Plus

De rummikupclub in Buitenveldert: 'Wat was de vraag ook alweer?'

In hun tiende decennium wonen meneer Van Beem, Dolfing en Heeneman nog zelfstandig, en aan klagen doen ze niet. Maar sinds hun vrouwen zijn weggevallen, zien de dagen er toch heel anders uit. Paul Teunissen rummikupt een middag mee in Buitenveldert.

Vlnr: meneer Dolfing (91), Van Beem (92) en Heeneman (94) Beeld Marc Driessen

Elke woensdagmiddag komen ze bij elkaar. Het breekt de week een beetje. Deze keer is het bij Van Beem, die 92 is en met een hardnekkige verkoudheid zit. "Niet naar buiten gaan hoor," zegt Dolfing (91). Op hun leeftijd wordt dat zo een longontsteking. Dan ga je gevaar lopen.

Dolfing moet er niet aan denken dat een van de anderen wegvalt. Wordt het kringetje weer kleiner. "Je kunt met zijn tweeën rummikuppen, maar daar is niet zoveel aan."

Ouders, broers en zussen, ze zijn er niet meer. De dansclub is vrijwel helemaal weggevaagd. Collega's en oude vrienden ook. Ze zijn de laatsten der Mohikanen.

Toen hun vrouwen nog leefden, konden ze het verhapstukken. Spraken ze er samen over. Beurde de een de ander een beetje op. Nu hoor je het en blijft het hangen. Die ook al.

"Vorige week sprak ik hem nog op het plein."

"Dat zal je niet meer gebeuren."

Er zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, een hele stamboom hebben ze achter zich aan lopen, maar dat is anders dan met mensen van hun eigen leeftijd.

"Je kunt zo honderd worden," zeggen die van de jongere generatie soms tegen Van Beem. Het is goed bedoeld, dat begrijpt hij wel. Maar honderd, godsamme.

Hij kent er wel een paar in de buurt. Van die echt oude mannetjes. Twee of drie. Die ziet hij soms in zichzelf gekeerd voorbijsjokken.
"Dan wordt de spoeling wel erg dun, hoor."

Hongerwinter
Dolfing drinkt er twee glazen witte wijn bij. Heeneman, met 94 de oudste van het stel, een biertje met een paar borrels. Van Beem houdt het bij druivensap. Wat worst en kaas voor de trek. Gewoontes diep ingesleten, als de Grand Canyon.

Als ze willen beginnen, gooit Heeneman tot twee keer toe zijn bord met steentjes omver. Zijn vingers gaan ervan trillen. "Het is die gladde tafel."

In de tijd dat ze nog met hun vrouwen speelden, had Van Beem er een kleed op. Maar iemand gooide er een glas jus d'orange overheen. Dat had hij er nooit meer uitgekregen.

Heenemans' vrouw kwam als klein meisje in de Hongerwinter bij Van Beem eten, omdat zij bij haar thuis niets hadden. Zo hebben ze elkaar leren kennen. Dolfing en Heeneman kwamen in de jaren vijftig bij elkaar te wonen, toen ze in Slotermeer die nieuwe wijk bouwden.

De gevallen stenen rapen ze net zo makkelijk onder de tafel vandaan. Ze zijn nog snel in de benen voor een bezoek aan het toilet. Kwieke kerels, die het nieuws nog bijhouden. Ze wonen op zichzelf, in Buitenveldert, een paar blokken van elkaar vandaan. Ze hebben geen thuiszorg.

Hun woningen zijn spic en span. Het meeste doen ze zelf. Behalve Heeneman. Zijn dochter haalt de boodschappen voor hem. Ze was lerares maar is nu gepensioneerd en heeft er de tijd voor. Dat krijg je als je zo oud wordt dat je eigen kinderen met pensioen gaan.

Als ze de keukentrap op moeten om iets van de kast te pakken, doen ze het ook. Dolfing heeft aan zijn kinderen moeten beloven dat hij het zal laten. Een smak is zo gemaakt. Laatst overkwam het Heeneman. Had hij het kastdeurtje in zijn val meegesleept. Zat zijn hele hoofd onder het bloed. Hoe het gebeurde, weet hij niet meer. Zijn dochter is toen gekomen. Of misschien was het zijn zoon wel. "Wat was de vraag ook alweer?"

Van de zomer is Dolfing, de sterkste van de drie, op zijn nieuwe elektrische fiets naar het IJ geweest, naar zijn podoloog voor nieuwe steunzolen. Met een nette snelheid van rond de twintig, maar voor hem reden ze twaalf en van achteren kwamen ze met een noodvaart voorbij. Op de Nassaukade met al dat verkeer.

Niet één denkt: we zullen eens een beetje voorzichtig met die oude man omgaan. Het is ieder voor zich. Door rood rijden ze net zo hard als door groen. Dat was hem slecht bevallen.

De stad is geen plek meer voor ze. Ze komen er eigenlijk nooit meer. Vroeger wel. Dolfing werkte bij de Vuilafvoermaatschappij op de Stadhouderskade. In veertig jaar tijd was hij er van kantoorklerk opgeklommen tot in de directie. Heeneman fietste dagelijks langs het Leidseplein naar de rechtbank op de Prinsengracht. Daar was hij adjunct van de financiële administratie.

"Nog een wonder dat ze nooit failliet zijn gegaan," zegt Van Beem, de meeste getapte van de drie. Dat is er ingesleten in de 36 jaar dat hij die melkzaak in de Rivierenbuurt had. Je kon niet chagrijnig achter de toonbank staan, want dan kwamen ze niet terug. De zaak stond altijd vol met vrouwen. Die moest ie zoveel mogelijk zien te verkopen.

Vroeg er een: "Melkboer, heb u engelenhaar?"

"Nee, mevrouw, ik heb melkboerenhondenhaar." Lag de hele zaak plat.

"Wat heb jij met die vrouw van Gerrits?" vroeg zijn vrouw weleens. "Ik zie d'r zo naar je kijken."

Dit soort dingen vertelt Van Beem graag. Je moet de sjeu erin houden. Dat is hard nodig op zijn leeftijd.

Cirkelzaag
De ouderdom komt met gebreken. Van Beem heeft het aan zijn handen. Mensen kijken altijd naar zijn rechter, met die grote bult erop, alsof er een tennisbal onder zijn huid zit. Jicht. Het zit ook in zijn vingertoppen, zodat hij steeds minder voelt. Maar zijn linkerhand is er pas echt beroerd aan toe. Hij kan er niets meer mee.

Voor het eten schuift hij met zijn rechterhand een vork in die linker, knijpt hem samen en zo snijdt hij het vlees. Bewerkt door een cirkelzaag, in de oorlog. Ja, die oorlog. Daarover straks meer.

Meneer Heeneman: 'Klagen? Je kunt het niet maken, voor je familie' Beeld Marc Driessen

Heeneman heeft het aan zijn hart. Een pacemaker moet hem op gang houden, maar zijn aorta is dichtgeslibd en er is nog maar een kleine opening waar het bloed doorheen kan. Hij moet langzaam lopen en niet te ver, maar verder dan de woningen van Dolfing en Van Beem gaat hij toch niet.

Zijn oude cardioloog is met pensioen. Nu heeft hij een jonge vent die hem wil opereren. Ze brengen een apparaatje aan een slang in zijn lichaam, blazen een ballonnetje op in zijn aorta en vegen die helemaal schoon, zegt die ongetwijfeld heel geleerde jongeman.

Heeneman denkt dat hij het maar zal laten. Moet hij zich op zijn 94ste nog laten opereren? Wat als er complicaties zijn en hij ongelukkig uit de narcose komt?

Dolfing heeft wat blaasproblemen, maar verder mag hij niet klagen. Zijn dokter noemt hem een levenskunstenaar. Hij loopt erbij als een vent van 65. Rijdt nog auto. Dat was nog even spannend geweest, toen hij anderhalf jaar geleden op moest voor de rijtest. Rechtuit ziet hij nog wel goed, maar alles aan de zijkant is krom en wazig.

Bij de ogentest had hij de oplichtende knopjes voor zich netjes ingedrukt, maar die links en rechts allemaal over het hoofd gezien. Maar hij was geslaagd. Kan hij nog met de auto naar familie in Drenthe. 170 kilometer heen en dezelfde dag ook die afstand terug. Het gaat prima. Hij zal ermee stoppen zodra hij denkt: nou, dat ging nog maar net goed.

Kaars
Wat moet je doen om zo goed oud te worden als zij? "Sterke genen hebben."

Een regelmatig leven leiden. Niet te veel drinken. De keren dat ze dronken zijn geworden, zijn op een hand te tellen. En bij dezelfde vrouw blijven. Van Beem was 61 jaar getrouwd. Heeneman en Dolfing ook meer dan zestig. Dan krijg je de felicitaties van de koning. De vrouw van Van Beems beste vriend hadden ze ook gebeld. "Mijn man is al drie jaar dood," had ze geantwoord.

"Dat was blijkbaar niet in de administratie verwerkt," zegt Van Beem met zijn ronkende Sonneveldstem.

Verder moet je gewoon veel geluk hebben. Sommigen moeten kort na hun pensioen ergens aan worden geholpen en worden nooit meer de oude. Van Beem is twee keer zou oud als zijn eigen zoon geworden. 46 was die. Hij stond te vlaggen bij het voetbal van zijn zoontje. Die zag het gebeuren. "Wat doet papa nou?" Het is Van Beems grootste verdriet.

Nog elke week gaat hij naar zijn graf. Haalt hij de oude kaars weg en zet een nieuwe neer. Een paar dagen later komt zijn schoondochter en steekt de kaars aan. Dat is het ritueel. Ze hebben nooit goed met elkaar overweg gekund. Dan moet het maar zo. Soms ziet hij dat de kaars niet is aangestoken. Ze is zeker met vakantie, denkt hij dan.

Van Beem ziet ze weleens naar hem kijken. "Staat hij nou nog rechtop?"
Zijn tijd is wel bijna om natuurlijk.

"Soms denk je: het is niet eerlijk," zegt Heeneman. Zijn vrouw was acht jaar jonger dan hij. Ze dachten altijd dat hij eerder zou gaan, maar het is anders gelopen.

Overlevers zijn het. Je zult ze niet horen klagen.

"Van klagende oude mensen moeten ze niets hebben," zegt Van Beem.

"Je kunt het niet maken, voor je familie," vindt Heeneman.

Begrafenis
"Heb je het gehoord van onze vriend uit Diemen? Die had een zwarte teen. Nu is zijn hele been geamputeerd," zegt Dolfing. "Suiker."

De vrouw van een ander is het achter de ogen geslagen. "Die ziet helemaal niets meer."

"Als mij dat overkomt, dan hoeft het niet meer," zegt Van Beem, die ook een beetje suiker heeft.

Hij is bang dat hij op een ochtend zijn halve lichaam niet meer zal voelen en de rest van zijn leven zal moeten worden geholpen.

"Daar moet je niet zo over piekeren," zegt Dolfing. Zelfs heeft hij ook heus die momenten. Dan spreekt hij zichzelf toe. Kijk maar de andere kant op, naar wat je allemaal nog wel kan.

Als Heeneman 's ochtends wakker wordt, denkt hij: ik ben er nog. Dan heeft zijn dochter tenminste niet die sores. Want er moet heel wat geregeld worden. Een enkele keer begint hij er tegen haar over, hoe hij zijn begrafenis voor zich ziet. Maar ze luistert niet naar zijn hele verhaal. "Ach, pa, dat is nog lang niet aan de orde."

"Je moet je er geen zorgen over maken," zegt Dolfing. "Dat gaat vanzelf als het eenmaal zover is."

Vreemde handen
Een jaar geleden had Dolfing bedacht om weer samen te gaan rummikuppen, zoals ze altijd met hun vrouwen hadden gedaan. Het was zes weken na het overlijden van zijn vrouw. De eerste week had hij met hoge koorts op bed gelegen. Daarna was hij nog wekenlang doodmoe geweest. Zijn huisarts had gezegd dat het normaal was.

"Is het de lichamelijke reactie op het verlies?"

"U heeft anderhalf jaar lang op uw tenen gelopen bij het verzorgen van uw vrouw." Die was gaan dementeren. Heel geleidelijk, elke maand een klein beetje meer, zodat hij dacht dat het de leeftijd was. Maar na een onderzoek vertelde de arts dat het goed mis was.

Langzaam maar zeker had hij alles van haar overgenomen. Moest hij haar aan- en uitkleden. Ze wilde niet door vreemde handen worden geholpen. Als hij voor boodschappen de deur uit moest, beloofde hij binnen een half uur terug te zijn. Reed hij naar het plein en rende van winkel naar winkel.

Soms was hij langer weg. "Sorry dat ik zo laat ben."
"Je bent nog mooi op tijd," zei ze dan.

Meneer Van Beem: 'Honderd worden, godsamme' Beeld Marc Driessen

Na zes weken was de vermoeidheid voorbij. Dacht hij: en wat nu? Hij kon in bed gaan liggen kniesoren. Maar wie was daarmee geholpen? Zijn vrouw had gewild dat hij de draad zou oppakken. Zijn kinderen ook. Daarom had hij Van Beem en Heeneman gebeld. Hoe ze het zouden vinden om weer te gaan rummikuppen.

Bezoekuur
Over het verlies van hun vrouwen praten ze normaal niet met elkaar. Hooguit zegt er een: "Weet je nog dat we naar dansles gingen met onze vrouwen?" Ja, dat weten de anderen nog wel.

Ze troosten zich met de gedachte dat de anderen hetzelfde hebben moeten ervaren. Van Beem kwam als eerste alleen te staan. Vijf jaar geleden. Hij weet het nog precies. De dokter vertelde dat ze haar die middag maar aan de morfine wilden doen. Zijn vrouw begreep het. "Ik wil die ene jurk aan. Hij ligt links boven in de kast," zei ze tegen hun dochter. "Je vader moet zijn blauwe pak aan."

Aan twee neefjes die afscheid kwamen nemen, vroeg ze of ze de kist wilden helpen dragen.

Ze was niet kleinzerig. "Het gemis wordt niet minder. Eerder meer. Je wordt zelf hulpbehoevender."

"Dat zijn twee verschillende dingen. Je hebt het gemis van je vrouw, én je eigen zorg," zegt Dolfing.

"Toen ik de dag erna wakker werd en door het raam keek, alle fietsers en auto's voorbij zag gaan, dacht ik: er is helemaal niets veranderd," zegt Van Beem.

"Elke ochtend als ik naast me keek, was het een schok," zegt Dolfing.
Ze praten zoals veel mannen met elkaar praten. Horen de ander aan. Geven een kort advies en vertellen dan het hunne.

Als Heeneman aan zijn vrouw denkt, wordt hij stil en zoekt naar woorden, terwijl er een laagje vocht op zijn ogen komt. "Neemt u me niet kwalijk." Het is bijna twee jaar geleden, maar nog steeds kijkt hij soms naar die bank en denkt hij: ze is er niet meer.

Hij had haar niet meer kunnen spreken op het eind. Had haar zo graag nog wat gezegd. Midden in de nacht was hij gebeld en met zijn zoon, die arts is, naar het ziekenhuis gegaan. Die had ervoor gezorgd dat het speeksel niet in haar mond bleef steken. Ze was al te ver heen om nog iets te zeggen.

Heeneman dacht dat ze haar opnamen om nog iets te proberen. Elke bezoekuur ging hij bij haar langs, maar na het laatste bezoekuur moest hij naar huis en bleef zij daar. Ze hadden haar niet meer kunnen helpen. Dan had ze toch net zo goed thuis kunnen blijven?

Alles is sindsdien veranderd. Zijn auto heeft hij weggedaan. Eerder ging hij nog weleens met haar naar buiten. Dan was ze er even uit. Liepen ze een rondje door het Amstelpark. Langs de rododendrons.

"Wat bloeien ze mooi dit jaar, hè."

"Ja. zeker."

Nu ze er niet meer is, gaat hij niet meer wandelen. Soms gaan zijn gedachten de verkeerde kant op. Denkt hij weleens dat het voor hem voorbij mag zijn.

Kerkgang
Van Beem denkt dat zijn verkoudheid zondag nog niet over zal zijn, dus met de kerkdienst wordt het niks. De buurvrouw van 95 die altijd met hem meegaat, heeft zelf afgebeld. Een longontsteking.

Heeneman, die met de rollator van zijn vrouw naar Van Beem loopt en meerijdt, vindt het niet zo erg. Vroeger kon hij zich een preek weken later nog letterlijk herinneren, maar tegenwoordig is hij deze al vergeten zodra hij de kerk verlaat. Het is niet meer zo belangrijk.

Hij zou willen dat het anders was. Dat hij sterker kon geloven. Toen hij jong was, was er geen reden om te twijfelen, maar tegenwoordig weten ze zo veel dingen over de kosmos en alles. Dat maakt geloven lastig. Het doet hem verdriet.

"Je bent niet de enige hoor," zegt Dolfing.

Voor Van Beem is de kerkgang al lang niet meer dan een gewoonte. Waarom zou hij daar op zijn leeftijd nog van afstappen? "Weet je wanneer het geloof sterk was?"

In de oorlog, in Duitsland, toen de geallieerden hun bommen afwierpen en hij met al die jonge gasten in een schoollokaal schuilde. Zag hij ze staan. De jongens die altijd zo'n grote mond hadden. De ene helft, de protestanten, prevelde een gebed. De andere helft, katholiek, sloeg zijn kruisjes.

Jeugdstorm
Ze spelen en vertellen over de oorlog. Toen die begon waren ze al jonge kerels. Keken de oorlog recht in de ogen. Als Van Beem begint, leunen de anderen achterover. Die weten dat het lang gaat duren. Het verhaal kennen ze al, maar onderbreken doen ze de ander niet. Zo zijn ze opgevoed.

Hij zag ze marcheren, de Duitsers in hun goed gesneden uniformen, over de Berlagebrug. Machtig mooi was dat. En even had hij, jong als ie was, spijt dat ie zelf geen Duitser was.

En de Jeugdstorm. Weet je hoe dat eruitzag, en de heroïsche liedjes die ze zongen. Ze kregen limonade en liepen zo mooi in het gelid. "Wat sta je daar nou te kijken," zei Dolfings vader dan.

Heeneman en Van Beem moesten naar Duitsland. Het is hun meest vertelde verhaal. Als ze erover vertellen, dansen hun oude handen op de melodie van hun herinnering.

Er is heus van alles in hun leven gebeurd. Ze hebben kinderen en kleinkinderen gekregen. Miskramen, overspannenheid, promoties en prachtvakanties, maar door die oorlog kwamen ze in situaties terecht die je alleen in avonturenfilms ziet.

Heeneman was na zijn ziekteverlof niet meer teruggegaan, maar ondergedoken. Ze hadden hem gevonden. Zou hij met acht anderen in de vrachtwagen naar het concentratiekamp in Amersfoort gaan. Maar een zwager betaalde grof geld zodat, toen die vrachtwagen vertrok, Heeneman ernaast kon blijven staan. Wat er met die anderen is gebeurd, is hij nooit te weten gekomen.

Van Beem werkte op een Duitse mijn en werd om zijn jongensachtige gezicht door een vrouw meegenomen. Zo'n jochie tussen al die woeste kerels vond ze maar niks. Mocht hij de vrouw Mutti noemen en de zoon Bruder.

Twee jaar had hij bij ze gewoond. Hij moet voorzichtig zijn het te zeggen, maar het was een mooie tijd. Die mensen is hij altijd blijven zien. Tot een paar jaar terug reed hij er geregeld heen. Nu niet meer, want er is niemand meer over.

Dolfing heeft ook een oorlogsverhaal, van twee dagen voor die oorlog voorbij was. Hij stond na de avondklok nog buiten op het land, in Drenthe. Dacht dat het zo'n vaart niet meer zou lopen. In de verte hoorde hij de kanonnen van de Canadezen al tekeergaan. Maar die veldwachter dacht er anders over en was op hem gaan schieten.

"Heb ik alles wat er gebeurde in de oorlog wel goed aan u uitgelegd?" vraagt Heeneman. "Het luistert heel precies."

Jeugdige uitstraling
Van Beem hoest nog eens flink. Nu met die verkoudheid wordt hij vertroeteld door een paar vrouwen in zijn flat. Vanmorgen kwam die Surinaamse van boven hem thee brengen. Aardige vrouw van 69. Daarnet was die stewardess even aan de deur. Ze is 65 en zat op de lange vluchten van de KLM. Die weet wel wat er te koop is.

Het is zijn jeugdige uitstraling, zegt Van Beem, die een Paul Newmanglimlach opzet. Een beetje de bon vivant spelen, noemt hij het. Dat deed het altijd goed in zijn melkzaak.

Alles werkt nog. Zijn vrouw liet hem de laatste jaren nog weleens zijn gang gaan. Van haar hoefde het niet meer zo nodig, denkt ie, maar ze wilde hem zijn pleziertje niet ontnemen.

Het gevoel is er nog en het verlangen ook. Laatst had hij wat vriendelijke woorden tegen een vrouw gezegd. Hij moet ermee uitkijken. "Straks beland je nog met elkaar in bed."

Moet hij tegen zijn kleinkinderen zeggen: "Opa heb een nieuwe vriendin." En dat voor zo'n klein beetje plezier? Hij zou het niet eens kunnen. In zijn hele leven is hij maar met één vrouw naar bed geweest. Als hij het tegen een jonger iemand zegt, valt de mond open.

Meneer Dolfing rijdt nog steeds auto. Een levenskunstenaar, noemt zijn dokter hem Beeld Marc Driessen

Hij heeft de kans wel gehad. In Duitsland had je aan het eind van de oorlog vijf keer zoveel vrouwen als mannen. Die vrouwen werden heel brutaal. "Wenn du morgen bei mir kommst, hast du eine sturmfreie Bude," zei zo'n meisje. Zou ze, zeg maar, alle deuren voor hem openzetten.

Hij was er maar niet op ingegaan. Voor je het wist, kwam je na de oorlog thuis met een zwangere Duitse vrouw. Had je heel wat uit te leggen.

Het is fijn als vrouwen op hem reageren. Het geeft het gevoel dat hij nog een beetje meedoet. Maar tot de woonkamer en niet verder.

Grijze brij
Voorlopig rooien ze het nog, Dolfing, Van Beem en Heeneman. Ze leven in hun tiende decennium. Anderen denken soms dat zij, als vanaf een bergtop, hun leven kunnen overzien. Een helder beeld hebben van de verschillende periodes: de echte crisisjaren dertig, de wederopbouw, die hippietijd en zo verder.

Zo is het niet. Het is een grijze brij van gebeurtenissen. Zoals hun leven dat ook was. Dat is trouwens in een razende vaart voorbijgegaan.
Geen grote levenslessen. "Je probeerde je te redden." Dat is wat ze nog elke dag doen.

Om half zes nemen ze afscheid van elkaar. Heeneman duwt de rollator voor zich uit. Thuis gaan ze eten. Dolfing maakt verse worst met snijbonen voor zichzelf. Heeneman zet een pakketje stamppot in de magnetron. En Van Beem krijgt misschien wat gebracht door een van de vrouwen in zijn flat. Ze spreken af elkaar volgende week woensdag weer te zien. Plannen verder in de toekomst maken ze niet. Dat is de goden verzoeken.

Heeneman blijft op tot alle tv-programma's zijn afgelopen, want in bed gaat hij maar liggen piekeren. Morgen wordt hij weer wakker, waarschijnlijk. "Ik ben er nog."

Als hij er niet meer zal zijn, troost hij zich met de gedachte dat hij bij zijn vrouw zal komen te liggen. Net als de andere twee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden