kon je van heel ver horen aankomen Beeld Guido van Driel

'Bij de banketbakker kan je altijd zien welk feest er op komst is," zei ik tegen Lulu terwijl we bij de banketbakker naar binnen gingen om ­kroketten te kopen. Lulu is mijn kleindochter en net twaalf geworden.

"Valentijnsdag," zei ze nadat ze de deur achter ons had dichtgetrokken. "Kijk maar, overal hartjes." "Ik weet helemaal niet wat dat is," zei ik. "Valentijnsdag. Vroeger bestond het niet. Is dat niet iets met de liefde?

Stille liefde
Maar wat voor liefde? Eerste liefde, late liefde, verboden liefde, herenliefde, damesliefde, kalverliefde, oude liefde, lenteliefde, zomerliefde, geheime liefde, moederliefde, broederliefde, jonge liefde, schoolliefde, wanhopige liefde, lichamelijke liefde, platonische liefde, strandliefde, ware liefde, warme liefde, voorbije liefde, tennisliefde, caféliefde, meisjesliefde, kinderliefde, hoofse liefde, vleselijke liefde, stille liefde, verre liefde, liefdesliefde?" "Stille liefde," zei Lulu.

Dit verhaal gaat over stille liefde. Toen de gebeurtenissen die het verhaal uitmaken zich afspeelden, was ik net zo oud als Lulu nu en dat is een tijd geleden. Geen mobieltjes, geen computers, eventuele muziek komt uit de radio - u bent gewaarschuwd.

De stad ging nog in grijs ­gehuld, de tram kon je van heel ver horen aankomen. Bij het Centraal Station hoorde je de stoomlocomotieven snuiven en het geluid van scheepshoorns dreef over het IJ. Er gingen paard-en-wagens door de straat en alle mannen droegen hoeden of een pet. Ook wij kinderen ­gingen grijs gekleed met hier en daar een veegje groen of blauw, maar de strikken in de meisjesharen waren uitbundig als vlaggen en maakten veel goed.

Geheime bunker
Mijn beste vriend in die dagen heette Hans van den Berg. Hij woonde een paar straten verderop, aan de andere kant van de gracht bij de voetbalvelden. Hans was een stuk brutaler en ondernemender dan ik. Ik dacht dat hij alles durfde en dat denk ik nog steeds.

Hij praatte over ­dingen waar ik nooit van had gehoord. "In de Ringdijk is een bunker, waar allemaal dode moffen liggen," zei hij. "Daar is ook prikkeldraad, want het is geheim. En weet je wat ze daar ook doen?" Met zijn duim en wijsvinger van zijn linkerhand maakte hij een rondje waarin hij de ­wijsvinger van zijn andere hand op en neer bewoog. "Ennen," zei hij.

Als we in het opgespoten zand achter de voetbalvelden geweerkogels hadden gevonden, legde hij ze niet in een blikken doosje om er mee te rammelen, zoals ik dat deed, maar hij nam ze mee naar de kelder onder hun huis, waar hij ze vastzette in een bankschroef om er vervolgens net zo lang met een hamer op te slaan tot ze ontploften. Vaak gooide hij ze ook zo hard mogelijk tegen een muur, wat ik doodeng vond, maar hij niet. Ook vonden we een keer een schedel, met de tanden er nog in. Van een dode mof, volgens Hans.

Kapotjeplof
Op de eerste dag van ons schoolreisje naar het Solse Gat op de Veluwe riep hij tijdens een wandeling heel hard 'kapotjeplof' waarop hij prompt naar huis gestuurd werd, wat hem geen moer kon schelen. Ik heb hem voor een weddenschap een keer een worm zien opeten, als er ergens een radio aan stond, draaide hij hem harder, en nu was hij verliefd.

We zaten op de bank in hun huiskamer op de televisie te wachten toen hij het tegen me zei. "Ik ben verliefd," zei hij. Zijn moeder die tegen mij, Geenhaar-Steilhaar, altijd 'krullebol' zei, die strakke rokken droeg en hooggesloten jurken en die van zichzelf een foto op het dressoir had staan waarop ze mannenkleren droeg en een hoge hoed in haar hand hield, had ons een glas limonade gebracht die zij grenadine noemde en was weer uit de kamer verdwenen, toen hij het zei. "Ik ben verliefd," zei hij. "Op JéVé."

JéVé was Janneke, Janneke Veldman, een hoogblond meisje met oortjes en grijze ogen. Op het moment dat Hans verliefd op haar werd, ­verloor ze voor hem haar naam en veranderde ze van Janneke in haar initialen. Hans haalde een opschrijfboekje tevoorschijn. "Kijk," zei hij. Alle bladzijden van het opschrijfboekje waren van links naar rechts en van onder tot boven gevuld met JéVé's initialen, J.V.J.V.J.V., en dat ­misschien wel duizend keer. "Ik ben verliefd," zei Hans.

'Alsof ik niet besta'
In de weken die volgden draaide alles om JéVé. Hans ontdekte dat hij haar bij een bepaald licht in de ramen van het klaslokaal achter zich kon zien zitten. Hij wist dat ze van huis naar school een andere weg liep dan van school naar huis. Dat ze weleens op het achterbalkon van hun huis naar de bomen in de binnentuin stond te kijken. Dat ze bij de groentewinkel op de hoek vaak een appel kocht. Dat ze net deed of ze hem niet zag. "Ze ziet me niet," zei Hans tegen me. "Alsof ik niet besta."

's Morgens vroeg kwam hij me van school halen en dan fietsten we naar de straat waar Janneke woonde. Als ze naar buiten kwam, scandeerde Hans "JéVé, JéVé," waarna we er zo snel als we konden vandoor gingen.

Als hij weer een schrift of opschrijfboekje met haar initialen gevuld had, moest ik het voor hem aan haar geven. Als ik dat deed, bloosde Janneke, maar ze maakte er nooit een opmerking over. Ze zweeg ook toen Hans naar huis werd gestuurd, nadat hij haar initialen in het werkblad van zijn tafeltje had gekerfd. Hij was verliefd.

Op een woensdagmorgen verscheen Hans niet op school. Heel bijzonder was dat niet. Er kwamen wel vaker kinderen niet naar school, want het liep tegen het einde van het laatste schooljaar en les werd er nauwelijks meer gegeven. Binnenkort zouden we allemaal onze eigen kant op gaan, andere levens beginnen. Toen ik thuiskwam stond mijn moeder op het punt om de deur uit te gaan. "Ik ga naar tante Ans," zei ze. "Je ­boterham staat op het aanrecht."

Een uur later besloot ik naar Hans te gaan. Hij had natuurlijk geen zin gehad om naar de school te komen en gezegd dat hij ziek was. Deed ik zelf vaak genoeg, maar nu zou hij vast wel weer beter zijn. Langs de gracht liep ik naar de straat waar Hans woonde. In zijn portiek belde ik aan. Een paar tellen later hoorde ik zijn moeders stem door de huis­telefoon vragen wie er was. Ik noemde mijn naam. Na een korte stilte zei ze dat ze opendeed, ik moest even wachten.

Blote nek
Ik overwoog weg te rennen, maar bleef staan tot de deur openzoemde. Langzaam liep ik de trappen op. Ik was bang zonder te weten waarvoor ik bang moest zijn. De deur stond op een kier. Ik zag de vlakte van de glanzende parketvloer die geheel verlaten op mij leek te wachten. Ik duwde de deur verder open en ging naar binnen.

De huiskamer leek verlaten. Hans was er niet, maar plotseling zag ik zijn moeder. Ze stond in de hoek naast het raam, haar neus tegen de wand gedrukt, haar handen langs haar lichaam gestrekt, zoals wij in de klas moesten staan als we straf hadden. Ze had haar haar opgestoken, zag ik, ik zag haar blote nek. Ze stond doodstil. In paniek draaide ik me om en rende de kamer uit, de trappen af, de straat op.

Hans keerde niet terug op school. Hij ging bij zijn vader wonen in Den Haag. Een half jaar later kwamen zijn vader en hij om bij een auto-ongeluk, waarvan ik de details nooit heb vernomen. Janneke Veldman ben ik vijfendertig jaar later een keer tegengekomen. Ze had nog steeds oortjes. Toen ik haar vertelde hoe verliefd Hans van den Berg op haar was geweest, reageerde ze verbaasd. "Onbegrijpelijk dat je daar nooit iets van gemerkt hebt," zei ik. "Je moest eens weten," zei ze, "hoe verliefd ik op jou was, toen."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden