Column

De stad was ver, de man vreemd, maar hij bood haar vast een beter leven dan hier

Beeld Floris Lok

In de krant las ik hoe de soennitische terreurorganisatie Isis de ene na de andere stad in Irak veroverde. De krant sprak over massa-executies, onthoofdingen en lijfstraffen, en ook hoe je die opliep: als je baard verkeerd zat of je niet precies wist hoe vaak je moest knielen in een gebed had je een probleem. Daarna zag ik op internet een film waarbij Isis-strijders in een open veld achter een man aanreden en op hem schoten. Hij smeekte nog, het hielp niet.

En ineens dacht ik aan Nadijah. Of beter gezegd, aan haar moeder, die ik een half jaar geleden ontmoette in een Syrisch vluchtelingenkamp in Irak. In de hete zon zag ik eindeloze rijen witte tenten; de verveling, frustratie, weemoed en woede waren bijna tastbaar. Er waren nauwelijks sanitaire voorzieningen, hoogzwangere vrouwen zaten met doffe ogen bij elkaar en de tolk vertelde over onverholen racisme, want ook in vluchtelingenkampen zijn zigeuners de gebeten hond.

Vrolijk werd ik er niet van. Tot ik Ala ontmoette, een Syrische vrouw met een enorme boezem, stug bruin haar en kleine, fonkelgroene pretogen. Gehurkt voor haar tent roerde ze in een pan, en terwijl haar jongste dochter zich verschool achter haar rokken, nodigde ze ons uit om te komen eten. 'Kom,' riep ze naar de tolk, 'er is genoeg!' Dat was niet waar maar ze meende het wel, en voor we het wisten zaten we in de tent en dronken we kippensoep uit kleine tinnen kommen. Toen we vroegen hoe oud ze was, maakte ze een jolig gebaar. 'Hou het maar op ergens in de veertig.'

Samen met haar man en vier dochters waren ze een jaar eerder aangekomen in het kamp. Berooid, bestolen, ont-eerd en opgejaagd, maar in elk geval samen. En dat bleven ze, tot een week geleden.

En dat bleven ze, tot een week geleden. Want toen had een klusjesman uit Mosul zijn oog laten vallen op hun vijftienjarige dochter Nadijah. Aanvankelijk hadden ze er niet aan moeten denken, hun dochter mee naar Mosul, dacht het niet, hij zocht maar een ander. Maar al snel begon het te knagen. Want wat konden ze haar zelf bieden? Wanneer konden ze terug naar Syrië, over een jaar, drie jaar, nooit meer? Viel niet de ene na de andere puber ten prooi aan gefrustreerde mannen in het kamp? En móchten ze Nadijah hier wel houden, een jonge vrouw die zo graag wilde leren, lachen, léven? En dus ging ze, mee naar Mosul.

De stad was ver, de man vreemd, maar hij bood haar vast een beter leven dan ze hier had. Maar het missen werd er niet minder om. Vanachter een deken toverde Ala haar dochter tevoorschijn, een mooie griet op een verfomfaaide foto, dezelfde sterke trekken, dezelfde pretogen. Ala: 'Ze is nu veilig, insjallah.'

Dat wás ze, misschien. Maar nu? Waren Nadijah en haar man wel soenniet? Wisten ze hoe vaak ze moesten knielen? Liepen ze in de pas, hielden ze hun mond, deden ze wat hun werd gevraagd? Ik kende Nadijah niet, maar die ogen fonkelden niet voor niks.

Zo'n honderd Nederlandse jihadisten vechten ondertussen mee met Isis. Ik las het in de krant en schaamde me dood.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden